← België

Arrest 255609 - Overheidsopdrachten - 26/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.609 Rolnummer: A. 238062/XII-9310 Zaak: Arrest 255609 - Overheidsopdrachten - 26/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-27 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 08:18 Fiche Arrest nr 255.609 van 26 januari 2023 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 255.609 van 26 januari 2023 in de zaak A. 238.062/XII-9310 In zake: de VZW GATAM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Gaël Bedert kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de HAVEN VAN ANTWERPEN-BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Wouters kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bus 9 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 28 december 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : “(

  1. i)De uitvoering van de beslissing van de Haven van Antwerpen - Brugge van 17 november 2022, tot niet-selectie van de aanvraag tot deelneming van GATAM VZW voor de raamovereenkomst netheidsonderhoud rechteroever (sociale economie) - B11028, zoals formeel goedgekeurd op 24 november 2022; (
  2. ii)De beslissing van 24 november 2022 met als bijlage het verslag van nazicht van de kandidaturen.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De partijen zijn overeenkomstig artikel 16, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ door de voorzitter van de XIIe kamer XII-9310-1/5 bijeengeroepen voor een virtuele terechtzitting via Teams, op dinsdag 17 januari 2023, om 15.00 uur. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gaël Bedert, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joris Wouters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft, behalve wat de kosten betreft, een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Voorwerp van de vordering – afstand - intrekking 3. De voorliggende vordering, ingesteld op 28 december 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van, ten eerste, de beslissing van de ‘port infrastructure manager’ van de verwerende partij “van 17 november 2022”, waarbij beslist wordt om de verzoekende partij niet te selecteren, “zoals formeel goedgekeurd op 24 november 2022”, en ten tweede, de voornoemde beslissing van het directiecomité van de verwerende partij van 24 november 2022. In haar verzoekschrift verwijst de verzoekende partij naar de vordering die zij op 2 december 2022 heeft ingesteld, strekkend tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de voornoemde beslissing van 17 november 2022 (zaak A. 237.819/XII-9.290). Zij merkt op dat op de terechtzitting van 22 december 2022 in die zaak is gebleken, op basis van de stukken van het administratief dossier, dat de voornoemde beslissing van 17 november 2022, welke haar dezelfde dag reeds ter kennis was gebracht, pas formeel werd goedgekeurd op 24 november 2022. Om die reden heeft zij ook de voorliggende vordering ingesteld, die niet enkel de schorsing beoogt van de tenuitvoerlegging van de eerder bestreden beslissing van 17 november 2022, maar ook, en vooral, van die van de beslissing van 24 november 2022. XII-9310-2/5 4. Op 29 december 2022, dus een dag nadat de voorliggende vordering is ingesteld, heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de voornoemde zaak A. 237.819. In zijn arrest nr. 255.415 stelt hij vast dat de vordering in die zaak geacht moet worden te zijn gericht tegen de beslissing van het directiecomité van de verwerende partij van 24 november 2022 (overweging 4). Hij beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing. 5. In zoverre de thans voorliggende vordering gericht is tegen de beslissing van de ‘port infrastructure manager’ van 17 november 2022, moet ook thans vastgesteld worden, zoals in het voornoemde arrest nr. 255.415, dat de vordering in werkelijkheid geacht moet worden te zijn gericht tegen de beslissing van het directiecomité van 24 november 2022. In zoverre de thans voorliggende vordering gericht is tegen de beslissing van het directiecomité van 24 november 2022, moet vastgesteld worden dat de tenuitvoerlegging van die beslissing ondertussen reeds geschorst is, op verzoek van de verzoekende partij. 6. Gelet op de schorsing bevolen bij het voornoemde arrest nr. 255.415, doet de verzoekende partij met een schrijven van 11 januari 2023 formeel afstand van de voorliggende vordering. 7. Met een schrijven van 10 januari 2023 kondigt de verwerende partij aan dat zij, in het licht van het voornoemde arrest nr. 255.415, “de intentie heeft om de reeds door [de] Raad geschorste beslissing in te trekken”. Ter terechtzitting bevestigt zij dat de intrekking ondertussen ook effectief is gebeurd. 8. Het volstaat te dezen akte te verlenen van de afstand van de vordering door de verzoekende partij. Er hoeft dan niet ingegaan te worden op wat de gevolgen voor de vordering zouden kunnen zijn van de eerdere schorsing van de tenuitvoerlegging XII-9310-3/5 van de thans bestreden beslissing of van de intrekking van die beslissing door de verwerende partij. IV. Kosten 9. De verzoekende partij vordert dat de kosten van de voorliggende vordering, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, ten laste gelegd worden van de verwerende partij. Zij voert aan dat haar niet verweten kan worden de voorliggende vordering ingesteld te hebben. De verwerende partij had niet meteen de beslissing van de ‘port infrastructure manager’ van 17 november 2022 ter kennis van de verzoekende partij moeten brengen, maar had moeten wachten tot die op 24 november 2022 door het directiecomité goedgekeurd was. De verwerende partij voert ter terechtzitting hiertegen aan dat de kennisgeving van 17 november 2022 niet vermeldt dat er een beslissing van een bepaalde datum is. De verzoekende partij had haar eerste vordering kunnen richten tegen een beslissing ‘van ongekende datum’. Het is de verzoekende partij geweest die gesteld heeft dat de toen bestreden beslissing dateerde van 17 november 2022. De verwerende partij vordert dat de kosten in die omstandigheden over de partijen worden omgeslagen. 10. Aan de basis van het feit dat de verzoekende partij de voorliggende vordering heeft ingesteld, nadat zij reeds eerder een vordering had ingesteld tegen wat zij beschreef als een beslissing “van 17 november 2022”, ligt de voorbarige kennisgeving van die beslissing. In het schrijven van de verwerende partij van 17 november 2022 wordt die beslissing bovendien genoemd als de beslissing waartegen een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden ingesteld. Toen de verzoekende partij de thans voorliggende vordering instelde, kon zij nog niet weten dat de Raad van State het voorwerp van haar eerste vordering zou herkwalificeren en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 24 november 2022 zou bevelen. Aan de verzoekende partij kan in die omstandigheden niet verweten worden dat zij, binnen de termijn, voorzichtigheidshalve ook de voorliggende vordering instelde. XII-9310-4/5 Gelet op het voorgaande, past het de verwerende partij integraal te verwijzen in de kosten. BESLISSING 1. De Raad van State verleent akte van de afstand van de vordering. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Paul Lemmens XII-9310-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.609 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.