id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.585 Rolnummer: A. 223628/VII-40121 Zaak: Arrest 255585 - Milieuvergunningen - 26/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-02 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 08:18 Fiche Arrest nr 255.585 van 26 januari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.585 van 26 januari 2023 in de zaak A. 223.628/VII-40.121 In zake : Claudine DE CLERCQ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Isabelle Larmuseau en Sofie De Maesschalck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- de BV VC ENERGY
- Carlos VAN CROMBRUGGHE VAN LEERNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Vermaercke en Daan Vandenbroucke kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 23 augustus 2017 waarbij de beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 16 februari 2017, houdende het verlenen aan de bvba van Crombrugghe, Carlos van Leerne en VC Energy van de milieuvergunning voor het veranderen van een co- vergistingsinstallatie, gelegen aan de Moerstraat 30 te Deinze, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. VII-40.121-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bv VC Energy en Carlos van Crombrugghe van Leerne hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 november
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 2 juni 2022 een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 november
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie De Maesschalck, die verschijnt voor verzoekster, advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Daan Vandenbroucke, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.121-2/15 III. Feiten 3.
- De tussenkomende partijen exploiteren een co- vergistingsinstallatie aan de Moerstraat 30 te Deinze. Daarin wordt dierlijke mest verwerkt, samen met energiegewassen en biologisch-organisch afval. Bij de vergisting komt er biogas vrij, dat wordt verbrand. De warmte daarvan wordt deels aangewend voor de werking van de eigen installaties, en deels voor de productie van elektriciteit, die dan weer deels wordt gebruikt door het eigen bedrijf en deels aan het openbaar net wordt geleverd. Het restproduct van de vergisting wordt gedroogd en kan worden gebruikt als bodemverbeterend middel. In de inrichting wordt ook houtafval verbrand; de warmte daarvan wordt eveneens deels aangewend voor de werking van de eigen installaties, en deels voor de productie van elektriciteit. De inrichting is volgens het toepasselijke gewestplan gelegen in een agrarisch gebied. 3.
- De co-vergistingsinstallatie werd oorspronkelijk vergund bij besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 12 juli
- Deze vergunning omvat onder meer de “[o]pslag en verbranding van houtafval bestaande uit een houtkachel (5 MW) met bijhorende opslag van 700 m³ onbehandeld en behandeld niet-verontreinigd hout”. Met betrekking tot de exploitatie van de houtkachel werd de volgende bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd: “Het is verboden om in de houtkachel ander dan onbehandeld houtafval en niet-gevaarlijk behandeld houtafval te verbranden. Het niet-gevaarlijk behandeld houtafval mag niet afkomstig zijn van activiteiten en/of inrichtingen die zijn ingedeeld onder de volgende hoofdstukken van de afvalstoffenlijst, zoals omschreven in bijlage 1.2.1.B van het Vlaams reglement inzake Afvalvoorkoming en -beheer van 05 december 2003: Hoofdstuk 17: Bouw- en sloopafval (inclusief afgegraven grond van verontreinigde locaties). Hoofdstuk 20: Stedelijk afval (huishoudelijk afval en soortgelijk bedrijfsafval, industrieel afval en afval van instellingen), inclusief gescheiden ingezamelde fracties VII-40.121-3/15 (Uitgesorteerd niet-gevaarlijk behandeld houtafval, afkomstig van installaties voor afvalbeheer (o.a. sorteerbedrijven zoals Vandewiele Gunther BVBA, Thienpont, Van Gansewinkel, ... ) is dus toegelaten.)”. Op 20 november 2008 verleent de deputatie een vergunning voor de uitbreiding van de opslag van houtafval tot maximaal 2.700 m³. Bij besluit van 1 april 2010 wordt de verhoging van de verbrandingscapaciteit van de installatie tot een inrichting klasse 1 vergund. Tot het voorwerp van deze vergunning behoort onder meer de “[o]pslag en verbranding van houtafval bestaande uit een houtkachel (8,5 MW) met bijhorende opslag van 7.060 m³ onbehandeld en behandeld niet-verontreinigd hout”. Op 16 december 2010 wordt de vergunning opnieuw gewijzigd: de (verplaatste) opslag van houtafval wordt verminderd tot 6.560 m³ en er wordt een verhakselaar met een vermogen van 200 kW toegevoegd. Voortaan zal de exploitant zelf instaan voor de voorbehandeling en het sorteren van een deel van het te verbranden afvalhout. De voorheen in een bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegde beperking inzake de herkomst van het afvalhout wordt daarom gewijzigd: “De bijzondere voorwaarde 29 mbt de houtkachel uit het besluit van 20 november 2008 is enkel nog van toepassing op reeds verhakseld hout dat op de inrichting wordt aangevoerd. Het niet-verhakseld behandeld niet-verontreinigd houtafval kan ook afkomstig zijn van containerparken (bvb Deinze) of andere bestemmingen (aangezien de exploitant zijn eigen opschoning heeft die verder gaat dan de code van goede praktijk)”. Met een besluit van 31 mei 2012 verleent de deputatie bij wege van aktename vergunning voor enkele kleine veranderingen, waaronder een vermindering van de opslag van houtafval tot 6.200 m³. 3.
- Verscheidene buurtbewoners dienen klachten in over meerdere vormen van hinder veroorzaakt door de exploitatie. De afdeling Milieu-inspectie stelt na onderzoek onder meer vast dat het te verbranden houtafval behalve ‘niet VII-40.121-4/15 verontreinigd behandeld houtafval’ ook ‘verontreinigd behandeld houtafval’ bevat, alsook nog andere afvalstoffen. 3.
- Op 5 december 2013 wordt een milieuvergunningsaanvraag ingediend voor de verandering van de inrichting, waarbij onder meer wordt beoogd een vergunning te verkrijgen voor het verbranden van ‘verontreinigd behandeld houtafval’. Bij besluit van 31 juli 2014 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning voor een termijn van twee jaar op proef. De bevoegde Vlaamse minister bevestigt deze vergunning in graad van beroep bij besluit van 30 januari
- De vergunning op proef wordt omgezet in een vergunning met een einddatum gelijk aan deze van de basisvergunning. Bij arrest nr. 241.727 van 7 juni 2018 vernietigt de Raad van State het ministerieel besluit van 30 januari
- De procedure wordt vervolgens hernomen en bij besluit van 7 november 2018 verleent de bevoegde Vlaamse minister andermaal de gevraagde milieuvergunning. Tegen deze vergunningsbeslissing wordt bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring ingesteld (zaak A. 226.845/VII-40.446). Met een besluit van 1 juli 2020 - lopende de vernietigingsprocedure voor de Raad van State - trekt de bevoegde Vlaamse minister de vergunningsbeslissing van 7 november 2018 in. De intrekkingsbeslissing maakt het voorwerp uit van een afzonderlijk beroep tot nietigverklaring (zaak A. 231.238/VII-40.871). 3.
- Op 20 juli 2016 dienen de exploitanten een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning voor het veranderen van de inrichting. De aanvraag omvat onder meer een uitbreiding van de inrichting met een bijkomend VII-40.121-5/15 perceel om een effluentlagune en een infiltratiebekken aan te leggen, alsook een uitbreiding van de totale opslag organisch biologische afvalstromen en een uitbreiding van de houtopslag van 6.200 m³ naar 9.200 m³. 3.
- De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleent op 16 februari 2017 de gevraagde vergunning onder voorwaarden. 3.
- Tegen deze vergunningsbeslissing wordt bestuurlijk beroep ingesteld door verscheidene omwonenden, waaronder verzoekster. 3.
- In het kader van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht die overwegend voorwaardelijk gunstig zijn over de aanvraag. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 23 augustus 2017 verleent de Vlaamse minister de gevraagde vergunning, onder voorwaarden en mits het aanbrengen van enkele wijzigingen aan de beslissing van de deputatie van 16 februari
- IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), van de artikelen 21, § 2, 2° en 29, 2° van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I), van de omzendbrief RO/2006/01 ‘betreffende het afwegingskader en de randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting’ (hierna: omzendbrief RO/2006/01), alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. VII-40.121-6/15 Verzoekster betoogt dat het voorwerp van de aanvraag niet verenigbaar is met de planologische bestemming van het agrarisch gebied. Zij licht toe dat de milieuvergunningsaanvraag neerkomt “op een verdere bestendiging, exploitatie, verandering en uitbreiding van de klasse 1-inrichting, in het bijzonder van de afvalverbrandingsinstallatie” waarbij ze erop wijst dat de bestreden beslissing de “verbranding van zowel verontreinigd houtafval als niet- verontreinigd houtafval in stand” houdt en de houtopslag uitbreidt. Zij is van oordeel dat de inrichting, voorzien met de vergunde afvalverbrandingsoven, niet meer thuishoort in een agrarisch gebied omdat er niet langer sprake is van een para-agrarisch bedrijf, te meer omdat een zeer groot gedeelte van de opgewekte energie verkocht zal worden aan een erkende elektriciteitsleverancier om aangeboden te worden op het publieke elektriciteitsnet. Ook meent verzoekster voor haar standpunt steun te kunnen vinden in de vernietigingsprocedure die gericht was tegen de milieuvergunning van 30 januari 2015 voor de uitbreiding van de co-vergistingsinstallatie.
- De verwerende partij wijst er in de eerste plaats op dat co- vergistingsinstallaties wel degelijk toegelaten kunnen worden in agrarisch gebied en dat de omzendbrief RO/2006/01 op dit punt niet in tegenspraak komt met het inrichtingsbesluit. Tevens wijst zij erop dat de aanvraag geen nieuwe installatie betreft maar wel de wijziging van een bestaande inrichting, zonder uitbreiding van de verwerkingscapaciteit of de verbrandingscapaciteit. Het bestaan van de inrichting kan bij de stedenbouwkundige toets alsdan niet meer in vraag worden gesteld. Voorts stipt de verwerende partij nog aan dat zowel de betrokken inrichting als de woning van verzoekster gelegen zijn in agrarisch gebied. Het is derhalve aanvaardbaar dat verzoekster, gelet op de eigenschappen van het betrokken gebied, een zekere mate van hinder ondervindt, voor zover het geen abnormale hinder betreft. De verwerende partij verwijst vervolgens naar het voorwaardelijk gunstig advies van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten van 2 juni 2017 en preciseert dat de vergunningsvoorwaarde van de eerdere milieuvergunning, met name dat de VII-40.121-7/15 toeleveringsbedrijven voor inputstromen zich binnen een afstand van 20 km van de betrokken bedrijfssite moeten bevinden en dat geen verruiming van de toegelaten inputstromen wordt toegestaan, ongewijzigd blijft. Ze vervolgt dat de beleidskeuzes uiteengezet in omzendbrief RO/2006/01 wel degelijk gerespecteerd werden. Volgens de verwerende partij is de verenigbaarheid met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening oordeelkundig in de besluitvorming betrokken. Ze haalt de desbetreffende overwegingen in de bestreden beslissing aan. Daarenboven merkt ze op dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State een bedrijf dat als para-agrarisch kan worden beschouwd, niet ophoudt para-agrarisch te zijn doordat het te omvangrijk wordt. Evenmin valt in te zien waarom een para-agrarisch bedrijf geen commercieel of industrieel karakter zou mogen hebben. Noch de omvang van de productie, noch het aantal vrachtbewegingen, noch het aantal tewerkgestelden of de veronderstelde geografische afkomst van de grondstoffen zijn volgens haar van die aard om de desbetreffende inrichting de kwalificatie para-agrarisch te ontzeggen. Eerder heeft de Raad van State al aanvaard dat een installatie voor het verwerken van 30.000 ton dierlijke mest per jaar, bestaande uit een centrifuge en een biologische zuivering, dermate nauw aansluit bij de landbouw dat zij thuishoort in agrarisch gebied. In dit geval wordt in hoofdzaak een co-vergistingsinstallatie vergund van maximaal 60.000 ton per jaar, bestaande uit 15% - 60% mest, 0% - 30% energiegewassen, 0% - 30% landbouwgerelateerde afvalstromen en 40% biologische afvalstromen, wat niet strijdt met omzendbrief RO/2006/
- De tussenkomende partijen werpen vooreerst op dat verzoekster niet over het in rechte vereiste belang beschikt bij het middel omdat ze geen enkel voordeel kan halen uit de gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing op grond van dit middel. In dit verband laten zij gelden dat de inrichting definitief vergund is, zowel op milieutechnisch als op stedenbouwkundig vlak en dat in deze vergunningen werd geoordeeld dat de inrichting bestemmingsconform is. De tussenkomende partijen betwisten niet dat de vergunningverlenende overheid de bestemmingsconformiteit moet beoordelen, maar zij menen wel dat die beoordeling moet gebeuren in het licht van de concrete VII-40.121-8/15 aanvraag en dossiergegevens. De aanvraag heeft betrekking op een aantal milieutechnische regularisaties en actualisaties, alsook op de toevoeging van een perceel in functie van de aanleg van een effluentlagune en een infiltratiebekken. Er worden geen wijzigingen gevraagd op het vlak van capaciteit, noch milieutechnische uitbreidingen. De betrokken inrichting is zowel bouwtechnisch als op milieuvlak definitief vergund. In de definitief verleende vergunningen werd geoordeeld dat de inrichting een para-agrarische inrichting is. Verzoekster heeft dit nooit betwist. Het voorwerp van de voorliggende aanvraag doet niet besluiten dat de inrichting niet langer als para-agrarisch te beschouwen valt. Gelet op het concrete en beperkte voorwerp van de voorliggende aanvraag, kan geen afbreuk worden gedaan aan eerder definitief ingenomen standpunten omtrent de planologische verenigbaarheid van de betrokken inrichting. Volgens de tussenkomende partijen gaat het standpunt dat de inrichting niet bestemmingsconform is omdat de houtkachel geen aansluiting vindt bij de landbouw niet op. Aangezien het inrichtingsbesluit verwijst naar landbouw in de ruime zin, dient volgens hen het begrip landbouw extensief begrepen te worden. Daarnaast wijzen ze op het marginaal toetsingsrecht van de Raad van State op dit punt. Zij verduidelijken dat de bestaande, vergunde co- vergistingsinstallatie met een capaciteit van 60.000 ton per jaar een minimaal aandeel van 60 % landbouwproducten (mest, energiegewassen en andere landbouwgerelateerde afvalstromen) heeft, zodat noch het inrichtingsbesluit noch de omzendbrief RO/2006/01 zich ertegen verzetten dat maximaal 40 % van de inputstromen niet-landbouw gerelateerd zijn. In dit verband benadrukken zij dat de houtverbrandingsinstallatie in functie staat van de co-vergistingsinstallatie. Zij geven ook aan dat het eindproduct, namelijk het digestaat dat ingedroogd wordt, opnieuw in de land- en tuinbouwsector aangewend kan worden als meststof en dat ongeveer 10.175 ton energiegewassen afkomstig is van de eigen percelen. Voorts lichten de tussenkomende partijen toe dat de warmte afkomstig van de WKK-motoren onvoldoende is voor de verschillende stappen in het co-vergistingsproces en dat de houtverbranding ontegensprekelijk ten dienste VII-40.121-9/15 van de optimalisatie van het vergistingsproces staat. Zij ontkennen dat het verbranden van houtafval er hoofdzakelijk op gericht is om elektriciteitsproductie op het net te injecteren. Het betreft volgens hen net de essentie van de uitbating van een co-vergistingsinstallatie waarbij groene elektriciteit wordt geproduceerd. De tussenkomende partijen voegen ter zake toe dat de houtverbrandingsinstallatie niet louter ingezet wordt voor de productie van warmte ten behoeve van de co- vergistingsinstallatie maar eveneens in ondergeschikte mate voor de productie van elektriciteit omwille van rationeel energiegebruik. De hoofdactiviteit bestaat nog steeds in vergisting als para-agrarische activiteit en niet in de productie van elektriciteit door houtverbranding. Tot slot merken de tussenkomende partijen op dat de beleidskeuzes die uit omzendbrief RO/2006/01 blijken geen verordenende waarde hebben en dus niet tot gevolg kunnen hebben dat de houtverbrandingsinstallatie die in functie staat van de co-vergistingsinstallatie niet para-agrarisch is. Verzoekster is het klaarblijkelijk niet eens met de motivering van de bestreden beslissing, maar toont op geen enkele wijze aan dat de in de bestreden beslissing aangehaalde motieven niet correct zouden zijn.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat zij wel degelijk over een persoonlijk belang beschikt bij een middel dat handelt over de bestemmingsconformiteit van de vergunde inrichting, temeer nu zij op dat vlak ook uitdrukkelijk bezwaren heeft geuit die door de verwerende partij onvoldoende tegemoet zijn gekomen. Ten gronde wijst verzoekster erop dat de beoordeling van de bestemmingsconformiteit vereist is bij elke verandering van een vergunde inrichting en dat de stedenbouwkundige toets niet beperkt mag blijven tot het voorwerp van de aanvraag. Ook het reeds bestaande moet bij de beoordeling worden betrokken. De stedenbouwkundige toets van een veranderingsaanvraag heeft immers in wezen tot doel te onderzoeken of de inrichting na de beoogde verandering nog steeds in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften. VII-40.121-10/15
- In hun laatste memorie beklemtonen de tussenkomende partijen dat de houtkachel in 2007 definitief werd vergund en dat de voorliggende aanvraag niet strekt tot het veranderen van die houtkachel. In het kader van de beoordeling van voorliggende vergunningsaanvraag zou “de bewijskracht van verleende en niet-betwiste vergunningen” niet terug in vraag kunnen worden gesteld.
- Verzoekster verwijst in haar laatste memorie naar de motieven van het vernietigingsarrest nr. RvVb-A-2122-0045 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 16 september
- Beoordeling A. Ontvankelijkheid van het middel
- Het middel waarin wordt aangevoerd dat de inrichting niet (meer) verenigbaar is met het toepasselijke gewestplanvoorschrift moet, als het gegrond wordt bevonden, leiden tot de nietigverklaring van de bestreden vergunningsbeslissing. Bijgevolg kan verzoekster die nadelen ondervindt van de vergunde exploitatie, voordeel halen uit het middel.
- Het middel is ontvankelijk. B. Gegrondheid van het middel
- Milieuvergunningsaanvragen moeten worden getoetst aan de geldende ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, alsmede aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Bij de stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag dient in principe uitgegaan te worden van de volledige inrichting, met inbegrip van de onderdelen die voorheen vergund werden. In de regel zijn de samenstellende onderdelen van een inrichting immers onlosmakelijk met elkaar verbonden om de activiteit waarvoor een milieuvergunning wordt VII-40.121-11/15 aangevraagd te kunnen uitoefenen. Het is derhalve niet relevant dat de houtkachel in kwestie voorheen definitief werd vergund.
- De planologische toelaatbaarheid van de inrichting wordt in de bestreden beslissing als volgt verantwoord: “Overwegende dat de inrichting gelegen is in agrarisch gebied; dat, behoudens bijzondere bepalingen, agrarische gebieden alleen voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsmogelijkheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven mogen bevatten; dat gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, slechts mogen opgericht worden op ten minste 300 meter van een woongebied of op ten minste 100 meter van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft; dat een para-agrarisch bedrijf een onderneming is waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en erop is afgestemd; dat een biogasinstallatie waarin conform de omzendbrief RO/2006/01 ‘Afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting’ minimaal 60% landbouwgerelateerde stromen en maximaal 40% biologische afvalstoffen worden verwerkt een para-agrarische activiteit is; dat de nabehandeling, met name het luik biologie, volledig in functie staat van en onlosmakelijk verbonden is met de co-vergistingsinstallatie zelf; dat dit bijgevolg deel uitmaakt van de para-agrarische activiteit; Overwegende dat de mest afkomstig moet zijn van bedrijven in de nabije omgeving; dat de energiegewassen deels afkomstig zijn van het eigen bedrijf; dat de extern aangevoerde landbouwgerelateerde stromen (energiegewassen en mest, 60% van de input) afkomstig is van bedrijven gelegen binnen een straal van 20 km rond het bedrijf zodat de lokale verankering van het bedrijf, conform de omzendbrief RO/2006/01, gegarandeerd is; dat de verbranding van het houtafval in functie staat van de co-vergistingsinstallatie en geen verwerking op zich betreft; dat de geproduceerde warmte voor circa 80% wordt gebruikt voor het drogen van het digestaat tot een hoogwaardig product; dat slechts de restwarmte van de verbranding van het houtafval wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit; dat de warmte van de WKK-motoren ruim onvoldoende is om aan de volledige warmtevraag van het bedrijf te kunnen voldoen; dat bijgevolg de verbrandingsinstallatie voor hout een essentiële neveninstallatie is van de verwerking van de te vergisten stromen tot een hoogwaardig product; dat aan de vergistingsinstallatie of aan de houtverbranding geen wijzigingen worden aangevraagd”.
- In de vergunningsaanvraag wordt de exploitatie omschreven als “een inrichting voor de productie van groene stroom en groene warmte door vergisting van mest, energiegewassen, landbouwgerelateerde afvalstromen en VII-40.121-12/15 OBA”. Het productieproces wordt beschreven als volgt: “De verschillende grondstoffen worden gemengd en gevoed aan de vergistingsinstallatie. In de installatie vindt er een omzetting plaats in digestaat en biogas. Daarnaast wordt ook groene warmte en groene elektriciteit geproduceerd uit de verbranding van houtafval”. Voorts wordt vermeld dat “een totale jaarlijkse energieproductie [wordt] bekomen van 73.855 MWhth (16232 ton x 4,55 MWh/ton) door de verbranding van het afvalhout”, dat “[v]an deze 73.855 MWhth/jaar […] ongeveer 23,6 % [wordt] omgezet in elektriciteit door middel van een turbine, wat overeenkomt met ongeveer 17.430 MWhe/jaar”, dat “[d]eze 17.430 MWhe/jaar […] voor 100% [wordt] geïnjecteerd op het openbare middenspanningsnet” en dat “[h]et restvermogen van ongeveer 56.352 MWhth/jaar zal gebruikt worden in de volgende processen: vergisting, pasteurisatie, drooginstallatie en indamping”.
- Een verbrandingsinstallatie voor behandeld houtafval kan op zich niet worden beschouwd als landbouw in de ruime zin of als para-agrarische bedrijvigheid. Zulks is nog minder het geval voor de in het geding zijnde installatie van de tussenkomende partijen die ontegensprekelijk een grootschalig karakter heeft. De bestreden beslissing leidt de verenigbaarheid met de agrarische bestemming af uit de functionaliteit ten dienste van de vergistingsinstallatie. De verwerende partij overweegt in dit verband dat “de verbranding van het houtafval in functie staat van de co-vergistingsinstallatie en geen verwerking op zich betreft”, dat “de geproduceerde warmte voor circa 80% wordt gebruikt voor het drogen van het digestaat” en dat “slechts de restwarmte van de verbranding van het houtafval wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit”, zodat “de verbrandingsinstallatie voor hout een essentiële neveninstallatie is van de verwerking van de te vergisten stromen tot een hoogwaardig product”. Het feit dat de houtverbrandingsinstallatie “in functie” staat van de co-vergistingsinstallatie, volstaat evenwel niet om het besluit te schragen dat de vergunningsaanvraag verenigbaar is met een agrarisch gebied. Uit de gegevens van het vergunningsdossier blijkt dat ongeveer één vijfde tot één vierde van de energie die vrijkomt bij de verbranding van het VII-40.121-13/15 houtafval wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit. De door de houtafvalverbranding gegenereerde warmte draagt er bovendien toe bij dat minder van het bij de vergisting geproduceerde biogas moet worden aangewend voor de warmtebehoefte van de vergistingsinstallatie zelf, zodat daarvan meer kan worden gebruikt voor de productie van elektriciteit. Het vermogen van de houtverbrandingsinstallatie lijkt dan ook beduidend groter dan nodig is voor de warmtebehoefte op het bedrijf. De invloed van de verbrandingscapaciteit op de verenigbaarheid met de agrarische bestemming komt in de bestreden beslissing evenwel niet aan bod. Bovendien wordt bij de vergunningstoestand van de inrichting mede rekening gehouden met een milieuvergunning van 30 januari 2015 die bij arrest nr. 241.727 van 7 juni 2018 door de Raad van State werd vernietigd. De latere herstelbeslissing werd overigens door de bevoegde Vlaamse minister ingetrokken.
- Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 23 augustus 2017 waarbij de beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen van 16 februari 2017, houdende het verlenen aan de bvba van Crombrugghe, Carlos van Leerne en VC Energy van de milieuvergunning voor het veranderen van een co-vergistingsinstallatie, gelegen aan de Moerstraat 30 te Deinze, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-40.121-14/15
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.121-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.585 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div