← België

Arrest 255590 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.590 Rolnummer: A. 234301/VII-41191 Zaak: Arrest 255590 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-02 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 08:17 Fiche Arrest nr 255.590 van 26 januari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.590 van 26 januari 2023 in de zaak A. 234.301/VII-41.191 In zake : de NV REVABO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ria Hens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Verlatstraat 23-25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen :

  1. Johannes VAN DEN ASSEM
  2. Robert VAN HEYST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joram Maes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 11 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1163 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 1 juli 2021 in de zaak 1920-RvVb-0632-A. VII-41.191-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 254.232 van 6 juli 2022 is het debat heropend en wordt de zaak volgens de gewone rechtspleging voortgezet. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 25 augustus 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Vermeiren, die loco advocaat Ria Hens verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Joram Maes, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-41.191-2/15 III. Feiten
  6. De verwerende partij verleent op 7 maart 2020 aan de nv Revabo “een gedeeltelijke omgevingsvergunning voor het exploiteren van een zandwinning en opvulling”.
  7. Het bestreden arrest: - verwerpt de ontvankelijkheidsexceptie van het Vlaamse Gewest wegens laattijdigheid van het beroep van Johannes Van den Assem en Robert Van Heyst tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing; - verklaart het beroep van laatstgenoemden “maar ontvankelijk in de mate” dat de (gedeeltelijke) vernietiging van de bestreden beslissing wat betreft de tijdelijke opslagplaats (hierna: TOP)-activiteiten (rubriek 61.2.2°) en de stalplaatsen voor 25 bedrijfsvoertuigen (rubriek 15.1.1°) en de bijhorende stedenbouwkundige handelingen wordt nagestreefd; - verklaart het eerste en vijfde middel en bijgevolg het ontvankelijk verklaarde beroep van laatstgenoemden gegrond en “verwerpt de vordering tot vernietiging in zoverre ze betrekking heeft op de overige aspecten van de aanvraag”; - vernietigt voormelde vergunningsbeslissing “in zoverre ze betrekking heeft op de TOP (rubriek 61.2.2°) en de staanplaatsen (rubriek 15.1.1°)”; - weigert de “omgevingsvergunning voor de TOP (rubriek 62.2.2°)”; - beveelt het Vlaamse Gewest een nieuwe beslissing te nemen over het administratief beroep van de nv Revabo “in zoverre het betrekking heeft op de staanplaatsen (rubriek 15.1.1°)” binnen een termijn van drie maanden. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  8. Johannes Van den Assem en Robert Van Heyst waren de verzoekende partijen in de procedure voor de RvVb. Zij zijn derhalve de verwerende partijen in de cassatieprocedure. Hun nota die zij als tussenkomende partijen hebben ingediend wordt als een memorie van antwoord aangenomen. VII-41.191-3/15
  9. Het Vlaamse Gewest is in de cassatieprocedure geen verwerende partij en wordt als zodanig buiten de zaak gesteld, maar wordt als tussenkomende partij beschouwd die een memorie heeft ingediend. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij
  10. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD), artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC). Zij betoogt dat voormelde vergunningsbeslissing aan Johannes Van den Assem en Robert Van Heyst werd betekend op 10 maart 2020 “bij kennisgave per e-mail via het Omgevingsloket” en dat hun beroep bij de RvVb laattijdig, op 29 mei 2020, werd ingediend. Door te oordelen “dat het verzoekschrift wel tijdig zou zijn ingediend daar de vervaltermijn van 45 dagen pas zou zijn ingegaan op de dag na de startdatum van de aanplakking, en niet op de dag na de betekening, aangezien de betekening in casu niet vereist was”, voegt de RvVb een voorwaarde toe aan artikel 105, § 3, OVD die “er niet in is voorzien”. Deze bepaling “kan niet gelezen worden als: de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie het noodzakelijk is dat de bestreden beslissing wordt betekend”. Enkel wanneer de vergunningsbeslissing niet werd betekend “begint de vervaltermijn van 45 dagen te lopen na de dag van de aanplakking”. Het bestreden arrest schendt artikel 105, § 3, OVD “door te stellen dat de vervaltermijn van 45 dagen slechts begint te lopen na de betekening voor de personen aan wie de betekening vereist is. [...] De redenen van de [RvVb] om te besluiten de exceptie van laattijdigheid te verwerpen, is in strijd met artikel 105, VII-41.191-4/15 § 3 [OVD]. Het arrest is aldus niet met rechtmatige en alleszins niet met afdoende redenen omkleed”. Zij voegt toe dat de exceptie van laattijdigheid voor de RvVb werd opgeworpen door het Vlaamse Gewest, zodat het middel “geen nieuw middel [is] dat een eerste maal in cassatieberoep wordt opgeworpen”. Nergens “wordt bepaald dat [...] artikel 105, § 3 [OVD] in samenhang met […] artikel 62 [OVB] zou moeten worden gelezen. […] Ook in het bestreden arrest wordt nergens gesteld dat deze artikelen zouden moeten worden samen gelezen”. In artikel 105, § 3, OVD “wordt aldus niet gesteld ‘aan wie de beslissing moet betekend worden’ doch wel ‘aan wie de beslissing betekend wordt’” waardoor “geen onderscheid [wordt] gemaakt tussen de personen aan wie de beslissing al dan niet betekend moet worden. Door de betekening begint de beroepstermijn te lopen. […] Het samenlezen van het artikel 105, § 3 [OVD] en het artikel 62 [OVB] doet aan de duidelijke bewoordingen van artikel 105, § 3 [...] geen afbreuk”. Beoordeling
  11. Het middel is gericht tegen de verwerping door de RvVb van de ontvankelijkheidsexceptie van het Vlaamse Gewest wegens laattijdigheid van het beroep van Johannes Van den Assem en Robert Van Heyst tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing.
  12. De RvVb stelt onaantastbaar vast dat: - Johannes Van den Assem en Robert Van Heyst “derde belanghebbenden [waren], die een bezwaar hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek” en dat zij “geen betrokken partij in de administratieve beroepsprocedure” waren, - de bestreden vergunningsbeslissing werd aangeplakt “vanaf 16 maart 2020”. VII-41.191-5/15 Op grond van deze feitelijke vaststellingen verwerpt de RvVb de exceptie van laattijdigheid op grond van volgende redenen: - de vergunningsbeslissing diende niet noodzakelijk aan Johannes Van den Assem en Robert Van Heyst te worden betekend omdat “dit enkel is ‘vereist’ ten aanzien van de indiener van het beroep en de vergunningsaanvrager, evenals ten aanzien van de toezichthoudende architect als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen en als hij daarom verzoekt en een aantal instanties”; - de vervaltermijn van 45 dagen om beroep in te dienen bij de RvVb “ging dan ook in op de dag na startdatum van de aanplakking, en niet op de dag na de betekening, aangezien deze […] niet was vereist”; - de beroepstermijn nam een einde op zaterdag 30 mei 2020 waardoor de vervaldag automatisch verplaatst wordt naar de eerstvolgende werkdag, namelijk maandag 1 juni 2020; - het op 29 mei 2020 ingediende beroep is dan ook tijdig.
  13. Artikel 105, § 3, OVD luidt: “Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen die ingaat: 1° de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt; 2° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing in de overige gevallen”. Deze bepaling maakt voor het bepalen van de aanvangsdatum van de termijn om beroep in te stellen tegen de in paragraaf 1 van deze bepaling bedoelde beslissingen het onderscheid tussen de “personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt” en de personen of instanties “in de overige gevallen”. De artikelen 36, 50 en 67 OVD bepalen dat de Vlaamse regering de nadere regels voor de vergunningsprocedures bepaalt. VII-41.191-6/15 Het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVB) regelt in titel 3 de bekendmaking van de beslissing bij de vergunningverlening. Deze geschiedt middels aanplakking, publicatie, individuele kennisgeving en terinzagelegging. Artikel 62, eerste lid, OVB verplicht het bevoegde bestuur de vergunningsbeslissing met een beveiligde zending ter beschikking te stellen van volgende personen: 1°) de vergunningsaanvrager, 2°) in voorkomend geval, de beroepsindiener en 4°) in voorkomend geval, de toezichthoudende architect als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen en als hij daarom verzoekt. Artikel 62, tweede en derde lid, OVB verplicht het bevoegde bestuur de vergunningsbeslissing al dan niet met een digitale zending ter beschikking te stellen van een aantal instanties. Uit de aangehaalde bepalingen volgt dat de in artikel 105, § 3, 1°, OVD bedoelde personen of instanties de in artikel 62 OVB opgesomde personen en instanties zijn.
  14. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  15. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij
  16. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC, artikel 17.6.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), “het VII-41.191-7/15 gewestplan”, artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 5.3.1, eerste lid, 2°, b), van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Zij betoogt dat het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden: - “met onder meer de argumenten van de Vlaamse minister die poneren dat de TOP er mee voor zorgt dat de randvoorwaarden worden gecreëerd om substantiële partijen opvul- en afwerkingsgrond efficiënt te verwerven en de TOP op deze manier ertoe bijdraagt dat de opvulling zo snel mogelijk gerealiseerd kan worden”; - “met het gegeven dat minimaal 75% van de gronden die worden aangevoerd in het kader van de TOP wel worden aangewend voor de opvulling van de groeve. Het uitzeven en uitsorteren van de gronden staat in functie van de optimale toepassing ervan, namelijk een mogelijke opvulling van de groeve dan wel een andere bouwtechnische toepassing, waarbij minimaal 75% van de gronden die worden aangevoerd in het kader van de TOP worden aangewend voor de opvulling van de groeve”. Zij stelt tevens dat het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met haar argumenten en die van het Vlaamse Gewest waarin wordt verwezen naar deze overwegingen in het bestreden vergunningsbesluit. Zij argumenteert verder dat het bestreden arrest “met een tegenstrijdige motivering behept” is omdat de RvVb “van oordeel is dat de middels de beslissing van de Vlaamse minister vergunde exploitatie van de TOP die klaarblijkelijk niet in functie staat van het onttrekken van de oppervlaktedelfstof, en die slechts in zeer beperkte mate kan bijdragen tot de realisatie van de toekomstige bestemming, onverenigbaar is met de gewestplanbestemming ontginningsgebied” terwijl een “activiteit of handeling die bijdraagt tot of kan VII-41.191-8/15 bijdragen tot de realisatie van de toekomstige bestemming […] gericht [is] op het verwezenlijken ervan en […] in functie [staat] van de realisatie van de toekomstige bestemming. […] Waarom de bijdrage van de TOP tot de realisatie van de toekomstige bestemming slechts ‘in zeer beperkte mate’ zou zijn, wordt in het [bestreden] arrest […] daarenboven niet met redenen omkleed”. Beoordeling
  17. Luidens artikel 14, § 2, RvS-wet treedt de Raad van State als cassatierechter “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Bijgevolg kan het cassatieberoep er niet toe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen. Het cassatieberoep kan enkel betrekking hebben op rechtsvragen.
  18. De rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een VII-41.191-9/15 middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Er bestaat tegenstrijdigheid in de motivering wanneer er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de redenen van het bestreden arrest onderling of tussen de redenen en het dictum van het bestreden arrest.
  19. Het bestreden arrest is met redenen omkleed. Het verklaart het eerste middel “in de aangegeven mate gegrond” op grond van - samengevat - volgende overwegingen: - in de bestreden beslissing wordt de TOP (ingedeeld onder rubriek 61.2.2°) vergund tot een capaciteit van 15.000 m³ in plaats van de aangevraagde 68.000 m³ en onder de bijzondere voorwaarde dat maximum 25% van de aangevoerde bodem wordt afgevoerd voor extern gebruik en wordt de exploitant opgelegd semestrieel over de handhaving van de maxima te rapporteren aan de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving; - Johannes Van den Assem en Robert Van Heyst betwisten dat de te exploiteren TOP in functie staat van de realisatie van de nabestemming en bijgevolg in overeenstemming met de vigerende gewestplanbestemming kan worden gebracht; - de aangevraagde TOP moet gesitueerd worden in agrarisch gebied met een overdruk ontginningsgebied zodat de vergunningverlenende overheid “in eerste instantie [dient] te onderzoeken in hoeverre de aanvraag betrekking heeft op de realisatie van de nabestemming”; - behoudens de activiteiten gericht op ontginning, zijn enkel die handelingen toegelaten die in functie staan van de realisatie van de oorspronkelijke of toekomstige bestemming van het plan, in casu de verwezenlijking van het agrarisch gebied; - de vergunningverlenende overheid “bij de beoordeling van de voorliggende aanvraag” diende rekening te houden met arrest nr. 235.825 van 22 september 2016 van de Raad van State die “een eerdere vergunningsbeslissing heeft vernietigd omwille van de strijdigheid met de bestemming, waarbij hij in zijn arrest VII-41.191-10/15 verduidelijkt onder welke voorwaarden installaties en handelingen verenigbaar zijn met de gewestplanbestemming ontginningsgebied”; - de vergunningverlenende overheid “die in de bestreden beslissing tot een andersluidende conclusie komt dan de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg en de adviserende instanties (waaronder de POVC en de GOVC), neemt een niet-evidente beslissing, waardoor strengere eisen kunnen worden gesteld aan de verplichting tot formele motivering en zorgvuldigheid, in het bijzonder met betrekking tot de aspecten die ongunstig beoordeeld werden”, wat des te meer geldt “gelet op de procedures die aan de voorliggende aanvraag voorafgaan”; - de vergunningverlenende overheid oordeelt “in navolging van het advies van de GOVC […] dat, door de aanvoer van gronden die in belangrijke mate niet worden gebruikt voor de nabestemming, de TOP niet als functionele aanhorigheid kan worden beschouwd van de ontginning”; - de vergunningverlenende overheid besluit “in afwijking van het verslag van de GOVC […] evenwel niet dat de aangevraagde TOP om die reden moet worden geweigerd, maar dat zij moet worden aangepast in omvang” en vergunt “de TOP onder de voorwaarde dat ‘maximaal 25% van de aangevoerde grond afgevoerd mag worden voor extern gebruik [...]’”; - “de vergunde TOP heeft geen uitstaan met het onttrekken van een oppervlaktedelfstof aan de bodem en dient niet tot de realisatie van de toekomstige bestemming als agrarisch gebied” en naar luid van voormeld arrest van de Raad van State volstaat “de omstandigheid dat de handelingen ‘verband houden’ met de ontginning (of nabestemming) niet”; - het is bovendien niet duidelijk “waarom de aanpassing van de capaciteit van de TOP van 68.000 m³ naar 15.000 m³ en de beperking van het percentage af te voeren gronden van 40% naar 25% er toe leidt dat de TOP wel als functionele aanhorigheid aan de ontginning zou kunnen worden beschouwd. […] Dat door de beperking wordt vermeden dat de TOP een zelfstandig bedrijfseconomisch model zou vormen, brengt deze activiteiten nog niet in overeenstemming met de bestemming. Daarenboven moet worden vastgesteld dat de opgelegde voorwaarde niet voldoende is om te besluiten dat de TOP als een functionele aanhorigheid moet VII-41.191-11/15 worden beschouwd”; de adviesinstanties adviseerden “de TOP en de mobiele zeefinstallatie ongunstig” omdat “in het verleden de zandontginning en de opvulling ondergeschikt waren aan de nevenactiviteiten zoals de vroegere uitbating van een breek- en zeefinstallatie voor inert afval” en deze feitelijke vaststelling “wordt in de bestreden beslissing niet weerlegd, meer nog, zij wordt bevestigd”; - de vastgestelde strijdigheid van het aangevraagde met de ‘verordenende’ gewestplanbestemming kan door de vergunningverlenende overheid niet worden verholpen door het opleggen van voormelde voorwaarde die “niet [kan] verhelpen aan het feit dat er nog steeds gronden worden aangevoerd die niet rechtstreeks bijdragen tot de realisatie van de nabestemming, terwijl de [vergunningverlenende overheid] in de bestreden beslissing zelf van oordeel is dat de aanvoer van gronden op de site moet worden beperkt tot gronden die rechtstreeks bijdragen tot de realisatie van de nabestemming. Immers laten de opgelegde voorwaarden nog steeds het aanvoeren van gronden toe die eerst nog moeten worden uitgezeefd, en waarvan een gedeelte uiteindelijk moet worden afgevoerd omdat zij niet geschikt zijn tot opvulling van de groeve”; uit de verschillende adviezen en voormeld arrest van de Raad van State “is gebleken dat enkel de opslag van zand en gronden in functie van de ontginning, opvulling en eindafwerking kan toegestaan worden volgens de gewestplanbestemming”; - “rekening houdend met de historiek van het dossier en in het licht van de eerdere ongunstige beoordelingen door zowel verscheidene adviesinstanties als de beslissing van de deputatie” heeft de vergunningverlenende overheid de aangevraagde handelingen niet zorgvuldig beoordeeld; de “opgelegde capaciteitsbeperking doet niet anders besluiten en verhindert niet dat de TOP strijdt met de vigerende bestemmingsvoorschriften”.
  20. Het middel dat stelt dat het bestreden arrest geen rekening houdt met “ de argumenten van de Vlaamse minister die poneren dat de TOP er mee voor zorgt dat de randvoorwaarden worden gecreëerd om substantiële partijen opvul- en afwerkingsgrond efficiënt te verwerven en dat de TOP op deze manier ertoe bijdraagt dat de opvulling zo snel mogelijk gerealiseerd kan worden”, mist feitelijke grondslag. VII-41.191-12/15 Hetzelfde geldt voor het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest: - de “feitelijke argumenten die de Vlaamse minister er onder meer toe doen besluiten dat de TOP in functie staat van de realisatie van de nabestemming” niet bij de beoordeling betrekt; - “geen rekening [houdt] met het gegeven dat minimaal 75% van de gronden die worden aangevoerd in het kader van de TOP wel worden aangewend voor de opvulling van de groeve”; - “met een tegenstrijdige motivering [is] behept”; - geen “duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de redengeving” bevat; - “niet voldoet aan de […] opgelegde verplichting om [...] te motiveren”; - nalaat te motiveren of te duiden waarom “de bijdrage van de TOP tot de realisatie van de toekomstige bestemming slechts ‘in zeer beperkte mate’ zou zijn”. In zoverre uit dit middel ook de schending van “het principe van de scheiding der machten” en van “de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel” wordt afgeleid, wordt het verworpen.
  21. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 17.6.3 van het inrichtingsbesluit, “het gewestplan”, artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, VCRO, artikel 5.3.1, eerste lid, 2°, b), DABM en artikel 3 van de motiveringswet, zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen schendt, is niet ontvankelijk.
  22. Het middel wordt verworpen. VII-41.191-13/15 C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partij
  23. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 en 37 DBRC, artikel 4.3.1, § 1, VCRO, het “beginsel scheiding der machten” en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Zij betoogt dat het bestreden arrest de indeplaatsstelling steunt op de in het tweede middel bestreden beoordeling van het eerste middel van Johannes Van den Assem en Robert Van Heyst en dat “de indeplaatsstelling niet op deze onwettige beoordeling kan steunen”. Beoordeling
  24. Gelet op de verwerping van het tweede middel (supra), kan het middel niet tot cassatie leiden. BESLISSING
  25. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  26. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst.
  27. De onterecht betaalde rolrechten ten bedrage van 300 euro dienen te worden terugbetaald aan Johannes Van den Assem en Robert Van Heyst. VII-41.191-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.191-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.590 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.232 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.