id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.627 Rolnummer: A. 233085/IX-9846 Zaak: Arrest 255627 - ION - Aanwerving en loopbaan - 30/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-06 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 08:19 Fiche Arrest nr 255.627 van 30 januari 2023 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.627 van 30 januari 2023 in de zaak A. é.085/IX-9846 In zake: Ingeborg GOETHALS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Demeestere en Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Gateway Building Luchthaven Nationaal 1J bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 maart 2021, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit dat de Raad van Bestuur van het Universitair Ziekenhuis Gent […] heeft genomen, op een voor [Ingeborg Goethals] onbekende datum, waarbij professor doctor [G.V.], werd aangesteld tot diensthoofd van medische beeldvorming”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9846-1/19 Bij tussenarrest nr. 251.908 van 21 oktober 2021 is de vordering tot tussenkomst van G.V. als niet verricht beschouwd. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Karel De Schoenmaeker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster werd met ingang van 1 januari 2012 aangesteld tot medisch diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde van het Universitair Ziekenhuis Gent (hierna: UZ Gent) voor een hernieuwbare periode van vier jaar. IX-9846-2/19 3.
- Op 30 maart 2015 beslist de raad van bestuur van het UZ Gent om de hernieuwbare mandaten van diensthoofd, waaronder het mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde, met ingang van 1 januari 2016 opnieuw vacant te verklaren voor een periode van vier jaar. De medische stafleden worden uitgenodigd om zich kandidaat te stellen. 3.
- Verzoekster is de enige kandidaat voor het mandaat van medisch diensthoofd bij de dienst Nucleaire Geneeskunde. 3.
- De facultaire adviescommissie ziekenhuisaangelegenheden van de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Gent (hierna: de facultaire adviescommissie) oordeelt dat de kandidatuur van verzoekster “niet geschikt” is en beslist om haar kandidatuur niet voor te dragen aan de leden van de faculteitsraad. 3.
- Op 18 november 2015 geeft de faculteitsraad Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen (hierna: de faculteitsraad) “unaniem gunstig advies [...] aan het voorstel van de facultaire adviescommissie […] dat [Ingeborg Goethals] niet geschikt is voor het mandaat van medisch diensthoofd van de Dienst Nucleaire Geneeskunde” en beslist hij “bijgevolg geen kandidaat voor [te dragen] als medische diensthoofd van deze dienst met ingang van 1 januari 2016 aan de Medische Raad en Raad van Bestuur van het UZ Gent”. Verzoekster vecht deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Dat beroep wordt verworpen bij arrest nr. 246.732 van 20 januari
- 3.
- Op 24 november 2015 adviseert de medische raad van het UZ Gent op zijn beurt om verzoekster niet aan te stellen tot medisch diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde. IX-9846-3/19 3.
- Op 7 december 2015 stelt het directiecomité van het UZ Gent vast dat er voor de dienst Nucleaire Geneeskunde geen voorstel is vanwege de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen. Het directiecomité adviseert om de hoofdarts aan te stellen tot waarnemend diensthoofd en voegt eraan toe dat hij “de dagelijkse operationele leiding van de dienst [kan] delegeren aan een staflid”. 3.
- De raad van bestuur van het UZ Gent beslist op 14 december 2015 om hoofdarts R.P. met ingang van 1 januari 2016 aan te stellen tot waarnemend diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde. Ook deze beslissing vecht verzoekster aan met een beroep tot nietigverklaring, dat wordt verworpen bij het reeds vermelde arrest nr. 246.732 van 20 januari
- 3.
- Met een brief van 15 januari 2016 stelt hoofdarts R.P. aan de afgevaardigd bestuurder van het UZ Gent voor om “prof. dr. [B.B.], staflid aan te stellen als waarnemend diensthoofd [van de dienst Nucleaire Geneeskunde]” teneinde “de leiding van de dienst en de dienstverlening zo goed mogelijk te laten verlopen”. 3.
- De facultaire adviescommissie komt op 3 februari 2016 tot het besluit dat B.B. geschikt is voor het mandaat van waarnemend diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde en draagt hem voor aan de leden van de faculteitsraad. 3.
- De faculteitsraad geeft op 17 februari 2016 “unaniem gunstig advies [...] aan het voorstel van de [...] hoofdarts om [B.B.] voor te dragen als waarnemend diensthoofd Nucleaire geneeskunde”. Verzoekster vecht deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring, dat wordt verworpen bij arrest nr. 246.733 van 20 januari
- IX-9846-4/19 3.
- Op 8 maart 2016 adviseert de medische raad op zijn beurt gunstig om B.B. aan te stellen tot waarnemend medisch diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde. 3.
- Het directiecomité adviseert op 14 maart 2016 aan de raad van bestuur eveneens gunstig voor de aanstelling van B.B. tot waarnemend medisch diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde. 3.
- De raad van bestuur beslist op 21 maart 2016 om B.B. aan te stellen tot waarnemend diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde met ingang van 21 maart 2016 tot uiterlijk 20 maart
- Verzoekster vecht ook deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring, dat wordt verworpen bij het reeds vermelde arrest nr. 246.733 van 20 januari
- 3.
- Inmiddels, op 29 februari 2016, heeft de raad van bestuur beslist het mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde opnieuw vacant te verklaren voor de duur van het lopende mandaat van de aangestelde diensthoofden, namelijk tot 31 december
- 3.
- B.B. stelt zich op 23 maart 2016 daarvoor kandidaat. Verzoekster doet hetzelfde op 4 april
- 3.
- De facultaire adviescommissie beoordeelt de kandidatuur van B.B. als “het meest geschikt” en draagt ze voor aan de leden van de faculteitsraad. 3.
- De faculteitsraad geeft op 6 juli 2016 “unaniem gunstig advies […] aan het voorstel van de facultaire adviescommissie [B.B.] voor te dragen als medisch diensthoofd Nucleaire Geneeskunde”. IX-9846-5/19 Verzoekster vecht deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring, dat wordt verworpen bij arrest nr. 246.734 van 20 januari
- 3.
- Op 12 juli 2016 adviseert de medische raad op zijn beurt gunstig om B.B. aan te stellen tot medisch diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde. 3.
- Op 29 augustus 2016 beslist de raad van bestuur om B.B. aan te stellen tot medisch diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde. Uit hoofde van deze functie wordt hij tevens aangesteld als lid van de sectorraad Klinisch Ondersteunende Sector. Verzoekster vecht ook deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring, dat wordt verworpen bij het reeds vermelde arrest nr. 246.734 van 20 januari
- 3.
- Op 30 maart 2018 verlaat B.B. het UZ Gent. 3.
- Op 10 april 2018 verleent de medische raad “gunstig advies aan de integratie van de huidige dienst Nucleaire Geneeskunde binnen de dienst Medische Beeldvorming, met behoud van de inhoudelijke autonomie qua werking voor de stafleden Nucleaire Geneeskunde”. 3.
- De facultaire adviescommissie verleent op 26 april 2018 een gunstig advies met betrekking tot het voorstel tot integratie van de dienst Nucleaire Geneeskunde in de dienst Medische Beeldvorming. 3.
- Het bestuurscomité van het UZ Gent beslist op 28 mei 2018 om de dienst Nucleaire Geneeskunde op te heffen en de erkende dienst ‘nucleaire geneeskunde met PET scanner’ en de activiteiten ‘nucleaire geneeskunde’ te integreren in de reeds bestaande dienst Radiologie, onder de leiding van prof. dr. E.A., medisch diensthoofd. IX-9846-6/19 Verzoekster vecht deze beslissing aan met een beroep tot nietigverklaring, dat wordt verworpen bij arrest nr. 246.731 van 20 januari
- 3.
- Met een aangetekende brief van 24 februari 2020 maant verzoekster de verwerende partij aan, met verwijzing naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, om haar aan te wijzen om in de nieuwe, eengemaakte dienst de verantwoordelijkheid en controle op te nemen met betrekking tot alle activiteiten van de dienst Nucleaire Geneeskunde. Tegen de fictieve weigeringsbeslissing die zij afleidt uit het stilzitten van de verwerende partij gedurende vier maanden na deze aanmaning, stelt verzoekster bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in, gekend onder rolnummer A. 231.510/IX-
- Deze zaak is nog hangende. 3.
- Op 25 mei 2020 beslist het bestuurscomité van het UZ Gent om onder meer het mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming vacant te verklaren “voor de duur van het lopend mandaat van de huidige diensthoofden, zijnde tot en met 31.12.2023”. 3.
- Verzoekster en G.V. stellen zich kandidaat. 3.
- Op 1 oktober 2020 draagt de facultaire adviescommissie aan de faculteitsraad G.V. voor als diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming. De kandidatuur van verzoekster wordt geacht “zonder voorwerp” te zijn en wordt daarom niet in aanmerking genomen. Het verslag van de vergadering van de facultaire adviescommissie vermeldt onder meer met betrekking tot verzoekster: “
- Boordeling formele ontvankelijkheid […] De commissie neemt akte dat Ingeborg Goethals in het sjabloon voor haar kandidatuur als dienst ‘Medische beeldvorming’ vermeldt, om vervolgens in te IX-9846-7/19 gaan op de door haar vermeende onwettelijkheid van de constellatie van de dienst, omdat deze niet zou georganiseerd zijn conform de Belgische wetgeving. Gezien niet geheel duidelijk is of I. Goethals wel degelijk kandidate is voor het vacante mandaat van medisch diensthoofd Medische beeldvorming oordeelt de commissie haar het voordeel van de twijfel te geven en uit te nodigen voor de volgende fase van de selectie. […]
- Beleidsvisie/ gesprek met kandidaat/ eventuele assessment/ eventuele advies van de stafleden/ eventuele input van ‘peers’ […] Beleidsvisie en gesprek […] Het document dat I. Goethals heeft ingediend voldoet niet aan de inhoudelijke vereisten van een beleidsvisie. In het sjabloon voor kandidaatstelling refereert I. Goethals naar het feit dat de huidige dienst Medische beeldvorming niet georganiseerd is conform de Belgische wetgeving. Vanuit dit perspectief stelt ze geen SWOT-analyse te maken. Uitgaand van deze overtuiging benadert ze binnen de dienst Medische beeldvorming enkel het expertisegebied nucleaire geneeskunde en negeert ze het expertise gebied radiologie volkomen. Het gesprek met I. Goethals bevestigt bovenstaande analyse. Alvorens de leden van de commissie vragen kunnen stellen aan I. Goethals vraagt zij de leden naar een bevestiging van de door haar vermeende onwettelijkheid van de dienst Medische Beeldvorming zoals deze nu bestaat. De leden stellen dat hiertoe geen enkele aanleiding is en dat er tot op heden geen juridische bindende uitspraken zijn die deze vermeende onwettelijkheid bevestigen. I. Goethals stelt dat ze het mandaat van diensthoofd Nucleaire geneeskunde wenst in te vullen zoals ze dat gedaan heeft in de periode 2012-2016 en geeft niet meer inhoudelijke duiding. I. Goethals overstijgt op geen enkel moment haar wens tot een wijziging van organogram met de inrichting van een dienst Nucleaire geneeskunde. Bij de expliciete vraag aan I. Goethals of ze solliciteert voor het vacante mandaat van diensthoofd Medische beeldvorming stelt ze formeel dat ze zich kandidaat stelt voor het mandaat van diensthoofd Nucleaire geneeskunde. Gezien er momenteel geen vacant ambt is voor dit mandaat, oordeelt de commissie dat haar kandidatuur zonder voorwerp is. Een kandidatuur voor een mandaat dat niet vacant is en niet bestaat, kan om evidente redenen niet in overweging genomen worden. Dit beantwoordt niet aan de behoeften van de instelling. Deze attitude getuigt van een deloyale houding naar de instelling waarbij ze niet aangeeft [versta: waarbij ze aangeeft] zich niet te conformeren naar de constellatie van de diensten zoals deze zijn goedgekeurd door de Raad van Bestuur van het UZ Gent. […] IV. Conclusie en advies voordracht diensthoofd […] Gezien Prof. dr. Ingeborg Goethals zelf aangeeft geen kandidate te zijn voor het vacante ambt van medisch diensthoofd Medische beeldvorming behorend tot de Klinisch Ondersteunende Sector van het Universitair Ziekenhuis Gent, IX-9846-8/19 neemt de commissie haar kandidatuur niet in overweging voor dit vacante ambt.” 3.
- De faculteitsraad geeft op 14 oktober 2020 “unaniem gunstig advies […] aan het voorstel van de facultaire adviescommissie […] om [G.V.] voor te dragen als medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming”. 3.
- Op 27 oktober 2020 verleent de medische raad gunstig advies aan het voorstel van de faculteitsraad betreffende de voordracht van G.V. als medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming. 3.
- Het directiecomité verleent op zijn beurt, op 9 november 2020, gunstig advies over de aanstelling van G.V. tot diensthoofd. 3.
- Op 30 november 2020 beslist het bestuurscomité van het UZ Gent om G.V. voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023 aan te stellen in het mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van het thans voorliggende beroep. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- Verzoekster voert in haar inleidend verzoekschrift aan dat zij kandidaat was, zodat zij “een evidente hoedanigheid en belang” heeft om het besluit tot aanstelling van G.V. te betwisten. Voorts meent zij “als deel uitmakend kliniekhoofd van de nieuwe afdeling een belang [te hebben] bij de betwisting van de aanstelling”. Zij argumenteert in dit verband dat er nog steeds geen kader is gecreëerd binnen de IX-9846-9/19 dienst Medische Beeldvorming “waarbij telkens een verantwoordelijke arts- specialist met de nodige erkenningen en vergunningen is aangesteld om de eindverantwoordelijkheid op te nemen voor de helpers en medewerkers in de diverse specialismen die in deze dienst verenigd zijn”. Zij stelt dat er aldus “steeds aansprakelijkheidsrisico’s […] zich kunnen realiseren voor de artsen-specialisten in de nucleaire geneeskunde omdat zij wel de aansprakelijkheid bij fout van het personeel krijgen toegeschoven maar op geen enkele manier de verantwoordelijkheid over ditzelfde personeel kunnen nemen bij gebrek aan mandaat”. Verzoekster “wenst in een wettelijke omgeving te werken waarbij alle aansprakelijkheidsrisico’s zijn afgedekt”.
- De verwerende partij doet in haar memorie van antwoord gelden dat tijdens het individueel gesprek over de beleidsvisie dat lopende de aanstellingsprocedure met verzoekster werd gevoerd, is gebleken dat verzoekster klaarblijkelijk niet kandideerde voor de functie van medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming. Dit blijkt volgens de verwerende partij ontegensprekelijk uit het verslag van de vergadering van de facultaire adviescommissie van 1 oktober 2020 en wordt ook bevestigd door de beleidsvisietekst van verzoekster. Na het voormelde verslag heeft verzoekster ook niet uitdrukkelijk gevraagd om te stipuleren dat zij wél kandidaat bleef. Het is pas op 17 februari 2021 – ruim vier maanden later – dat verzoekster aan de decaan van de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen, de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij, de hoofdarts en de voorzitter van de medische raad bij brief heeft gesteld dat dit een onjuiste weergave van het gesprek betrof. Verzoekster heeft dit nogmaals aan de kaak gesteld bij brief van 14 maart
- Indien zij werkelijk kandidaat zou zijn geweest voor een mandaat dat aanving op 1 januari 2021, mag worden aangenomen dat zij vroeger zou hebben geageerd. De verwerende partij besluit dat verzoekster “aldus géén belang [heeft] bij de vernietiging van de aanstelling van [G.V.] als diensthoofd, nu zij zelf geen kandidaat was voor deze functie”. IX-9846-10/19 Op het door verzoekster aangevoerde belang als kliniekhoofd antwoordt de verwerende partij dat verzoeksters argumenten op dit punt alle rechtstreeks te maken hebben met de organisatie van de dienst, die evenwel niet het voorwerp uitmaakt van de bestreden beslissing. De eventuele vernietiging van de bestreden beslissing laat de dienst Medische Beeldvorming ongemoeid en “kan dus nooit een remediëring bieden voor de vermeende grieven die worden opgeworpen ter ondersteuning van het belang, zodat tot afwezigheid van belang moet besloten worden”.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat zij kandidaat was, is en blijft. Zij heeft gekandideerd en haar kandidaatstelling is door de personeelsdienst bevestigd. Vervolgens is zij uitgenodigd voor de vergadering van de facultaire adviescommissie. Daar heeft zij haar visie gegeven, ook verwijzend naar arrest nr. 246.731 van 20 januari 2020 van de Raad van State. Daaruit kan niet worden afgeleid dat zij geen kandidaat meer zou zijn. Zij heeft precies haar visie gegeven over de wijze waarop een diensthoofd de tweekoppige dienst eigenlijk het best kan organiseren. Verzoekster handhaaft eveneens haar standpunt met betrekking tot haar belang als kliniekhoofd. Zij herhaalt dat de practicus, het kliniekhoofd zoals zij, de medische verantwoordelijkheid draagt voor bepaalde handelingen, maar geen hiërarchisch gezag kan uitoefenen, omdat “het besluit kliniekkader” dat enkel en alleen aan het diensthoofd toekent. Verzoekster besluit daaruit dat zij “als kliniekhoofd […] alle belang […] heeft bij wie er diensthoofd wordt”.
- In haar laatste memorie betwist verzoekster dat zij als kliniekhoofd geen belang zou hebben bij de aanstelling van het eigen diensthoofd. Zij stelt dat, “[r]ekening houdende met de zware verantwoordelijkheden – men vergeet een beetje licht […] dat men met nucleaire materie bezig is met alle gevaarsituaties die daaruit kunnen voortvloeien en ook effectief voortvloeien”, een kliniekhoofd wel degelijk dat belang heeft. IX-9846-11/19 Voorts argumenteert verzoekster nog dat “het veel belangrijker [is] om te analyseren of [zij] nu terecht gewipt is als kandidate door de facultaire adviescommissie of niet”. Volgens haar probeert de verwerende partij haar te elimineren “krachtens semantische spelletjes”. Verzoekster benadrukt dat zij “vanuit haar visie steeds kandidaat [is] gebleven” en dat “het semantische spel als zou ze het niet meer zijn, […] geen steek [houdt]”. Beoordeling
- Verzoekster beoogt met haar voorliggende beroep de nietigverklaring van de beslissing van het bestuurscomité van het UZ Gent van 30 november 2020 om G.V. aan te stellen in het mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming van het ziekenhuis. 9.
- Zij beschikt over het bij artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste belang bij dit beroep voor zover zij zelf daadwerkelijk kandidaat was voor het voormelde mandaat, waarover tussen de partijen betwisting bestaat. 9.
- Uit het feitenrelaas blijkt dat het bestuurscomité van het UZ Gent op 25 mei 2020 beslist om onder meer het mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming vacant te verklaren. Verzoekster zendt op 1 juli 2020 haar beleidsvisie en cv naar de personeelsdienst van het UZ Gent en vermeldt in het begeleidend schrijven: “Gelieve hierbij mijn beleidsvisie en cv in het kader van [de] kandidatuur diensthoofd te willen vinden”. Bij de beoordeling van de formele ontvankelijkheid van de kandidaatstellingen neemt de facultaire adviescommissie er akte van dat verzoekster in het sjabloon voor haar kandidaatstelling als dienst “Medische beeldvorming” vermeldt en vervolgens ingaat op “de door haar vermeende IX-9846-12/19 onwettelijkheid [versta: onwettigheid] van de constellatie van de dienst, omdat deze niet zou georganiseerd zijn conform de Belgische wetgeving”. Aangezien het voor de facultaire adviescommissie “niet geheel duidelijk” is of verzoekster wel degelijk kandidaat is voor het vacante mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming, geeft de commissie haar “het voordeel van de twijfel” en nodigt zij verzoekster uit voor de volgende fase van de selectie. De kandidaatstelling van G.V. wordt formeel ontvankelijk verklaard. De facultaire adviescommissie stelt vervolgens vast dat het document ‘Beleidsvisie’ van verzoekster niet voldoet aan “de inhoudelijke vereisten van een beleidsvisie”, omdat zij ervan uitgaat dat de huidige dienst Medische Beeldvorming niet georganiseerd is conform de Belgische wetgeving, zij vanuit dit perspectief stelt geen SWOT-analyse te maken en binnen de dienst Medische Beeldvorming enkel het expertisegebied ‘nucleaire geneeskunde’ benadert en het expertisegebied ‘radiologie’ negeert. 9.
- Uit het document ‘Beleidsvisie’ van verzoekster blijkt dat zij onder de vraag naar “de sterktes van de dienst” vermeldt dat de beslissing tot integratie van de dienst Nucleaire Geneeskunde bij de reeds bestaande dienst Radiologie niet conform de Belgische wetgeving is en zij ter staving verwijst naar artikel 53.2 van “de ARBIS-wetgeving” en “het Besluit Kliniekkader”. Zij besluit dat “[z]olang de situatie de toets met de Belgische wetgeving niet doorstaat, […] het […] geen zin [heeft] om over de sterktes uit te weiden”. Hetzelfde besluit trekt verzoekster wat de vraag naar “de opportuniteiten voor de dienst” betreft. Op de vraag naar “de belangrijkste interne en/of externe stakeholders van de dienst” antwoordt verzoekster dat de dienst Nucleaire Geneeskunde een betrouwbare partner wil zijn voor alle verwijzers binnen én buiten het ziekenhuis en dat het belang van alle stakeholders wordt gediend met “een herstel van de organisatie waarbij de activiteiten in de nucleaire geneeskunde terugkeren onder de werkelijke controle van een arts-specialist met erkenning en vergunning in de nucleaire geneeskunde, zoals het geval was tijdens [haar] diensthoofdschap 2012-2016”. Onder “een kernachtige missie voor de dienst” vermeldt verzoekster dat nucleaire IX-9846-13/19 geneeskunde een volwaardig en op zichzelf staand onderdeel is van de diagnostische medische beeldvorming én een volwaardige partner in het aanbod van therapieën. Waar gepeild wordt naar “een uitdagende toekomstvisie voor de dienst”, antwoordt verzoekster weer dat het niet zinvol is daarover te speculeren “[z]olang het wettelijk kader niet hersteld wordt”. Om dezelfde reden heeft het volgens verzoekster ook geen zin om over een businessplan te spreken. Met betrekking tot de “persoonlijke invulling van het mandaat” stelt verzoekster dat “[h]et herinrichten van de activiteiten in de nucleaire geneeskunde conform de ARBIS-reglementering […] geen opdracht [is] voor het (toekomstig) diensthoofd”. Tot slot verwijst verzoekster naar haar “real life experience” gedurende vier jaar en brengt zij de “talrijke felicitaties” in herinnering die zij gedurende haar diensthoofdschap mocht ontvangen. Verzoekster heeft aldus in haar beleidsvisie niet uiteengezet hoe zij de bestaande tweeledige dienst Medische Beeldvorming het best kan organiseren, maar bleef zij kritiek spuien op de eerder door het bestuurscomité van het UZ Gent genomen beleidsbeslissing om de dienst Nucleaire Geneeskunde daarvan deel te laten uitmaken, die zij tevergeefs bij de Raad van State heeft aangevochten (zie hiervóór sub 3.24). Zij bleef erop hameren dat de activiteiten van de nucleaire geneeskunde dienen te worden georganiseerd als een op zich staande dienst, zoals het geval was tijdens haar diensthoofdschap in de periode van 2012 tot
- 9.
- In het verslag van de vergadering van de facultaire adviescommissie van 1 oktober 2020 kan het volgende worden gelezen over het gesprek met verzoekster: “Bij de expliciete vraag aan I. Goethals of ze solliciteert voor het vacante mandaat van diensthoofd Medische beeldvorming stelt ze formeel dat ze zich kandidaat stelt voor het mandaat van diensthoofd Nucleaire geneeskunde. Gezien er momenteel geen vacant ambt is voor dit mandaat, oordeelt de commissie dat haar kandidatuur zonder voorwerp is. Een kandidatuur voor een mandaat dat niet vacant is en niet bestaat, kan om evidente redenen niet in overweging genomen worden. Dit beantwoordt niet aan de behoeften van de instelling. Deze attitude getuigt van een deloyale houding naar de instelling IX-9846-14/19 waarbij ze niet aangeeft [versta: waarbij ze aangeeft] zich niet te conformeren naar de constellatie van de diensten zoals deze zijn goedgekeurd door de Raad van Bestuur van het UZ Gent.” Volgens de facultaire adviescommissie heeft verzoekster op de hoorzitting formeel gesteld zich kandidaat te stellen voor het mandaat van diensthoofd ‘nucleaire geneeskunde’. Dit strookt met het feit dat verzoekster een brief van de personeelsdienst voorlegt, die volgens haar bevestigt dat het diensthoofd zowel over een erkenning en vergunning voor de activiteiten in de nucleaire geneeskunde als over een erkenning en vergunning voor de activiteiten in de radiologie dient te beschikken. Hieruit leidt de facultaire adviescommissie terecht af dat verzoekster zich niet schikt naar de constellatie van de diensten zoals ze is goedgekeurd door het bestuurscomité en bijgevolg ook dat verzoekster zich geen kandidaat stelt voor het mandaat van diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming. Indien de gedachtegang van verzoekster zou worden bijgevallen, zou dit immers impliceren dat zij geen diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming kan worden, aangezien ook zij niet over beide erkenningen en vergunningen beschikt. 9.
- Alhoewel het mandaat van diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming inging op 1 januari 2021, laat verzoekster pas in een schrijven van 17 februari 2021 aan de decaan van de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Gent, alsook aan de afgevaardigd bestuurder, de hoofdarts en de voorzitter van de medische raad van het UZ Gent gelden dat de zo-even aangehaalde overwegingen van de facultaire adviescommissie niet overeenstemmen met de werkelijkheid en zij stelt formeel dat zij nooit haar kandidatuur voor het diensthoofdschap van de dienst Medische Beeldvorming heeft ingetrokken. Dit standpunt herhaalt zij nogmaals in een schrijven van 14 maart 2021 aan dezelfde personen. De gedelegeerd bestuurder van het UZ Gent bevestigt in zijn antwoord van 26 maart 2021 dat verzoekster tijdens het gesprek heeft aangegeven niet te solliciteren voor het ambt van diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming, maar wel voor het ambt van diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde, en dat de weergave daarvan in het verslag wordt beaamd door alle individuele personen die aanwezig waren tijdens dit gesprek, IX-9846-15/19 namelijk de voorzitter van de selectiecommissie, een lid van de selectiecommissie en de hoofdarts. 9.
- Uit het geheel van de hiervóór vermelde elementen blijkt dat de facultaire adviescommissie op goede gronden tot het besluit kon komen dat verzoekster zich “inhoudelijk” enkel kandidaat stelde voor het mandaat van diensthoofd ‘nucleaire geneeskunde’ en niet voor het toe te wijzen mandaat van diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming, zodat haar kandidaatstelling niet in aanmerking kon worden genomen. 9.
- In de door haar aangevoerde middelen betwist verzoekster overigens niet de deugdelijkheid van de motieven van de verwerende partij om haar kandidaatstelling niet in aanmerking te nemen. In haar vierde middel – dat in het inleidend verzoekschrift is uiteengezet in een tekst van zestien pagina’s, waarin verzoekster aan de hand van een opsomming van disparate grieven vooral machtsafwending in hoofde van de verwerende partij beoogt aan te tonen – refereert zij weliswaar in een zeer korte passus aan de wijze waarop haar kandidaatstelling is afgewezen (punt III.4.17 van het inleidend verzoekschrift). Zij stelt in dit verband dat zij “zelf nooit [heeft] aangegeven geen kandidaat te zijn voor dit vacante ambt” en dat “[n]et het omgekeerde van wat wordt neergeschreven in dit verslag [versta: het verslag van de facultaire adviescommissie] is gebeurd”, maar zij heeft het bedoelde verslag niet van valsheid beticht, noch ontkracht zij de redenen die in eerste instantie door de facultaire adviescommissie zijn geformuleerd om haar kandidaatstelling niet in aanmerking te nemen en vervolgens zijn bijgevallen door de faculteitsraad, de medische raad, het directiecomité en het bestuurscomité. 9.
- Aangezien mag worden aangenomen, zoals hiervóór gezien, dat de verwerende partij op goede gronden ertoe mocht komen verzoeksters kandidaatstelling niet in aanmerking te nemen voor het diensthoofdschap van de dienst Medische Beeldvorming, kan verzoekster aan haar kandidaatstelling niet het IX-9846-16/19 rechtens vereiste belang ontlenen bij haar beroep tot nietigverklaring van de aanstelling van G.V. tot diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming.
- Zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord voorts doet gelden, zijn de argumenten die verzoekster uiteenzet over haar belang als kliniekhoofd, rechtstreeks te koppelen aan de vermeende onwettige organisatie van de dienst Medische Beeldvorming en maakt deze organisatie niet het voorwerp uit van de bestreden beslissing. Hierbij dient erop te worden gewezen dat de Raad van State in zijn arrest nr. 246.731 van 20 januari 2020 heeft geoordeeld dat verzoekster de onwettigheid van de opheffing van de dienst Nucleaire Geneeskunde en de integratie ervan in de dienst Medische Beeldvorming niet heeft aangetoond. Uit niets blijkt en verzoekster toont ook niet aan dat zij als kliniekhoofd persoonlijk en rechtstreeks zou zijn gegriefd door de aanstelling van G.V., die zij tot voorwerp van haar beroep heeft gemaakt. De omstandigheid dat G.V. geen vergunning en erkenning heeft voor de activiteiten van de nucleaire geneeskunde neemt immers niet weg dat anderen binnen de dienst die wel over dergelijke vergunning en erkenning beschikken, de daaraan beantwoordende verantwoordelijkheden kunnen uitoefenen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het voorliggende beroep onontvankelijk is wegens gemis aan belang in hoofde van verzoekster. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9846-17/19 IX-9846-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9846-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.627 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.908 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.