← België

Arrest 255566 - Tucht (openbaar ambt) - 24/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.566 Rolnummer: A. 231495/IX-9743 Zaak: Arrest 255566 - Tucht (openbaar ambt) - 24/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-30 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 08:16 Fiche Arrest nr 255.566 van 24 januari 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.566 van 24 januari 2023 in de zaak A. 231.495/IX-9743 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van het managementcomité van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid van 11 juni 2020 waarbij aan XXXX de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ definitief wordt opgelegd; - het advies van de raad van beroep voor de diensten van de Vlaamse overheid van 29 mei 2020 dat het beroep van XXXX tegen de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wonen-Vlaanderen van 23 maart 2020 om hem de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen, onontvankelijk is en dat de raad van beroep dienvolgens onbevoegd is om van de grond van de zaak kennis te nemen. IX-9743-1/16 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december 2022. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die loco advocaten Steve Ronse en Deborah Smets verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is naar eigen zeggen sinds 1 juli 2002 werkzaam voor de Vlaamse overheid. IX-9743-2/16 Hij is “technicus” bij het agentschap Wonen-Vlaanderen. 3.2. Op 27 maart 2019 formuleert het afdelingshoofd Woningkwaliteit van het agentschap Wonen-Vlaanderen een voorstel aan de administrateur-generaal van het agentschap om verzoeker de tuchtstraf ‘afzetting’ op te leggen, dit naar aanleiding van de correctionele veroordeling van verzoeker door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wegens “Publieke omkoping” en “Samenspannen van ambtenaren”. Verzoeker wordt hierover gehoord. 3.3. Op 9 mei 2019 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wonen-Vlaanderen om de tuchtprocedure ten aanzien van verzoeker op te schorten tot er een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de strafrechter is. 3.4. Bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 januari 2020 wordt verzoeker vrijgesproken voor de feiten van de tenlastelegging ‘samenspanning’ gepleegd in de periode van 1 februari 2008 tot 31 december 2010. De strafvordering ten laste van verzoeker wordt “voor het overige vervallen [verklaard] door verjaring”. Op burgerlijk vlak wordt verzoeker veroordeeld tot de betaling van een schadevergoeding aan de Vlaamse Gemeenschap. 3.5. De tuchtprocedure ten laste van verzoeker wordt vervolgens voortgezet en verzoeker wordt opnieuw gehoord. 3.6. Op 23 maart 2020 legt de administrateur-generaal van het agentschap Wonen-Vlaanderen aan verzoeker de tuchtsanctie ‘ontslag’ op. 3.7. Verzoeker stelt op 6 april 2020 tegen die tuchtbeslissing een beroep in bij de raad van beroep voor de diensten van de Vlaamse overheid. IX-9743-3/16 Met een e-mailbericht van 7 april 2020 deelt de secretaris van de raad van beroep aan verzoeker mee dat hij zijn argumentatie zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 17 april 2020 dient te bezorgen. In een e-mailbericht van 9 april 2020 stelt de secretaris van de raad van beroep onder meer dat zij verzoekers argumenten graag tegemoet ziet. Op 17 april 2020 bezorgt verzoeker de “[u]itgebreide argumentatie van [zijn] beroep” aan de raad van beroep. 3.8. Na verzoeker te hebben gehoord, adviseert de raad van beroep op 29 mei 2020, met vier stemmen tegen drie, dat verzoekers beroep niet ontvankelijk is en dat de raad van beroep dienvolgens onbevoegd is om kennis te nemen van de grond van de zaak. Dat is de tweede bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende redengeving: “Overeenkomstig artikel VIII 13 van het VPS kan de ambtenaar tegen wie er een tuchtstraf wordt uitgesproken hiertegen gemotiveerd […] beroep instellen bij de raad van beroep binnen de 15 kalenderdagen ingaande de dag volgend op de ontvangst van de aangetekende brief houdende mededeling van de uitspraak. Dit houdt in dat én de beroepsakte én de motieven van het beroep uiterlijk de 15de dag van de beroepstermijn bij de raad van beroep moeten worden ingediend. De bestreden beslissing werd de heer XXXX betekend op 23.03.2020; de beroepstermijn vatte aan op 26.03.2020 om te eindigen op 9.04.2020. Dit was de termijn binnen dewelke de appellant zijn beroep en grieven kon kenbaar maken. De raad van beroep dient, aansluitend op het beroep, te beraadslagen, in normale omstandigheden, binnen de 30 kalenderdagen vanaf de ontvangst van het beroepschrift van 6.04.2020, in zake derhalve uiterlijk op 6.05.2020. Pas op vrijdag 17.04.2020 na sluitingsuur van de kantoren wordt een grievenschrift neergelegd. Dit grievenschrift werd ter kennis van de voorzitter van de raad gebracht op 21.04.2020, hetzij amper 15 dagen voor de uiterste datum voor de beraadslaging overeenkomstig artikel VIII 14 VPS. In dit grievenschrift wordt voor het eerst gesteld dat de bewezen verklaarde feiten steunen op een rechterlijke dwaling, de verjaring voor de tuchtrechtelijke vervolging was ingetreden en naar de strafmaat toe de redelijke termijn was overschreden. De in het Ger W gestelde regels, inclusief deze met betrekking tot de motivering, zijn krachtens artikel 2 van het Ger W van toepassing op alle IX-9743-4/16 rechtsplegingen behoudens wanneer deze worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van bedoeld wetboek; (Cass. 20 sept. 1979, Arr. Cass. 1979-1980, 77; Pas 1980 I, 93 noot). Gezien artikel VIII 13 VPS niet bepaalt wat de beroepsakte moet bevatten buiten de motivering, noch de gebeurlijke gevolgen van een gebrek aan motivering is artikel 2 Ger W voornoemd van toepassing. Overeenkomstig artikel 1057, 7° (Ger W) moet de beroepsakte, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven bevatten. (De appelakte die geen grieven vermeldt is nietig Cass. 10.02.1975, Arr. Cass. 1975, 648, Pas. 1975 I, 590 en RW 1974-75, é7; voor de nakoming van artikel 1057, 7° Ger W is het voldoende dat de appellant zijn bezwaren tegen de bestreden beslissing vermeldt. Die vermelding moet klaar en duidelijk genoeg zijn om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclusie voor te bereiden en om de appelrechter […] in staat te stellen de draagwijdte ervan na te gaan (Cass. 7.12.2000, Arr. Cass. 2000, 1321); een aaneenschakeling van algemene bewoordingen in de akte van hoger beroep en de loutere verwijzing naar de appelconclusie voldoen niet aan de vereiste van artikel 1057, 7° (Cass. 14.12.2000 Arr. Cass. 2000 1994 en TBBR 2002, 228); het is vereist, maar voldoende dat de appellant de grieven tegen het bestreden vonnis opgeeft op een voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze om aan de geïntimeerde toe te laten zijn conclusie te maken en aan de appelrechter om de draagwijdte ervan te beoordelen (Cass. 5.05.2005 P&B 2005, 215 en RW 2006-2007, 1237). De beroepsakte van 6.04.2020 vermeldt enkel als motief ‘Ik meen dat deze tuchtstraf mij onterecht werd opgelegd, en wens er daarom beroep tegen in [te] stellen bij uw Raad, en zal kortelings een bijkomende argumentatie van mijn standpunt aan u overmaken.’ Dit laat de verwerende partij helemaal niet toe om op dat beroep enig gefundeerd verweer te voeren bij gebrek aan enige voor verweer vatbare grief noch de appelrechter om de draagwijdte van dit beroep na te gaan. De argumentatie ontvangen op 21.04.2020 valt buiten de wettelijke beroepstermijn. Hoewel het beroep tijdig werd ingesteld voldoet de akte niet aan de strikte bepalingen van artikel VIII 13 VPS en aan artikel 1057, 7° Ger W.” 3.9. Op 11 juni 2020 legt het managementcomité van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid aan verzoeker de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op. Dat is de eerste bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende overwegingen: IX-9743-5/16 “Overwegende dat de tenlastegelegde tuchtfeiten kaderen in een strafrechtelijke procedure die geleid heeft tot het arrest van het hof van beroep Brussel van 15 januari 2020, waarbij als volgt geoordeeld is: - op strafrechtelijk vlak:

  1. i)de tenlastelegging van samenspanning voor de periode februari 2008-december 2010 zijn niet bewezen
  2. ii)[…] de verjaring is strafrechtelijk ingetreden voor de tenlasteleggingen van samenspanning voor de periode 2000-2008 en van het ontvangen van gelden. - Op burgerrechtelijk vlak:
  3. i)voor de tenlasteleggingen van het ontvangen van gelden wordt een schadevergoeding toegekend aan de Vlaamse Gemeenschap Overwegende dat in navolging hiervan het tuchtfeit samenspanning niet langer weerhouden werd; Overwegende dat deze feiten een tekortkoming inhouden aan de plichten, zoals bepaald in deel II van het Vlaams Personeelsstatuut en meer bepaald van de artikelen II.1 en II.2; Overwegende dat de overwegingen, zoals opgegeven in het tuchtvoorstel, zonder meer van toepassing blijven en dat het Management Comité zich hierbij aansluit; Overwegende dat de heer XXXX op 6 april 2020 beroep heeft ingediend bij de Raad van Beroep voor de diensten van de Vlaamse Overheid; Overwegende dat op 21 april 2020 door de heer XXXX een bijkomende argumentatie werd neergelegd; Overwegende dat de Raad van Beroep op 29 mei 2020 een hoorzitting heeft georganiseerd waarbij de partijen hun standpunt konden uiteenzetten; Overwegende dat de Voorzitter uitdrukkelijk standpunt heeft gevraagd omtrent de ontvankelijkheid van het beroep; Overwegende dat de Raad van Beroep van oordeel is dat het beroep onontvankelijk is omdat de beroepsakte geen duidelijke uiteenzetting van de grieven bevat en het in die zin om een ongemotiveerd beroep gaat; Overwegende dat dit advies van de Raad van Beroep volledig kan bijgetreden worden voor wat het aspect van de ontvankelijkheid betreft en het Management Comité maakt zich deze motieven eigen; Overwegende dat artikel VIII.13 VPS zonder meer duidelijk aangeeft dat een gemotiveerd beroep moet worden ingesteld; Overwegende dat deze bepaling duidelijk aangeeft dat de motieven / grieven tegen de bestreden tuchtbeslissing, in casu de beslissing van de […] administrateur-generaal van 23 maart 2020 waarbij de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ wordt opgelegd, in het beroep moeten worden opgenomen; Overwegende dat het louter vermelden van het motief ‘ik meen dat deze tuchtstraf mij onterecht werd opgelegd’ niet kan gelijkgesteld worden met een gemotiveerd beroep; Overwegende dat de bijkomende argumentatie van de heer XXXX buiten de beroepstermijn werd overgemaakt; Overwegende dat dit uitdrukkelijk werd opgeworpen door de tuchtoverheid in eerste aanleg en dat deze zich terecht gegriefd voelt in een procedure waarin zij toch geacht wordt kennis te kunnen nemen van de beroepsgrieven; IX-9743-6/16 Overwegende dat het beroep dat op 6 april 2020 door de heer XXXX werd ingesteld aldus onontvankelijk is; Overwegende dat het Management Comité ten overvloede zal ingaan op de grond van de zaak; Overwegende dat de motieven voor het voorstel van de tuchtstraf en voor de uitspraak in eerste aanleg door de […] administrateur-generaal volkomen gerechtvaardigd zijn, zodat de argumentatie die aan de grondslag [ligt] van de uitspraak in eerste aanleg ook dient als argumentatie van de definitieve uitspraak na beroep en het Management Comité deze motieven zich eigen maakt; Overwegende dat de feiten niet kunnen betwist worden, nu het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 januari 2020 kracht en gezag van gewijsde heeft gekregen; Overwegende dat, gelet op het feit dat de heer XXXX geen cassatieberoep heeft aangetekend, moet besloten worden dat hij zich bij de beoordeling van het hof van beroep heeft neergelegd en hij hierop niet meer kan terugkomen; Overwegende dat de tuchtvordering niet verjaard is, aangezien uit het tuchtdossier zeer duidelijk blijkt dat de tuchtoverheid pas via [e-mail] van 3 oktober 2019 van de tuchtfeiten in kennis werd gesteld; Overwegende dat kan gesteld worden dat de tuchtbeslissing proportioneel is ten opzichte van de weerhouden tuchtfeiten; Overwegende dat een ambtenaar met een controlerende functie geen gelden mag ontvangen van diegenen die hij controleert en dat van hem toch een voorbeeldfunctie mag worden verwacht; Overwegende dat de verzachtende omstandigheden, zoals het functioneren van de heer XXXX, de duurtijd van de strafprocedure en het blanco tuchtverleden, mee in rekening werden gebracht en ertoe geleid hebben dat het tuchtvoorstel van afzetting werd gemilderd tot ontslag van ambtswege; Overwegende dat het echter om zeer zwaarwichtige feiten gaat die tot gevolg hebben dat het vertrouwen in de heer XXXX op onherstelbare wijze is aangetast; Overwegende dat de feiten, gelet op de functie van de heer XXXX, zijn objectiviteit en geloofwaardigheid hebben aangetast; Overwegende dat rekening houdend met alle elementen van het dossier en de ernst van de feiten de tuchtsanctie in verhouding staat tot de feiten en zodus verantwoord is.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 4. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op voor zover het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. IX-9743-7/16 Zij argumenteert dat het advies van de raad van beroep van 29 mei 2020 tot stand kwam met vier stemmen tegen drie, waardoor het overeenkomstig artikel I 9 van het Vlaams personeelsstatuut niet-bindend is en derhalve louter voorbereidend. 5. Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat het advies van de raad van beroep van 29 mei 2020 wel degelijk vatbaar is voor vernietiging door de Raad van State. De raad van beroep heeft immers een beslissende bevoegdheid wanneer hij zijn advies uitbrengt met eenparigheid van stemmen. Het is ingevolge het bestreden advies van 29 mei 2020 – dat manifest onwettig is – dat verzoeker niet de kans heeft gekregen om voor de raad van beroep zijn inhoudelijke argumentatie te doen gelden en dat deze raad zich niet heeft uitgesproken over de grond van de zaak. Daardoor heeft verzoeker een kans gemist op een bindende beslissing van de raad van beroep waarbij eenparig een mildere tuchtsanctie dan het ontslag van ambtswege wordt opgelegd of minstens een kans op een niet-bindend advies waarbij niet-eenparig een mildere tuchtsanctie wordt voorgesteld. Gelet op het manifest onwettige karakter van de beslissing van de raad van beroep van 29 mei 2020 – hij verwijst daarvoor naar zijn eerste middel – vraagt verzoeker bovendien om die beslissing om redenen van rechtszekerheid te vernietigen. Ten slotte betoogt verzoeker dat het niet gaat om een louter voorbereidende handeling, aangezien het managementcomité van het departement Omgeving die onwettige beslissing heeft overgenomen en zich de motieven van die beslissing met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep eigen heeft gemaakt. Beoordeling IX-9743-8/16 6. De artikelen I 9, VIII 13 en VIII 15 van het Vlaams personeelsstatuut luiden, zoals ze destijds van toepassing waren, als volgt: “Art. I 9. § 1. Voor de diensten van de Vlaamse overheid wordt een adviserende beroepscommissie opgericht, hierna te noemen raad van beroep. In afwijking van het eerste lid wordt aan de raad van beroep, in geval van eenparigheid, een beslissende bevoegdheid toegekend. § 2. […].” “Art. VIII 13. De ambtenaar tegen wie een tuchtstraf uitgesproken wordt, kan hiertegen gemotiveerd beroep instellen bij de raad van beroep binnen 15 kalenderdagen, ingaande de dag volgend op de ontvangst van de beveiligde zending houdende mededeling van de uitspraak.” “Art. VIII 15. Onverminderd artikel I 9, § 1, tweede lid, stuurt de raad van beroep binnen 15 kalenderdagen na het uitbrengen van het gemotiveerd advies het dossier aan de overheid bevoegd voor het definitief uitspreken van de tuchtstraf. Tezelfdertijd wordt het advies aan de verzoeker betekend.” 7. In dit geval bracht de raad van beroep zijn advies uit met vier stemmen tegen drie. Bij gebrek aan eenparigheid, is dat advies niet “beslissend”. Bovendien blijkt uit niets dat een dergelijk advies de bevoegde tuchtoverheid op enigerlei wijze zou binden. Het is daarom te beschouwen als een louter voorbereidende handeling, waarvan de onwettigheid desgevallend wel kan worden aangevoerd tegen de eindbeslissing van de complexe administratieve verrichting die ze mee heeft voorbereid, maar die zelf als zodanig niet ontvankelijk met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State kan worden bestreden. Dat het advies onwettig zou zijn en verzoeker een kans op een bindende, mildere beslissing van de raad van beroep of op een advies tot het opleggen van een mildere tuchtstraf zou hebben ontnomen, impliceert niet dat het advies meer zou zijn dan een louter voorbereidende handeling, net zomin als het gegeven dat de motieven van het vermeend onwettig advies zijn overgenomen door het managementcomité van het departement Omgeving als beslissingnemende instantie. IX-9743-9/16 Anders dan verzoeker het ziet, is er ook geen reden om het advies van de raad van beroep van 29 mei 2020 ter wille van de rechtszekerheid te vernietigen. Indien immers verzoekers eerste middel hierna gegrond zou worden bevonden, dan lijkt de tuchtprocedure tegen verzoeker door de verwerende partij, desgevallend, weliswaar te kunnen worden hernomen vanaf het punt waarop ze is misgelopen, maar in dat geval zal de raad van beroep in het kader van het te verlenen rechtsherstel het beroep dat verzoeker bij hem heeft ingesteld, alleszins opnieuw dienen te beoordelen in het licht van de door de Raad van State bijgevallen vernietigingsgrond. 8. Uit wat voorafgaat volgt dat het voorliggende beroep niet ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. De exceptie is gegrond. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 9. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel VIII 13 van het Vlaams personeelsstatuut, alsook van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Hij betoogt dat de beslissing waarbij de raad van beroep zijn beroep onontvankelijk verklaart en zich dienvolgens onbevoegd acht om kennis te nemen van de grond van de zaak, manifest onwettig is. De raad van beroep stelt immers ten onrechte dat de regels van het Gerechtelijk Wetboek toepassing vinden op het door verzoeker ingestelde bestuurlijk beroep. De raad van beroep vermocht dan ook niet te besluiten tot de onontvankelijkheid van dat beroep omdat het niet in overeenstemming zou zijn IX-9743-10/16 met het motiveringsvereiste van “artikel 1057, 7° Ger W” (versta: artikel 1057, eerste lid, 7°, Ger.W.). Verzoeker wijst er tevens op dat artikel VIII 13 van het Vlaams personeelsstatuut niet in een sanctie voorziet voor de miskenning van het motiveringsvereiste van het bestuurlijk beroep. Voorts benadrukt hij dat hij in zijn beroepsakte reeds vermeldde dat hij zijn argumentatie kortelings zou bezorgen en dat hij daartoe vanwege de raad van beroep zelf een bijkomende termijn tot uiterlijk 17 april 2020 kreeg, die hij respecteerde. Volgens verzoeker stelt de raad van beroep ten onrechte dat hij zijn verweerschrift op 17 april 2020 pas neerlegde na de kantooruren, die volgens het arbeidsreglement flexibel in te vullen zijn tussen 6.00 uur en 20.00 uur. Bovendien is nergens bepaald dat een beroepsakte of een verweerschrift enkel binnen de kantooruren mag worden bezorgd, laat staan dat er een sanctie aan verbonden is. Dat de voorzitter van de raad van beroep zijn verweerschrift pas op 21 april 2020 heeft ontvangen, is enkel te wijten aan de raad van beroep zelf. Het argument van de raad van beroep dat de voorzitter amper vijftien dagen vóór de uiterste datum van de beraadslaging kennis kreeg van het verweerschrift gaat eraan voorbij dat aan verzoeker een termijn was gegeven tot 17 april 2020 en dat de zitting van de raad van beroep pas op 29 mei 2020 heeft plaatsgevonden, zodat deze raad voldoende tijd had om kennis te nemen van het verweerschrift van verzoeker. Daarenboven lijkt de raad van beroep zich niet te storen aan het feit dat de administrateur-generaal van het agentschap Wonen-Vlaanderen pas op “18 mei 2020” (versta: 13 mei 2020) een verweerschrift heeft ingediend, waarmee wel rekening is gehouden. Ten slotte gaat het om een sinds twintig jaar vaststaand gebruik van de raad van beroep om toe te laten een niet-gemotiveerd beroepschrift in te dienen, waarna een bijkomende termijn wordt toegekend voor het indienen van een gemotiveerd verweerschrift. Zelfs indien de regels van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zouden zijn op het bestuurlijk beroep, quod non, dan nog werd volgens verzoeker zijn beroep ten onrechte als onontvankelijk afgewezen. De exceptie van IX-9743-11/16 nietigheid van de proceshandeling mag immers niet ambtshalve worden opgeworpen, wat in casu wel is gebeurd. Bovendien is er in dit geval geen sprake van belangenschade, die nochtans vereist is om de nietigheidssanctie uit het Gerechtelijk Wetboek te kunnen toepassen. En zelfs indien er wel belangenschade zou zijn, moet worden vastgesteld dat het voorschrift van artikel 861, tweede lid, Ger.W. niet werd nageleefd. Tot slot stelt verzoeker vast dat het managementcomité de onwettige beslissing van de raad van beroep gewoon heeft overgenomen. 10. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het middel niet ontvankelijk is, omdat het met zijn kritiek op de argumentatie van de raad van beroep louter gericht is tegen een overtollig motief, nu het managementcomité het aspect van de onontvankelijkheid van het bestuurlijk beroep zelf heeft onderzocht en gemotiveerd. Daarenboven is het managementcomité in de eerste bestreden beslissing ingegaan op de grond van de zaak. Voorts doet de verwerende partij gelden dat artikel VIII 13 van het Vlaams personeelsstatuut een gemotiveerd beroep vereist en dat dit vereiste substantieel van aard is. In verzoekers beroepschrift is evenwel geen motivering terug te vinden waarom de tuchtstraf ten onrechte opgelegd zou zijn. Beoordeling 11. Indien het middel gegrond is, impliceert dit dat aan verzoeker ten onrechte een beoordeling, door de raad van beroep, van zijn beroep ten gronde is ontnomen, mogelijk resulterend in een met eenparigheid genomen gunstige eindbeslissing of, bij gemis aan eenparigheid, in een toch nog gunstig advies aan de beslissende tuchtoverheid. IX-9743-12/16 In tegenstelling tot wat de verwerende partij opwerpt, heeft verzoeker dan ook belang bij het middel. 12. Zoals hiervóór sub 6 gezien, bepaalt artikel VIII 13 van het Vlaams personeelsstatuut dat de ambtenaar tegen wie een tuchtstraf wordt uitgesproken, hiertegen een gemotiveerd beroep kan instellen bij de raad van beroep binnen vijftien kalenderdagen, ingaande de dag volgend op de ontvangst van de beveiligde zending houdende mededeling van de uitspraak. De toelichting bij deze bepaling vermeldt onder meer: “Gemotiveerd of met redenen omkleed houdt […] meer in dan de loutere mededeling dat men in beroep gaat.” 13. Artikel VIII 13 van het Vlaams personeelsstatuut stelt aldus het vereiste van een “gemotiveerd” beroep, maar verbindt aan het ontbreken van de voorgeschreven motivering van het beroep geen gevolg, laat staan een gevolg van nietigheid of onontvankelijkheid van het beroep. Anders dan de raad van beroep aanneemt in zijn advies van 29 mei 2020, daarin bijgevallen door het managementcomité in de eerste bestreden beslissing, zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en, in dit geval, in het bijzonder artikel 1057, eerste lid, 7°, Ger.W. niet van toepassing op bestuurlijke beroepsprocedures. 14. Verzoeker stelde op 6 april 2020, dit is binnen de voorgeschreven termijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de initieel uitgesproken tuchtstraf, een bestuurlijk beroep in bij de raad van beroep tegen de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wonen-Vlaanderen van 23 maart 2020 waarbij hem de tuchtstraf ‘ontslag’ werd opgelegd. Dat beroep werd als volgt geformuleerd: IX-9743-13/16 “Ik meen dat deze tuchtstraf mij onterecht werd opgelegd, en wens er daarom beroep tegen in te stellen bij uw Raad, en zal kortelings een bijkomende argumentatie van mijn standpunt aan u overmaken.” Verzoekers beroepschrift zet aldus niet zijn beroepsgrieven uiteen, maar vermeldt wel dat ze “kortelings” zullen worden ingediend. Verzoeker vraagt daarbij uitdrukkelijk aan de raad van beroep “wanneer [hij] deze argumentatie uiterlijk [dient] te bezorgen”. De secretaris van de raad van beroep antwoordt daarop in een e-mailbericht van 7 april 2020 gericht aan verzoeker dat het beroepschrift luidens artikel VIII 13 van het Vlaams personeelsstatuut gemotiveerd moet zijn. Zij voegt er nog aan toe: “Dank bij voorbaat om ons nog zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 17 april a.s. uw argumentatie te willen bezorgen.” Met een e-mailbericht van 17 april 2020 om 16.01 uur bezorgt verzoeker zijn “[u]itgebreide argumentatie van [het] beroep” aan de raad van beroep. Aangezien artikel VIII 13 van het Vlaams personeelsstatuut niet voorziet in een sanctie van nietigheid of onontvankelijkheid van het beroep indien de motieven ervan niet binnen de voorgeschreven beroepstermijn zijn ingediend en in dit geval verzoeker zijn beroepsgrieven heeft ingediend binnen de termijn die hem namens de raad van beroep zelf werd aangereikt, kan de handelwijze van verzoeker niet wettig tot het besluit leiden dat het door hem ingestelde beroep bij gemis aan tijdig ingediende gemotiveerde beroepsgrieven niet ontvankelijk was en geen uitspraak ten gronde van de raad van beroep behoefde. Dat is des te meer het geval omdat uit niets blijkt dat de verwerende partij in haar mogelijkheid tot verweer – zij heeft haar verweerschrift op 13 mei 2020 kunnen indienen – enig nadeel heeft geleden. Dat geldt ook voor de raad van beroep zelf die pas op 29 mei 2020 – méér dan dertig kalenderdagen na de ontvangst van verzoekers beroepsgrieven – uitspraak heeft gedaan. IX-9743-14/16 De omstandigheid dat, zoals de raad van beroep opmerkt, verzoeker zijn beroepschrift op 17 april 2020 slechts zou hebben ingediend “na sluitingsuur van de kantoren” doet aan het voorgaande geen afbreuk. De eerste bestreden beslissing die dienaangaande volmondig de opvatting van de raad van beroep bijvalt, schendt aldus de in het middel genoemde rechtsregels- en beginselen. 15. Het eerste middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van het managementcomité van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid van 11 juni 2020 waarbij aan XXXX de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ definitief wordt opgelegd. 2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. 4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9743-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9743-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.566 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.