← België

Arrest 255615 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.615 Rolnummer: A. 234934/X-18026 Zaak: Arrest 255615 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-31 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 08:18 Fiche Arrest nr 255.615 van 27 januari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 255.615 van 27 januari 2023 in de zaak A. 234.934/X-18.026 In zake : Nico BERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Erika Rentmeesters en Jan Van Eynde kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de GEMEENTE EVERGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Jelle Snauwaert kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het verzoekschrift, ingediend op 29 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Evergem van 22 april 2021 waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: gemeentelijk RUP) ‘Recreatie - deelplan Sleidinge’ definitief wordt vastgesteld; b. het besluit van het “Team Mer” van het departement Omgeving van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) van 7 oktober 2020 dat voor het voorgenomen gemeentelijk RUP ‘Recreatie - deelplan Sleidinge’ de opmaak van een plan- milieueffectrapport niet nodig is. X-18.026-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ann Van den broeck heeft een verslag opgesteld. Verzoeker en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september
  5. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Jelle Snauwaert, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Verzoeker is mede-eigenaar en bewoner van een woning aan de Kerkstraat te Sleidinge, dit is een deelgemeente van Evergem, tegenover het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP (hierna: het plangebied). X-18.026-2/16 Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone is het westelijk deel van het plangebied gelegen in woongebied en het oostelijk deel in agrarisch gebied. Aan de langs de Kerkstraat gelegen noordzijde is het plangebied ongeveer 120 meter breed en langs de westelijke grens ervan loopt voetweg nr. 19, die volgens de Atlas der Buurtwegen een wettelijke breedte van 1,6 meter heeft.
  8. Met het besluit van 27 augustus 2015 stelt de gemeenteraad van de gemeente Evergem voor het plangebied het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Recreatie – Deelplan Sleidinge’ definitief vast.
  9. Het laatstgenoemde besluit wordt, op vordering van verzoeker, vernietigd met ’s Raads arrest nr. 238.435 van 6 juni 2017 (zaak A.217.896/X- 16.451). In dit arrest wordt het volgende gesteld: “9.
  10. Vastgesteld wordt dat in de plan-MER-screeningsaanvraag met betrekking tot de Kerkstraat, zonder nadere motivering, wordt overwogen dat ‘[e]r [...] geen recente verkeerstellingen beschikbaar [zijn] voor deze straat, maar men mag aannemen dat de verkeersdrukte zeer matig is’ […]. Vastgesteld wordt ook dat de provincie in het kader van het plan-MER- onderzoek heeft opgemerkt dat ‘[…] [h]et parkeer- en mobiliteitsgebeuren [...] slechts summier [wordt] behandeld’, dat ‘[e]r [...] niet [wordt] aangegeven hoe de verkeersgeneratie verloopt en fluctueert tijdens de week’, en dat ‘[d]e effecten van mobiliteit [...] enkel [worden] beschreven als het aantal parkeerplaatsen dat gepland wordt. [...]’ […]. 9.
  11. Verder wijst verzoeker erop dat zijn bezwaar, waarin onder meer wordt bekritiseerd dat ‘[e]r [...] enerzijds [wordt] ‘aangenomen’ dat verkeersdrukte zeer matig is en [men] anderzijds [...] uitdrukkelijk aan[geeft] dat er geen recente verkeerstellingen beschikbaar zijn’, en waarin wordt aangevoerd dat ‘[e]en grondige mobiliteitsstudie [...] noodzakelijk [is]’ […], door de Gecoro gegrond is bevonden. De Gecoro verwijst ter motivering van haar standpunt naar haar eerder op 2 december 2014 uitgebrachte advies betreffende het mobiliteitsplan van de gemeente Evergem, waarin zij er uitdrukkelijk op heeft gewezen ‘dat de uitwerking van een mobiliteitsvisie voor de recreatieve zones amper aan bod komt in voorliggend mobiliteitsplan’, en ‘vraagt [...] om de mobiliteitsvisie voor alle recreatiegebieden op Evergems grondgebied beter uit te werken in voorliggend mobiliteitsplan’ […]. 9.
  12. Gelet op de voormelde standpunten van de provincie en de Gecoro, moet met verzoeker worden aangenomen dat het mobiliteitsonderzoek op onvolkomen wijze is gevoerd. X-18.026-3/16 De loutere verwijzing in de eerste bestreden beslissing naar het mobiliteitsplan […] doet alvast niet anders besluiten, temeer nu de Gecoro uitdrukkelijk van oordeel is dat in dit plan de uitwerking van een mobiliteitsvisie voor de recreatieve zones amper aan bod komt. De door de eerste verwerende partij aangevoerde omstandigheden ‘dat de lokale voetbalclub reeds lang actief is en dat de bestaande toestand iedereen welbekend is’, dat ‘het mobiliteitsplan de vaststelling in het GRS [bevestigde] ‘dat de Kerkstraat slechts een lokale weg’ type II is’, en dat de mobiliteit ‘ook nog kan bijgestuurd worden door maatregelen als parkeerverboden, snelheidsbeperkingen, enkele rijrichtingen enz.’ nopen evenmin tot een andere conclusie. 9.
  13. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.”
  14. Op 22 oktober 2018 beslist de gemeenteraad van de gemeente Evergem tot de opmaak van een nieuw gemeentelijk RUP ‘Recreatie, deelplan Sleidinge’ voor het plangebied. Over de mogelijke negatieve effecten van het voorontwerp van gemeentelijk RUP voor milieu en veiligheid wordt een “Scopingnota” opgemaakt (hierna: de screeningsnota).
  15. Op 7 oktober 2020 beslist de dienst Mer, op basis van de screeningsnota, dat er geen plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld. Dit is het tweede bestreden besluit.
  16. Op 22 oktober 2020 stelt de gemeenteraad van de gemeente Evergem het ontwerp van gemeentelijk RUP ‘Recreatie - deelplan Sleidinge’ voorlopig vast.
  17. Van 20 november 2020 tot 19 januari 2021 wordt over het ontwerp van gemeentelijk RUP een openbaar onderzoek gehouden. Verzoeker dient een bezwaarschrift in.
  18. In haar zitting van 6 april 2021 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Evergem (hierna: Gecoro) de ingediende bezwaarschriften en brengt zij een advies uit. X-18.026-4/16 11.
  19. Bij besluit van 22 april 2021 stelt de gemeenteraad van de gemeente Evergem het gemeentelijk RUP ‘Recreatie - deelplan Sleidinge’ definitief vast. Dit is het eerste bestreden besluit. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 september
  20. 11.
  21. Een deel van het woongebied en een deel van het agrarisch gebied van het gewestplan worden door het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP herbestemd tot “zone voor dagrecreatie”. Een deel van het woongebied van het gewestplan wordt bestemd tot “zone voor wonen”. 11.
  22. De stedenbouwkundige voorschriften van het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP stellen onder meer het volgende: “
  23. Zone 1: zone voor dagrecreatie […] 3.
  24. Bestemming Het gebied is bestemd voor dagrecreatie voor actieve en passieve recreatie. […] Het aanbrengen van kleinschalige constructies die gericht zijn op de recreatieve functie van het gebied is toegelaten. Het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur ter ondersteuning van de recreatieve functie van het gebied is toegelaten. […] 3.
  25. Inrichting […] 3.2.
  26. Afmetingen van de kleinschalige constructies • Maximaal 2 bouwlagen • Kroonlijsthoogte voor nieuwe bebouwing: maximaal 7m • Vrije dakvorm met een maximale nokhoogte van 8.5m • Maximale oppervlakte volgens een maximale bebouwingsindex voor de zone van 7% en tegelijk met een maximale grondoppervlakte van 800m² en een maximale vloeroppervlakte van 1200m² per gebouw • Elke inrichting moet rekening houden met de geldende veiligheidsregels t.a.v. masten en hoogspanningsleidingen. […] 3.2.
  27. Buffer (indicatieve aanduiding) • De buffer moet voorzien in visuele afscherming, geluidsafscherming, landschappelijke inpassing, beheersing van veiligheidsrisico’s. • De buffers hebben een breedte van min. 10m, behalve ter hoogte van de inrichting van de sportvelden. Hier moet steeds een minimale buffer van 5m ingericht worden. X-18.026-5/16 • De buffer wordt voor minimaal 80% dicht beplant met streekeigen struiken en hoogstammige bomen. • Uiterlijk in het plantseizoen dat volgt op het verlenen van een vergunning, na de inwerkingtreding van dit ruimtelijk uitvoeringsplan, moet de zone voor buffer aangelegd en beplant zijn. […]”. IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 12.
  28. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 2.1.1, 2.1.2 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), alsook uit de schending van het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 12.
  29. Verzoeker wijst er op dat het bestreden gemeentelijk RUP tot stand is gekomen ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: het GRS). Hij benadrukt dat de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen bij de goedkeuring van het GRS uitdrukkelijk als voorwaarde heeft opgelegd dat een behoeftestudie zou worden uitgevoerd. De plannende overheid slaagt er volgens verzoeker niet in een concrete behoefte aan een recreatiezone aan te tonen. Het gaat niet op te verwijzen naar behoeftestudies uit 2008 en 2009 om een concrete noodzaak aan bijkomende sportinfrastructuur in Sleidinge anno 2021 aan te tonen, zonder rekening te houden met het inmiddels in de directe omgeving – niet enkel beperkt tot de gemeentegrenzen van Evergem – gerealiseerde sportaanbod. Zo investeerde de gemeente Lievegem recent nog bijna een miljoen euro in de uitbreiding en modernisering van het sportpark in Lovendegem, op een vijftal kilometer van het plangebied. Ook in Waarschoot is men thans bezig met de oprichting van een nieuwe infrastructuur met een grote sporthal en Finse piste. Al deze sportterreinen staan uiteraard ook open voor de inwoners van Evergem. X-18.026-6/16 Verzoeker vervolgt dat het gegeven dat het bevolkingsaantal inmiddels gestegen zou zijn, niet van die aard is om op onweerlegbare en afdoende wijze aan te tonen dat er een bijkomende aansnijding van de schaarse open ruimte te verantwoorden valt, aangezien de bevolking van Evergem – net als in de rest van Vlaanderen – snel aan het vergrijzen is en ouderen aanzienlijk minder behoefte hebben aan sportinfrastructuur dan jongeren, zeker wat grasvelden betreft. In de in de screeningsnota uitgevoerde ‘omgevingsanalyse’ wordt verder genoteerd dat 75% van de inwoners van Evergem tevreden is over het huidige aanbod aan sportvoorzieningen.
  30. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat in de screeningsnota wel degelijk verwezen diende te worden naar infrastructuur buiten de gemeentegrenzen. Niet alle sporten vereisen immers dat in elke gemeente infrastructuur aanwezig zou zijn, minstens diende deze piste te worden onderzocht.
  31. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat niet wordt ontkend dat de voor het bestreden gemeentelijk RUP uitgevoerde behoefteraming gebaseerd is op een eerdere studie uit
  32. Hij heeft de gegrondheid van het middel aangetoond door elementen aan te brengen waaruit blijkt dat er mogelijk op heden een andere behoefte zou bestaan dan deze in 2009, zoals de inmiddels gerealiseerde sportinfrastructuur in de omliggende gemeenten. Beoordeling
  33. Vooreerst moet worden vastgesteld dat de stukken van het administratief dossier uitwijzen dat de “zone voor dagrecreatie” van het bestreden gemeentelijk RUP bedoeld is voor de herlocalisatie van twee recreatieve plaatselijke verenigingen die reeds lang actief zijn in Sleidinge, te weten de Sleidingse afdeling van de Katholieke Landelijke Jeugd (hierna: KLJ-Sleidinge) en de Sleidingse voetbalclub. Met de eerste verwerende partij dient aangenomen te worden dat de door verzoeker ingeroepen ontwikkelingen in de aanpalende gemeenten geen antwoord kunnen bieden op de ruimtebehoefte van de KLJ-Sleidinge en de X-18.026-7/16 Sleidingse voetbalclub, al was het maar om reden van de in het GRS uitdrukkelijk opgenomen doelstelling dat inwoners hun vrije tijd dicht bij huis moeten kunnen doorbrengen. Voorts is het ten onrechte dat verzoeker laat uitschijnen dat de door de plannende overheid uitgevoerde behoefteraming louter gesteund zou zijn op studies uit 2008 en
  34. Het blijkt immers dat die raming ook steunt op een behoeftestudie inzake sportinfrastructuur uit
  35. Bovendien heeft de plannende overheid de gegevens uit 2008 en 2009 getoetst aan de actuele bevolkingscijfers. Uit die cijfers blijkt dat tussen 2010 en 2020 het aantal minderjarige inwoners van Evergem substantieel gestegen is. Uit verzoekers opmerkingen dat de Vlaamse bevolking vergrijst en dat ouderen minder behoeften hebben aan sportinfrastructuur blijkt niet dat het onterecht zou zijn dat de plannende overheid heeft aangenomen dat de ruimtebehoefte van de KLJ-Sleidinge en de Sleidingse voetbalclub tussen 2008 en 2021 niet is afgenomen.
  36. De conclusie is dat het middel – dat in wezen bestaat uit een aantal algemene bedenkingen – er niet van overtuigt dat er geen behoorlijke behoeftestudie zou zijn uitgevoerd.
  37. Het eerste middel wordt verworpen. B. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 18.
  38. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, van de artikelen 4.2.1, 4.2.3, 4.2.4, 4.2.6 en 4.2.8 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ en van de artikelen 1.1.4 en 2.2.2 VCRO, alsook uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht, het rechtszekerheids-, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. X-18.026-8/16 18.
  39. In het eerste middelonderdeel betoogt verzoeker dat het door de plannende overheid uitgevoerde mobiliteitsonderzoek foutief en ontoereikend is. Het bestreden gemeentelijk RUP strekt er immers niet enkel toe het bestaande voetbalveld van de Sleidingse voetbalclub (één terrein) te herlocaliseren maar streeft een ruimere recreatieve cluster na, met twee voetbalterreinen, sportvoorzieningen voor andere sporten zoals tennis of padel en infrastructuur voor de jeugdbewegingen. De Gecoro heeft in haar antwoord op verzoekers bezwaarschrift erkend dat er met de verkeersbewegingen ten gevolge van deze bijkomende activiteiten geen rekening is gehouden in het mobiliteitsonderzoek. De Gecoro lijkt hierbij te impliceren dat jeugdvoorzieningen een alternatieve invulling zouden betreffen die niet samen met sportinfrastructuur gerealiseerd kan worden. Dit is volgens verzoeker onjuist omdat zeer duidelijk uit het administratief dossier blijkt dat het steeds het opzet is geweest om, naast sportinfrastructuur, jeugdvoorzieningen binnen het plangebied op te richten. Verzoeker vervolgt dat er in het uitgevoerde mobiliteits- onderzoek ook geen rekening is gehouden met de te verwachten verkeersstromen van toekomstige ontwikkelingen in de omgeving. Hij wijst vooreerst op het initiatief van de provincie Oost-Vlaanderen om het bedrijventerrein aan de Bentexsite in Sleidinge uit te breiden. Daarnaast is er de verdere ontwikkeling van het woon(uitbreidings)gebied langs de straat Oostveld en aanpalende straten (hierna: de toekomstige woonontwikkeling Oostveld). Binnen deze ruimte kunnen bij benadering nog eens minstens 20 tot 30 woningen worden opgericht. Ook dit toekomstig verkeer werd niet meegerekend in de mobiliteitsberekening. 18.
  40. In het tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat er in de screeningsnota amper aandacht is besteed aan de aanwezigheid van de bestaande hoogspanningslijn en aan de bestaande ondergrondse hogedrukaardgasleiding beheerd door Fluxys. Verzoeker citeert uit het advies van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie over de hoogspanningslijn. Met dit advies is onvoldoende rekening gehouden. Verzoeker licht toe dat door de oprichting van de constructies ter realisatie van het bestreden RUP de stabiliteit van de grond rondom de pijpleiding zal worden aangetast zodat de kans op leidingbreuk toeneemt. Het falen van de aardgasleiding zal tot gevolg hebben dat licht ontvlambaar aardgas in X-18.026-9/16 de atmosfeer vrijkomt waar het zal ontploffen door contact met de hoogspanningslijn. Dit had in de screeningsnota, middels een onderbouwde kansberekening, onderzocht moeten worden, wat niet is gebeurd. 19.
  41. Wat het eerste middelonderdeel betreft, stelt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat het allesbehalve een evidentie is dat – zoals in de mobiliteitsstudie is aangenomen – jeugdvoorzieningen geen enkele autobeweging zouden veroorzaken. Voetbal wordt immers voornamelijk in het winterseizoen gespeeld, wanneer het weer vaak slecht is en het vroeg donker is: zeker de kleinere voetbalspelertjes worden dan ook vaker met de auto gebracht en opgehaald voor trainingen en wedstrijden. 19.
  42. Verzoeker vervolgt in zijn memorie van wederantwoord dat het tweede middelonderdeel “inherent” de openbare orde betreft daar het “gericht is op de vrijwaring van de openbare gezondheid”. Voorts benadrukt hij dat dit middelonderdeel niet de bestaande hoogspanningslijn en de bestaande aardgasleiding viseert, doch wel het feit dat het bestreden gemeentelijk RUP bouwwerken toelaat die noodzakelijkerwijze gepaard gaan met grondverzet, zonder dat de veiligheidsimpact afdoende is onderzocht.
  43. In zijn laatste memorie komt verzoeker uitsluitend terug op het eerste middelonderdeel. Hij benadrukt dat uit de screeningsnota blijkt dat “de geschatte (lees: onderschatte) verkeersbewegingen” dicht aanleunen bij de verzadigingsgrens. Wanneer er voor de Sleidingse voetbalclub dubbel zoveel velden voorzien worden zullen er op piekmomenten twee gelijktijdige wedstrijden gespeeld kunnen worden en zal ook meer verkeer aangetrokken worden door de groei van de club. Beoordeling
  44. Verzoeker licht uitsluitend de wijze toe waarop de aangevoerde beginselen van behoorlijk bestuur door de bestreden rechtshandeling worden geschonden. Bij gebreke aan nadere toelichting moet, met het auditoraatsverslag, worden vastgesteld dat het middel onontvankelijk is in zoverre het op andere X-18.026-10/16 rechtsregels betrekking heeft, vaststelling die verzoeker niet betwist in zijn laatste memorie.
  45. De Raad van State is een wettigheidsrechter. De beoordeling van opportuniteitskritiek behoort niet tot zijn bevoegdheid. Bij het toetsen van de wettigheid van het onderzoek in een screeningsnota en van de – op die nota gesteunde –beslissing van de dienst Mer mag de Raad van State geen eigen beoordeling van de te verwachten effecten van het ruimtelijk uitvoeringsplan maken. Wel kan hij nagaan of die nota en deze dienst in redelijkheid tot de conclusie zijn kunnen komen dat er geen aanzienlijke negatieve effecten te verwachten zijn, in het licht van de concrete kritiek die in het verzoekschrift wordt aangevoerd. In de uitoefening van zijn wettigheidscontrole mag de Raad van State zich evenmin in de plaats stellen van de plannende overheid, die bij het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid. 23.
  46. Inzoverre te dezen aangevoerd wordt dat er bij het mobiliteitsonderzoek geen rekening is gehouden met het initiatief van de provincie Oost-Vlaanderen om het bedrijventerrein aan de Bentexsite in Sleidinge uit te breiden heeft verzoeker geen belang bij het eerste middelonderdeel, nu de eerste verwerende partij als stuk B.7 een brief van de provincie van 18 december 2019 neerlegt waarin deze formeel meedeelt dat ze dit initiatief definitief stopzet. 23.
  47. Ten gronde moet, wat het eerste middelonderdeel betreft, worden vastgesteld dat de screeningsnota steunt op een gedetailleerd mobiliteitsonderzoek dat in opdracht van de plannende overheid is uitgevoerd. Tussen 5 en 29 maart 2019 zijn er mobiliteitstellingen gedaan in de Kerkstraat, waarlangs zowel het bestaande terrein van de KLJ-Sleidinge als het plangebied gelegen zijn, en in de Herritakkerlaan, waar de Sleidingse voetbalclub gevestigd is. Aldus zijn op een rekenkundige manier gegevens ingezameld over het autoverkeer dat gegenereerd wordt door de recreatieve activiteiten waarvoor de X-18.026-11/16 “zone voor dagrecreatie” van het bestreden gemeentelijk RUP bedoeld is, óók – anders dan verzoeker in zijn memorie van wederantwoord suggereert – over het autoverkeer met betrekking tot het jeugdvoetbal van de Sleidingse voetbalclub. Vervolgens zijn de hoogste gemeten intensiteiten op de voornoemde locaties in rekening gebracht, waaraan de te verwachten verkeerstromen zijn toegevoegd van de toekomstige woonontwikkeling Oostveld. Van de aldus verkregen hoogst mogelijke verkeersintensiteit is vastgesteld dat ze à rato van 55 wagens per uur onder de verzadigingsgrens van de Kerkstraat blijft. Het blijkt dus dat het ten onrechte is dat verzoeker voorhoudt dat er geen rekening zou zijn gehouden met de toekomstige woonontwikkeling Oostveld. Het feit dat het mobiliteitsonderzoek voor die ontwikkeling 94 te bouwen woningen in aanmerking neemt – in plaats van de “20 à 30” woningen die volgens verzoeker in aanmerking hadden moeten worden genomen – bevestigt de stelling van de eerste verwerende partij dat zij – zoals een zorgvuldig plannende overheid betaamt – is uitgegaan van het “worst case-scenario”. Voorts heeft de Gecoro, anders dan verzoeker suggereert, geenszins aangenomen dat jeugdvoorzieningen een alternatieve invulling zouden betreffen die niet samen met sportinfrastructuur gerealiseerd kan worden. Net zoals in alle stukken van het administratief dossier, is de Gecoro er van uitgegaan dat de “zone voor recreatie” voldoende groot is om terzelfdertijd gebruikt te worden door de Sleidingse voetbalclub én KLJ-Sleidinge. Het blijkt evenwel niet dat er daarnaast, zoals verzoeker beweert, binnen deze zone nog ruimte zou overblijven voor “sportvoorzieningen voor andere sporten (bv. tennis of padel)”. Het is enkel voor bijkomende kleinschalige recreatie-infrastructuur, bijvoorbeeld publiek toegankelijke speeltuigen zoals schommels, dat de Gecoro te dezen aangenomen heeft dat ze nog in de “zone voor recreatie” kan worden ondergebracht en dat ze geen bijkomend autoverkeer zal genereren. Uit wat verzoeker aanvoert, blijkt niet dat de Gecoro de ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur zou hebben geschonden. X-18.026-12/16 Tot slot overtuigen de overige door verzoeker ingeroepen elementen, met name dat de Sleidingse voetbalclub kan groeien en in het plangebied een tweede voetbalterrein kan realiseren, er evenmin van dat het mobiliteitsonderzoek waarop de screeningsnota steunt onzorgvuldig zou zijn uitgevoerd. 24.
  48. Het tweede middelonderdeel komt er op neer dat meerdere beginselen van behoorlijk bestuur geschonden zijn door het tekortschieten van het onderzoek van de veiligheids- en gezondheidseffecten in de screeningsnota en de beslissing van de dienst Mer. Anders dan verzoeker in zijn memorie van wederantwoord voorhoudt, is het niet omdat dit onderzoek betrekking heeft op “de openbare gezondheid” dat het middelonderdeel de openbare orde zou betreffen. 24.
  49. Als wettigheidsrechter komt het de Raad van State niet toe een eigen beoordeling te maken van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s die de in het plangebied aanwezige hoogspanningslijn en aardgaspijpleiding kunnen meebrengen. Mede in het licht van verzoekers stelling dat hij “niet de aanwezigheid van de [aardgas]- en de hoogspanningsleiding [viseert]”, is zijn kritiek onvoldoende uitgewerkt om een schending van de aangevoerde beginselen te doen aannemen, temeer nu hij er aan voorbijgaat dat terwijl het bestreden gemeentelijk RUP in de “zone voor dagrecreatie” slechts kleinschalige constructies en kleinschalige infrastructuur toelaat, er onder vigeur van het gewestplan in deze zone ook grootschalige woningen en landbouwbedrijven en hun infrastructuur konden worden opgericht, waarvoor klaarblijkelijk een groter grondverzet nodig is. 24.
  50. De Raad van State ziet geen reden om niet de conclusie van het auditoraatsverslag – volgens welke in het tweede middelonderdeel niet concreet aannemelijk wordt gemaakt waarom de screeningsnota en de beslissing van de X-18.026-13/16 dienst Mer zouden tekortschieten – bij te vallen, temeer daar verzoeker in zijn laatste memorie niet meer terugkomt op dit middelonderdeel.
  51. Het tweede middel wordt verworpen. C. Het derde middel Uiteenzetting van het middel 26.
  52. Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 12, § 1, van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ en van artikel 2.2.5, § 1, 3°, VCRO, alsook uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht, het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheids- beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 26.
  53. Verzoeker voert aan dat op het bij het bestreden gemeentelijk RUP horende grafisch plan een bufferstrook voorzien is overheen het tracé van voetweg nr. 19 “zonder dat het opmaakdossier van het RUP een grafisch plan tot opheffing [van deze voetweg] bevat”. Ofwel is het de bedoeling om de voetweg af te schaffen en is de bestreden beslissing foutief en bijgevolg onzorgvuldig gemotiveerd, ofwel is het de bedoeling om de voetweg effectief te behouden en zijn de stedenbouwkundige voorschriften onvoldoende duidelijk en zelfs tegenstrijdig, zulks in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
  54. In zijn memorie van wederantwoord licht verzoeker toe dat uit de in de toelichtingsnota opgenomen inrichtingsschetsen blijkt dat het wel degelijk de bedoeling is dat de tien meter brede bufferstrook tot tegen de westelijke grens van het plangebied reikt en bijgevolg het tracé van voetweg nr. 19 overlapt.
  55. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat het onmogelijk is om de tien meter brede bufferstrook naast voetweg nr. 19 te leggen, omdat er dan, zoals uit de in de toelichtingsnota opgenomen inrichtingsschetsen blijkt, binnen het plangebied onvoldoende plaats overblijft voor de inplanting van een voetbalveld. Bovendien moet krachtens artikel 3.133 van het Burgerlijk Wetboek voor bomen X-18.026-14/16 die minstens twee meter hoog zijn een plantafstand van twee meter gerespecteerd worden. Beoordeling
  56. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bestreden gemeentelijk RUP er toe strekt de bestaande voetweg nr. 19 te behouden. Zoals uitdrukkelijk gesteld is in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP betreft de op het grafisch plan aangebrachte groene arcering – die volgens de legende verwijst naar de bufferstrook – een “indicatieve aanduiding”. Op dit grafisch plan is voetweg nr. 19 aangeduid als “Voetweg in atlas der buurtwegen (breedte 1,60m) (schematische weergave)”. Dat op het meergenoemde grafisch plan en de in de toelichtingsnota opgenomen inrichtingsschetsen, de “indicatieve aanduiding” van de bufferstrook de “schematische weergave” van de voetweg overlapt en tot tegen de westelijke grens van het plangebied reikt, impliceert niet dat de voetweg in de bufferstrook opgenomen moet worden. Voorts gaat verzoeker er ten onrechte aan voorbij dat de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP bepalen dat de breedte van de bufferstrook “ter hoogte van de inrichting van de sportvelden” beperkt kan worden tot vijf meter. Verzoeker overtuigt er niet van dat het onterecht zou zijn dat de eerste verwerende partij opmerkt dat in het plangebied “de voetweg en de buffer […] perfect samen gerealiseerd [kunnen] worden” . Enige schending van de aangevoerde rechtsregels wordt niet aannemelijk gemaakt.
  57. Het derde middel wordt verworpen. X-18.026-15/16 BESLISSING
  58. De Raad van State verwerpt het beroep.
  59. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, waarnemend kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Pierre Lefranc X-18.026-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.