id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.561 Rolnummer: A. 237989/XII-9305 Zaak: Arrest 255561 - Overheidsopdrachten - 24/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-25 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 08:15 Fiche Arrest nr 255.561 van 24 januari 2023 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 255.561 van 24 januari 2023 in de zaak A. 237.989/XII-9305 In zake: de NV PPP-APS GROUP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Antwerpen (Edegem) Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: LIJNCOM, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo, Louise Janssens en Sven Frankard kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3, bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV 3MOTION bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 21 december 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de nv LijnCom van 6 december 2022 waarbij de overheidsopdracht XII-9305-1/25 met als voorwerp het sluiten van een raamovereenkomst voor ‘drukwerk – logistiek – kleefwerk’ wordt gegund aan de bv 3Motion. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 3 januari 2023 heeft de bv 3Motion gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2023. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Frank Judo en Sven Frankard, die verschijnen voor de verwerende partij, en advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit met als voorwerp het sluiten van een raamovereenkomst voor ‘drukwerk-logistiek- kleefwerk’. XII-9305-2/25 De opdracht wordt geplaatst met een onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging overeenkomstig artikel 38, § 1, 1°, c), van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016). De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.2. In de selectieleidraad wordt onder punt I.4, dat betrekking heeft op de ‘Plaatsingsprocedure’, het volgende bepaald: “Overeenkomstig artikel 38, § 1, 1°
- c)(voorafgaande onderhandelingen noodzakelijk wegens specifieke omstandigheden) van de wet van 17 juni 2016, wordt de opdracht gegund bij wijze van de mededingingsprocedure met onderhandeling. De aanbestedende overheid behoudt zich het recht voor de opdracht te gunnen op basis van de initiële inschrijvingen zonder onderhandelingen te voeren. Het staat LijnCom vrij om tijdens de onderhandelingen, of op enig ander moment, toelichting te vragen aan de inschrijver bijvoorbeeld betreffende eventueel abnormaal hoge of lage prijzen, procedures, materialen. De inschrijver dient op afdoende wijze te antwoorden op de gevraagde verantwoording(en).” 3.3. Drie ondernemingen dienen een aanvraag tot deelneming in, waaronder de nv PPP-APS Group (verzoekende partij) en de bv 3 Motion (tussenkomende partij). Op 22 september 2022 worden de drie kandidaten geselecteerd voor deelname aan de plaatsingsprocedure. 3.4. Samen met de uitnodiging tot indiening van een eerste offerte ontvangen de kandidaten het initiële bestek met referentie LC/2022/0. Onder punt I.1, ‘Beschrijving van de opdracht’, van het bestek wordt de opdracht als volgt omschreven: XII-9305-3/25 “Voorwerp van deze diensten: Drukwerk, logistiek, kleven & ontkleven in het kader van de activiteiten van LijnCom. Toelichting: Dit dossier betreft het afsluiten van een raamovereenkomst voor het vervaardigen (drukwerk), leveren, kleven en ontkleven van reclamedrukwerk op de voertuigen van De Lijn. De opdracht is onder te verdelen in 3 hoofdelementen: 1. Drukwerk van reclamestickers volgens afgesproken materiaal. De technische specificaties van de te gebruiken materialen staan vermeld in Bijlage H technische vereisten 2. Logistiek van het drukwerk naar de verschillende stelplaatsen over héél Vlaanderen 3. Kleving en ontkleving van de reclamedragers Plaats van dienstverlening: Verschillende stelplaatsen van De Lijn en de verschillende pre-metrostations in Antwerpen (zie lijst in bijlage D: stelplaatsen en pre-metrostations).” Onder punt I.3, ‘Plaatsingsprocedure’, wordt het volgende herhaald: “Overeenkomstig artikel 38, § 1, 1°
- c)(voorafgaande onderhandelingen noodzakelijk wegens specifieke omstandigheden) van de wet van 17 juni 2016, wordt de opdracht gegund bij wijze van de mededingingsprocedure met onderhandeling. De aanbestedende overheid behoudt zich het recht voor de opdracht te gunnen op basis van de initiële inschrijvingen zonder onderhandelingen te voeren.” Onder punt I.10, ‘Gunningscriteria’, worden de volgende gunningscriteria vermeld: 1. Prijs (55 punten) a. Prijs productiekost en prijs voor extra versie (35 punten) b. Prijs kleven en prijs ontkleven (20 punten) 2. Duurzaamheid (15 punten) 3. Kwalitatieve technische criteria (15 punten) 4. Service (15 punten): SLA, rapportering, communicatie, plan van aanpak 3.5. De drie geselecteerde ondernemingen dienen elk een offerte in. Met afzonderlijke mailberichten van 18 oktober 2022 worden de drie inschrijvers uitgenodigd om op 10 november 2022 hun offerte te komen toelichten. XII-9305-4/25 Na de presentaties van de offertes, stuurt de verwerende partij op 15 november 2022 een aangetekende brief aan de verzoekende partij. Daarin stelt zij een aantal vragen ter verduidelijking van haar offerte. Zij vraagt ook om een prijsverantwoording voor de inschrijvingsprijs en de eenheidsprijzen van een aantal posten, met verwijzing naar artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017). Dezelfde dag stuurt de verwerende partij ook een aangetekende brief aan de tussenkomende partij. Daarin vraagt zij om een prijsverantwoording voor de inschrijvingsprijs en de eenheidsprijzen van een aantal posten, ook hier met verwijzing naar artikel 36 van het koninklijk besluit plaatsing 2017. De verzoekende partij bezorgt de gevraagde verduidelijkingen en een prijsverantwoording. Uit dit vertrouwelijk stuk, dat de Raad van State heeft kunnen inzien, blijkt dat de verzoekende partij haar eenheidsprijzen bevestigt. Ook de tussenkomende partij bezorgt een prijsverantwoording. Uit dit vertrouwelijk stuk, dat de Raad van State eveneens heeft kunnen inzien, blijkt dat de tussenkomende partij sommige eenheidsprijzen bevestigt en andere eenheidsprijzen aanpast. 3.6. Op 30 november 2022 wordt een verslag van nazicht van de offertes opgesteld door de ontwerper. De drie offertes worden als regelmatig beschouwd. Onder het opschrift ‘Historiek’ wordt, wat de tussenkomende en de verzoekende partij betreft, het volgende vermeld: Nr. Naam Historiek 1 3 MOTION Op 10/11/2022 heeft er met de inschrijver een gesprek plaatsgevonden dit is doorgegaan in de kantoren van XII-9305-5/25 LijnCom Heusdenbaan 46, 9090 Melle. Tijdens het gesprek werden vragen gesteld over de offerte. De inschrijver kreeg de kans zijn offerte voor te stellen of te verduidelijken. Op 15/11/2022 werd aan de inschrijver via mail en aangetekend schrijven een verantwoording gevraagd ivm een aantal ingediende prijzen en dit naar aanleiding van de controle abnormale prijzen. De inschrijver heeft tijdig geantwoord. In de gunning werd rekening gehouden met zijn antwoord, prijzen werden waar nodig aangepast. 2 […] […] 3 PPP-APS Op 10/11/2022 heeft er met de inschrijver een gesprek GROUP plaatsgevonden dit is doorgegaan in de kantoren van LijnCom Heusdenbaan 46, 9090 Melle. Tijdens het gesprek werden vragen gesteld over de offerte. De inschrijver kreeg de kans zijn offerte voor te stellen of te verduidelijken. Op 15/11/2022 werd aan de inschrijver via mail en aangetekend schrijven een verantwoording gevraagd ivm een aantal ingediende prijzen en dit naar aanleiding van de controle abnormale prijzen en een aantal vragen ter verduidelijking van de ingediende offerte. De inschrijver heeft tijdig geantwoord. In de gunning werd rekening gehouden met zijn antwoord, prijzen werden waar nodig aangepast. De globale beoordeling aan de hand van de gunningscriteria resulteert in de volgende rangschikking van de offertes: “Finale rangschikking regelmatige offertes (gerangschikt volgens totale score) Nr. Naam Score 1 3 MOTION 100 2 PPP - APS GROUP 70,75 3 X 66,73 ” Dienvolgens wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bv 3 Motion. XII-9305-6/25 3.7. Op 6 december 2022 keurt de raad van bestuur van de verwerende partij het verslag van nazicht van de offertes goed en beslist hij de opdracht te gunnen aan de bv 3 Motion. Dit is de bestreden beslissing. IV. Tussenkomst 4. De bv 3 Motion blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Rechtsmacht 5. De rechtsmacht van de Raad van State wordt noch door de verwerende partij, noch door de tussenkomende partij betwist. Aangezien de rechtsmacht de openbare orde raakt, onderzoekt de Raad van State ambtshalve of hij rechtsmacht heeft. 6. De bestreden beslissing is genomen door de nv LijnCom, een privaatrechtelijke vennootschap die is opgericht door de nv van publiekrecht Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn en het Vlaamse Gewest. De verwerende partij stelt zichzelf voor als “dochteronderneming van De Lijn”. Volgens de statuten van de verwerende partij bestaat haar doel in “het organiseren, coördineren, commercialiseren en exploiteren van reclame- of andere publicitaire activiteiten in de meest uitgebreide betekenis in, op of rond alle roerende en onroerende goederen die door of in opdracht van de Vlaamse Vervoermaatschappij ‘de Lijn’ worden geëxploiteerd”. Zij wordt bestuurd door een raad van bestuur die bestaat, XII-9305-7/25 benevens de directeur, enerzijds, uit maximum drie leden die worden benoemd op basis van lijsten van telkens twee kandidaten die per te begeven mandaat door de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn worden voorgedragen en die uitsluitend bestaan uit in functie zijnde leden van de raad van bestuur van De Lijn, en anderzijds, uit twee leden die worden benoemd op basis van lijsten van telkens twee kandidaten die per te begeven mandaat door De Lijn worden voorgedragen en die uitsluitend bestaan uit in functie zijnde leden van het management van De Lijn. De raad van bestuur wordt uitgebreid met maximum twee bijkomende leden teneinde de externe deskundigheid binnen de raad van bestuur te waarborgen. 7. Gelet op deze gegevens, neemt de Raad van State in de huidige stand van het geding aan dat hij kennis kan nemen van de voorliggende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing genomen door de verwerende partij, ook al is deze partij opgericht als een privaatrechtelijk rechtspersoon. De verwerende partij lijkt immers te fungeren als verlengstuk van De Lijn, een administratieve overheid. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: rechtsbeschermingswet), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XII-9305-8/25 VII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 9. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 38, §§ 6 en 8, en 66, § 3, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), artikel 36, §§ 1 en 3, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), artikel 4 van de wet overheidsopdrachten 2016 en het uit die bepaling voortvloeiende beginsel van de gelijke behandeling der inschrijvers, het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, de formele motiveringsplicht zoals neergelegd in de artikelen 4 en 5 van de rechtsbeschermingswet. Zij voert ook de ontstentenis aan van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, en machtsoverschrijding. 9.1.1. De verzoekende partij benadrukt in haar toelichting, onder meer, dat de bepalingen van artikel 38, §§ 6 en 8, van de wet overheidsopdrachten 2016 zich ertegen verzetten dat na een eerste evaluatie van de offertes en na kennisname van de inhoud van bijkomende toelichtingen of aanvullingen van de offertes en een gevraagde prijsverantwoording, de aanbestedende dienst zonder meer zelf verbeteringen of wijzigingen aan de offertes aanbrengt. Die bepalingen verzetten zich volgens haar eveneens ertegen dat, eenmaal de onderhandelingen over de initiële offertes zijn aangevat, aan de inschrijvers geen gelegenheid wordt geboden om, na het afsluiten van de onderhandelingsfase, een nieuwe of aangepaste offerte in te dienen. Het gelijkheidsbeginsel vereist bovendien dat, als relevante informatie wordt verstrekt op basis van vragen van één inschrijver, die informatie niet enkel aan die inschrijver wordt bezorgd, maar aan alle inschrijvers, zodat zij weten op welke punten zij hun offerte gericht kunnen verbeteren. Voorts, wat de vraag tot verduidelijking van een bestaande offerte betreft, benadrukt de verzoekende partij dat vragen tot toelichting of XII-9305-9/25 verduidelijking geen aanleiding mogen geven tot het regulariseren of aanpassen van de offertes, en al zeker niet in die mate dat de inhoud van offertes inzake bijvoorbeeld de SLA of de prijszetting wordt gewijzigd. 9.1.2. Met betrekking tot het prijs- en kostenonderzoek, leidt de verzoekende partij uit artikel 36, § 1 en § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 af dat, na onderzoek van de door de inschrijver verstrekte verantwoordingen met betrekking tot de abnormaal lijkende prijzen, de aanbestedende overheid één van de drie beslissingen moet nemen die in artikel 36, § 3, zijn opgegeven. De aanbestedende overheid kan in geen geval aan de betrokken inschrijver toestaan om zijn abnormale prijs aan te passen. Zelfs bij een mededingingsprocedure met onderhandeling – waar het indienen van een verbeterde offerte niet is uitgesloten – moet de aanbestedende overheid het bijzonder prijs- en kostenonderzoek in de regel uitvoeren op de laatst ingediende offertes, waarover niet langer onderhandeld wordt. Zij kan dit onderzoek weliswaar reeds verrichten in een vroeger stadium van de procedure, maar deze modaliteit verhindert niet dat, bij de vaststelling door de betrokken inschrijver dat desgevallend wijzigingen in zijn offerte moeten worden aangebracht, de aanbestedende overheid deze vaststelling niet als een gedegen prijsverantwoording kan beschouwen. De betrokken prijzen kunnen dan evenmin zonder meer worden aangepast. Minstens zou het gelijkheidsbeginsel, gehuldigd in artikel 4 van de wet overheidsopdrachten 2016, in dat laatste geval vereisen dat door alle inschrijvers verbeterde offertes kunnen worden ingediend, na kennisname van een voornemen om de onderhandelingen te beëindigen en een gezamenlijke termijn voor het indienen van nieuwe of verbeterde offertes. 9.2.1. Volgens de verzoekende partij heeft de verwerende partij op 10 november 2022 de onderhandelingen met de inschrijvers over hun initiële offerte aangevat. Vervolgens heeft zij op 15 november 2022 aan de verzoekende partij een nadere verduidelijking over haar offerte en een prijsverantwoording gevraagd, en aan de tussenkomende partij een prijsverantwoording. De verzoekende partij merkt op dat, wat de aan haar gestelde vragen om verduidelijking betreft, deze vragen waren opgesteld in de stijl van een open vraagstelling, zodat zij in werkelijkheid ertoe strekten de offerte verder aan te passen en bij te sturen. Uit het verslag van nazicht van de offertes blijkt dat bij de XII-9305-10/25 gunning rekening werd gehouden met de antwoorden op de vraag tot verduidelijking en/of het prijs- en kostenonderzoek, en dat de prijzen waar nodig zijn aangepast. De verzoekende partij voert aan dat, voorafgaand aan de gunning, geen schriftelijke mededeling is gedaan van die aspecten van de opdrachtdocumenten die werden aangepast in functie van het overleg tussen de aanbestedende dienst en de gekozen inschrijver. Evenmin werd, na het verschaffen van de bijkomende informatie die verder ging dan een loutere toelichting of verduidelijking, aangekondigd dat de aanbestedende dienst voornemens was de onderhandelingen te beëindigen, en werd voor de inschrijvers geen gemeenschappelijke termijn vastgesteld voor het indienen van een verbeterde offerte of BAFO. Op die manier werd aan de tussenkomende partij toegestaan, zonder enige waarborg voor de gelijkheid van de inschrijvers, om haar offerte na de onderhandelingen van 10 november 2022 te wijzigen. De verzoekende partij merkt hierbij op dat niet kan worden geverifieerd welke aanpassingen ten aanzien van de tussenkomende partij werden toegestaan, en binnen welke marges het aan die partij werd toegestaan om naar aanleiding van een vraag tot verduidelijking of prijsverantwoording haar offerte te wijzigen. In die zin worden de voorschriften van artikel 38, § 6 en § 8, van de wet overheidsopdrachten 2016 geschonden. 9.2.2. Met betrekking tot het gevoerde prijs- en kostenonderzoek voert de verzoekende partij aan dat de formele motiveringsplicht is geschonden: “Het is de verzoekende partij volstrekt onduidelijk of de prijsverantwoording daadwerkelijk werd onderzocht en aanleiding heeft gegeven tot een aanvaarding van de prijszetting, dan wel een aanpassing van de prijszetting (hetgeen niet is toegestaan).” In zoverre het prijsonderzoek aanleiding heeft gegeven tot een wijziging van de prijzen, is artikel 36, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 geschonden, aangezien de verwerende partij slechts de keuze had tussen de drie daarin opgenomen beslissingen. Noch een verzoek tot toelichting noch een vraag tot prijsverantwoording kunnen leiden tot een eenzijdige wijziging van de offerte door de aanbestedende dienst. XII-9305-11/25 9.3. Ten slotte merkt de verzoekende partij nog op dat zij belang heeft bij het middel. De enkele vaststelling dat ook zij in de gelegenheid werd gesteld aanvullingen te doen en een prijsverantwoording af te leggen, ontneemt haar het rechtens vereist belang niet. Zij kan immers uit de bestreden beslissing niet opmaken binnen welke marges de tussenkomende partij haar offerte heeft kunnen wijzigen, en welke onregelmatigheden door deze inschrijver werden gerectificeerd. Minstens leidt het gegrond bevinden van het middel tot een nieuwe kans dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld een verbeterde offerte in te dienen. 10.1. In haar nota werpt de verwerende partij in de eerste plaats een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het gebrek aan belang. De aangevoerde onregelmatigheden kunnen immers niet tot de situatie leiden waarbij de verzoekende partij alsnog de economisch meest voordelige offerte zou hebben ingediend. De verwerende partij wijst erop dat, ten gevolge van de aanpassing van de prijzen, de verzoekende partij haar score heeft kunnen verbeteren, terwijl de prijzen van de tussenkomende partij door de aanpassing ervan hoger zijn komen te liggen in de finale rangschikking op het gunningscriterium prijs. Ondanks deze verbetering van de prijzen van de verzoekende partij en deze verhoging van de prijzen van de tussenkomende partij, kreeg deze laatste nog steeds het maximum van de punten voor dit gunningscriterium. Ten overvloede wijst de verwerende partij erop dat met de brieven van 15 november 2022 enkel de verzoekende partij een bijkomende kans kreeg om haar offerte te verduidelijken, terwijl aan de tussenkomende partij enkel een prijsverantwoording werd gevraagd. 10.2.1. Subsidiair, wat de gegrondheid van het middel betreft, voert de verwerende partij aan dat het middel feitelijke grondslag mist. Zij betwist dat er in deze plaatsingsprocedure onderhandelingen werden gevoerd in de zin van artikel 38 van de wet overheidsopdrachten 2016. Met brieven van 18 oktober 2022 heeft XII-9305-12/25 de verwerende partij de drie inschrijvers uitgenodigd om hun offerte louter te komen toelichten. Met haar schrijven van 15 november 2022 heeft zij bovendien aan de verzoekende partij – en enkel aan die partij – de kans gegeven om verduidelijkingen bij haar offerte aan te brengen. Hiermee heeft de verwerende partij gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 66, § 3, van de wet overheidsopdrachten 2016 aan de aanbestedende overheid biedt om een inschrijver uit te nodigen om zijn offerte te verduidelijken, zonder deze te wijzigen of te vervolledigen. Uit niets blijkt dat zij de intentie zou hebben gehad om onderhandelingen te voeren, en al zeker niet met de tussenkomende partij. De inhoud van de offertes is ongewijzigd gebleven. Er is enkel sprake van een toelichting van die offertes. De verwerende partij heeft over de gunning beslist op basis van de initiële offertes. In lijn met artikel 38, § 5, van de wet overheidsopdrachten 2016 heeft zij zich in het bestek het recht voorbehouden om de opdracht te gunnen op basis van de initiële inschrijvingen, zonder onderhandelingen te voeren. De verwerende partij betwist de argumentatie van de verzoekende partij als zouden de vragen opgesteld geweest zijn in de stijl van een open vraagstelling zodat zij in werkelijkheid ertoe zouden strekken de offerte verder aan te passen en bij te sturen. Evenmin blijkt uit de gemotiveerde beslissing of uit het administratief dossier dat de opdrachtdocumenten in functie van het overleg zouden zijn aangepast. Ook werden er naar aanleiding van het bijzonder prijs- of kostenonderzoek geen aanpassingen of wijzigingen aangebracht in de prijszetting van de offertes. Weliswaar wordt in het verslag van nazicht gesteld dat de prijzen “waar nodig” werden “aangepast”. Deze aanpassingen zijn niet het gevolg van vermeende onderhandelingen, maar van het gevoerde rekenkundig nazicht in de zin van artikel 34 van het koninklijk besluit plaatsing 2017. Paragraaf 2 van deze bepaling laat perfect toe dat de aanbestedende overheid een inschrijver om verduidelijkingen vraagt, hetgeen te dezen het geval is geweest. Het is trouwens net de verzoekende partij die een voordeel heeft gehaald uit deze vraag. XII-9305-13/25 Artikel 38, §§ 6 en 8, van de wet overheidsopdrachten 2016 is niet geschonden, nu er geen onderhandelingen in de zin van die bepalingen zijn gevoerd, doch slechts verduidelijkingen zijn gevraagd en een rekenkundig nazicht is uitgevoerd. Overigens, mochten er wel onderhandelingen hebben plaatsgevonden, quod non, dan zou uit artikel 38, § 6, geen enkele verplichting volgen om de inschrijvers in ieder geval te vragen een nieuwe offerte in te dienen. 10.2.2. Wat de in aanmerking genomen prijzen betreft, herhaalt de verwerende partij dat deze het resultaat zijn, zowel van de verduidelijkingen die werden gevraagd met toepassing van artikel 34, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 als van het rekenkundig nazicht in verband met de abnormaal lijkende eenheidsprijzen, met toepassing van de artikelen 35 en 36 van dat besluit. Zij voert voorts aan dat er geen schending is van de formele motiveringsplicht. Zowel ten aanzien van de tussenkomende partij als ten aanzien van de verzoekende partij maakt het verslag van nazicht uitdrukkelijk melding van het feit dat een bijzonder prijsonderzoek naar een aantal abnormaal lijkende eenheidsprijzen heeft plaatsgevonden en dat de verantwoordingen van zowel de tussenkomende partij als de verzoekende partij werden aanvaard. Voor zover de verzoekende partij in dit verband een schending van artikel 36, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 aanvoert, gaat zij eraan voorbij dat er te dezen enkel sprake was van abnormaal lijkende eenheidsprijzen. De motiveringsplicht vervat in het 3° van het voornoemde artikel 36, § 3, heeft daarentegen betrekking op de situatie waarin het ‘totale offertebedrag’ abnormaal lijkt, hetgeen te dezen niet het geval was. 11. De tussenkomende partij voert aan dat de verwerende partij geen onderhandelingen heeft gevoerd. Met haar brieven van 18 oktober 2022 heeft de verwerende partij aan de verzoekende partij enkel een verduidelijking van haar offerte en een prijsverantwoording gevraagd, en aan de tussenkomende partij enkel een prijsverantwoording. Uit niets blijkt dat de twee inschrijvers daarbij ongelijk zijn behandeld. Nu enkel de verzoekende partij de kans kreeg om haar offerte te verduidelijken, en nu de vraag om een prijsverantwoording door de tussenkomende XII-9305-14/25 partij ertoe geleid heeft dat haar prijzen werden aangepast in meer, heeft de verzoekende partij bovendien geen belang bij haar middel. De verzoekende partij toont met haar middel aan dat zij verwachtte dat zij haar initiële offerte via onderhandelingen zou kunnen aanpassen. In het bestek had de verwerende partij zich echter het recht voorbehouden om niet te onderhandelen. In zoverre de verzoekende partij een schending aanvoert van de formele motiveringsplicht, maakt zij niet duidelijk waarin deze schending zou bestaan. Uit het verzoekschrift blijkt dat zij de bestreden beslissing met voldoende kennis kan betwisten. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel 12. In zoverre de verwerende partij (expliciet) en de tussenkomende partij (impliciet) de ontvankelijkheid van het middel betwisten op grond van een gebrek aan belang, dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de onderscheiden in het middel aangevoerde grieven. 12.1. In zoverre in het middel gebreken worden aangevoerd die te maken hebben met de onderhandelingen die volgens de verzoekende partij gevoerd zijn, is het te dezen niet noodzakelijk om op de exceptie in te gaan, omdat deze grief in elk geval niet ernstig is. 12.2. In zoverre gebreken in het bijzonder prijsonderzoek worden aangevoerd, merkt de Raad van State voorshands op dat een zorgvuldig gevoerd onderzoek naar de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver ertoe kan leiden dat diens offerte op grond van artikel 36, § 3, 1° of 2°, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 wordt geweerd omwille van de substantiële onregelmatigheid ingevolge de vaststelling dat de prijzen van een of meer niet-verwaarloosbare XII-9305-15/25 posten een abnormaal karakter vertonen dan wel dat het totale offertebedrag een abnormaal karakter vertoont. Het betoog dat de verzoekende partij nooit hoger zou kunnen uitkomen op de finale rangschikking mist dus doel, omdat er een mogelijkheid bestaat dat de offerte van de gekozen inschrijver eenvoudig had moeten worden geweerd. Voor het belang bij het middel is het voldoende dat er een kans bestaat van een invloed van de eventueel vast te stellen onwettigheid op de bestreden beslissing. In zoverre is de exceptie niet ernstig. Ten gronde A. In zoverre het middel betrekking heeft op de regelmatigheid van de gevoerde mededingingsprocedure met onderhandelingen 13. Artikel 38 van de wet overheidsopdrachten 2016 luidt: “§ 1. De aanbestedende overheid kan in de volgende gevallen gebruik maken van een mededingingsprocedure met onderhandeling : 1° met betrekking tot werken, leveringen of diensten die aan één of meer van de volgende criteria voldoen : […]
- c)de opdracht kan niet worden gegund zonder voorafgaande onderhandelingen wegens specifieke omstandigheden die verband houden met de aard, de complexiteit of de juridische en financiële voorwaarden of wegens de daaraan verbonden risico’s; […] § 5. Met het oog op de verbetering van hun inhoud onderhandelt de aanbestedende overheid met de inschrijvers over de initiële offertes en over alle volgende offertes die door hen werden ingediend, met uitzondering van de definitieve offertes in de zin van paragraaf 8. De aanbestedende overheid kan de opdrachten desalniettemin gunnen op basis van de initiële offertes zonder onderhandeling, indien zij zich de mogelijkheid daartoe heeft voorbehouden in de aankondiging van een opdracht. Over de minimumeisen en de gunningscriteria wordt niet onderhandeld. § 6. Tijdens de onderhandelingen verzekert de aanbestedende overheid de gelijke behandeling van alle inschrijvers. Daartoe verstrekt zij geen discriminerende informatie die bepaalde inschrijvers kan bevoordelen ten XII-9305-16/25 opzichte van andere. Zij stelt alle inschrijvers wier offerte niet is afgewezen overeenkomstig paragraaf 7 schriftelijk in kennis van eventuele andere wijzigingen in de technische specificaties of andere opdrachtdocumenten dan die waarbij de minimumeisen worden vastgesteld. Na deze wijzigingen biedt de aanbestedende overheid de inschrijvers voldoende tijd om hun offertes, indien nodig, aan te passen en opnieuw in te dienen. […] § 7. De mededingingsprocedure met onderhandeling kan in opeenvolgende fasen verlopen, zodat het aantal offertes waarover moet worden onderhandeld wordt beperkt door toepassing van de gunningscriteria uit de aankondiging van een opdracht of een ander opdrachtdocument. De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van een opdracht of een ander opdrachtdocument aan of zij van deze mogelijkheid gebruik zal maken. § 8. Indien de aanbestedende overheid voornemens is de onderhandelingen af te sluiten, stelt zij de resterende inschrijvers daarvan in kennis en stelt zij een gemeenschappelijke termijn vast voor de indiening van nieuwe of aangepaste offertes. De aanbestedende overheid controleert of de definitieve offertes voldoen aan de minimumeisen en overeenstemmen met artikel 66, § 1, beoordeelt de definitieve offertes aan de hand van de gunningscriteria en gunt de opdracht krachtens de artikelen 79 tot 84. Indien de aanbestedende overheid zich in de aankondiging van een opdracht het recht heeft voorbehouden geen onderhandelingen te voeren, en zij van deze mogelijkheid gebruik maakt, geldt de initiële offerte bijgevolg als definitieve offerte.” 14. Volgens de verzoekende partij zijn er te dezen onderhandelingen gevoerd, waarin de tussenkomende partij de gelegenheid heeft gekregen haar initiële offerte aan te passen. Volgens de verwerende en de tussenkomende partijen zijn er geen onderhandelingen geweest, en heeft de verwerende partij gebruik gemaakt van de mogelijkheid, bepaald in punt I.3 van het bestek, om de opdracht te gunnen op basis van de initiële offertes. Uit het administratief dossier blijkt dat de drie inschrijvers op 18 oktober 2022 zijn uitgenodigd voor een gesprek waarop zij de mogelijkheid zouden krijgen hun offerte toe te lichten. Die gesprekken hebben plaatsgevonden op 10 november 2022. Na de voorstelling van de offerte door de verzoekende partij en na een eerste evaluatie van die offerte heeft de verwerende partij op 15 november 2022 haar een aantal vragen gesteld, ter verduidelijking van haar offerte; een dergelijke vraag is niet gericht tot de tussenkomende partij. XII-9305-17/25 Uit de omstandigheid dat de inschrijvers hun offerte aan de verwerende partij hebben mogen voorstellen of verduidelijken en dat aan één van de inschrijvers vragen ter verduidelijking van de offerte zijn gesteld, kan prima facie niet worden afgeleid dat er onderhandelingen hebben plaats gevonden. Met de verwerende en de tussenkomende partijen wordt voorshands dan ook ervan uitgegaan dat er geen onderhandelingen zijn geweest, en dat de verwerende partij op basis van de initiële offertes tot de gunning van de opdracht heeft beslist. 15. Nu er geen onderhandelingen zijn geweest, lijkt artikel 38, § 6, van de wet overheidsopdrachten 2016 niet geschonden te kunnen zijn. In zoverre de verzoekende partij meer in het algemeen aanvoert dat de verwerende partij discriminerende informatie bezorgd zou hebben die de tussenkomende partij kon bevoordelen, moet opgemerkt worden dat, na de presentaties van de offertes door de inschrijvers, de verzoekende partij en de tussenkomende partij op een gelijke manier werden uitgenodigd om een prijsverantwoording in te dienen. Vervolgens werd bij beide inschrijvers rekening gehouden met hun antwoorden, onder meer om hun prijzen waar nodig aan te passen. Aan de verzoekende partij, en aan haar alleen, werd bovendien gevraagd om een nadere toelichting van haar offerte. Aldus lijkt er geen ongelijke behandeling in het voordeel van de tussenkomende partij en ten nadele van de verzoekende partij te zijn geweest. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de verwerende partij de inschrijvers niet in kennis gesteld heeft van eventuele wijzigingen in de technische specificaties of andere opdrachtdocumenten, volstaat het op te merken dat er geen dergelijke wijzigingen zijn geweest. In dit opzicht lijkt de grief feitelijke grondslag te missen. 16. Nu er geen onderhandelingen zijn geweest, diende de verwerende partij de inschrijvers niet in kennis te stellen, zoals bepaald bij artikel 38, § 8, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016, van de beëindiging van de onderhandelingen, en diende zij hen evenmin uit te nodigen om nieuwe of XII-9305-18/25 aangepaste offertes in te dienen. De voornoemde wetsbepaling lijkt dan ook niet geschonden te kunnen zijn. Door de initiële offertes te beschouwen als de definitieve offertes, en door op basis van die offertes aan de inschrijvers een prijsverantwoording te vragen, lijkt de verwerende partij overigens toepassing te hebben gemaakt van artikel 38, § 8, tweede lid, van de wet overheidsopdrachten 2016. B. In zoverre het middel betrekking heeft op het bijzonder prijsonderzoek 17. De artikelen 33 tot 36 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luiden: Art. 33. Na de verbetering van de offertes overeenkomstig artikel 34, gaat de aanbestedende overheid over tot het prijs- of kostenonderzoek overeenkomstig artikel 35 en, in geval van vermoeden van abnormaal hoge of lage prijzen of kosten, gaat zij over tot de in artikel 36 bedoelde prijzen- of kostenbevraging. Art. 34. § 1. […] § 2. De aanbestedende overheid verbetert de rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes, zonder aansprakelijk te zijn voor de niet ontdekte fouten. Ten einde de rekenfouten en de zuiver materiële fouten die door haar vastgesteld worden in de offertes te verbeteren, gaat de aanbestedende overheid de werkelijke bedoeling na van de inschrijver via een globale analyse van de offerte en door deze te vergelijken met de andere offertes en met de marktprijzen. Indien deze bedoeling, na analyse van de offerte, niet voldoende duidelijk is, kan de aanbestedende overheid de inschrijver, binnen een door haar gestelde termijn, uitnodigen om de inhoud van zijn offerte te verduidelijken zonder haar te wijzigen en te vervolledigen en dit zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om te onderhandelen indien de procedure zulks toelaat. Als er in dit laatste geval geen toelichting gegeven is of de toelichting niet aanvaardbaar is voor de aanbestedende overheid, verbetert ze de fouten naar eigen bevindingen. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan kan de aanbestedende overheid hetzij beslissen dat de opgegeven eenheidsprijzen van toepassing zijn, hetzij de offerte als onregelmatig weren. § 3. […] Art. 35. De aanbestedende overheid onderwerpt de ingediende offertes aan XII-9305-19/25 een prijs-of kostenonderzoek. Daartoe kan de aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de wet, de inschrijvers verzoeken alle nodige inlichtingen te verstrekken. Art. 36. § 1. Indien uit het prijs- of kostenonderzoek overeenkomstig artikel 35 blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, voert de aanbestedende overheid een bevraging van deze laatste uit. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de mededingingsprocedure met onderhandeling, de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking en de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, wordt de bevraging uitgevoerd op de laatst ingediende offertes. Dit belet niet dat de aanbestedende overheid deze bevraging reeds kan verrichten in een vroeger stadium van de procedure. § 2. Bij de prijzen- of kostenbevraging verzoekt de aanbestedende overheid de inschrijver om de nodige schriftelijke verantwoording over de samenstelling van de abnormaal geachte prijs of kost te verstrekken binnen een termijn van twaalf dagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn bepaalt. Wanneer echter gebruik wordt gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, kan de aanbestedende overheid, mits uitdrukkelijk gemotiveerde bepaling in de opdrachtdocumenten, in een kortere termijn voorzien. De inschrijver draagt de bewijslast van de verzending van de verantwoording. De verantwoording houdt met name verband met : 1° de doelmatigheid van het bouwproces, van het productieproces van de producten of van de dienstverlening; 2° de gekozen technische oplossingen of de uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarvan de inschrijver kan profiteren bij de uitvoering van de werken, de levering van de producten of het verlenen van de diensten; 3° de originaliteit van de door de inschrijver aangeboden werken, producten of diensten; 4° de eventuele ontvangst van rechtmatig toegekende overheidssteun door de inschrijver. In het kader van de in het eerste lid bedoelde prijzen- of kostenbevraging verzoekt de aanbestedende overheid de inschrijver om de schriftelijke verantwoordingen over te maken inzake de eerbiediging van de verplichtingen bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, die van toepassing zijn in de domeinen van het sociaal, arbeids- en milieurecht, met inbegrip van de verplichtingen die van toepassing zijn op het vlak van welzijn, lonen en sociale zekerheid. […] § 3. De aanbestedende overheid beoordeelt de ontvangen verantwoordingen en : 1° stelt ofwel vast dat het bedrag van een of meer niet-verwaarloosbare posten een abnormaal karakter vertoont en weert de offerte omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is; 2° ofwel, stelt vast dat het totale offertebedrag een abnormaal karakter XII-9305-20/25 vertoont en weert de offerte omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is; 3° ofwel, motiveert in de gunningsbeslissing dat het totale offertebedrag geen abnormaal karakter vertoont. De aanbestedende overheid wijst de offerte eveneens af wanneer zij heeft vastgesteld dat het totale offertebedrag abnormaal laag is omdat de offerte niet voldoet aan de in artikel 7, eerste lid, van de wet, bedoelde verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal- of arbeidsrecht omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is. Wanneer de offerte niet voldoet aan de verplichtingen op het gebied van het federaal sociaal- of het arbeidsrecht, deelt de aanbestedende overheid dit mee overeenkomstig paragraaf 5, tweede lid. […] §§ 4-6. […] 18. Uit het verslag van nazicht van de offertes blijkt dat zowel aan de verzoekende partij als aan de tussenkomende partij een prijsverantwoording is gevraagd. Zoals hiervoor reeds opgemerkt, werden daarenboven aan de verzoekende partij, doch niet aan de tussenkomende partij, een aantal vragen gesteld ter verduidelijking van haar offerte. Aan de verzoekende partij en de tussenkomende partij werd met name gevraagd, met brieven van 18 oktober 2022, om “[hun] inschrijvingsprijs en de eenheidsprijzen van [een aantal] posten toe te lichten, te motiveren en te bevestigen”. Zij werden tevens verzocht om de verantwoording over te maken inzake de eerbiediging van de verplichtingen in de domeinen van het sociaal, het arbeids- en het milieurecht, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016. Aldus blijkt dat de verwerende partij een schriftelijke verantwoording vroeg in het kader van het bijzonder prijs- of kostenonderzoek bedoeld in artikel 36, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017. 19. De bewoordingen van de brieven van 18 oktober 2022 suggereren op het eerste gezicht dat een prijsverantwoording werd gevraagd zowel voor de totaalprijs (‘inschrijvingsprijs’) als voor bepaalde eenheidsprijzen. Volgens de verwerende partij had de prijsverantwoording echter enkel betrekking op bepaalde eenheidsprijzen, en dit werd ook zo begrepen door de verzoekende partij en de tussenkomende partij: uit hun respectieve verantwoordingen, die de Raad van State heeft kunnen inzien, blijkt dat die partijen enkel zijn ingegaan op XII-9305-21/25 de prijzen van de bevraagde posten. De Raad van State gaat er bij het verder onderzoek van het middel dan ook van uit dat de bevraging enkel sloeg op bepaalde eenheidsprijzen. Uit de respectieve verantwoordingen blijkt voorts dat de verzoekende partij ook is ingegaan op de vraag om verantwoording van de eerbiediging van de verplichtingen in de domeinen van het sociaal, het arbeids- en het milieurecht, terwijl de tussenkomende partij dat niet heeft gedaan. 20. De verzoekende partij voert aan dat uit het verslag van nazicht van de offertes niet blijkt “of de prijsverantwoording daadwerkelijk werd onderzocht en aanleiding heeft gegeven tot een aanvaarding van de prijszetting, dan wel een aanpassing van de prijszetting (hetgeen niet is toegestaan)”. Luidens de motieven van het verslag van nazicht van de offertes werd bij elk van de inschrijvers “rekening gehouden met [hun] antwoord” op de vraag om prijsverantwoording en “[werden de prijzen] waar nodig aangepast”. Hieruit lijkt te kunnen worden afgeleid dat de verstrekte verantwoording wel degelijk werd onderzocht en dat dit onderzoek aanleiding gaf tot een aanpassing van sommige prijzen. Mede uit het feit dat geen van de offertes substantieel onregelmatig werd verklaard, lijkt ook besloten te kunnen worden dat de prijzen, in voorkomend geval zoals aangepast, aanvaard werden. 21. De verzoekende partij lijkt op zich geen wettigheidsbezwaar aan te voeren tegen het feit dat de verwerende partij de offerte van de tussenkomende partij heeft aanvaard. Dit is allicht te verklaren doordat de verzoekende partij geen toegang heeft tot de prijsverantwoording van de tussenkomende partij, welke een vertrouwelijk stuk uitmaakt. De Raad van State merkt niettemin op dat uit de prijsverantwoording van de tussenkomende partij blijkt dat deze inschrijver sommige eenheidsprijzen na controle bevestigt en andere eenheidsprijzen aanpast. Daarenboven lijkt de tussenkomende partij in het geheel niet te antwoorden op de vraag om een verantwoording in verband met de verplichtingen in de domeinen XII-9305-22/25 van het sociaal, het arbeids- en het milieurecht. In het verslag van nazicht van offertes worden de bevestigde of aangepaste prijzen zonder nadere uitleg aanvaard. De Raad van State herinnert eraan dat, zo een aanbestedende overheid meent dat de prijzen van een inschrijver abnormaal lijken en zij deze inschrijver om een prijsverantwoording vraagt, dit impliceert dat de gegeven prijsverantwoording op een zorgvuldige manier wordt onderzocht. De aanbestedende overheid mag de verantwoording voor de prijzen niet met een stijlformule aanvaarden. Te dezen lijkt noch uit de motivering in het verslag van nazicht noch uit het administratief dossier te kunnen worden afgeleid waarom de verantwoording door de tussenkomende partij het abnormaal lijkende karakter van de bevraagde eenheidsprijzen heeft weggenomen. Het aanvaarden van prijzen waarvoor een prijsverantwoording werd gevraagd, louter op grond van de verklaring van de betrokken inschrijver dat die prijzen hetzij bevestigd, hetzij aangepast worden, lijkt ook niet te getuigen van een zorgvuldig onderzoek van de prijsverantwoording. 22. De kritiek van de verzoekende partij in verband met het bijzonder prijs- en kostenonderzoek is in het bijzonder gericht tegen het feit dat dit onderzoek heeft geleid tot een aanpassing van de prijzen. Volgens de verzoekende partij houdt een dergelijke wijziging een schending in van artikel 36, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, dat immers niet voorziet in een mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om de prijszetting te wijzigen. 23. Volgens de verwerende partij zijn de bedoelde aanpassingen het gevolg van het rekenkundig nazicht van de offertes, dat zij uitgevoerd heeft met toepassing van artikel 34, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017. Artikel 33 van het voornoemde besluit voorziet in een bepaalde logische volgorde voor de verrichtingen van de aanbestedende overheid: verbetering van de offertes (artikel 34), algemeen prijs- of kostenonderzoek (artikel 35) en prijzen- of kostenbevraging (artikel 36). Noch artikel 33, noch enige andere XII-9305-23/25 wets- of reglementsbepaling lijkt zich echter ertegen te verzetten dat zuiver materiële fouten die aan het licht komen tijdens het algemeen of het bijzonder prijsonderzoek alsnog vastgesteld en verbeterd mogen worden. Uit het verslag van nazicht van de offertes blijkt prima facie echter niet dat het gaat om een verbetering van rekenfouten of materiële fouten. Ook het administratief dossier, in het bijzonder het antwoord van de tussenkomende partij op de prijsbevraging, lijkt geen aanwijzingen in die richting te bevatten. Uit het verslag van nazicht lijkt integendeel te volgen dat de aanpassingen eenvoudig het gevolg zijn van de aanpassingen die de tussenkomende partij in het kader van het bijzonder prijs- en kostenonderzoek aan sommige eenheidsprijzen heeft aangebracht. Dit laatste lijkt ook bevestigd te worden door de aangepaste ‘invultabel prijzen’ (bijlage J), een vertrouwelijk stuk dat de Raad van State heeft kunnen inzien, waarop de door de verwerende partij aangepaste prijzen gemarkeerd zijn. 24. Artikel 36, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 bepaalt dat de aanbestedende overheid de ontvangen verantwoordingen beoordeelt, en dan één van de volgende beslissingen kan nemen: vaststellen dat de prijs van één of meer niet-verwaarloosbare posten of het totale offertebedrag abnormaal blijkt te zijn, en de offerte dienvolgens wegens een substantiële onregelmatigheid weren (1° en 2°), of concluderen dat het totale offertebedrag geen abnormaal karakter vertoont (3°). Die bepaling voorziet niet in de mogelijkheid om de prijzen te wijzigen, en de offerte vervolgens op grond van de gewijzigde prijzen regelmatig te verklaren. Door de prijzen van de tussenkomende partijen te wijzigen, lijkt de verwerende partij artikel 36, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 geschonden te hebben. Aan die conclusie wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de wijzigingen enkel zouden bestaan in verhogingen. XII-9305-24/25 25. In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 36, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 is het ernstig. VIII. Besluit 26. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. Zonder dat het nodig is de andere middelen te onderzoeken, wordt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dan ook ingewilligd BESLISSING 1. Het verzoek van de bv 3 Motion tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de raad van bestuur van de nv LijnCom van 6 december 2022 waarbij de opdracht ‘Drukwerk – logistiek – kleefwerk’ wordt gegund aan de bv 3 Motion. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Paul Lemmens XII-9305-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.561 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.753 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div