← België

Arrest 255631 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.631 Rolnummer: A. 229020/IX-9607 Zaak: Arrest 255631 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-06 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 08:19 Fiche Arrest nr 255.631 van 30 januari 2023 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.631 van 30 januari 2023 in de zaak A. 229.020/IX-9607 In zake:

  1. Geneviève PIQUET
  2. Vicky HULSBOSCH
  3. Ariadna KALINKINA
  4. Natalie TROCH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:
  5. het selectiebureau van de federale overheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen
  6. de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15
  7. de minister van Ambtenarenzaken
  8. de staatssecretaris voor Begroting
  9. de staatssecretaris voor Digitalisering -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  10. Het beroep, ingesteld op 4 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing ontvangen per mail van 19 juli 2019 uitgaande van Selor waarbij aan [Geneviève Piquet, Vicky Hulsbosch, Ariadna Kalinkina en Natalie Troch] (afzonderlijk) wordt gemeld: ‘Na een kwaliteitscontrole stelde FOD IX-9607-1/14 Financiën vast dat, voor een bepaalde vraag, een antwoord dat onjuist was, als juist werd beschouwd. Er werd daarom opnieuw gecorrigeerd. Als gevolg hiervan werd het resultaat dat je was medegedeeld uit je ‘Mijn Selor’-account verwijderd en vervangen door je correcte score. Zoals je zal merken veranderen zowel je score als je statuut. Na deze rechtzetting blijkt dat je niet geslaagd bent voor deze proef […]’”. II. Verloop van de rechtspleging
  11. De eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij hebben elk een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben ten aanzien van deze vertegenwoordigers een memorie van wederantwoord ingediend en ten aanzien van de overige vertegenwoordigers van de verwerende partij een toelichtende memorie. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december
  12. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Adrien Neyrinck, die loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij, zijn gehoord. IX-9607-2/14 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  13. III. Feiten 3.
  14. Verzoeksters zijn vastbenoemde ambtenaren in dienst van de federale overheidsdienst (FOD) Financiën. 3.
  15. Op 25 januari 2019 nemen zij deel aan een door het selectiebureau van de federale overheid (Selor) georganiseerd “[b]ijzonder gedeelte van de vergelijkende selectie voor overgang en proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van fiscaal deskundige (niveau B), voor de FOD Financiën”. Het examen bestaat uit dertig meerkeuzevragen. Een juist antwoord levert één punt op. Er wordt geen giscorrectie toegepast. Het vereiste minimum om te slagen bedraagt 60%. 3.
  16. Met een e-mailbericht van 20 mei 2019 wordt elk van de huidige verzoeksters ervan in kennis gesteld geslaagd te zijn. 3.
  17. Bij een controle a posteriori, naar aanleiding van de opmerkingen van sommige deelnemers aan het examen, stelt de examenjury evenwel vast dat voor vraag 21 van het examen geen van de opgegeven antwoordmogelijkheden correct is, zodat de vierde antwoordmogelijkheid, die eveneens onjuist is, ten onrechte als juist werd aangerekend voor de deelnemers die deze antwoordmogelijkheid hadden aangestipt. IX-9607-3/14 De examenkopijen van de deelnemers worden daarom opnieuw verbeterd. 3.
  18. Op 19 juli 2019 wordt elk van de huidige verzoeksters ervan in kennis gesteld dat het resultaat dat eerder was meegedeeld, uit haar Selor-account werd verwijderd en vervangen door de correcte score. Na deze rechtzetting blijken de huidige verzoeksters ‘niet geslaagd’ te zijn voor het examen. Zij behalen elk 58,62%. Dit zijn de (vier) bestreden beslissingen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  19. De eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij werpen in hun respectieve memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op wat zijn (meervoudig) voorwerp betreft. Zij wijzen erop dat met het inleidend verzoekschrift vier afzonderlijke, individuele beslissingen worden aangevochten door vier verschillende verzoekende partijen, terwijl volgens de rechtspraak van de Raad van State met één verzoekschrift in beginsel slechts één administratieve handeling kan worden aangevochten. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij werpt bijkomend op dat “verzoeksters concurrenten zijn van elkaar in de selectieprocedure die aanleiding heeft gegeven tot de hier aangevochten beslissingen waardoor de vraag kan worden gesteld, in welke mate zij een belang hebben bij de vernietiging van elkaars gecorrigeerde resultaten”. Volgens hem IX-9607-4/14 wordt dat belang niet aangetoond door verzoeksters en vertonen “de vorderingen [daardoor] onvoldoende samenhang”. Beide vertegenwoordigers van de verwerende partij besluiten dat het voorliggende beroep enkel ontvankelijk is in de mate dat het is ingesteld door eerste verzoekster en het betrekking heeft op de individuele beslissing die haarzelf betreft. Beoordeling
  20. In het auditoraatsverslag wordt hoofdzakelijk op grond van de volgende overwegingen tot de ongegrondheid van de voormelde exceptie besloten: “In principe moet in het belang van een goede rechtsbedeling, en met het oog op een overzichtelijke rechtsstrijd, inderdaad voor elke vordering een afzonderlijk geding worden aangespannen om een vlotte afwikkeling van de zaak mogelijk te maken. De eisen van een goede rechtsbedeling worden miskend wanneer een beroep verscheidene voorwerpen heeft waarop onderscheiden wettelijke of reglementaire bepalingen toepasselijk zijn, of die op verschillende feitelijke gegevens steunen en zo afzonderlijke onderzoekingen en debatten noodzakelijk maken[…]. Van voornoemd principe kan echter worden afgeweken indien de verschillende vorderingen zodanig samenhangen dat het aangewezen is ze als één zaak te behandelen voor het gemak van het onderzoek, ter voorkoming van tegenspraak enz[…]. In deze concrete zaak bestaat echter niet onmiddellijk de gerechtvaardigde vrees dat de overzichtelijkheid van het geding en de goede rechtsbedeling, desnoods zelfs de rechten van verdediging, in het gedrang zouden komen doordat verzoeksters vier afzonderlijke beslissingen die telkens op één van hen betrekking heeft, aanvechten in één en hetzelfde verzoekschrift. Het betreft immers beslissingen die steunen op een identieke (formele) motivering, (nl. de puntenscores die in de vier gevallen dezelfde waren), op dezelfde feitelijke en juridische grondslagen nl. elke verzoekster wordt in de test als niet-geslaagd verklaard na schrapping van dezelfde vraag, en zowel hun score als statuut zijn in dezelfde zin gewijzigd. Minstens op die vlakken zijn de vier bestreden beslissingen al compleet identiek. Zoals uit de bevindingen ten gronde zal blijken, is het onderzoek van de middelen ten aanzien van de vier bestreden beslissingen eveneens identiek. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissingen zou eveneens gelijklopend zijn. De goede rechtsbedeling en het vlotte procesverloop komen aldus niet in het gedrang doordat met hetzelfde verzoekschrift verschillende beslissingen worden aangevochten, – integendeel zelfs –, en overdreven formalisme wordt IX-9607-5/14 vermeden. Evenmin blijkt dat verwerende [partij] het overzicht [zou] hebben verloren in deze rechtsstrijd. Nu vaststaat dat de vier bestreden beslissingen, gelet op hun concrete onderlinge verband, zonder probleem kunnen worden aangevochten met één verzoekschrift, is de vraag naar het belang van elke verzoekster bij de vernietiging van de bestreden beslissingen die niet op haar betrekking hebben, zonder nut. Elke verzoekster heeft op zijn minst belang bij de vernietiging van de tot haar gerichte beslissing, waarmee zij [beoogt] op de lijst der geslaagden te komen en voor zichzelf de weg vrij te maken voor een eventuele latere benoeming in de beoogde functie. In dat opzicht zijn de belangen van tweede, derde en vierde verzoekende partij overigens gelijklopend met [die] van de eerste verzoekende partij. Ten [slotte] lijkt de ‘concurrentie’ tussen verzoeksters, – die tweede [vertegenwoordiger van de] verwerende partij vermoedt –, in dit geding alvast geen rol te spelen, nu zij gezamenlijk de vernietiging van de vier bestreden beslissingen vragen.” Beide vertegenwoordigers van de verwerende partij hebben geen laatste memorie ingediend waarin zij die beredeneerde overwegingen tegenspreken. Na eigen onderzoek ziet de Raad van State het niet anders en sluit hij zich aan bij de zo-even aangehaalde overwegingen van het auditoraatsverslag. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  21. Verzoeksters voeren in een eerste middel de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, alsook de schending van het gelijkheidsbeginsel zoals bepaald in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. IX-9607-6/14 Zij betogen dat op de verwerende partij als overheidsinstantie de essentiële verplichting rust om correcte vragen te stellen en bij meerkeuzevragen dan ook het juiste antwoord als mogelijk antwoord weer te geven. Verzoeksters stellen dat zij daarop mochten vertrouwen. Zij lichten toe dat voor de oplossing van vraag 21 vier mogelijke antwoorden werden opgegeven, waarbij initieel de vierde antwoordmogelijkheid als het juiste antwoord werd bestempeld. Bijna twee maanden nadat aan verzoeksters was meegedeeld dat zij geslaagd waren met 18 op 30 punten, komt de verwerende partij echter tot het besluit dat op vraag 21 geen juist antwoord mogelijk is. Zij heeft geprobeerd haar fout recht te zetten door vraag 21 te schrappen en aan niemand punten voor deze vraag toe te kennen. Volgens verzoeksters heeft de verwerende partij door haar handelwijze “een ongeoorloofde ongelijkheid gecreëerd tussen de kandidaten”. Zij argumenteren als volgt: “
  22. Het examen bestond uit 30 meerkeuzevragen en elk juist antwoord was 1 punt.
  23. Na het schrappen van vraag 21, dat als juist werd beoordeeld voor verzoeksters, bleven er slechts 17 juiste vragen beantwoord, waardoor verzoekster plots 17/29 of 58,62% heeft behaald.
  24. De ongelijkheid vindt zijn oorsprong in het feit dat de kandidaten die vraag 21 niet juist hadden beoordeeld (dus A, B of C hadden geantwoord) en 18/30 hadden, zullen na het supprimeren van vraag 21 een score bekomen van 18/29 of plots 62,06% behalen. Deze personen stijgen dus in de ranking van 60% naar 62,06%.
  25. Dus als vraag 21 wordt geschrapt, dan moet dit voor alle kandidaten dezelfde gevolgen hebben.
  26. Dit kan [de verwerende partij] enkel maar doen door vraag 21 te schrappen, maar eenieder die deelgenomen heeft aan het examen hiervoor 1 punt te geven, zodat de totaliteit nog steeds op 30 punten [wordt] beoordeeld.” Het gelijkheidsbeginsel sluit een onderscheiden behandeling van bepaalde categorieën van personen niet uit, voor zover daarvoor althans een IX-9607-7/14 objectieve, pertinente en redelijke verantwoording bestaat, maar die is in dit geval niet voorhanden, zo stellen verzoeksters. Volgens verzoeksters moeten alle kandidaten evident dezelfde kansen krijgen om te kunnen slagen, zoals de Raad van State heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 229.210 van 18 november
  27. Voor hen is het duidelijk dat de verwerende partij in dit geval op een uiterst onzorgvuldige wijze heeft gehandeld. Beoordeling
  28. Verzoeksters doen vooreerst gelden dat het vertrouwensbeginsel werd geschonden, doordat de verwerende partij aan de deelnemers van de proef die toegang verleent tot de graad van fiscaal deskundige, een meerkeuzevraag zonder een juiste antwoordmogelijkheid heeft voorgelegd, terwijl zij nochtans erop mochten vertrouwen dat het examen correct was opgesteld. Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur, krachtens hetwelk de burger moet kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Opdat er van een schending van dit beginsel sprake kan zijn, moet aan drie voorwaarden zijn voldaan, namelijk het bestaan van een vergissing vanwege het bestuur, het ten gevolge van die vergissing verlenen van een voordeel aan een rechtzoekende en de afwezigheid van gewichtige redenen om hem dat voordeel te ontnemen. Wanneer het bestuur naar aanleiding van de controle a posteriori van de vragen van een door hem georganiseerde selectieproef vaststelt dat één van de gestelde vragen, om welke reden dan ook, niet valide is, dan is dat alvast een gewichtige reden die vermag te verantwoorden dat die vraag wordt geannuleerd, in zoverre de proef in globo dan nog betrouwbaar en valide is, en dat een maatregel IX-9607-8/14 wordt genomen om te voorkomen dat sommige deelnemers aan het door hen verstrekte antwoord op die vraag alsnog een voordeel zouden ontlenen dat de andere deelnemers niet hebben verkregen. In dit geval kan daarin geen schending van het vertrouwensbeginsel worden gezien, temeer daar niet blijkt dat de verwerende partij vooraf een gedrag heeft gesteld waaruit verzoeksters de rechtmatige verwachting mochten putten dat a posteriori er geen vragen meer zouden worden geschrapt, ook niet wanneer zou blijken dat ze niet valide zijn of dat ze niet regelmatig konden worden beantwoord. 8.
  29. Voorts menen verzoeksters een schending van het gelijkheidsbeginsel te onderkennen in de gevolgen die de schrapping van de voormelde vraag voor hen met zich meebrengt. Zij hadden namelijk initieel 18 op 30 punten en zijn nu met 58,62% niet meer geslaagd, terwijl andere deelnemers die ook 18 op 30 punten hadden, stegen naar 62,06% en wel geslaagd zijn. Tussen die twee categorieën is er volgens hen een onverantwoorde ongelijkheid gecreëerd, doordat het schrappen van de vraag niet voor iedereen dezelfde gevolgen had. Dit laatste zou wel het geval geweest zijn indien alle kandidaten voor de geschrapte vraag een punt hadden bijgekregen. 8.
  30. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen – of een gelijke behandeling van niet-vergelijkbare gevallen – verboden is, tenzij daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. 8.
  31. De situatie dient zich in dit geval aan als volgt. Een controle bracht aan het licht dat voor vraag 21 geen juist antwoord kon worden aangeduid. Bijgevolg heeft geen enkele kandidaat op die vraag een correct antwoord kunnen geven. Wel werd aan verzoeksters in eerste instantie een punt voor die vraag toegekend. Nadien bleek dat de kwestieuze vraag moest worden geannuleerd en dat de puntentoekenning aan verzoeksters onterecht was. Er werd dan ook een IX-9607-9/14 herberekening van het resultaat van de proef doorgevoerd, op basis van 29 in plaats van 30 vragen. Het logische gevolg is dat de deelnemers met 18 op 30 punten die hun initiële geslaagd zijn met het vereiste minimum van 60% van de punten te danken hadden aan het punt dat zij voor hun (onjuiste) antwoord op de geschrapte vraag 21 hadden gekregen, na herberekening dat punt verliezen en niet meer geslaagd zijn met de finaal behaalde 17 op 29 punten, terwijl de deelnemers met 18 op 30 punten die hun initiële geslaagd zijn niét te danken hadden aan een punt op vraag 21, geen punt verliezen en geslaagd blijven met 18 op 29 punten. Het onderscheid tussen beide categorieën van deelnemers wordt aldus bepaald door het examenresultaat, berekend op basis van het aantal juist beantwoorde vragen in verhouding tot het aantal te beantwoorden vragen, hetgeen een objectieve en redelijke verantwoording vormt voor het al dan niet geslaagd zijn. 8.
  32. Zoals ook zal blijken uit de beoordeling van het tweede middel, tonen verzoeksters niet aan dat vraag 21 van de selectieproef niet mócht worden geschrapt niettegenstaande geen enkele antwoordmogelijkheid correct was. Evenmin zetten zij uiteen waarom het bestuur redelijkerwijze niet kon beslissen om enkel het aantal juiste antwoorden in rekening te brengen. Verzoeksters hebben zeventien vragen correct beantwoord, terwijl de andere categorie van deelnemers achttien juiste antwoorden heeft gegeven, ongeacht of er wordt uitgegaan van 29 dan wel van 30 vragen. Hierin ligt precies het verschil tussen slagen of niet-slagen. Verzoeksters tonen ook al niet aan dat het onzorgvuldig of onredelijk is om, na het schrappen van vraag 21, het (maximaal) aantal te verdienen punten te laten overeenstemmen met het aantal overblijvende vragen, namelijk
  33. Verzoeksters refereren ten onrechte aan arrest nr. 229.210 van 18 november 2014 van de Raad van State dat betrekking had op een geheel andere feitelijke situatie. IX-9607-10/14
  34. Verzoeksters kunnen ook niet worden bijgevallen in hun standpunt dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld. Weliswaar was één vraag niet correct opgesteld, maar het bestuur heeft bij het beantwoorden van opmerkingen van deelnemers a posteriori alsnog de ongeldigheid van de vraag onderzocht en vastgesteld en vervolgens terecht besloten de vraag te annuleren.
  35. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  36. Verzoeksters voeren in een tweede middel de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel patere legem quam ipse fecisti en het redelijkheidsbeginsel. Zij betogen dat het selectiereglement uitdrukkelijk voorschrijft dat 60% van de punten moet worden behaald om te slagen, dit wil zeggen 18 op 30 punten. In het schrappen van een vraag is niet voorzien, zodat de verwerende partij niet over de mogelijkheid daartoe beschikt. Door toch alzo te handelen en de resultaten te beoordelen op een totaal van 29 vragen, kan de vereiste 60% nooit worden behaald (17/29 = 58,62% en 18/29 = 62,06%). Het vereiste minimum werd derhalve eenzijdig en post factum gewijzigd in 62,06%. Volgens verzoeksters heeft de verwerende partij alzo de eigen reglementering niet gerespecteerd en heeft zij na het examen de spelregels naar eigen goeddunken aangepast. Een “normale” voorzichtige overheidsinstantie die examens organiseert, zou in de gegeven omstandigheden nooit op dergelijke wijze hebben gehandeld. Het redelijkheidsbeginsel werd eveneens geschonden, zo besluiten verzoeksters. IX-9607-11/14 Beoordeling
  37. In de toelichting bij de selectie op de website van Selor wordt vermeld dat “[o]m te slagen […] de kandidaten ten minste 60% van de punten [dienen] te behalen voor het bijzonder gedeelte”. Dit wordt ook aangegeven in het selectiereglement. De omstandigheid dat in het selectiereglement niet uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid om een examenvraag a posteriori te annuleren omdat ze niet valide blijkt te zijn, neemt niet weg dat het op de weg ligt van een zorgvuldig en redelijk handelend bestuur om een dergelijke begane fout recht te zetten, op het gevaar af anders de deelnemers van de selectieproef niet dezelfde kansen op slagen te bieden. Het gaat immers niet op dat deelnemers hun slagen te danken zouden hebben aan een ten onrechte toegekend punt voor een antwoord waarvan niet wordt betwist dat het niet correct is. In het selectiereglement wordt slechts vermeld dat ten minste 60% van de punten moet worden behaald om voor het bijzonder gedeelte van de selectie te slagen. Er wordt niet aangegeven hoe de puntenberekening zal gebeuren, noch wordt ervoor geopteerd om absolute cijfers te hanteren. Zo wordt er niet vermeld dat er minimaal 18 op 30 punten moeten worden behaald om te slagen. In dit geval heeft de overheid ervoor geopteerd om voor elk juist antwoord één volledig punt toe te kennen. Er wordt geen giscorrectie toegepast. Door het schrappen van de vraag en het vervolgens quoteren van de proef op 29 punten kunnen de deelnemers inderdaad niet meer exact 60% van de punten behalen op de proef, maar scoren zij 62,06% bij 18 behaalde punten, dan wel 58,62% bij 17 behaalde punten, maar dit is louter het gevolg van de gehanteerde puntentelling, in combinatie met de schrapping van een vraag. Een score van 17,4 op 29 punten is nu niet mogelijk. Niettemin is aldus nog steeds voldaan aan het reglement dat vereist dat ten minste 60% van de punten wordt behaald om te slagen. IX-9607-12/14 Ook indien dertig geldige vragen zouden zijn gesteld, lag het verschil tussen slagen en niet-slagen nog altijd vervat in het gegeven dat 18 punten moesten worden behaald. Het aantal correct te beantwoorden vragen dat nodig was om te slagen, blijft hetzelfde. In het ene geval (18 op 29 punten) levert dit meteen 62,06% van de punten op, in het andere geval (18 op 30 punten) precies 60% van de punten. 17 juist beantwoorde vragen, zoals het geval was bij verzoeksters, volstonden in geen geval om te slagen. Er kan bijgevolg niet worden aangenomen dat de verwerende partij de eigen reglementering, die het slaagpercentage op ten minste 60% vaststelt, niet heeft nageleefd. Hoe dan ook was een score van achttien punten vereist om te slagen. Evenmin blijkt dat de verwerende partij in de gegeven omstandigheden op een onredelijke wijze heeft gehandeld.
  38. Het tweede middel is evenmin gegrond. VI. Kosten
  39. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april
  40. Dit betekent dat de bijdrage slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. IX-9607-13/14 BESLISSING
  41. De Raad van State verwerpt het beroep.
  42. De verzoekende partijen worden, elk voor een vierde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 60 euro dienen te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9607-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.