← België

Arrest 255635 - Varia (economische zaken) - 30/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.635 Rolnummer: A. 220223/XIV-37189 Zaak: Arrest 255635 - Varia (economische zaken) - 30/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-08 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 08:18 Fiche Arrest nr 255.635 van 30 januari 2023 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 255.635 van 30 januari 2023 in de zaak A. 220.223/XIV-37.189 In zake: de NV MIDDLEGATE EUROPE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-Sébastien Sablon kantoor houdend te 8020 Oostkamp Brugsestraat 44B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Economie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Wytinck, David D’Hooghe en Bram Hoorelbeke kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 9 september 2016, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 10 juli 2016 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid’. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.189-1/5 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 2 december 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 18 januari
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Toepassing kortedebattenprocedure
  5. Het bestreden koninklijk besluit werd ondertussen vernietigd door de Raad van State bij het arrest nr. 254.891 van 26 oktober
  6. Het voorliggende beroep is derhalve zonder voorwerp geworden. In de gegeven omstandigheden past het de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen. IV. Rechtsplegingsvergoeding
  7. In een brief van 21 december 2022 vraagt de verwerende partij om de rechtsplegingsvergoeding te verminderen tot het minimumbedrag van 154 euro in plaats van het basisbedrag van 770 euro. Zij is van oordeel dat een XIV-37.189-2/5 dergelijke vermindering is gerechtvaardigd doordat “de partijen in wezen gelijkaardige kritieken hebben gericht tegen hetzelfde koninklijk besluit dat [de Raad van State] ondertussen reeds nietig verklaarde”, tevens “vaak dezelfde advocaten op[traden] in het kader van verschillende beroepen” en bovendien “in deze procedures geen auditoraatsverslag [diende] te worden onderzocht” en “geen laatste memories meer [te] worden ingediend” en ook “de terechtzitting zal komen te vervallen.”
  8. Die vraag verdient evenwel geen gunstig gevolg. Luidens artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling Bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Bij een met bijzondere redenen omklede beslissing kan de afdeling Bestuursrechtspraak de vergoeding desgevallend verlagen, zonder daarbij het door de Koning bepaalde minimumbedrag te overschrijden. In haar beoordeling houdt zij rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, 2° de complexiteit van de zaak, 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie. Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. De verwerende partij verduidelijkt niet op welk criterium zij haar vraag steunt. In de mate dat de verwerende partij zich beroept op de (non- )complexiteit van de zaak, doet, in tegenstelling tot hetgeen waarvan de verwerende partij lijkt uit te gaan, het enkele gegeven dat “de partijen in wezen gelijkaardige kritieken hebben gericht tegen hetzelfde koninklijk besluit dat [de Raad van State] ondertussen reeds nietig verklaarde” en dat tevens “vaak dezelfde advocaten op[traden] in het kader van verschillende beroepen,” op zich niet besluiten tot een verlaging van de rechtsplegingsvergoeding op grond van de XIV-37.189-3/5 voormelde “complexiteit van de zaak”. Hetzelfde geldt wat het argument betreft dat de verzoekende partij niet langer het auditoraatsverslag moet onderzoeken, noch een laatste memorie moet indienen, noch de terechtzitting moet bijwonen. Ook deze feitelijke gegevens doen op zichzelf niet blijken dat de voorliggende zaak minder complex is, minstens verzuimt de verwerende partij zulks toe te lichten en aannemelijk te maken. In de mate dat de verwerende partij haar vraag steunt op het derde criterium, dient er aan te worden herinnerd dat de rechtsplegingsvergoeding er toe strekt forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Dat de verzoekende partij “in wezen gelijkaardige kritieken” heeft gericht tegen hetzelfde koninklijk besluit dat ondertussen is nietig verklaard, doet op zich niet blijken dat er sprake is van een kennelijk onredelijke aard van de situatie, minstens verzuimt de verwerende partij zulks toe te lichten en aannemelijk te maken. Hetzelfde geldt wat de opmerking betreft dat “vaak dezelfde advocaten” optreden in het kader van de verschillende beroepen. Evenmin overtuigt ter zake het enkele gegeven dat de voorliggende procedure is verkort ingevolge de toepassing van de kortedebattenprocedure op grond van de vaststelling dat de bestreden beslissing is vernietigd in een voorafgaande zaak (met overigens andere advocaten), minstens verzuimt de verwerende partij zulks toe te lichten en aannemelijk te maken. De Raad van State bemerkt ter zake overigens dat de grond voor de toepassing van de verkorte procedure is ontstaan nadat de voorliggende procedure tot dat ogenblik haar normaal verloop heeft gekend. Meer bepaald heeft de verzoekende partij de (verplichte) processtukken – verzoekschrift en memorie van wederantwoord – ingediend. Voorts is de advocaat van de verzoekende partij gedurende de hele procedure tot aan de sluiting van het debat opgetreden. Gelet op het forfaitair karakter van de rechtsplegingsvergoeding, overtuigt de verwerende partij te dezen niet dat de volgens haar aldus als het ware “beperkte prestaties” ingevolge het navolgende verloop van de procedure, doen blijken van een kennelijk onredelijke aard van de situatie. XIV-37.189-4/5
  9. Er blijkt dan ook geen reden om het aan de verzoekende partij toe te kennen bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verlagen ten opzichte van het bedrag dat zij heeft gevorderd. BESLISSING
  10. De Raad van State verwerpt het beroep.
  11. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques kamervoorzitter bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.189-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.