← België

Arrest 255591 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.591 Rolnummer: A. 234419/VII-41199 Zaak: Arrest 255591 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-02 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 08:17 Fiche Arrest nr 255.591 van 26 januari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.591 van 26 januari 2023 in de zaak A. 234.419/VII-41.199 In zake : Jozef VAN NOTEN (overleden) rechtsgeding hervat door :

  1. Rita DE SAEDELAER
  2. Anthony VAN NOTEN
  3. Karen VAN NOTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Plavsic kantoor houdend te 2000 Antwerpen Meir 22-24, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE KAPELLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ciska Servais kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Marc BECKERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Plavsic kantoor houdend te 2000 Antwerpen Meir 22-24, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1227 van de Raad voor VII-41.199-1/24 Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 22 juli 2021 in de zaak 1920-RvVb-0773-A. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 21 oktober
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. De erfopvolgers van verzoeker hebben een verzoek tot gedinghervatting ingediend. De gedinghervattende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Marc Beckers heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 januari
  7. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 15 augustus 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De gedinghervattende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december
  8. VII-41.199-2/24 Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christiaan Lesaffer, die loco advocaat Emmanuel Plavsic verschijnt voor de gedinghervattende partijen, advocaat Yannick Ballon, die loco advocaat Ciska Servais verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Christiaan Lesaffer, die loco advocaat Emmanuel Plavsic verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten
  10. De gemeentelijke omgevingsambtenaar beslist op 26 maart 2020 tot de onvolledigverklaring van de omgevingsvergunningsaanvraag van Jozef Van Noten “voor het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning”.
  11. Het bestreden arrest verwerpt de drie middelen en bijgevolg de vordering van Jozef Van Noten tot vernietiging van de beslissing van de gemeentelijke omgevingsambtenaar. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  12. In zoverre het verzoek tot voortzetting van de gedinghervattende partijen ook de neerslag vormt van hun uiteenzetting ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. VII-41.199-3/24 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de gedinghervattende partijen
  13. De gedinghervattende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet “omdat de RvVb het eerste door verzoekende partij opgeworpen middel niet heeft beantwoord”. Zij zetten uiteen dat het bestreden arrest ‘de MER-kwestie’ behandelt “in wat een globale beoordeling van het eerste, tweede middel en het eerste middelonderdeel van het derde middel lijkt te zijn. In de mate dat volstrekt onduidelijk is welke overweging uit het bestreden arrest op welk middel(onderdeel) slaat, is er een motiveringsgebrek aangezien dergelijke handelswijze gelijk gesteld moet worden met een gemis aan motivering t.a.v. duidelijk afzonderlijke en als dusdanig door verzoekende partij in haar processtukken geïdentificeerde middelen of onderdelen ervan. Het bestreden arrest bevat alleszins geen antwoord en dus geen motivering m.b.t. de in het eerste middel aangevoerde schending van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de plicht tot afdoende materiële motivering n.a.v. het bestuurlijk (voor)overleg tussen 2013 en 2017”. De gedinghervattende partijen betogen nog: “Volgende overweging in het bestreden arrest doet geen afbreuk aan deze vaststelling: ‘Uit de gevoegde overtuigingsstukken blijkt niet dat de verwerende partij zelf op de beoordeling van de project-m.e.r.-screeningsnota is vooruitgelopen, wat ze in het licht van artikel 20 en 21 OVD en artikel 66 OVD ook niet mocht doen. […]’. De RvVb motiveert immers niet waarom de houding van de gemeente Kapellen in het voortraject, aangetoond aan de hand van een uitvoerig stukkenbundel dat aan de RvVb werd voorgelegd, geen rechtmatig VII-41.199-4/24 vertrouwen opwekte bij verzoekende partij dat later geschonden werd, wat de essentie van haar eerste middel was. Het motief van de RvVb dat de gemeente Kapellen niet op de beoordeling van een screeningsnota zou zijn ‘vooruitgelopen’ (daargelaten of de RvVb daarmee niet de bewijskracht van de stukken miskende), is immers geen antwoord op het middelonderdeel dat aanvoerde dat de houding van de gemeente een bepaald vertrouwen opwekte bij verzoekende partij dat de weg van de screening voldoende was. Zelfs indien de gemeente niet was ‘vooruitgelopen’ en dat haar interne overtuiging was, is het mogelijk dat haar handelingen en houding bij verzoekende partij een bepaald vertrouwen opwekten, zoals zij aanvoerde. De RvVb motiveert niet in het licht van wat verzoekende partij daarover in haar processtukken aanvoerde, waarom dat vertrouwen niet de beslissingsmarge van de gemeente aantastte zoals aangevoerd. Zulks maakt een evidente schending uit van artikel 149 van de Grondwet”. Beoordeling
  14. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt.
  15. Het bestreden arrest vat het eerste middel van Jozef Van Noten als volgt samen: “De verzoekende partij voert in het eerste middel de schending aan van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De verzoekende partij verwijt de gemeente dat ze bij overlegmomenten nooit een opmerking heeft gemaakt over het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota op basis waarvan de milieueffecten als niet aanzienlijk worden gekwalificeerd. De bestreden beslissing is volgens de verzoekende partij gebaseerd op informatie die de verwerende partij werd VII-41.199-5/24 overgemaakt op overlegmomenten die plaatsvonden tussen 2013 en 2016, en waarover ze in het kader van de behandeling van eerdere vergunningsaanvragen in de periode 2003-2013 al eerder beschikte. De verzoekende partij wijst er in dat verband op dat ‘ook de overlegmomenten voorafgaand aan de indiening van huidige vergunningsaanvraag voor het ene perceel dat gelegen is binnen het verkavelingsakkoord Mahieu, hierbij onder andere terug[gaan] tot en met einde 2013’ en dat ‘het verkavelingsakkoord Mahieu […] een zekere ruimtelijke samenhang vertoont met de aanvragen binnen het verkavelingsakkoord Extensa, [zodat de aanvraag] voor wat betreft de aspecten waarop de aanvragen binnen beide verkavelingsakkoorden een gelijke behandeling behoefden, gelijktijdig behandeld [werd] op het overleg met de gemeente Kapellen’. Dat er volgens de verwerende partij plots wel een volwaardig MER-rapport moet opgesteld worden, schendt het vertrouwens- rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. De bestreden beslissing is, wat het motief voor het ontbreken van een project-MER betreft, volgens de verzoekende partij minstens niet afdoende gemotiveerd. De verwerende partij motiveert onder meer dat de omgevingsaanvragen samen genomen tot een ontbossing van 2,2 ha leiden, ‘waarbij biologisch waardevolle heidevegetatie vernietigd zal worden’, zodat er mogelijks aanzienlijke effecten zijn voor het milieu. Over het verdwijnen van heidevegetatie bestaat kennelijk een substantieel misverstand. De aanwezigheid van heide vormt een onderscheidend element ten opzichte van de eerdere vergunningsaanvragen ingediend binnen het verkavelingsakkoord Extensa, aangezien het een in beginsel verboden vegetatiewijziging betreft, waarvoor binnen de aanvraag echter een oplossing is uitgewerkt op basis van artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Zo wordt een minimale verwijdering van heidevegetatie voorzien, zodat voldaan wordt aan de plicht om op basis van het Natuurdecreet vermijdbare schade aan de natuur te voorkomen. De verzoekende partij verwijst ook naar de verschillende maatregelen die voorgesteld zijn in de uitgebreide MER-screening, zoals zeer beperkte verhardingen rondom de woning. Wat de onvermijdbare schade betreft werd er boven de klassieke boscompensatie eveneens een natuurcompensatieplan in natura uitgewerkt met de vzw Natuurpunt, dat bestaat in de inplanting van deze heide over een oppervlakte van 9.547 m² in een natuurreservaat in Diepenbeek (stukken 32 en 33), een veelvoud van de beperkte oppervlakte heide die daadwerkelijk zal verdwijnen. De verzoekende partij stelt dat de verwerende partij al lang wist dat de vergunningsaanvragen samen enige mate van ontbossing teweeg gingen brengen, en dat op het perceel waarop heidevegetatie aanwezig was, die vegetatie gedeeltelijk zou verdwijnen, wat niet alsnog kon worden aangehaald om te oordelen dat een project-MER moest worden opgesteld. De verzoekende partij verwijst naar diverse overtuigingsstukken waaruit de intense samenwerking met de verwerende partij moet blijken. De meeste recente stukken hebben onder meer betrekking op de bespreking van een VII-41.199-6/24 testdossier dat op 30 mei 2016 heeft plaatsgevonden (stukken 17 tot en met 24 verzoekende partij). Uit stuk 21 blijkt volgens de verzoekende partij opnieuw dat er door de gemeente geen opmerkingen werden gemaakt over de noodzaak tot het opstellen van een volledig MER-rapport. De verzoekende partij voegt ook facturatie-overzichten toe (stukken 15 en 16) waaruit blijkt dat ‘de verschillende adviseurs, zowel intern als extern, naar aanleiding van de instructies van de gemeente volledig op het spoor van de MER-screening zaten’”.
  16. Bij de beoordeling van de drie middelen die Jozef Van Noten heeft aangevoerd, overweegt de RvVb dat: - het eerste, tweede middel en eerste middelonderdeel van het derde middel “ervan uit[gaan] dat de verwerende partij niet rechtmatig beslist heeft dat nog een project-MER aan de omgevingsvergunningsaanvraag moet worden gevoegd” en dat aan “de oorsprong van die redenering […] de in 2013 genomen beslissing tot onvolledigheid over vergelijkbare vergunningsaanvragen voor dezelfde percelen en de bestuurlijke overlegmomenten die plaatsvonden [ligt], waarin of waarop het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota en de concrete inhoud ervan volgens de verzoekende partij niet door de verwerende partij bekritiseerd werd”, - “de bestreden beslissing door minstens twee draagkrachtige motieven, namelijk

(1)het ontbreken van een project-MER of project-MER-ontheffing en
(2)het ontbreken van machtigingsbeslissing voor ontbossing, geschraagd worden”, - het betoog van Jozef Van Noten “dat de verwerende partij niet (alsnog) kon vragen om een project-MER bij te brengen, […] in het licht van de motieven van de bestreden beslissing, niet [kan] overtuigen, niet het minst omdat de bestreden beslissing er ook de aandacht op vestigt dat een project-MER-ontheffingsbeslissing mogelijkerwijs ook kan volstaan”, - de “motieven van de bestreden beslissing waaruit volgt dat de verwerende partij ‘om deze gevolgen voor het milieu goed te kunnen inschatten’ wil kunnen buigen op een project-MER, minstens een goedgekeurd ontheffingsverzoek, […] niet kennelijk onredelijk, kennelijk onzorgvuldig, duidelijk foutief en/of onvoldoende gemotiveerd” zijn. VII-41.199-7/24
  1. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet omdat het bestreden arrest het eerste middel Jozef Van Noten niet beantwoordt, mist feitelijke grondslag.
  2. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de gedinghervattende partijen
  3. De gedinghervattende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet “omdat de RvVb het eerste middelonderdeel van het tweede door verzoekende partij opgeworpen middel niet heeft beantwoord”. Zij betogen dat het bestreden arrest “geen enkele motivering [bevat] om het eerste middelonderdeel van het tweede middel te weerleggen. Alleszins is volstrekt onduidelijk welke paragrafen van de doorlopende tekst zonder enige indeling per middel(onderdeel) in het bestreden arrest […] betrekking hebben op welk middel(onderdeel) uit het eerste en tweede middel en het eerste onderdeel van het derde middel”. Beoordeling
  4. Het bestreden arrest vat het eerste onderdeel van het tweede middel van Jozef Van Noten als volgt samen: “In het eerste middelonderdeel van het tweede middel verwijst de verzoekende partij naar haar betoog in het eerste middel en benadrukt ze dat het vreemd is dat de gemeente de conclusie van de MER-screening betwist zonder dat er sprake is van nieuwe gegevens of er wetswijzigingen zijn doorgevoerd. Ze legt expliciet de nadruk op de e-mail van de MER-deskundige van 10 oktober 2019 (stuk 2), gericht aan de raadsman van de verzoekende partij, waarin duidelijk te lezen staat dat de gemeente nooit enig voorbehoud over het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota heeft gemaakt. Ze wijst erop dat de inhoud van die email, die ook gevoegd VII-41.199-8/24 werd bij de onderscheiden beroepen van het verkavelingsakkoord Extensa, eveneens volledig van toepassing is aangezien ‘de inhoud van de MER-screening gevoegd bij de bouwaanvraag voor het huidige perceel, blijkens een mail van de MER-deskundige van 26 november 2019 […] slechts op een aantal specifieke punten gewijzigd werd ten opzichte van de onderscheiden MER-screenings die gevoegd werden bij de bouwaanvragen binnen het verkavelingsakkoord Extensa.’ Ze meent dat de huidige beslissing dat ook het toonvoorbeeld is van ‘het in de bijdrage van H. SCHOUKENS aangehaalde risico dat een gemeente de beslissing over de MER-screening ook kan ‘misbruiken’ teneinde bepaalde projecten die zij niet genegen is, in de kiem te smoren’. Die conclusie wordt volgens haar nog versterkt wanneer gekeken wordt naar de specifieke punten waarop de vergunningsaanvraag voor het huidige perceel werd aangepast (mail van 26 november 2019, stuk 37), waaruit blijkt dat de term ‘stedenbouwkundige vergunning’ door ‘omgevingsvergunning’ vervangen werd, de verwijzing naar ‘milderende maatregelen’ geschrapt werd en eraan werd toegevoegd dat de conclusies uit de waternota van Antea Group anno 2019 nog steeds geldig zijn. Het is volgens haar dan ook bijzonder merkwaardig dat in de bestreden beslissing nog passages terug te vinden zijn die verwijzen naar ‘milderende maatregelen’, er geoordeeld wordt dat het voorwerp van de aanvraag onduidelijk is omdat in de project-m.e.r.-screeningsnota aangegeven wordt dat de aanvraag betrekking heeft op een ‘stedenbouwkundige vergunning’ en er gesteld wordt dat de project-m.e.r.-screeningsnota van 2017 dateert en het technisch verslag waterhuishouding van 2015, wat de indruk geeft dat de aangereikte inlichtingen gedateerd of onvolledig zijn. De verzoekende partij herhaalt dat de MER-deskundige de MER-screening aan een update, op de hierboven vermelde punten, werd onderworpen. De MER-screening zelf dateert dan ook van 25 november 2019 en is niet gedateerd. De verzoekende partij besluit dat de verwerende partij de verzoekende partij de toegang tot de vergunningsprocedure ontzegt op willekeurige gronden, terwijl haar discretionaire bevoegdheid beperkt was door de al beschikbare informatie en het standpunt dat ze tijdens overlegmomenten had ingenomen”.
  5. Bij de beoordeling van de drie middelen die Jozef Van Noten heeft aangevoerd, overweegt de RvVb dat: - het eerste, tweede middel en eerste middelonderdeel van het derde middel “ervan uit[gaan] dat de verwerende partij niet rechtmatig beslist heeft dat nog een project-MER aan de omgevingsvergunningsaanvraag moet worden gevoegd” en dat aan “de oorsprong van die redenering […] de in 2013 genomen beslissing tot onvolledigheid over vergelijkbare vergunningsaanvragen voor dezelfde percelen en de bestuurlijke overlegmomenten die plaatsvonden [ligt], waarin of waarop het VII-41.199-9/24 gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota en de concrete inhoud ervan volgens de verzoekende partij niet door de verwerende partij bekritiseerd werd”, - “de bestreden beslissing door minstens twee draagkrachtige motieven, namelijk
(1)het ontbreken van een project-MER of project-MER-ontheffing en
(2)het ontbreken van machtigingsbeslissing voor ontbossing, geschraagd worden”, - het betoog van Jozef Van Noten “dat de verwerende partij niet (alsnog) kon vragen om een project-MER bij te brengen, […] in het licht van de motieven van de bestreden beslissing, niet [kan] overtuigen, niet het minst omdat de bestreden beslissing er ook de aandacht op vestigt dat een project-MER-ontheffingsbeslissing mogelijkerwijs ook kan volstaan”, - de “motieven van de bestreden beslissing waaruit volgt dat de verwerende partij ‘om deze gevolgen voor het milieu goed te kunnen inschatten’ wil kunnen buigen op een project-MER, minstens een goedgekeurd ontheffingsverzoek, […] niet kennelijk onredelijk, kennelijk onzorgvuldig, duidelijk foutief en/of onvoldoende gemotiveerd” zijn.
  1. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet omdat het bestreden arrest het eerste onderdeel van het tweede middel van Jozef Van Noten niet beantwoordt, mist feitelijke grondslag.
  2. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de gedinghervattende partijen
  3. De gedinghervattende partijen voeren de schending aan van: - artikel 149 van de Grondwet “omdat de RvVb het tweede middelonderdeel van het tweede door verzoekende partij opgeworpen middel niet heeft beantwoord”, en - de “artikelen 1319, 1320 en 1322 van het (oud) Burgerlijk Wetboek (thans art. 8:18 e.v. nieuw BW wat betreft onderhandse akten) door aan de gemeentelijk[e] beslissingen een lezing te geven die ermee strijdig is”. VII-41.199-10/24 Zij betogen: “[…] De voor de RvVb bestreden gemeentelijke beslissing bevat geen motieven waar uit blijkt dat zij meent dat de voorgestelde milderende maatregelen in realiteit compenserende maatregelen zouden zijn. De gemeente Kapellen wees enkel op de aanwezigheid van die milderende maatregelen in de MER-screening om te stellen dat dit een aanwijzing was voor mogelijk aanzienlijke milieu-gevolgen. De gemeente stelde het milderend karakter als dusdanig niet in vraag: […] De RvVb komt aldus tot een conclusie (‘het blijkt niet zonder meer dat het geen compenserende maatregel betreft...’) die de gemeente Kapellen zelf niet trok zodat het bestreden arrest aan stuk 2 een uitlegging geeft die met de letter ervan onverenigbaar is zodat ook in rechte een verkeerde conclusie wordt getrokken, wat dan weer een motiveringsgebrek is. […] Alleszins is de motivering van het bestreden arrest op dit punt geen antwoord op de essentie van het middelonderdeel, nl. dat de gemeente Kapellen niet afdoende motiveerde waarom milderende maatregelen als motief kunnen dienen om te stellen dat er mogelijk aanzienlijke milieu-gevolgen kunnen zijn, terwijl verzoekende partij in processtukken uitvoerig had geargumenteerd dat milderende maatregelen daarvoor in principe juist niet voor kunnen worden ingeroepen […]”. Beoordeling
  4. Het bestreden arrest vat het tweede onderdeel van het tweede middel van Jozef Van Noten als volgt samen: “In het tweede middelonderdeel van het tweede middel bekritiseert de verzoekende partij dat de milderende maatregelen die de verzoekende partij in haar project-m.e.r.-screeningsnota liet opnemen en in haar aanvraag heeft verwerkt, in de bestreden beslissing worden gebruikt om te stellen dat het project toch aanzienlijke milieugevolgen heeft. Die maatregelen maken integraal deel uit van het project. De verwerende partij haalt het doel van een project-m.e.r.-screening onderuit, aangezien de studie naar de milieueffecten van een project net als doel heeft om na te gaan of een project milieumatig met de onmiddellijke omgeving verenigbaar is, dan wel onder welke voorwaarden deze verenigbaarheid kan worden gegarandeerd. Ze verwijst naar artikel 4, vierde lid van Richtlijn 2011/92/EU, die volgens haar afdoende duidelijk is om rechtstreekse werking te hebben. De verwerende partij is verplicht rekening te houden met informatie over milderende maatregelen. Dat wordt ook zo in Belgische rechtsleer geïnterpreteerd. De verzoekende partij benadrukt opnieuw dat ook de MER-deskundige de mening toegedaan is dat de gemeente de zaken ‘omdraait’ (stuk 2 VII-41.199-11/24 verzoekende partij) en onder meer stelt dat ‘in de project-mer-screening […] enkel aanbevelingen [staan], dit om beperkt negatieve (dus geen aanzienlijke negatieve) effecten te reduceren. […] Er wordt echter besloten dat deze voorwaarden zullen opgenomen worden in de lasten gekoppeld aan het verkavelingsakkoord, waardoor deze aandachtspunten/voorwaarden in principe deel uitmaken van het projectvoornemen en bijgevolg niet als milderende maatregel worden opgelegd’. De verzoekende partij somt de maatregelen op die voorgesteld worden in de project-m.e.r.-screeningsnota en die door de verwerende partij op geen enkele wijze in de motieven van de bestreden beslissing betrokken zijn geweest (p. 58-59 verzoekschrift). Ze onderlijnt onder meer dat de achterliggende tuinen gevrijwaard blijven van ontbossing waardoor een 40 tot 80 meter brede corridor blijft bestaan waarlangs de bestaande dier- en plantensoorten kunnen migreren (p. 26-27 van de MER-screening). Ze benadrukt dat uit de voortoets passende beoordeling blijkt dat het voorgenomen project geen enkele significante impact heeft (p. 37 van de MER-screening). Door niet in te gaan op de verschillende maatregelen die de initiatiefnemer in de project-m.e.r.-screening heeft uitgewerkt, noch de redenen op te geven waarom deze maatregelen onvoldoende zijn, heeft de verwerende partij de op haar rustende motiveringsplicht geschonden. Die onwettigheid wordt nog versterkt door het feit dat zowel Natuurpunt als het Agentschap voor Natuur en Bos op basis van de uitgewerkte screening bereid waren om hun medewerking te verlenen”.
  5. Bij de beoordeling van de drie middelen die Jozef Van Noten heeft aangevoerd, overweegt de RvVb dat: - het eerste, tweede middel en eerste middelonderdeel van het derde middel “ervan uit[gaan] dat de verwerende partij niet rechtmatig beslist heeft dat nog een project-MER aan de omgevingsvergunningsaanvraag moet worden gevoegd” en dat aan “de oorsprong van die redenering […] de in 2013 genomen beslissing tot onvolledigheid over vergelijkbare vergunningsaanvragen voor dezelfde percelen en de bestuurlijke overlegmomenten die plaatsvonden [ligt], waarin of waarop het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota en de concrete inhoud ervan volgens de verzoekende partij niet door de verwerende partij bekritiseerd werd”, - “de bestreden beslissing door minstens twee draagkrachtige motieven, namelijk
(1)het ontbreken van een project-MER of project-MER-ontheffing en
(2)het ontbreken van machtigingsbeslissing voor ontbossing, geschraagd worden”, - het betoog van Jozef Van Noten “dat de verwerende partij niet (alsnog) kon vragen om een project-MER bij te brengen, […] in het licht van de motieven van VII-41.199-12/24 de bestreden beslissing, niet [kan] overtuigen, niet het minst omdat de bestreden beslissing er ook de aandacht op vestigt dat een project-MER-ontheffingsbeslissing mogelijkerwijs ook kan volstaan”, - de “motieven van de bestreden beslissing waaruit volgt dat de verwerende partij ‘om deze gevolgen voor het milieu goed te kunnen inschatten’ wil kunnen buigen op een project-MER, minstens een goedgekeurd ontheffingsverzoek, […] niet kennelijk onredelijk, kennelijk onzorgvuldig, duidelijk foutief en/of onvoldoende gemotiveerd” zijn.
  1. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet omdat het bestreden arrest het tweede onderdeel van het tweede middel van Jozef Van Noten niet beantwoordt, mist feitelijke grondslag. Het middel dat dezelfde schending aanvoert omdat in het bestreden arrest “een verkeerde conclusie wordt getrokken”, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting van de rechterlijke motiveringsverplichting bedoeld in randnummer
  2. Het middel faalt in zoverre naar recht.
  3. Het middel dat de schending van de bewijskracht van een akte aanvoert, is onontvankelijk wegens gebrek aan precisie. De gedinghervattende partijen preciseren niet hoe en waarom het bestreden arrest “aan stuk 2 een uitlegging geeft die met de letter ervan onverenigbaar is” en dus de bewijskracht van dat stuk schendt, door louter te stellen dat de RvVb tot de conclusie komt dat niet zonder meer blijkt dat het geen compenserende maatregelen betreft “die de gemeente Kapellen zelf niet trok”.
  4. Het middel wordt verworpen. VII-41.199-13/24 D. Vierde middel Standpunt van de gedinghervattende partijen
  5. De gedinghervattende partijen voeren de schending aan van: - artikel 149 van de Grondwet “omdat de RvVb het derde middelonderdeel van het tweede door verzoekende partij opgeworpen middel niet heeft beantwoord”, en - de “artikelen 1319, 1320 en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek (thans art. 8:18 e.v. nieuw BW) door aan de gemeentelijk[e] beslissingen een lezing te geven die ermee strijdig is”. Zij betogen: “[…] Het bestreden arrest evenwel bevat geen motivering ter beantwoording van dit middelonderdeel dat aanvoerde dat de gemeentelijke beslissing geen draagkrachtige motieven bevatte m.b.t. het in de project-MER-screeningsnota voorgestelde natuurcompensatieplan voor de beperkte verwijdering van heide op het perceel van de aanvraag. De gemeente Kapellen nam gewoon letterlijk dezelfde tekst op als in de beslissingen m.b.t. de heer Beckers (waar er géén heidevegetatie is) en de RvVb nam, bovenaan p. 34 in de eerste paragraaf, dezelfde overweging op als in arrest nr. RvVb-A-1920-0494 van 7 januari 2021) en antwoordde dus niet op dit duidelijk afzonderlijk geïdentificeerd middelonderdeel dat inhoudelijk niet samenvalt of overlapt met andere middelonderdelen van het tweede middel aangevoerd voor de RvVb en niet aangevoerd was in het eigen beroep van vrijwillig tussenkomende partij”. Beoordeling
  6. Het bestreden arrest vat het derde onderdeel van het tweede middel van Jozef Van Noten als volgt samen: “In het derde middelonderdeel van het tweede middel betoogt de verzoekende partij dat de motivering in verband met heidevegetatie evenmin draagkrachtig is aangezien niet gemotiveerd wordt waarom het voor het huidige perceel voorziene natuurcompensatieplan onvoldoende is om aanzienlijke milieueffecten op dit punt te vermijden. In de eerste plaats doet de verwerende partij met de bestreden beslissing uitschijnen dat er voor de 17 aanvragen heidevegetatie zou verdwijnen, wat onjuist is aangezien dat VII-41.199-14/24 slechts voor het perceel dat het voorwerp van de bestreden beslissing vormt het geval is. Het komt voor de verzoekende partij ‘bevreemdend’ over dat de gemeente tot de aanwezigheid van eventuele aanzienlijke milieueffecten overgaat, ‘zonder hierbij ook maar enige overweging te wijden aan de specifieke dossiereigen elementen met betrekking tot het huidige perceel’. Ze wijst in dat verband opnieuw naar het natuurcompensatieplan, de keuze voor een sober concept met zo weinig mogelijk verhardingen en het beperkt verdwijnen van heidevegetatie die ruimschoots zal worden gecompenseerd (illustratie met uittreksel uit het bomenplan)”.
  7. Bij de beoordeling van de drie middelen die Jozef Van Noten heeft aangevoerd, overweegt de RvVb dat: - het eerste, tweede middel en eerste middelonderdeel van het derde middel “ervan uit[gaan] dat de verwerende partij niet rechtmatig beslist heeft dat nog een project-MER aan de omgevingsvergunningsaanvraag moet worden gevoegd” en dat aan “de oorsprong van die redenering […] de in 2013 genomen beslissing tot onvolledigheid over vergelijkbare vergunningsaanvragen voor dezelfde percelen en de bestuurlijke overlegmomenten die plaatsvonden [ligt], waarin of waarop het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota en de concrete inhoud ervan volgens de verzoekende partij niet door de verwerende partij bekritiseerd werd”, - “de bestreden beslissing door minstens twee draagkrachtige motieven, namelijk
(1)het ontbreken van een project-MER of project-MER-ontheffing en
(2)het ontbreken van machtigingsbeslissing voor ontbossing, geschraagd worden”, - het betoog van Jozef Van Noten “dat de verwerende partij niet (alsnog) kon vragen om een project-MER bij te brengen, […] in het licht van de motieven van de bestreden beslissing, niet [kan] overtuigen, niet het minst omdat de bestreden beslissing er ook de aandacht op vestigt dat een project-MER-ontheffingsbeslissing mogelijkerwijs ook kan volstaan”, - de “verwerende partij [...] aan[haalt] dat het project samen met alle ingediende vergunningsaanvragen aan de Venuslei één ruimtelijk geheel vormt van een bepaalde schaal, gelegen is in bosrijk gebied, 2,2 ha zal ontbost worden en biologisch waardevolle heidevegetatie zal worden vernietigd en dat blijkt dat op diverse plaatsen in de screeningsnota ‘milderende maatregelen’ worden voorgesteld” en uit “‘punt 5’ [...] bovendien [blijkt] dat de verwerende partij haar twijfels heeft bij de actualiteit van de screeningsnota”, VII-41.199-15/24 - de “motieven van de bestreden beslissing waaruit volgt dat de verwerende partij ‘om deze gevolgen voor het milieu goed te kunnen inschatten’ wil kunnen buigen op een project-MER, minstens een goedgekeurd ontheffingsverzoek, […] niet kennelijk onredelijk, kennelijk onzorgvuldig, duidelijk foutief en/of onvoldoende gemotiveerd” zijn, - de “project-m.e.r.-screeningsnota vermeldt dat op het perceel gelegen binnen het verkavelingsakkoord Mahieu een droge heidevegetatie aanwezig is, die vernietigd zal worden en ‘de vernietiging toch als negatief beoordeeld [dient] te worden, gezien dit habitattype specifiek werd aangemeld voor het nabijgelegen habitatrichtlijngebied. Voor dit perceel werd een compensatiedossier opgemaakt’ (p. 36 project-m.e.r.-screeningsnota)”.
  1. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet omdat het bestreden arrest het derde onderdeel van het tweede middel van Jozef Van Noten niet beantwoordt, mist feitelijke grondslag.
  2. Het middel dat de schending van de bewijskracht van een akte aanvoert, is onontvankelijk wegens gebrek aan precisie. De gedinghervattende partijen preciseren niet hoe en waarom het bestreden arrest “aan de gemeentelijk[e] beslissingen een lezing [geeft] die ermee strijdig is”.
  3. Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Standpunt van de gedinghervattende partijen
  4. De gedinghervattende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet “omdat de RvVb het vierde middelonderdeel van het tweede door verzoekende partij opgeworpen middel niet heeft beantwoord”. VII-41.199-16/24 Beoordeling
  5. Het bestreden arrest vat het vierde onderdeel van het tweede middel van Jozef Van Noten als volgt samen: “In het vierde middelonderdeel van het tweede middel stelt de verzoekende partij tenslotte dat de ontbossing van 2,2 ha niet automatisch ‘aanzienlijke’ milieueffecten genereert. Ze wijst erop dat voor een ontbossing groter dan 3 ha nog altijd een project-MER-ontheffing kan worden verkregen (bijlage II Project-MER-besluit, handleiding ontbossing van het Departement Omgeving). De verwerende partij motiveert volgens haar niet waarom de milieueffecten in kwestie wel als aanzienlijk kunnen worden gekwalificeerd. Ze herhaalt dat de verwerende partij niet is ingegaan op het natuurcompensatieplan dat ze voorstelde en dat de ontbossing op het perceel zeer beperkt blijft waarbij de achterste gedeelten van de percelen volledig gevrijwaard blijven waardoor een strook van 40 à 80 m breed behouden blijft voor migratie van de bestaande planten- en diersoorten”.
  6. Bij de beoordeling van de drie middelen die Jozef Van Noten heeft aangevoerd, overweegt de RvVb dat: - het eerste, tweede middel en eerste middelonderdeel van het derde middel “ervan uit[gaan] dat de verwerende partij niet rechtmatig beslist heeft dat nog een project-MER aan de omgevingsvergunningsaanvraag moet worden gevoegd” en dat aan “de oorsprong van die redenering […] de in 2013 genomen beslissing tot onvolledigheid over vergelijkbare vergunningsaanvragen voor dezelfde percelen en de bestuurlijke overlegmomenten die plaatsvonden [ligt], waarin of waarop het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota en de concrete inhoud ervan volgens de verzoekende partij niet door de verwerende partij bekritiseerd werd”, - “de bestreden beslissing door minstens twee draagkrachtige motieven, namelijk
(1)het ontbreken van een project-MER of project-MER-ontheffing en
(2)het ontbreken van machtigingsbeslissing voor ontbossing, geschraagd worden”, en verder: “De project-m.e.r.-screeningsnota gewaagt qua biotoopverlies (p. 26) dat ‘verlies van bos […] echter algemeen aanzien [wordt] als een negatieve evolutie in het kader van het standstill-principe. Er dient echter opgemerkt te worden dat dit type van bos gemakkelijk te compenseren is en er voor de VII-41.199-17/24 soorten die er momenteel voorkomen veel uitwijkmogelijkheden zijn in de omgeving. Door de initiatiefnemers wordt er ook voor gekozen om voor de ontbossing een compensatie te voorzien in natura. Hiervoor zijn reeds de nodige stappen ondernomen.’ De screeningsnota vermeldt nog dat ‘algemeen kan besloten worden dat de beperkte ‘ontbossing’ en de verwijdering van heidevegetatie beperkt negatief tot negatief kan beoordeeld worden. Aanzienlijk negatieve effecten omwille van rechtstreeks biotoopverlies worden er echter niet verwacht’. (p. 26, […]). Of er aanzienlijke negatieve effecten omwille van onrechtstreeks biotoopverlies te verwachten zijn, wordt niet vermeld. Anders dan de verzoekende partij dat ziet, blijkt niet dat het compenseren van bos louter uitvoering geeft aan regelgeving omtrent ontbossing. Het blijkt niet zonder meer dat het geen compenserende maatregel betreft die ertoe strekt de (mogelijk aanzienlijke) milieueffecten die de projecten hebben, te compenseren (compenserende maatregel), eerder dan ze te voorkomen en verminderen (milderende maatregel). De vergunningverlenende overheid kan enkel beslissen dat er geen milieueffectrapport over het aangevraagd project moet worden opgesteld indien een toetsing aan de criteria van bijlage II DABM uitwijst dat het project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu. Van elke voorgestelde milderende maatregel moet dus blijken dat die in wezen geen (verdoken) compenserende maatregel betreft. De compensatie van zowel heidevegetatie als het bos vindt niet plaats op de percelen van de omgevingsvergunningsaanvragen zelf. […] Het spreekt voor zich dat het de verwerende partij toegelaten moet zijn om, als het haar voorkomt dat een project aanzienlijke milieueffecten kan genereren en de project-m.e.r.-screeningsnota haar niet (volledig) kan overtuigen dat dit niet het geval zou zijn, daarover aan de hand van een project-MER of ontheffingsbeslissing (zo goed als mogelijk) uitsluitsel te vragen”.
  1. Het middel mist feitelijke grondslag.
  2. Het middel wordt verworpen. VII-41.199-18/24 F. Zesde middel Standpunt van de gedinghervattende partijen
  3. De gedinghervattende partijen voeren de schending aan van: - (eerste onderdeel) artikel 149 van de Grondwet en artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD) “doordat het bestreden arrest een verkeerde conclusie in rechte trekt door te oordelen dat omdat het [OVD] geen verplichting bevat om ontbrekende informatie op te vragen, om die reden alleen dat niet doen niet onzorgvuldig is”; - (tweede onderdeel) “de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek (thans art. 8:18 e.v. BW) door aan punt 4 van de voor de RvVb bestreden gemeentelijke beslissingen een lezing te geven die ermee strijdig is en alzo een rechtspunt te beslechten dat geen voorwerp was van het beroep door verzoekende partij”, en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) “doordat partijen hierover geen tegenspraak hebben kunnen voeren en ook neerkomt op een overschrijding van de rechtsprekende bevoegdheid van de RvVb”. Zij betogen in het eerste middelonderdeel dat het oordeel van de RvVb “dat het niet onzorgvuldig is om ontbrekende informatie niet op te vragen omdat artikel 20 [OVD] daar enkel een mogelijkheid toe bevat, [...] onjuist [is] in rechte en gebrekkig gemotiveerd in het licht van de wil van de decreetgever die van de vergunningverlenende overheid een pragmatische houding verwacht”. Dat is dus “een nietszeggende motivering en een verkeerde conclusie in rechte die gelijk staat met de afwezigheid van een motivering in antwoord op het middelonderdeel opgeworpen voor de RvVb”. Zij argumenteren in het tweede middelonderdeel dat de RvVb aan punt 4 van de bij hem bestreden beslissing van de gemeentelijke omgevingsambtenaar een draagwijdte aan de gemeentelijke beslissing geeft “die deze niet heeft. Anders dan wat de RvVb meent, stelt de gemeentelijke beslissing VII-41.199-19/24 niet dat in casu een ontheffingsbeslissing nodig is en [dat] die ontbreekt. De letterlijke tekst van het motief van de gemeente is eigenlijk net tegenovergesteld […]. Anders dan de RvVb stelt […] is de afwezigheid in het aanvraagdossier van een ontheffingsbeslissing dus geen (deel)motief voor onvolledigheid of onontvankelijkheid. […] Het middelonderdeel dat verzoekende partij hiertegen opwierp, was dat het onzorgvuldig was om hierover geen verduidelijking en de gewenste stukken te vragen. De RvVb ontwikkelde dus ook een motivering op een rechtspunt dat niet het voorwerp was van het debat tussen partijen voor de RvVb en die geen steun vindt in de bewoordingen van de gemeentelijke beslissing. De RvVb voegt eigenlijk een motief toe aan de gemeentelijke beslissingen. Een motivering naast de kwestie en ultra petita dient gelijkgesteld te worden met een gemis aan motivering. […] Partijen hebben hier ook geen tegenspraak over kunnen voeren zodat het bestreden arrest de wet schendt, met artikel 6 EVRM”. Beoordeling
  4. Het middel dat de onjuistheid in rechte, het gebrekkig en het nietszeggend karakter van de motivering van het bestreden arrest aanvoert, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting van de rechterlijke motiveringsverplichting bedoeld in randnummer
  5. Het middel faalt in zoverre naar recht.
  6. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 20 OVD zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepaling schendt, is niet ontvankelijk.
  7. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
  8. Het bestreden arrest overweegt: “De verzoekende partij maakt minstens niet aannemelijk dat de verwerende partij wat ‘punt 4’ betreft, met name dat voor een ontbossing binnen bosgebied in beginsel een ontheffingsbeslissing nodig is met toepassing van artikel 90bis van het Bosdecreet, een duidelijk foutief standpunt heeft ingenomen”. VII-41.199-20/24 Het bestreden arrest citeert uit het voormelde “punt 4” van de voor de RvVb bestreden beslissing dat door Jozef Van Noten luidens het bestreden arrest “op zich” niet wordt tegengesproken, onder meer: “Het dossier behelst een ontbossing binnen bosgebied op het gewestplan. In beginsel is daartoe een ontheffing van het verbod op ontbossing vereist. […]”.
  9. Het tweede middelonderdeel dat de miskenning van de bewijskracht van de kwestieuze akte aanvoert, is niet gegrond. Bijgevolg moet ook het aan dit middelonderdeel gekoppelde tweede middelonderdeel dat de schending van artikel 6 EVRM aanvoert, worden verworpen.
  10. Het middel wordt verworpen. G. Zevende middel Standpunt van de gedinghervattende partijen
  11. De gedinghervattende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet “door te antwoorden op het derde onderdeel van het derde middel aangevoerd voor de RvVb met een motivering die in realiteit een motivering inhoudt die geen antwoord inhoudt op het opgeworpen middelonderdeel en ook neerkomt op een overschrijding van de rechtsprekende bevoegdheid van de RvVb”. Zij betogen dat de overweging in het bestreden arrest “dat m.b.t. de dossiereigen elementen verzoekende partij niet ‘consistent’ is en […] dat de verschillen eigenlijk niet relevant zijn”, een motivering is “die geen verband houdt met het opgeworpen middelonderdeel waarvan de essentie is dat de gemeente aangewreven wordt niet te motiveren m.b.t. de dossiereigen elementen van de aanvraag van verzoekende partij” en dus hierop niet antwoordt. “Het komt de RvVb niet toe om die in de voor hem bestreden beslissing ontbrekende motieven VII-41.199-21/24 zelf te ontwikkelen in de plaats van de gemeente, wat hij wel deed, waardoor de RvVb ook zijn bevoegdheid overschreed”. Beoordeling
  12. Het bestreden arrest vat het derde onderdeel van het derde middel van Jozef Van Noten als volgt samen: “De verzoekende partij betoogt in het derde middelonderdeel van het derde middel ten slotte dat de verwerende partij het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden heeft door in de bestreden beslissing geen rekening te houden met de verschillende dossiereigen elementen van de aanvraag. De verwerende partij is volgens haar niet overgegaan tot een deugdelijke inventarisatie van feitelijke en juridische elementen. Ze wijst erop dat de aanvraag onder meer gelegen is binnen een ander verkavelingsakkoord (Mahieu) dat al grotendeels tot ontwikkeling werd gebracht en waarin er na de inwerkingtreding van het gewestplan nog verschillende vergunningen en stedenbouwkundige attesten werden afgeleverd voor percelen die eveneens in bosgebied gelegen zijn. Het voorwerp van de aanvraag grenst aan twee bebouwde percelen en is in de ruimere en onmiddellijke omgeving gelegen te midden van andere bebouwde percelen. De MER-screening werd aangepast wat de actualiteit van de waternota en de conclusie van de voortoets passende beoordeling betreft om verwarring door het begrip ‘milderende maatregelen’ te voorkomen, de term ‘stedenbouwkundige vergunning’ werd vervangen door ‘omgevingsvergunning’. De verzoekende partij wijst op de aanwezigheid van heide op het perceel en de voorgestelde inspanningen inzake vermijdbare schade (beperkingen verhardingen, sober plan) en een ruime natuurcompensatie ten opzichte van het beperkt verdwijnen van heidevegetatie. Ze wijst er ook op dat, om het de verwerende partij gemakkelijker te maken, in de verschillende begeleidende teksten werd aangegeven welke passages nieuw waren ten opzichte van de eerdere aanvragen binnen het verkavelingsakkoord Extensa, en er ook een memo handleiding bouwaanvraag werd gevoegd, waarmee de verwerende partij kennelijk geen rekening gehouden heeft. Ook aan de bemerking omtrent gedateerdheid is de verzoekende partij tegemoetgekomen. Uit het geheel blijkt opnieuw dat de verwerende partij het project eenvoudigweg wil blokkeren”. VII-41.199-22/24
  13. Bij de beoordeling van het derde onderdeel van het derde middel van Jozef Van Noten, overweegt het bestreden arrest: “Het betoog van de verzoekende partij dat de aanvraag omwille van haar specifieke dossiereigen elementen tot diepgaander onderzoek en/of een gewijzigde motivering had moeten leiden in het kader van het ontvankelijkheidsonderzoek, overtuigt niet. De Raad stelt in dat verband vast dat de verzoekende partij een weinig consistent betoog voert. De verzoekende partij geeft immers aan dat screeningsnota weliswaar aangepast werd (de aan het dossier gevoegde screeningsnota ‘Aanvraag omgevingsvergunning binnen het verkavelingsakkoord Mahieu te Kapellen’ dateert van 25 november 2019), maar ook niet dermate dat opmerkingen van de eigen MER-deskundige die verband hielden met de 13 andere aanvragen niet langer relevant zouden zijn. Op p. 14 van het verzoekschrift bevestigt ze dat ‘de inhoud van de MER-screening gevoegd bij de bouwaanvraag voor het huidige perceel, blijkens een mail van de MER-deskundige op 26 november 2019, hierbij gevoegd als stuk 37, slechts op een aantal specifieke punten gewijzigd werd ten opzichte van de onderscheiden MER-screenings die gevoegd werden bij de bouwaanvragen binnen het verkavelingsakkoord Extensa, punten waaraan de gemeente Kapellen zoals uitgewerkt in het derde onderdeel van het derde middel trouwens integraal aan voorbijgaat in de door haar genomen beslissing, blijft de inhoud van deze als stuk 2 gevoegde e-mail van 10 oktober 2019 dan ook volkomen actueel […]’. Uit datzelfde stuk 37 blijken de aanpassingen aan de project-m.e.r-.screeningsnota eerder terminologisch en tekstueel, dan inhoudelijk van aard. Zo bevestigt de verzoekende partij dat de project-m.e.r.-screeningsnota van 25 november 2019 enkel aan die van 2017 werd aangepast in de zin dat de term ‘stedenbouwkundige vergunning’ door ‘omgevingsvergunning’ vervangen werd, het begrip ‘milderende maatregelen’ uit de project-m.e.r.-screeningsnota geschrapt werd, en werd bevestigd dat de conclusies uit de waternota van Anteo Group ‘anno 2019 nog steeds geldig zijn’. Het ‘technisch verslag waterhuishouding Verkaveling Venuslei Kapellen’ dateert evenwel nog steeds van
  14. Op p. 58-59 van het verzoekschrift vermeldt de verzoekende partij een hele reeks maatregelen waarvan onduidelijk is of de schrapping van de term ‘milderend’ enige impact heeft op de aard van de maatregelen die worden voorzien, die identiek lijken aan de maatregelen voorzien in het kader van de uitvoering van het verkavelingsakkoord ‘Extensa’”.
  15. Het middel mist feitelijke grondslag.
  16. Het middel wordt verworpen. VII-41.199-23/24 BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  18. De gedinghervattende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.199-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.591 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.