← België

Arrest 255632 - Varia (openbaar ambt) - 30/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.632 Rolnummer: A. 227160/IX-9492 Zaak: Arrest 255632 - Varia (openbaar ambt) - 30/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-06 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-16 20:28 Fiche Arrest nr 255.632 van 30 januari 2023 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.632 van 30 januari 2023 in de zaak A. 227.160/IX-9492 In zake : de ALGEMENE CENTRALE VAN HET MILITAIR PERSONEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carine Flamend kantoor houdend te 1930 Zaventem Leuvensesteenweg 510 bus 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp

  1. De vordering, ingesteld op 15 mei 2019, strekt tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel “in navolging van het beroep tot nietigverklaring dat reeds bij de Raad van State werd ingediend […] en gekend is onder het rolnummer G/A 227.160/IX-[9]492”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 250.268 van 30 maart 2021 is het debat heropend voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. IX-9492-1/13 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carine Flamend, die verschijnt voor de verzoekende partij en onderluitenant Marie-Sofie Thiriaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Bij arrest nr. 250.268 van 30 maart 2021 vernietigt de Raad van State de beslissing van de minister van Defensie van 7 november 2018, waarbij hij de aanvraag van de Algemene Centrale van het Militair Personeel om een geschil voor te leggen aan het geschillencomité onontvankelijk verklaart. Het middel, genomen uit de schending van “artikel 10, § 3bis van de wet van 11 juli 1978 [lees: de wet van 11 juli 1978 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het militair personeel’ (hierna: de syndicale wet)] en Par. 3.B

(2)(A) van het reglement DGHR-REG- SYNVAK-001, en van het zorgvuldigheidsbeginsel”, is volgens dat arrest gegrond: “De berichten van de erkende vakorganisaties mogen slechts worden uitgehangen in de dienstlokalen van het personeel waarvan zij de IX-9492-2/13 beroepsbelangen behartigen, nadat ze geviseerd werden door de daartoe door de chef defensie aangewezen overheid (artikel 27, eerste lid, van de uitvoeringswet). Het visum mag alleen worden geweigerd indien het bericht een misdrijf of een tuchtvergrijp uitmaakt of daartoe aanzet, indien het de waardigheid van personen, instellingen of andere erkende vakorganisaties in het gedrang brengt of indien het feiten bevat waaraan de bevoegde overheid vooraf een vertrouwelijk of geheim karakter heeft toegekend (artikel 27, tweede lid, van de uitvoeringswet). Hieruit volgt dat een weigering om het visum te verlenen slechts mag gebeuren op een welbepaalde precieze grond. Om een weigering met kennis van zaken te kunnen aanvechten, moet de weigeringsgrond dan ook gekend zijn. De verwerende partij heeft in de tweede bestreden beslissing aangekondigd dat de behoorlijke motivering van deze weigering binnen vijf werkdagen zou worden genotificeerd, wat is gebeurd met de derde bestreden beslissing. De tweede en de derde bestreden beslissing moeten bijgevolg in de concrete omstandigheden geacht worden één geheel te vormen. De bij artikel 10, § 3bis, tweede lid, van de syndicale wet bepaalde vervaltermijn van vijftien dagen gaat dan ook pas in volgend op de kennisgeving van de derde beslissing. De derde bestreden beslissing dateert van 6 september
  1. Op 20 september 2018 heeft de verzoekende partij aan de minister van Defensie gevraagd om het geschil voor te leggen aan het geschillencomité omwille van het niet verlenen van de toelating om het vakbondsbericht uit te hangen. Zij heeft haar aanvraag bijgevolg binnen de bij artikel 10, § 3bis, tweede lid, van de syndicale wet voorgeschreven termijn aan de minister voorgelegd. Uit wat voorafgaat volgt dat de minister met de eerste bestreden beslissing artikel 10, § 3bis, tweede lid, van de syndicale wet heeft miskend.” IV. De gevorderde schadevergoeding Uiteenzetting van de vordering
  2. De verzoekende partij voert aan dat zij door de onrechtmatige weigering van de verwerende partij om een vakbondsbericht te plaatsen, gefnuikt is in een van haar meest essentiële prerogatieven. Dit wordt bovendien verzwaard door het feit dat de verwerende partij nadien heeft geweigerd om het geschillencomité bijeen te roepen, terwijl zij hiertoe in staat was. Dergelijke onrechtmatige beslissingen brengen evident een nadeel en schade met zich mee, daar de verzoekende partij geconfronteerd is met het feit dat het bericht dat zij heeft laten opstellen – in casu een poster – en waarvoor zij aldus kosten heeft gemaakt, minder relevant is nadat de bestreden beslissingen uiteindelijk worden vernietigd en zij dit niet heeft kunnen uitbrengen IX-9492-3/13 en ophangen in de dienstlokalen van het personeel op het ogenblik dat dit het meest geschikt was. Dat brengt ook reputatieschade met zich mee, daar haar de kans is ontnomen om, ter uitvoering van haar syndicale prerogatieven, onmiddellijk haar bericht te publiceren dat reageerde op kritiek van de minister op haar als vakbond. Bovendien wekt de late publicatie, volgend op de nietigverklaring, de indruk dat zij niet op tijd en stond kan reageren op de actualiteit. Voorts brengen de bestreden beslissingen een administratieve kost met zich mee, zijnde de tijd die de verzoekende partij van haar medewerkers heeft moeten vragen om te reageren op de weigering en om het verzoek tot vatting van het geschillencomité te formuleren, feiten die niet gedekt worden door de rechtsplegingsvergoeding in de procedure voor de Raad van State. Een exacte begroting van de materiële en de morele schade, in casu de reputatie van de verzoekende partij, is volgens de verzoekende partij ten gevolge van de aard van de schade onmogelijk. Het komt dan ook aan de Raad van State toe om deze schade ex aequo et bono te begroten, waarbij de verzoekende partij meent dat de schade, materieel en moreel gemengd, kan worden begroot op de som van 1000 euro. De verzoekende partij benadrukt dat dit bedrag niet overdreven is, gelet op de onwettige en doorgedreven handelwijze van de verwerende partij en de schade die deze met zich heeft meegebracht. 5.
  3. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij te kort door de bocht gaat, door te stellen dat de Raad van State zich niet kan uitspreken over de gevorderde schadevergoeding aangezien de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Defensie bij voornoemd arrest nr. 250.268 van 30 maart 2021, niet toelaat te besluiten dat het directoraat generaal Human Resources onwettige beslissingen heeft genomen door het uithangen van het vakbondsbericht te weigeren. Volgens de verzoekende partij is het juist door de weigering om het geschil voor te leggen aan het geschillencomité, dat de verwerende partij alles heeft geblokkeerd en het haar onmogelijk heeft IX-9492-4/13 gemaakt om de beslissing van weigering van het uithangen van het vakbondsbericht voor te leggen aan de Raad van State. De verzoekende partij wijst erop dat de Raad van State in het voormelde arrest heeft overwogen dat zij door de weigering om het geschil voor te leggen aan het geschillencomité wordt belemmerd in één van haar prerogatieven. Volgens de verzoekende partij kan de verwerende partij zich niet achter haar onwettig handelen verschuilen om te ontsnappen aan een schadevergoeding. Zij meent dat de verwerende partij dit ook lijkt te beseffen, nu zij in de memorie van antwoord erkent dat een schadevergoeding verschuldigd is, doch vraagt om het nadeel dat voortvloeit uit de niet-vatting van het geschillencomité te beperken tot 100 euro. 5.
  4. In de mate dat de verwerende partij het causaal verband betwist tussen de door haar begane onwettigheid en de door de verzoekende partij geleden schade, wijst de verzoekende partij erop dat zij in een van haar meest essentiële vakbondsprerogatieven is gefnuikt en zij zich hiertegen niet heeft kunnen verdedigen omdat de verwerende partij heeft geweigerd om het geschillencomité bijeen te roepen. Dit laatste aanvaarden, zonder hiervoor een schadevergoeding te kunnen vragen, komt erop neer dat de verwerende partij een vakbond – in casu de verzoekende partij – kan muilkorven door volkomen unilateraal te beslissen om een bericht niet te publiceren en de verzoekende partij de mogelijkheid te ontnemen om een snelle rechtzetting te verkrijgen via het geschillencomité. 5.
  5. Wat de omvang van de gevorderde schadevergoeding betreft, wijst de verzoekende partij erop dat het materiële nadeel bestaat in alle tijd die haar verantwoordelijken hebben moeten besteden aan de voorliggende zaak voordat ze aanhangig is gemaakt bij de Raad van State. Dit gaat verder dan “het maken van een poster”. Er is ook het bestuderen van de afwijzing, het aanhangig maken van de zaak voor het geschillencomité, de vergaderingen en studie over de te ondernemen actie, de voorbereiding van het dossier voor de Raad van State, de besprekingen met de raadslieden, enzovoort. IX-9492-5/13 Wat het morele nadeel betreft, stelt de verzoekende partij dat dit evident is en dat het gevraagde bedrag een karige vergoeding is voor de aantasting van haar prerogatieven. In zoverre de verwerende partij betoogt dat de verzoekende partij wel kon reageren op de kritiek van de minister van Defensie middels een debat tussen de vaste afgevaardigde van de ACMP en de minister van Defensie tijdens een radioprogramma, benadrukt de verzoekende partij dat het niet aan de verwerende partij toevalt om te beslissen hoe zij haar vakbondsprerogatieven moet uitoefenen en al zeker niet om te beslissen dat het kanaal van de radio maar moet volstaan. Zij wijst erop dat het doel van het uithangen van het vakbondsbericht juist is om specifiek de militairen te bereiken en dit op een zeer laagdrempelige manier die de zekerheid biedt dat het merendeel van de doelgroep dit bericht ook daadwerkelijk ziet. Niet alle militairen luisteren immers naar het betrokken radioprogramma. Daarenboven wordt de poster zowel in het Nederlands als in het Frans opgesteld om op die manier de twee taalgroepen te kunnen bereiken. Het is immers weinig waarschijnlijk dat de Franstalige militairen naar het (Nederlandstalige) radioprogramma luisteren. 5.
  6. In de mate dat de verwerende partij zich verschuilt achter de “moeilijke organisatie [en] drukke agenda van de leden van het geschillencomité” waardoor een snelle afhandeling van het geschil niet mogelijk was, stelt de verzoekende partij dat dit niet ter zake doet en bovendien niet juist is. 6.
  7. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij, in zoverre zij van oordeel is dat er geen oorzakelijk verband is tussen de onwettigheid van de eerste bestreden beslissing en de schade en dat “uit het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest bijgevolg voort (vloeit) dat het geleden nadeel verband houdt met de ontstentenis van een advies van het geschillencomité en een beslissing van de minister over de mate waarin het vakbondsbericht verzoenbaar is met de militaire tucht”, de notie ‘causaal verband’ en de schade die voortvloeit uit de onwettigheid van de vernietigde beslissing te nauw benadert. Zij benadrukt dat berichten uithangen in de lokalen van de diensten een van haar primordiale syndicale prerogatieven is en dat het visum om een bericht uit te hangen slechts om welbepaalde redenen kan worden geweigerd. Te dezen heeft de verwerende partij geweigerd het visum te verlenen en de IX-9492-6/13 verzoekende partij rest dan nog slechts één mogelijkheid om haar syndicaal prerogatief alsnog uit te oefenen, namelijk het geschil aanhangig maken bij het geschillencomité en desgevallend bij de Raad van State. Nadat zij dit heeft gedaan, heeft de Raad van State in arrest nr. 250.268 van 30 maart 2021 geoordeeld dat de verwerende partij ten onrechte de procedure bij het geschillencomité onontvankelijk heeft verklaard. Desalniettemin heeft de verwerende partij het geschillencomité niet opnieuw bijeengeroepen en dit terwijl de verzoekende partij de zaak niet opnieuw aanhangig kan maken gelet op de vervaltermijnen, noch dit opnieuw zou moeten omdat de zaak reeds aanhangig is gemaakt. Ingevolge de aanhoudende weigering van de verwerende partij om de procedure van artikel 10, § 3bis, van de syndicale wet correct te doorlopen, kan de verzoekende partij haar bericht niet uithangen en volgens de verzoekende partij is thans de redelijke termijn om het geschillencomité bijeen te roepen, verstreken en rest enkel nog een manifeste weigering. In die omstandigheden brengt, aldus de verzoekende partij, de miskenning van het prerogatief om het geschil voor te leggen aan het geschillencomité ook een miskenning van het prerogatief om een vakbondsbericht uit te hangen met zich mee. Het nadeel dat voortvloeit uit de vernietigde beslissing slaat derhalve ook op het onmogelijk maken van het uithangen van het vakbondsbericht, wat tot op heden blijft duren. De verzoekende partij meent dan ook dat het causaal verband tussen de vernietigde beslissing en de materiële schade die voortvloeit uit de loon- en redactiekosten voor het opstellen van de poster, de kosten voor het bezorgen van de poster aan de afgevaardigden en de loonkost die samenhangt met het aanhangig maken van het geschil bij het geschillencomité, moet worden aanvaard. Ondergeschikt is er minstens het verlies van een kans. Ten slotte rest er in elk geval ook een bijzonder moreel nadeel dat niet door het vernietigingsarrest is hersteld en in causaal verband staat met de onwettige beslissing. De verloren tijd en het verlies aan relevantie van het uit te hangen bericht blijven immers verloren. De verzoekende partij bespreekt vervolgens de schadeposten. 6.
  8. Wat betreft de materiële schade stelt de verzoekende partij dat deze eerst en vooral bestaat uit de loon- en redactiekosten voor het produceren van de poster (de redactie van de teksten, de bewerking en lay-out van de affiches en de bespreking tijdens drie vergaderingen) waarvan zij voorrekent dat deze op IX-9492-7/13 287,5 euro kunnen worden geraamd. Voorts zijn er de productie- en verzendingskosten van de poster (de printkosten, de pro rata huurkost van de printer, de papierkosten, de enveloppekosten en de frankeerkosten) die op 478 euro kunnen worden geraamd. Ten slotte zijn er ook de kosten voor het aanhangig maken van het geschil bij het geschillencomité (de werkuren voor het analyseren en bespreken van de weigeringsgronden, het juridisch opzoekwerk, het weerleggen van de weigeringsgronden en het opstellen van het verzoek tot het aanhangig maken van het geschil, de nalezing daarvan door een raadsman en de kosten voor de aangetekende zending) die op 295,03 euro kunnen worden geraamd. Dit resulteert in een bedrag van 1060,53 euro, wat reeds volstaat voor het toewijzen van haar vordering om 1000 euro schadevergoeding toe te kennen. 6.
  9. Ondergeschikt meent de verzoekende partij dat het feit dat het geschillencomité – tot op heden – niet is bijeengeroepen, haar de kans heeft ontnomen om alsnog de goedkeuring te verkrijgen voor het uithangen van haar bericht. Waar de verwerende partij stelt dat de verzoekende partij niet het recht had om het vakbondsbericht uit te hangen en dat het aanhangig maken van het geschil bij het geschillencomité ook niet automatisch of rechtstreeks tot gevolg zou hebben dat de verzoekende partij het bericht mag uithangen, keert zij volgens de verzoekende partij de situatie om. De verzoekende partij benadrukt dat zij met toepassing van artikel 13 van de syndicale wet het prerogatief heeft om vakbondsberichten uit te hangen in de lokalen, wat enkel om welbepaalde redenen kan worden geweigerd. Het geschillencomité en vervolgens de minister, dienden uit te maken of de aangehaalde weigeringsgrond correct was of niet, wat twee mogelijkheden impliceert, namelijk dat de minister alsnog de goedkeuring gaf, dan wel de weigering behield. Volgens de verzoekende partij kan de Raad van State oordelen hoe groot de kans was die door de onrechtmatige beslissing is verloren, namelijk door het beoordelen van het derde middel – waarin de onregelmatigheid van de weigeringsgronden is aangevoerd – in het kader van de voorliggende vordering. Zo kan de Raad van State oordelen of de weigeringsgronden terecht werden betwist en of de kans die is verloren, geraamd moet worden op 100%, dan wel op 0%. Gelet op de materiële en de morele schade kan de gevraagde schadevergoeding van 1000 euro worden toegekend, zelfs indien er slechts sprake was van het verlies van een kans. IX-9492-8/13 6.
  10. Inzake de morele schade betoogt de verzoekende partij dat de houding van de verwerende partij, met inbegrip van de onwettige beslissing om het geschillencomité niet bijeen te roepen, er minstens voor heeft gezorgd dat dag na dag de relevantie van het vakbondsbericht is afgenomen en dat haar de kans is ontnomen om haar bericht binnen een redelijke termijn te verspreiden. De verzoekende partij meent dan ook dat de onwettige beslissing in een causaal verband staat met de belemmering om haar leden op tijd te kunnen berichten. Dit volstaat voor een schadevergoeding van 1000 euro ex aequo et bono voor de morele schade. Het niet kunnen uithangen van een vakbondsbericht binnen een redelijke en relevante termijn brengt immers reputatieschade met zich mee. De verzoekende partij is de kans ontnomen om onmiddellijk te reageren op een uitspraak van de minister van Defensie en een latere publicatie – die tot op heden nog niet is kunnen gebeuren – wekt de indruk dat zij niet op tijd en stond kan reageren op de actualiteit. De verzoekende partij benadrukt in dat verband dat het enkel en alleen aan de minister van Defensie toevalt om het geschillencomité alsnog bijeen te roepen – wat tot op heden niet is gebeurd – en dat zij de bijeenroeping niet kan afdwingen gelet op de vervaltermijnen. Daarnaast wijst zij erop dat de verloren tijd en de verminderde relevantie van het bericht ingevolge het onrechtmatig onontvankelijk verklaren van het verzoek om het geschil aanhangig te maken bij het geschillencomité niet worden goedgemaakt door het vernietigingsarrest, dat immers de tijd niet kan terugdraaien. Volgens de verzoekende partij valt het niet aan de verwerende partij toe om te oordelen dat er geen tijdige aanplakking kon zijn geweest, dan wel dat de verloren kans “door de politieke gang van zaken eigenlijk volledig achterhaald was”. De verwijzing van de verwerende partij naar de moeilijke organisatie en de drukke agenda van de leden van het geschillencomité doet volgens de verzoekende partij niet ter zake en zij acht die bovendien ook onjuist. Daarnaast meent de verzoekende partij dat het niet aan de verwerende partij toevalt om te oordelen of een bericht nog nut of relevantie heeft nadat er een nieuwe minister is aangetreden. De verzoekende partij stelt dat er op het moment van de laatste memorie (9 mei 2022) 1349 dagen zijn verstreken sinds de aanvraag om het bericht uit te hangen, 944 dagen vanaf de aanvraag tot het vernietigingsarrest en 875 dagen sedert de onwettige beslissing en het vernietigingsarrest. Indien de morele schade ex aequo et bono bepaald wordt op IX-9492-9/13 twee euro per dag, resulteert dit in 2698 euro, 1888 euro, dan wel 1750 euro. De verzoekende partij wijst er daarbij nog op dat het verlies (of de winst) van één vakbondslid als gevolg van het tijdig inspelen op relevante feiten in 2018 reeds zou hebben overeengestemd met 162 euro aan vakbondsvergoedingen die zij zou mislopen. 6.
  11. De verzoekende partij besluit dat het materiële en het morele nadeel samen de gevorderde schadevergoeding van 1000 euro ruim overschrijden, maar dat zij zich heeft beperkt tot een bescheiden bedrag. Ten slotte herhaalt zij haar betoog dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat zij wel heeft kunnen reageren op de kritiek van de minister van Defensie middels een debat tussen de vaste afgevaardigde van de ACMP en de minister van Defensie tijdens een radioprogramma. Beoordeling
  12. De vordering tot schadevergoeding tot herstel wordt door de verzoekende partij geformuleerd op basis van het uitgangspunt dat de beslissingen die met het beroep tot nietigverklaring zijn aangevochten, onwettig zijn en moeten worden vernietigd. Met voormeld arrest nr. 250.268 van 30 maart 2021 heeft de Raad van State enkel de eerste bestreden beslissing vernietigd, namelijk de weigering om het geschillencomité te vatten. Bijgevolg kan de vordering tot schadevergoeding tot herstel enkel steunen op de schade die voortvloeit uit de onwettigheid van die eerste bestreden beslissing. De Raad van State heeft zich met andere woorden niet uitgesproken over de grond van de zaak, namelijk of de weigering van het uithangen van een vakbondsbericht al dan niet terecht was.
  13. De verzoekende partij voert in de eerste plaats aan dat zij ingevolge de door de Raad van State vastgestelde onwettigheid, namelijk de weigering om het geschil voor te leggen aan het geschillencomité, het vakbondsbericht niet heeft kunnen uithangen en dat daardoor haar essentiële vakbondsprerogatieven zijn geschaad. IX-9492-10/13 In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, zou zij zonder de vastgestelde onwettigheid het vakbondsbericht ook niet zomaar kunnen uithangen. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, geeft het geschillencomité, overeenkomstig artikel 10, § 3bis, eerste lid, van de syndicale wet, slechts een advies over een geschil en komt het aan de minister van Defensie toe om het geschil te beslechten door hierover een standpunt in te nemen. Zonder de vastgestelde onwettigheid had de minister van Defensie dus nog steeds zijn goedkeuring dienen te geven voor het mogen uithangen van het vakbondsbericht. Het niet kunnen uitoefenen van het prerogatief van het uithangen van vakbondsberichten staat aldus niet rechtstreeks in causaal verband met de vastgestelde onwettigheid. Het prerogatief waarover het gaat, is het kunnen voorleggen van een geschil aan het geschillencomité. Ten onrechte stelt de verzoekende partij in haar laatste memorie dat het feit dat de minister van Defensie tot op heden het geschillencomité nog steeds niet opnieuw heeft bijeengeroepen over de kwestie, tot het besluit noopt dat er (thans) wel een causaal verband bestaat tussen de vastgestelde onwettigheid en het niet kunnen uitoefenen van haar syndicaal prerogatief om het vakbondsbericht uit te hangen. 9.
  14. Wat de omvang van de gevorderde schadevergoeding betreft, raamt de verzoekende partij de door haar geleden materiële en morele schade op 1000 euro. 9.
  15. De verzoekende partij verantwoordt de materiële schade door te verwijzen, eensdeels naar de kosten die zij gemaakt heeft voor het niet-verspreide vakbondsbericht en anderdeels naar de kosten voor het aanhangig maken van het geschil bij het geschillencomité. Voor zover de verzoekende partij zich voor de materiële schade beroept op kosten die zij heeft moeten maken voor het niet-verspreide vakbondsbericht, moet worden vastgesteld, zoals reeds sub 8 is gesteld, dat deze schade niet in een rechtstreeks causaal verband staat met de vastgestelde onwettigheid. IX-9492-11/13 Voor zover de verzoekende partij zich voor de geleden materiële schade ook beroept op de kosten van het vatten van het geschillencomité, moet worden vastgesteld dat zij pas in haar laatste memorie een poging doet om deze schadeposten te begroten. Dit is laattijdig aangezien de verwerende partij er niet meer op kan reageren en het auditoraat dit niet meer bij het verslag heeft kunnen betrekken. De verzoekende partij toont niet aan waarom de begroting van deze schade niet in het verzoekschrift kon worden aangevoerd of, minstens, binnen zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarin de onwettigheid is vastgesteld. Met deze laattijdige begroting van de materiële schade kan dan ook geen rekening worden gehouden. 9.
  16. De morele schade verantwoordt de verzoekende partij door te verwijzen naar de reputatieschade die zij lijdt door het niet (tijdig) kunnen uithangen van het vakbondsbericht en naar de schending van haar prerogatieven. Vooreerst moet worden opgemerkt dat de verzoekende partij opnieuw pas in haar laatste memorie – en dus laattijdig – een poging doet om deze schade te begroten. Voorts is het zo dat het voormelde arrest nr. 250.268 van 30 maart 2021 in beginsel de morele schade herstelt die de verzoekende partij heeft geleden ingevolge de vastgestelde onwettigheid. Door het vernietigingsarrest, dat een absoluut gezag van gewijsde erga omnes heeft en waardoor de onwettig bevonden rechtshandeling ab initio uit de rechtsordening werd genomen, staat het voor eenieder vast dat de minister onwettig heeft gehandeld door het geschil niet aan het geschillencomité voor te leggen. Met de gegevens waarvan de verzoekende partij in haar uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift gewag maakt, toont zij niet aan dat het vernietigingsarrest, met inbegrip van de motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen, geen volledige morele genoegdoening heeft kunnen bieden en dat nog een compensatoire schadevergoeding wegens morele schade moet worden toegekend bovenop de uitgesproken nietigverklaring. IX-9492-12/13 Pas in haar laatste memorie verwijst zij naar het tijdsverloop en het verlies aan relevantie van het uit te hangen bericht die niet zouden worden goedgemaakt door het voormelde vernietigingsarrest. Deze uiteenzetting is echter laattijdig en bijgevolg onontvankelijk.
  17. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering tot schadevergoeding tot herstel niet kan worden ingewilligd. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel.
  19. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9492-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.632 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.268 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.