id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.647 Rolnummer: A. 232867/XIV-38586 Zaak: Arrest 255647 - Tucht (openbaar ambt) - 31/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-03 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-10 08:19 Fiche Arrest nr 255.647 van 31 januari 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.647 van 31 januari 2023 in de zaak A. 232.867/XIV-38.586 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Liesbet Vandendriessche kantoor houdend te 9051 Gent Raymonde de Larochelaan 19b bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas De Donder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 270 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 februari 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 4 januari 2021 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 251.158 van 30 juni 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XIV-38.586-1/53 Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoekster partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2022. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Liesbet Vandendriessche, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 251.158 van 30 juni 2021. Er wordt naar verwezen. XIV-38.586-2/53 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoekster voert in het eerste middel de schending aan van artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), alsook van het recht van verdediging, doordat de hogere tuchtoverheid, nadat verzoekster door de hogere tuchtoverheid werd gehoord en zij de gelegenheid had haar schriftelijk verweer in te dienen, is overgegaan tot het inwinnen van bijkomende informatie via het bevragen van de teamleider van verzoekster over aspecten opgeworpen tijdens het verweer, namelijk het al dan niet atypisch karakter van de ten laste gelegde aspecten, zonder dat verzoekster de gelegenheid kreeg om een aanvullend verweer in te dienen, terwijl artikel 38quinquies, eerste en tweede lid, van de tuchtwet uitdrukkelijk bepaalt dat getuigenverklaringen die worden verzameld nadat het personeelslid het tuchtdossier heeft geraadpleegd, aan het personeelslid worden meegedeeld en dat het personeelslid over een aanvullende termijn beschikt om een aanvullend verweer in te dienen. Verzoekster licht toe dat zij in haar verweer voor de hogere tuchtoverheid aanvoerde dat de gesprekken die haar worden verweten, niet tot de doorsneegesprekken behoren waarmee een calltaker te maken krijgt, maar daarentegen atypisch zijn en dat er geen enkel draaiboek noch uitgeschreven procedure bestond hoe met dergelijke gesprekken moet worden omgegaan. In het voorstel van zware tuchtstraf wordt tegengesproken dat de gesprekken atypisch zijn, waarbij de hogere tuchtoverheid zich hiervoor steunt op “navraag aan de teamleider van de Blauwe Lijn”. Uit het tuchtdossier blijkt dit in het geheel niet. Daaruit volgt volgens verzoekster dat het niet anders kan dan dat de hogere tuchtoverheid zich over de aard van de gesprekken heeft geïnformeerd bij de teamleider nadat zij werd gehoord. Dit wordt niet door de verwerende partij XIV-38.586-3/53 betwist. Aan verzoekster werden geen bijkomende stukken meegedeeld en evenmin kreeg zij de gelegenheid om een repliek te formuleren op de in het voorstel van zware tuchtstaf aangehaalde beweringen van de teamleider. Door bijkomende informatie aan het dossier toe te voegen nadat verzoekster werd gehoord en door de ingewonnen informatie niet aan tegenspraak door verzoekster te onderwerpen, worden aldus volgens verzoekster artikel 38quinquies, tweede lid, van de tuchtwet en het recht van verdediging geschonden. Het is volgens haar dan ook duidelijk dat haar belangen hierdoor werden geschaad, daar het voorstel van zware tuchtstraf steunt op een bewering waartegen geen tegenspraak mogelijk was. Ook de bestreden beslissing schendt artikel 38quinquies, tweede lid, van de tuchtwet en het recht van verdediging. Volgens verzoekster erkent de hogere tuchtoverheid dat een procedurefout werd gemaakt en meent zij ten onrechte dit gebrek te kunnen oplossen door de mondelinge toelichting van de teamleider te weren. Allereerst wijst de hogere tuchtoverheid erop dat het bewijs van de feiten met andere stukken kan worden geleverd, doch volgens verzoekster heeft haar verweer dat de gesprekken atypisch waren niets met het bewijs van de feiten te maken. Het atypisch karakter van de gesprekken werd aangehaald omdat dit de tuchtfeiten verschoont, minstens omdat het een verzachtende omstandigheid is. De vraag die werd opgeworpen is volgens verzoekster niet of de feiten bewezen zijn maar wel of er door verzoekster tuchtfeiten zijn gepleegd, hetgeen de kwalificatie van de feiten betreft. Het atypisch karakter van de gesprekken is daarbij cruciaal. De stelling van de hogere tuchtoverheid dat de gesprekken niet atypisch zijn omdat verzoekster al jarenlang een onthaalfunctie uitoefende, is volgens verzoekster evenzeer naast de kwestie, hetgeen zij detailleert. Het louter weglaten van de informatie bekomen door het horen van de teamleider nadat verzoekster werd gehoord, is volgens verzoekster overigens niet mogelijk hetgeen zij nader toelicht. Evenmin is volgens verzoekster de Antigoonrechtspraak relevant om de redenen die zij in het middel detailleert. Tot slot is evenmin de verwijzing door de hogere tuchtoverheid naar het arrest Sougnez relevant, hetgeen zij eveneens detailleert. XIV-38.586-4/53 5. In de memorie van wederantwoord is verzoekster van mening dat het zich informeren bij de teamleider een getuigenverklaring is in de zin van artikel 38quinquies van de tuchtwet, hetgeen zij omstandig toelicht. Zij voegt toe dat, zelfs indien de bevraging als een loutere onderzoeksdaad zou worden bestempeld, waardoor artikel 38quinquies stricto senso niet van toepassing is, dan nog had de bekomen informatie aan tegenspraak door verzoekster moeten worden onderworpen. Voorts acht verzoekster te hebben aangevoerd dat haar belangen werden geschaad, daar het voorstel van zware tuchtstraf steunt op een bewering waartegen geen tegenspraak mogelijk was en die cruciaal is om de feiten al dan niet als tuchtfeiten te kwalificeren en, ondergeschikt, om de strafmaat te bepalen. De bekomen informatie heeft dus wel degelijk een determinerende invloed op de inhoud van de bestreden beslissing. Ook doet zij gelden dat zij bewijst dat zij zich niet naar behoren heeft kunnen verdedigen: zij heeft het raden naar wat er tijdens de mondelinge bevraging van de teamleider allemaal werd gezegd, zodat zij daarop niet kan repliceren en zich niet kan verdedigen tegen de bezwarende elementen die in haar nadeel werden aangehaald. Het is dus niet louter een formele vormvereiste die werd miskend. Voorts herneemt zij haar standpunt dat het louter weghalen van de informatie bekomen door het horen van de teamleider nadat verzoekster werd gehoord, niet mogelijk is. De informatie is gedeeld met de hogere tuchtoverheid en heeft naar zij stelt, onmiskenbaar een rol gespeeld bij de oordeelsvorming van de hogere tuchtoverheid, hetgeen niet kan worden ongedaan gemaakt. Dat blijkt volgens haar uit het feit dat wat zowel de kwalificatie van de feiten als de strafmaat betreft, er geen invloed merkbaar is van het weglaten van de ingewonnen informatie. Verzoekster maakt hierbij een vergelijking met de rechtspraak inzake onpartijdigheid. In haar laatste memorie wijst verzoekster op de ratio legis van artikel 38quinquies van de tuchtwet en meent zij dat die bepaling dan ook in het licht daarvan in het voordeel van het personeelslid moet worden geïnterpreteerd. Voorts oordeelt zij het arrest nr. 249.410 niet relevant nu zij zich, in tegenstelling tot wat blijkt uit dat arrest, nooit heeft kunnen verweren over de inhoud van de bevraging. Dit is volgens haar niet zonder belang omdat de relatie met de XIV-38.586-5/53 teamleider bijzonder slecht was, hetgeen zij omstandig detailleert. Concluderend volhardt verzoekster in haar stelling en blijft zij van mening dat het loutere feit dat in de tuchtbeslissing de verwijzing naar het verhoor van de teamleider is geschrapt, de schending niet ongedaan maakt. In fine gaat verzoekster nog dieper in op het atypisch karakter van de in aanmerking genomen vijf gesprekken in die zin dat het gegeven dat oproepen divers van aard zijn, volgens haar niet verhindert dat de vijf gesprekken die haar te laste worden gelegd atypisch kunnen zijn. Beoordeling De schending van artikel 38quinquies van de tuchtwet 6. Verzoekster voert de schending aan van artikel 38quinquies van de tuchtwet. Die bepaling luidt: “Art. 38quinquies. De hogere tuchtoverheid hoort steeds, op eigen initiatief of op verzoek van het betrokken personeelslid of van zijn verdediger, de nuttige getuigenverklaringen die ze nodig acht, gelet op hun band met het dossier. De getuigenverklaringen die verzameld worden nadat het betrokken personeelslid het tuchtdossier heeft geraadpleegd, worden hem medegedeeld. Hij beschikt over een termijn bepaald door de tuchtoverheid en die niet korter mag zijn dan vijf werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die verklaringen om, zonodig, een aanvullend verweer in te dienen.” Luidens het tweede lid van artikel 38quinquies van de tuchtwet heeft het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid recht op een aanvullend verweer ten aanzien van getuigenverklaringen die verzameld worden nadat het betrokken personeelslid het tuchtdossier heeft geraadpleegd. Deze mogelijkheid tot aanvullend verweer heeft tot doel het personeelslid de mogelijkheid te bieden om zich te verweren met volledige kennis van het tuchtdossier waaraan immers de getuigenverhoren zijn toegevoegd die, op grond van het eerste lid, “nuttige getuigenverklaringen [zijn] die [de hogere tuchtoverheid] nodig acht, gelet op hun band met het dossier.” Het personeelslid beschikt te dien einde over een aanvullende termijn, bepaald door de tuchtoverheid maar niet korter dan vijf werkdagen, om eventueel een aanvullend verweer in te dienen. Die aanvullende XIV-38.586-6/53 verweertermijn is aldus ingesteld ter vrijwaring van het recht van verdediging van de tuchtrechtelijk vervolgde politieambtenaar. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of te dezen het zich informeren bij de teamleider in de zin als hiervoor moet worden aangemerkt als een “nuttige getuigenverklaring” die valt onder toepassing van het geschonden geachte artikel 38quinquies van de tuchtwet, dan wel aan te merken valt als een andere, aanvullende onderzoeksdaad (die geen getuigenverklaring
- is)ter vervollediging van het tuchtdossier - wat inhoudt dat in dat geval de geschonden geachte bepaling niet van toepassing is -, blijkt zoals hierna wordt vastgesteld, dat deze grief hoe dan ook niet kan leiden tot het gegrond bevinden van het middel. De (eventuele) schending van een procedureregel, ondanks het feit dat die expliciet is bepaald in de tuchtwet, volstaat op zich immers niet om tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te kunnen besluiten. Te dezen is de in artikel 38quinquies, tweede lid, van de tuchtwet voorziene mogelijkheid om aanvullend verweer in te dienen niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. De enkele miskenning door de hogere tuchtoverheid van deze niet op nietigheid voorgeschreven vormvereiste maakt derhalve de gevoerde tuchtprocedure op zich niet onwettig. Evenmin belet het verzuim aan verzoekster een aanvullende verweertermijn toe te kennen op zich dat de tuchtprocedure vervolgens voortgang vindt en tast de miskenning van die vormvereiste inzonderheid de rechtsgeldigheid niet aan van de mededeling van het voorstel van straf aan verzoekster, zoals bepaald in artikel 38sexies van de tuchtwet, noch belet dit verzuim dat de in artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn stopt met lopen indien die mededeling - zoals te dezen - is gedaan binnen de in artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn. Het voorgaande houdt een toepassing in van de eis dat het verzuim of de miskenning van een substantiële vormvereiste, in feite, op de inhoud van de bestreden beslissing invloed moet hebben gehad. XIV-38.586-7/53 7. Uit wat voorafgaat volgt dat het verzuim om de in artikel 38quinquies, tweede lid van de tuchtwet voorziene mogelijkheid tot aanvullend verweer te bieden, derhalve slechts de tuchtprocedure aantast in de mate verzoekster aantoont dat zij, wegens dat vormgebrek, haar rechten in de tuchtzaak niet naar behoren heeft kunnen verdedigen. Verzoekster levert dit bewijs niet. 8. De essentie van verzoeksters kritiek is dat de tuchtoverheid nadat zij de gelegenheid had zich schriftelijk te verweren, is overgegaan tot het bevragen van de teamleader inzake het al dan niet atypisch karakter van de door haar gevoerde gesprekken, zonder dat zij, in strijd volgens haar met artikel 38quinquies van de tuchtwet, de gelegenheid kreeg om hierop een aanvullend verweer in te dienen. Uit de niet-betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het atypische karakter van de aan verzoekster verweten gesprekken door verzoekster werd aangebracht tijdens haar (mondeling en schriftelijk) horen door de hogere tuchtoverheid (zie tussenarrest, punt 3.3.). Uit het in de tijd erop volgende voorstel van straf blijkt dat de hogere tuchtoverheid oordeelt dat “bij navraag aan de teamleider van de Blauwe Lijn blijkt dat deze gesprekken wel degelijk standaardgesprekken zijn.” (tussenarrest, punt 3.4.). Hieruit blijkt - wat ook niet wordt betwist door de partijen - dat de hogere tuchtoverheid zich na het verhoor van verzoekster, bij de teamleider van de Blauwe Lijn heeft geïnformeerd ten einde na te gaan of verzoeksters (feitelijk) argument wel strookt met de werkelijkheid. Evenwel blijkt uit de bestreden beslissing, in antwoord op een verweermiddel van verzoekster, het volgende: “Naar aanleiding van het argument in uw verweerschrift dat het atypische gesprekken zouden betreffen, werd in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel contact opgenomen met de teamleider van de Blauwe Lijn teneinde meer duidelijkheid te verschaffen omtrent het al dan niet atypisch zijn van de gesprekken. Gelet evenwel op het advies van de tuchtraad, waarbij wordt gesteld XIV-38.586-8/53 dat er sprake zou zijn van een mogelijke schending van artikel 38quinquies, alinea 2 Tuchtwet Politie, wordt de mondelinge toelichting vanwege de teamleider aan de hogere tuchtoverheid aangaande het al dan niet atypisch zijn van de gesprekken volledig uit mijn beslissing geweerd. Er wordt aldus op geen enkele wijze rekening mee gehouden bij de beoordeling.” Voorts wordt in de repliek op hetzelfde verweermiddel van verzoekster uiteengezet dat “de materialiteit van de feiten […] onomstotelijk vast[staat] op basis van de aan het tuchtdossier gevoegde geluidsfragmenten en het is op deze geluidsfragmenten waarop ik mij als tuchtoverheid baseer.” In de rubriek “9. analyse van het bijkomend verweer (bij strafverzwaring of afwijken advies tuchtraad)” van de bestreden beslissing is voorts als repliek op verzoeksters aanvullend verweer het volgende te lezen: “Als hogere tuchtoverheid ben ik van mening dat, gezien de bijkomende toelichting vanwege de teamleider van de Blauwe Lijn volledig werd geweerd, er geen sprake kan zijn van een schending van artikel 38quinquies Tuchtwet Politie en evenmin van de rechten van de verdediging. Bij mijn beoordeling wordt hiermee op geen enkele manier rekening gehouden, noch wat betreft het vaststaan van de feiten, noch wat betreft de kwalificatie van deze feiten als tuchtvergrijpen en evenmin bij de bepaling van de strafmaat. Anders voorhouden strookt niet met mijn argumentatie opgenomen in mijn intentie tot afwijking van het advies van de tuchtraad en evenmin met voorliggend tuchtbesluit, waarin er op geen enkele manier naar wordt verwezen. In uw verweerschrift haalt u aan dat de toelichting vanwege de teamleider wel een rol heeft gespeeld bij mijn oordeelsvorming als hogere tuchtoverheid, maar u laat na het bewijs hiervan te leveren. Dit argument kan dan ook niet worden aangenomen. Zoals reeds gesteld staan de tuchtfeiten vast op basis van objectieve geluidsfragmenten waarop ik mij als tuchtoverheid heb gebaseerd. Het feit dat de gesprekken atypische gesprekken zouden zijn doet bovendien geen afbreuk aan het gepleegde tuchtvergrijp, zoals reeds werd uiteengezet onder punt 6.2 en punt 8. Alle gesprekken met de burger dienen immers op een klantvriendelijke, empathische en professionele wijze gevoerd te worden, het onderscheid tussen atypische of typische gesprekken is niet relevant voor het vaststaan van het tuchtvergrijp. Mijn inleidend verslag, opgesteld op een ogenblik waarop de teamleider nog niet bijkomend was bevraagd, maakte reeds melding van het voornemen om de tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Het al dan niet atypisch zijn van de gesprekken heeft dan ook in geen enkel opzicht een invloed gehad op de zwaarte van het strafvoorstel.” 9. Uit de bestreden beslissing blijkt aldus dat, zoals reeds is aangehaald, de hogere tuchtoverheid deze toelichting van de teamleader uit haar XIV-38.586-9/53 eindbeslissing weert en dat er “op geen enkele wijze mee rekening [wordt] gehouden bij de beoordeling.” Verzoekster is het hiermee niet eens. Vooreerst meent zij dat het argument om die toelichting van de teamleader te weren - het bewijs kan met andere stukken worden geleverd - niet deugt. Deze kritiek overtuigt niet. Gezien vanuit de beoordeling van de vraag of door het weren van deze toelichting van de teamleider uit de besluitvorming, het door verzoekster aangevoerde verzuim om artikel 38quinquies, tweede lid, van de tuchtwet na te leven, (nog) enige nadelige invloed heeft gehad met betrekking tot het bereiken van het doel dat door het betrokken vormvoorschrift werd beoogd, is de vraag of de hogere tuchtoverheid (al dan niet) terecht meent dat de (overige) stukken en gegevens in het dossier volstaan om tot haar besluit te komen, op zich niet relevant voor die beoordeling. Verzoeksters kritiek ter zake betreft te dezen de kwalificatie van de feiten als tuchtvergrijp door de hogere tuchtoverheid en is derhalve niet dienend ter beoordeling van de voorliggende grief die betrekking heeft op de naleving van een vormvereiste en dus niet op de inhoud van de beslissing. Evenmin overtuigt de bewering dat het louter weglaten van de informatie niet mogelijk is en niet ongedaan kan worden gemaakt. Het komt immers aan verzoekster toe precieze feiten of concrete aanwijzingen bij te brengen, dat in strijd met wat uitdrukkelijk en formeel (meermaals) in de bestreden beslissing is gesteld, de hogere tuchtoverheid wel rekening hield met de geweerde toelichting van de teamleider. Verzoekster levert die feiten of aanwijzingen niet. Het enkele standpunt dat van dit “weglaten” geen invloed merkbaar is inzake de kwalificatie van de feiten, noch inzake de strafmaat, wordt niet ondersteund door enig feitelijk element dat op overtuigende wijze tegenspreekt wat formeel is gesteld in de bestreden beslissing. Hetzelfde geldt wat haar kritiek betreft dat de informatie is gedeeld met de hoger tuchtoverheid. XIV-38.586-10/53 Tot slot is verzoeksters vergelijking met de schending van het onpartijdigheidsbeginsel niet relevant vermits te dezen een totaal andere problematiek voorligt, met name de vraag of verzoeksters kritiek tot de nietigheid kan leiden. Ten overvloede bemerkt de Raad van State overigens dat ook partijdigheid niet wordt vermoed en slechts mag worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen door de verzoekende partij worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen, zodat een loutere subjectieve indruk van partijdigheid niet volstaat om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. Ook in de voorliggende zaak geldt een overeenkomstige conclusie: te dezen worden die precieze feiten of concrete aanwijzingen niet bijgebracht en beperkt verzoekster zich tot het inroepen van louter subjectieve indrukken dat de hogere tuchtoverheid toch acht heeft geslagen op de geweerde bijkomende toelichting vanwege de teamleider van de Blauwe Lijn. Uit wat voorafgaat, is, bij gebrek aan enig concreet bewijs, verzoeksters bewering niet meer dan een op niets gebaseerde bewering die geen afbreuk doet aan wat expliciet is gesteld in de bestreden beslissing. Zulks volstaat niet om de aangevoerde schending aannemelijk te maken. 10. In de concrete context van de voorliggende zaak blijkt aldus niet - noch maakt verzoekster aannemelijk - dat, mocht er al sprake zijn van een miskenning van de in artikel 38quinquies van de tuchtwet vervatte vormvereiste, dit in de loop van de tuchtprocedure gepleegd verzuim, enige nadelige invloed heeft gehad met betrekking tot het bereiken van het doel dat door het betrokken vormvoorschrift werd beoogd. Mocht de miskenning van artikel 38quinquies al vaststaan dan nog zou dit derhalve niet tot het gegrond bevinden van het middel kunnen leiden. Het middel kan in die mate niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. XIV-38.586-11/53 Betreffende de schending van het recht van verdediging 11. Verzoekster betoogt in het verzoekschrift dat door bijkomende informatie aan het dossier toe te voegen nadat zij werd gehoord en door de ingewonnen informatie niet aan tegenspraak door verzoekster te onderwerpen, haar recht van verdediging is geschonden. In deze context houdt het recht van verdediging in dat in principe niets wat medebepalend kan zijn voor de beslissing van de bevoegde overheid aan het op tegenspraak gevoerde debat onttrokken mag blijven (GwH 28 februari 2013, nr. 25/2013, punt B.6 en GwH 25 januari 2001, nr. 4/2001, punt B.8.4.4.). Op verzoekster, die zich beroept op de schending van het recht van verdediging, rust een stelplicht. Het komt haar toe aan te tonen dat in concreto de door haar gelaakte handeling van de hogere tuchtoverheid haar recht van verdediging heeft miskend. 12. Verzoekster levert dit bewijs niet om dezelfde redenen als hiervoor is uiteengezet (zie supra, punt 9.). Het volstaat om daar naar te verwijzen om het middel in die mate niet ernstig te bevinden. Conclusie 13. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 14. Verzoekster voert in het tweede middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de formelemotiveringsplicht vervat in de XIV-38.586-12/53 artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en van de materiëlemotiveringsplicht, doordat de ten laste gelegde feiten ten onrechte als tuchtfeiten in de zin van artikel 3 van de tuchtwet werden gekwalificeerd en de hogere tuchtoverheid niet afdoende (formeel) motiveert waarom de feiten, gelet op het gevoerde verweer en gelet op het andersluidende advies van de Tuchtraad, toch als tuchtfeiten moeten worden gekwalificeerd. Verzoekster licht vooreerst toe in wat als een eerste grief kan worden beschouwd, dat uit het dossier blijkt dat haar schuldig gedrag noch onwil kan worden verweten. De tuchtfeiten betreffen vijf telefoongesprekken. Vooreerst moet volgens haar worden vastgesteld dat haar mogelijk niet optimaal functioneren niet aan haar kan worden verweten. Het blijkt dat een normale opleiding tot calltaker normaal twee werkweken in beslag neemt, terwijl verzoekster slechts drie werkdagen opleiding heeft gekregen, waarna zij meer dan een maand afwezig was wegens ziekte. Daarna moest zij onmiddellijk als calltaker aan de slag. Die opleiding, die hoofdzakelijk bestaat uit de “training on the job”, is volgens verzoekster essentieel om de deskundige uitoefening van de taak als calltaker onder de knie te krijgen. Met uitzondering van drie werkdagen is haar de opleiding ontzegd om vakkundig om te gaan met de diversiteit aan oproepen via de Blauwe Lijn, zodat haar dan ook geen tekortkomingen kunnen worden verweten die toe te schrijven zijn aan haar eigen schuldig gedrag. De verwijzing in de bestreden beslissing dat zij enerzijds wel de nodige opleiding genoot en anderzijds geen uitgebreide opleiding nodig had gelet op haar eerdere functies, wordt als volgt bekritiseerd door verzoekster: “Volgens de bestreden beslissing zou verzoekster enerzijds wel de nodige opleiding hebben gehad, anderzijds geen uitgebreide opleiding nodig hebben gehad gelet op haar eerdere functies. Zo wordt erop gewezen dat zij reeds met een aantal computerprogramma’s kon omgaan gelet op haar eerdere functies. Dit belet echter niet dat verzoekster nooit tevoren een opleiding kreeg als calltaker. Het weze herhaald dat de stukken van het tuchtdossier zelf zeggen dat er voor die functie geen draaiboek kan worden uitgeschreven, zodat de gemiste opleiding des te belangrijker is. Het is niet omdat men al met bepaalde software vertrouwd is, bv. opzoekingen doen in politionele databanken, dat men ook vertrouwd is met de toch specifieke functie van calltaker bij de Blauwe Lijn. De bestreden beslissing verwijst ook naar opleidingen in de periode 2012-2017 betreffende sociale vaardigheden, suïcidepreventie en assertiviteit. Opleidingen XIV-38.586-13/53 betreffende dergelijke algemene vaardigheden - van overigens doorgaans één dag - maken de opleiding als calltaker bij de Blauwe Lijn niet overbodig. De opleiding als calltaker is van geheel andere aard: dat is een opleiding waarbij men meeluistert naar oproepen van de Blauwe Lijn om te leren hoe die diversiteit aan oproepen moet worden afgehandeld. De bestreden beslissing spreekt niet tegen dat de specifieke opleiding als calltaker van verzoekster voortijdig werd stopgezet en nooit volledig werd doorlopen. Verder verwijst de bestreden beslissing naar de onthaalfunctie die verzoekster gedurende verschillende jaren bekleedde, om aan te tonen dat zij geacht moet worden opgeleid te zijn. Deze functie had echter een volstrekt andere inhoud dan de functie als calltaker bij de Blauwe Lijn. De onthaalfunctie was een functie waarbij verzoekster instond voor het fysieke onthaal van de bezoekers aan het gebouw aan de Noorderlaan die een afspraak hadden, alsook het maken van afspraken tussen burgers en operationele medewerkers. Dat vereist geheel andere competenties dat omgaan met de diversiteit aan oproepen van de Blauwe Lijn en die op een correcte manier catalogeren en afhandelen. Ook is er een groot verschil tussen fysiek menselijk contact aan de onthaalbalie en het louter afhandelen van telefonische oproepen.” Indien er bepaalde problemen werden vastgesteld bij het beantwoorden van de oproepen door verzoekster, dan vindt verzoekster dat men haar het vervolg van de opleiding had moeten geven, en had men niet meteen naar een tuchtprocedure moeten grijpen. Het is volgens haar hierbij tekenend dat er functioneringsnota’s worden opgesteld op 20 april 2020, 23 april 2020 en 8 mei 2020, hetzij respectievelijk op de vierde, zevende en dertiende dag nadat verzoekster aan het werk was in haar nieuwe functie, en wanneer zij eigenlijk in opleiding had moeten zijn. Op 14 mei 2020 werden reeds de voorafgaand onderzoekers aangesteld. Volgens verzoekster geldt het voorgaande des te meer daar de vijf gesprekken die haar worden verweten, atypische gesprekken waren voor de Blauwe Lijn. In de bestreden beslissing wordt dit tegengesproken, maar de bestreden beslissing maakt hierbij volkomen abstractie van het feit dat de onthaalfunctie die zij sinds 2016 vervulde, van een totaal andere aard was dan de functie van calltaker bij de Blauwe Lijn. Verzoekster gaat vervolgens omstandig in op de vijf gesprekken zoals zij dat ook deed voor de hogere tuchtoverheid - waarin zij betwist dat zij op enige wijze tekort gekomen is aan haar beroepsplichten - en onderstreept dat zij steeds haar best heeft gedaan en steeds de feedback tijdens de functioneringsgesprekken ter harte heeft genomen, alsook XIV-38.586-14/53 telkens heeft beloofd zich ten volle te zullen inzetten, zodat nergens uit het dossier haar slechte wil blijkt. Voorts herneemt verzoekster het standpunt dat de haar verweten tekortkomingen bovendien wellicht hadden kunnen worden vermeden door haar een volledige opleiding te geven en daarbij te leren uit de gesprekken gevoerd door collega’s, waarbij zij omstandig haar standpunt ter zake illustreert. Verzoekster besluit dat gelet op al deze vaststellingen de tuchtprocedure ten onrechte werd opgestart. Dit was overigens ook niet de vraag aan de korpschef, wel een vraag tot herplaatsing, hetgeen een correcte inschatting was van de gebeurtenissen: het betreffen opmerkingen over het adequaat functioneren en niet over schuldig gedrag dat als een tuchtfeit kan worden beschouwd. Verzoekster heeft ook zelf om een overplaatsing verzocht, aangezien er toch voldoende plaatsen voor de functie van assistent beschikbaar zijn, maar op die vraag werd niet ingegaan. Besluitend: de tuchtoverheid kon aldus niet wettig besluiten de feiten als tuchtvergrijpen te kwalificeren, zodat zij het zorgvuldigheidsbeginsel heeft miskend aangezien zij niet op zorgvuldige wijze tot haar besluitvorming is gekomen. Vervolgens licht verzoekster toe in wat als een tweede grief kan worden beschouwd, dat de bestreden beslissing bovendien geen afdoende formele motivering bevat waarom de feiten toch als tuchtvergrijp werden gekwalificeerd. De vermelde motieven zijn onjuist, en zijn noch in rechte, noch in feite aanvaardbaar, en ze worden niet ondersteund door het tuchtdossier, zodat zowel de formele- als de materiëlemotiveringsplicht geschonden worden. De bestreden beslissing verwijst enkel naar een reeks deontologische verplichtingen, maar gaat niet in concreto in op het gevoerde verweer waarom de feiten niet als tuchtfeiten kunnen worden gekwalificeerd. De schending van de formele- en materiële- motiveringsplicht weegt volgens verzoekster des te zwaarder door nu de bestreden beslissing afwijkt van het voor verzoekster gunstig advies van de Tuchtraad. Volgens haar volhardt de hogere tuchtoverheid gewoon in haar motieven zonder in te gaan op de motieven van de Tuchtraad. In de bestreden beslissing worden een aantal motieven van de Tuchtraad herhaald, maar ze worden volgens verzoekster geenszins weerlegd. In het advies van de Tuchtraad XIV-38.586-15/53 wordt elk ten laste gelegd gesprek overlopen en wordt uiteengezet dat het geen tuchtfeiten betreffen, alsook waarom, maar volgens verzoekster legt de bestreden beslissing dit advies zonder meer naast zich neer, hierbij verwijzend naar haar discretionaire bevoegdheid. Verder wordt zonder meer verwezen naar de motieven zoals die reeds zijn geformuleerd in het voorstel van zware tuchtstraf, motieven waarvan de Tuchtraad oordeelde dat ze niet volstonden om de feiten als tuchtfeiten te kwalificeren. Op de diverse overwegingen in het advies van de Tuchtraad waarom de geviseerde gesprekken geen tekortkoming aan de beroepsplichten inhouden, wordt niet ingegaan, noch op de eindconclusie dat de gesprekken eerder getuigen van een disfunctioneren dat via evaluaties of een overplaatsing moet worden aangepakt en niet via tucht. Evenmin is het standpunt van de hogere tuchtoverheid dat, in repliek op het advies van de Tuchtraad dat verzoekster onvoldoende opleiding heeft genoten, verzoekster wél voldoende opleiding kreeg en dat zij al sinds 2016 in een onthaalfunctie werkt, niet afdoende gemotiveerd waarom de hogere tuchtoverheid haar argumenten ter zake herneemt: de bestreden beslissing gaat eraan voorbij dat verzoekster voorheen nooit een opleiding ‘calltaker’ kreeg, dat er geen draaiboek voor die functie bestaat hetgeen het belang van ‘training on the job’ aantoont, dat de opleidingen die verzoekster in de periode 2012-2017 gevolgd heeft, de opleiding ‘calltaker’ niet kunnen vervangen, en dat de onthaalfunctie die verzoekster voorheen uitoefende een volstrekt andere inhoud heeft dan de functie van ‘calltaker’ die geheel andere competenties vereist. Op geen enkele van deze pertinente verweerelementen wordt ingegaan in de bestreden beslissing De formele- en materiëlemotiveringsplicht worden eveneens geschonden in zoverre de bestreden beslissing stelt dat het atypische karakter van de gesprekken geen afbreuk doet aan het gepleegde tuchtvergrijp, hierbij de essentie van het verweer miskennend dat dit een verschoningsgrond, minstens een verzachtende omstandigheid is. De bestreden beslissing kan evenmin staande houden dat geen rekening gehouden werd met de mondelinge verklaringen van de teamleider, daar zij hetzelfde standpunt huldigt, maar dan op basis van “eigen vaststellingen” die de verwerende partij evenwel niet kon maken zonder inzicht te XIV-38.586-16/53 hebben op de inhoud van de doorsneegesprekken bij de Blauwe Lijn, en dus niet zonder gebruik te maken van de informatie van de teamleider. Ten slotte schendt de bestreden beslissing de formele- en materiëlemotiveringsplicht doordat zij niet in concreto aangeeft wat verzoekster dan anders had moeten doen in de gesprekken. 15. In de memorie van wederantwoord verwijst verzoekster vooreerst naar haar verzoekschrift. Voorts benadrukt zij dat, anders dan wat volgens haar blijkt uit het tussenarrest, volgens de rechtspraak tucht een schuldig gedrag veronderstelt en dat niet elk feit of elke gebeurtenis automatisch als een tuchtfout kan worden gekwalificeerd. Zij beklemtoont dat tucht wel degelijk een schuldig gedrag veronderstelt. Er moet nagegaan worden of het personeelslid de schuld draagt voor de verstoring van de goede werking van de dienst door dit feit, met andere woorden of het een beroepsfout heeft begaan. Wat het argument betreft dat verzoekster niet de volledige opleiding als calltaker heeft genoten, doet zij gelden dat zij duidelijk heeft aangevoerd dat zij niet de normale opleiding van calltaker heeft genoten, hetgeen zij omstandig expliciteert in haar memorie van wederantwoord. Voorts beklemtoont zij het belang van die opleiding, waarbij volgens haar de “training on the job” essentieel is om de deskundige uitoefening van de taak als calltaker onder de knie te krijgen nu er immers geen draaiboek bestaat waarin wordt beschreven welke oproep op welke wijze moet worden behandeld. Voorts is volgens verzoekster de verwijzing naar haar vorige onthaalfunctie volstrekt irrelevant hetgeen zij detailleert en herhaalt zij dat op geen enkel ogenblik inzake de vijf gesprekken, de tuchtoverheid heeft aangegeven hoe die concrete gesprekken wel klantvriendelijk, empathisch en professioneel konden worden gevoerd. Wat het afwijken van het advies van de Tuchtraad betreft, beklemtoont verzoekster dat er in een dergelijk geval – het afwijken van een gunstig advies – wel degelijk een verzwaarde motiveringsplicht geldt en dat de bestreden beslissing niet aan die verplichting voldoet en beklemtoont zij dat de bestreden XIV-38.586-17/53 beslissing volstrekt in gebreke blijkt om in concreto aan te geven wat zij anders had moeten doen. In de laatste memorie handhaaft verzoekster haar standpunt dat een schuldig gedrag is vereist om van tuchtfeiten te kunnen spreken. Zij erkent dat er geen opzet is vereist, maar wijst erop dat opzet en schuldige tekortkoming geen identieke begrippen zijn. Te dezen gaat het niet om het bewust die gesprekken zo te voeren zoals ze zijn gevoerd: het gaat om het beschikken over de vereiste competenties en vaardigheden om met die allesbehalve evidente telefonische oproepen om te gaan. Evenmin gaat zij akkoord met het standpunt dat het ontbreken van de vereiste opleiding wordt gecompenseerd door de opvolging via functioneringsgesprekken, waarbij zij herhaalt wat de opleiding moet omvatten. Voorts herneemt zij en herformuleert zij haar eerdere argumenten en wijst er tot slot op dat het attitudeprobleem dat de verwerende partij graag voorhoudt, te dezen een zeer sterke nuancering verdient. Beoordeling Vooraf – analyse van het middel 16. In het tussenarrest nr. 251.158 van 30 juni 2021 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State het middel voorlopig als volgt geanalyseerd en beoordeeld: “14. Het middel voert de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de formelemotiveringsplicht en van de materiëlemotiveringsplicht. Op het eerste gezicht kunnen die bepalingen en/of beginselen niet allen worden betrokken op elk van de door verzoekster in het middel aangevoerde grieven en argumenten. Voor de behandeling van dit middel ziet de Raad van State het in de huidige stand van het geding zo: In wat op het eerste gezicht een eerste grief kan worden genoemd, wordt in essentie aangevoerd dat de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel schendt doordat de feiten ten onrechte als tuchtvergrijp worden gekwalificeerd aangezien haar mogelijks niet optimaal functioneren niet aan haar te verwijten valt (1.) doordat geen rekening gehouden werd met het feit dat verzoekster de essentiële opleiding ‘calltaker’ slechts heel partieel heeft kunnen volgen en de door haar genoten opleidingen en verworven ervaring die niet kunnen vervangen XIV-38.586-18/53 en (2.) de haar ten laste gelegde gesprekken atypisch waren binnen de opdracht van de Blauwe Lijn. Daarenboven is, in wat een tweede grief lijkt te zijn, de formele- en materiëlemotiveringsplicht geschonden doordat (1.) de bestreden beslissing geen afdoende motivering bevat waarom de ten laste gelegde feiten toch als tuchtvergrijpen moeten worden gekwalificeerd, (2.) afgeweken wordt van het advies van de Tuchtraad zonder dat afdoende is gemotiveerd waarom de volgens verzoekster pertinente overwegingen in het advies van de Tuchtraad niet worden gevolgd, (3.) de repliek op het argument dat verzoekster onvoldoende opleiding genoot, niet afdoende is gemotiveerd, (4.) de overweging dat het atypische karakter van de gesprekken geen afbreuk doet aan het gepleegde tuchtvergrijp, de essentie van het verweer miskend en (5.) doordat niet verduidelijkt wordt wat verzoekster dan in concreto anders had moeten doen bij de gesprekken. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.” De partijen hebben in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze visie. Er is derhalve geen reden om het thans bij de behandeling ten gronde anders te zien. Het middel wordt hierna vanuit dezelfde analyse onderzocht. Eerste grief: de (zorgvuldige) kwalificatie van de feiten 17. Verzoekster voert in het middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoekster toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van XIV-38.586-19/53 bewijs, volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 18. Ter beoordeling van de vraag of de hogere tuchtoverheid de feiten op zorgvuldige wijze heeft gekwalificeerd als een tuchtvergrijp, moet die beoordeling worden gekaderd binnen, enerzijds, de omschrijving van het begrip “tuchtvergrijp” in artikel 3 van de tuchtwet en, anderzijds, binnen de beoordelingsbevoegdheid ter zake van de tuchtoverheid. XIV-38.586-20/53 Artikel 3 van de tuchtwet definieert het begrip “tuchtvergrijp” als volgt: “Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.” De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij onachtzaamheden gepleegd door personeels- leden van het administratief en logistiek kader bij de politie bij het uitvoeren van hun ambtsverplichtingen als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt. Om te beoordelen of de gepleegde feiten een tuchtvergrijp uitmaken, volstaat het tot slot voor de tuchtoverheid dat zij daartoe overeenkomstig artikel 3 van de tuchtwet, de bewezen bevonden feiten toetst aan de overtreden beroepsplicht of aan het in gedrang brengen van de waardigheid van het ambt. 19. Uit de bestreden beslissing, waarvan gemakshalve het ter zake relevante onderdeel hierna wordt hernomen, blijkt dat de feiten die luidens punt 7.1. van de bestreden beslissing vaststaan, en aan verzoekster worden toegerekend, de volgende tuchtvergrijpen uitmaken: “U hebt uw ambtsplichten miskend en de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht doordat u als calltaker van de Blauwe Lijn burgers op een klant- onvriendelijke, on-empathische en onprofessionele manier te woord hebt gestaan. Zo hebt u meer bepaald op 8 mei 2020 als calltaker van de Blauwe Lijn een burger die melding maakte van een feit van intrafamiliaal geweld op een ongepaste, onbeleefde, weinig tactvolle en onhoffelijke wijze te woord gestaan, zoals blijkt uit de uitgeschreven transcriptie in punt 2 en het geluidsfragment zoals gevoegd bij het onderzoeksverslag. Het gesprek escaleert volledig door uw tussenkomst. U stelt voor om een patrouille ter plaatse te sturen, maar stelt de opportuniteit van een politiepatrouille openlijk in vraag naar de oproeper. Door uw onbeleefde, klantonvriendelijke en niet empathische houding escaleert het gesprek volledig en kan uw houding een reëel gevaar inhouden voor de veiligheid van de burgers. Daarnaast hebt u eveneens uw ambtsplichten miskend en de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht door op 8 mei 2020 eveneens als calltaker van de XIV-38.586-21/53 Blauwe Lijn de volgende oproepen op een ongepaste en klantonvriendelijke wijze af te handelen: - een oproepster die om 13.15 uur een inbraak in haar woning meldt, wordt door u niet op een gepaste en klantvriendelijke wijze geholpen als calltaker van de Blauwe Lijn. U onderbreekt het gesprek en bent belerend naar oproepster toe als zij over haar loper vertelt. Als oproepster stelt dat ze het niet meer ziet zitten en zelfmoord zal plegen, gaat u hier niet verder op in. - een oproeper die om 16.15 uur naar de Blauwe Lijn belt om een afspraak te maken om een verklaring af te leggen rond IFG en waarbij hij meldt dat het urgent is, wordt door u verwezen naar de website van Politiezone Antwerpen in plaats van een afspraak in te plannen. - een oproepster van een opvangcentrum die om 16.17 uur naar de Blauwe Lijn belt en meldt dat een persoon al meer dan drie dagen niet gezien is, wordt door u niet op een correcte manier geholpen. U kijkt de politionele bestanden na om te zien of de betrokken persoon niet werd opgepakt door de politie, maar u neemt geen verdere actie aangaande de verdwijning terwijl de persoon al drie dagen niet meer is gezien. - een oproeper die het verlies van de invaliditeitskaart van zijn overleden vrouw wenst aan te geven, wordt door u doorverwezen naar het Blauwe Loket en wordt hiermee niet op een klantvriendelijke en snelle manier verder geholpen. Het gesprek verloopt moeizaam gezien de verbinding slecht is of de oproeper niet goed hoort. U toont geen empathie of begrip voor deze oproeper. Voormelde gedragingen getuigen van een uiterst klantonvriendelijk en ongepast optreden ten aanzien van de burger en getuigen bovendien eveneens van zeer weinig professionaliteit. U bent in het recent verleden reeds bij wijze van voorgaande tuchtstraffen aangesproken op uw gedrag. Het vertrouwen van de burger in de politie wordt geschaad door deze laakbare houding. Dit getuigt niet van een dienstverlenende en klantvriendelijke ingesteldheid zoals van ieder personeelslid van een politiedienst, en van een calltaker medewerkster van de Blauwe Lijn in het bijzonder, kan verwacht worden.” Uit die overwegingen blijkt dat de hogere tuchtoverheid oordeelt dat verzoekster de ambtsplichten miskent en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt doordat zij als calltaker van de Blauwe Lijn, burgers op een klantonvriendelijke, on-empathische en onprofessionele manier te woord heeft gestaan. Zij steunt daartoe op vijf gesprekken die verzoekster op 8 mei 2020 voerde. Met betrekking tot het eerste gesprek wordt hoofdzakelijk verweten dat dit gesprek door toedoen van verzoekster zou zijn geëscaleerd. Voor de vier overige gesprekken van diezelfde dag spreekt de hogere tuchtoverheid van het gegeven dat verzoekster de oproepen “op een ongepaste en klantonvriendelijke wijze” heeft afgehandeld. Dit gedrag van verzoekster houdt volgens de hogere tuchtoverheid een tekort in aan de in de bestreden beslissing nader bepaalde wettelijke en deontologische plichten. XIV-38.586-22/53 20. Te dezen brengt verzoekster tegen het standpunt van de hogere tuchtoverheid vooreerst in dat haar geen “schuldig gedrag noch onwil” kan worden verweten, daar haar “mogelijk niet steeds optimaal functioneren” niet aan haar te verwijten valt. Verzoekster kadert haar middel in de schending van de zorgvuldigheidsplicht. In de mate dat, vooreerst, verzoekster meent dat er in haar hoofde sprake moet zijn van “schuldig gedrag” of van onwil opdat het haar verweten gedrag een tuchtvergrijp zou zijn, blijkt uit de enkele lezing van artikel 3 van de tuchtwet dat elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, een tuchtvergrijp kan uitmaken. Het loutere feit van tekort te komen aan de beroepsplichten door een handeling of gedraging die van die aard is dat ze de waardigheid van het ambt in het gedrang kan brengen, is bijgevolg in rechte voldoende opdat tuchtrechtelijk kan worden ingegrepen, zonder dat de hogere tuchtoverheid bij haar kwalificatie van verzoeksters gedraging als tuchtvergrijp moet aantonen of bewijzen dat verzoekster een schuldig gedrag of onwil vertoonde. Schuldig gedrag of onwil wordt derhalve vermoed en op de tuchtoverheid rust derhalve in beginsel geen plicht tot zorgvuldig onderzoek daarvan. Het voorgaande staat er evenwel niet aan in de weg dat tuchtmaatregelen erop zijn gericht een ambtenaar te bestraffen voor een schuldige gedraging of tekortkoming. Het element schuld is bijgevolg een wezenlijk gegeven van elke tuchtvordering, zonder hetwelk geen tuchtstraf opgelegd kan worden. Schuldig gedrag betreft evenwel het verwijtbaar karakter of de toerekening van de feiten aan het personeelslid. Feiten die aldus in beginsel aanleiding kunnen geven tot een tuchtrechtelijk optreden, kunnen worden verklaard door een schulduitsluitingsgrond en dus worden verschoond. XIV-38.586-23/53 Toegespitst op de voorliggende grief waarin de schending van de zorgvuldigheidsplicht wordt aangevoerd, impliceert het voormelde zorgvuldigheidsbeginsel dat, als het tuchtdossier aanwijzingen bevat dat de betrokkene niet verantwoordelijk zou kunnen zijn voor de hem verweten feiten, de tuchtoverheid de relevante gegevens ter zake met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt. Indien een verzoekende partij zich beroept op een schulduitsluitingsgrond, dan berust evenwel op haar een aanvoeringslast, die inhoudt dat zij op een geloofwaardige wijze deze grond moet inroepen. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de (hogere) tuchtoverheid om te beoordelen of er al dan niet sprake is van een verschoningsgrond en of derhalve, de feiten al dan niet kunnen worden toegerekend aan de verzoekende partij. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de toerekening ervan aan de overtreder. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid op zorgvuldige wijze tot haar beoordeling is gekomen. In de mate dat verzoekster uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die naar recht. 21. In een eerste argument voert verzoekster aan dat haar “niet steeds optimaal functioneren” haar niet verwijtbaar zou zijn, omdat zij niet de volledige opleiding tot calltaker heeft genoten. Het voornoemde argument is uitdrukkelijk beantwoord in de bestreden beslissing als antwoord op het verweer van verzoekster. Het past de ter zake relevante passage uit de formele motivering van de bestreden beslissing hierna opnieuw aan te halen: “6. Analyse van het verweer. […] 6.1. Eerste middel […] De stelling dat u geen gepaste opleiding heeft gehad bij de Blauwe Lijn en voor de leeuwen werd geworpen, kan niet worden gevolgd nu uit uw dossier blijkt dat u wel degelijk opgeleid en begeleid werd door uw teamleider en ook steeds vragen XIV-38.586-24/53 kon stellen aan uw collega’s. Zoals blijkt uit de functioneringsnota d.d. 20 april 2020 maakten uw collega’s aanmerkingen over uw gesprekken en gaven zij advies, maar deze werden door u niet gevolgd. U kon ook steeds bij uw collega- calltakers terecht indien u vragen had, maar u stelde geen vragen en legde hun adviezen naast u neer. In de functioneringsnota d.d. 20 april 2020 wordt vermeld: ‘Ik (teamleider) vertel haar dat ze zich mag wenden tot de collega’s wanneer er vragen zijn tijdens de volgende shiften. Ik raad haar ook aan om naar het advies van de collega’s te luisteren, wanneer ze haar willen helpen door te wijzen op verbeterpunten. Ze geeft te kennen dat het wel gaat lukken. (...) Tot slot vraag ik haar of er nog iets onduidelijk is, waarop ze opnieuw aangeeft dat ze het wel kan.’ De voorziene opleiding bij de Blauwe Lijn waarvan in bijlage 7 bij het onderzoeksverslag sprake is, is de algemene opleiding die gegeven wordt aan het personeelslid dat extern bij de Blauwe Lijn in dienst komt en aldus geen enkele ervaring heeft bij een politiedienst. Gezien u sinds oktober 2016 reeds werkzaam was in een onthaalfunctie bij het politiekantoor Noorderlaan had u reeds geruime tijd ervaring met een groot aantal processen en programma’s en in hoe om te gaan met de burger. U had bij het onthaal Noorderlaan ook reeds ervaring met zowel fysiek als telefonisch onthaal van de burger. Bij aanvang van uw functie bij de Blauwe Lijn werd dan ook eerst gepeild naar welke processen en programma’s u reeds kent. U gaf aan uw teamleider zelf aan de procedures van het onthaal te kennen, gezien u reeds verscheidene jaren werkzaam was aan het onthaal in een eerstelijnsfunctie en in dat opzicht reeds vanuit uw functie contact had met publiek en de programma’s/processen kende. Daarnaast blijkt uit de oplijsting van de extra opleidingen die u heeft gevolgd en waarvoor u geslaagd was (zie oplijsting Galop) dat u, naast de interne opleiding en training on the job bij aanvang van uw nieuwe functie bij de Blauwe Lijn, in het verleden reeds verschillende noodzakelijke en relevante opleidingen hebt gevolgd, die voorliggende feiten in principe hadden moeten kunnen vermijden, met name: - Sociale Vaardigheden voor onthaalmedewerkers en medewerkers Blauwe Lijn: waar sociale vaardigheden als empathie en klantvriendelijkheid aan bod kwamen (u volgde deze opleiding op 30 november 2017); - Gecertificeerde opleiding rond suïcidepreventie (opleiding gevolgd van 8 tot en met 12 december 2016); - Gecertificeerde opleiding rond assertiviteit en conflicthantering (opleiding gevolgd van 3 tot en met 5 september 2012). U stelt dat u bij uw terugkeer uit ziekteverlof zelfstandig aan de slag moest als calltaker en dat u had toegezegd op dat moment omdat u zich onder druk gezet voelde. Bij navraag aan uw teamleider blijkt er geen sprake te zijn van u onder druk zetten, u gaf zelf meermaals aan dat u het wel alleen aan kon. Dit blijkt eveneens uit de functioneringsnota van 20 april 2020 waarin er melding wordt gemaakt dat u herhaaldelijk aangeeft dat u het wel kan, gezien uw vorige functie aan het onthaal Noorderlaan. U ondertekende deze functioneringsnota op 11 mei 2020 en formuleerde hierop geen opmerkingen. Het tuchtvergrijp dat u ten laste wordt gelegd heeft geen betrekking op de technische kant van de job maar gaat over het niet klantvriendelijk en niet empathisch bejegenen van de burger. Uit bovenstaande blijkt dat u wel degelijk de vereiste opleiding en begeleiding hebt gehad en reeds verschillende jaren ervaring had met een onthaalfunctie en aldus zowel met fysiek als telefonisch onthaal van burgers.” XIV-38.586-25/53 Ook wordt in de bestreden beslissing onder de rubriek “8. Advies van de Tuchtraad” dit argument onderzocht in repliek op het advies van de Tuchtraad, waarbij wordt gesteld: “8. Advies van de Tuchtraad. […]. lk beoog af te wijken van dit advies om de volgende redenen: […] Aangaande het argument van de tuchtraad dat u onvoldoende opleiding hebt genoten, dien ik te verwijzen naar het feit, zoals ook reeds uiteengezet in punt 6.1 en 6.2, dat u reeds 10 jaar werkzaam bent binnen een politiedienst, waarvan sinds 2016 binnen een onthaalfunctie. U hebt aldus ruimschoots ervaring met zowel fysiek als telefonisch onthaal van burgers en bent bijgevolg geen nieuweling meer binnen het korps. De opleiding die door de Blauwe Lijn wordt voorzien, betreft de algemene opleiding die gegeven wordt aan het personeelslid dat extern bij de Blauwe Lijn in dienst komt en aldus geen enkele ervaring heeft bij een politiedienst. Wat in uw geval niet van toepassing was gezien u reeds 10 jaar in het korps werkzaam bent. Daarnaast heeft u in het verleden reeds verschillende noodzakelijke en relevante opleidingen gevolgd (nl. ‘Sociale Vaardigheden voor onthaalmedewerkers en medewerkers Blauwe Lijn’, ‘Suïcidepreventie’ en ‘Assertiviteit en conflicthantering’). Bovendien blijkt dat voorafgaand aan huidige tuchtprocedure werd getracht u bij te sturen. U ging gelet op de problemen aan het onthaal Noorderlaan over naar de Blauwe Lijn, waar kort op de bal werd gespeeld en waar verschillende functioneringsnota’s werden opgesteld door de teamleider waarvan de inhoud door u niet werd betwist. Hierin wordt gesteld dat u moet leren luisteren, dat u moet leren hulp vragen en vooral dat u zich moet leren inleven in het probleem van de anderen en erkennen dat dit voor de melder een probleem is. Zelf stelt u dat u weet hoe alles werkt, dat het wel zal lukken. U stelde telkens dat u er zal op letten maar legde de adviezen van (meer ervaren) collega’s naast u neer en ging er soms tegenin. U neemt geen verantwoordelijkheid en zet geen fouten recht. Al deze zaken blijken uit de functioneringsnota’s die duidelijk niet het beoogde effect hebben gehad en wel integendeel. De voorgedane feiten betreffen aldus geen kwestie van een gebrek aan opleiding, maar wel een attitudeprobleem. Ook in het verleden werd u reeds aangesproken op gelijkaardige feiten van klantonvriendelijke bejegening van de burger bij wijze van verschillende tuchtstraffen. Deze hadden eveneens een pedagogisch streefdoel, doch zonder resultaat. Het repetitieve karakter van dit soort inbreuken spreekt voor zich.” Voorts blijkt uit de gegevens van het voorafgaand onderzoek en meer bepaald uit een vertrouwelijk verslag van 12 mei 2020 dat verzoekster inzake het opleidingstraject, “enkel de basisopleiding [heeft] gehad. Dit wil zeggen: enkel de opleiding m.b.t. de hoofdtaak van de Blauwe Lijn: calltaking - telefonie en afsprakenbeheer” en dat zij nog geen opleiding heeft genoten “m.b.t. sociale media en digitale opvolging van mailverkeer.” Ook blijkt uit dat verslag dat verzoekster op basis van haar opleiding start met calltaking, maar dat zij nog XIV-38.586-26/53 niet wordt ingedeeld in een reeks doch tijdens haar opleidingsperiode in dagdiensten werkt en dit “totdat de teamleider haar de volledige Blauwe Lijn- opleiding heeft kunnen geven (calltaking - sociale media - digitaal onthaal) en tevreden is m.b.t. haar groei in deze nieuwe functie.” Uit wat voorafgaat blijkt dat de hogere tuchtoverheid het argument ter verschoning dat verzoekster een onvolledige opleiding tot calltaker genoot, heeft onderzocht en heeft verworpen en zulks om redenen dat, samengevat, zij wel degelijk opgeleid en begeleid werd, dat de voorziene opleiding bij de Blauwe Lijn de algemene opleiding is die gegeven wordt aan een personeelslid dat extern bij de Blauwe Lijn in dienst komt en aldus geen enkele ervaring heeft bij een politiedienst, terwijl dat verzoekster reeds ruime ervaring heeft in een onthaalfunctie en zij daarnaast in het verleden reeds verschillende noodzakelijke en relevante opleidingen heeft gevolgd, dat zij werd opgevolgd waarbij gepoogd werd haar bij te sturen, en dat het haar ten laste gelegde tuchtvergrijp geen betrekking heeft op de technische kant van de job maar gaat over het niet klantvriendelijk en niet empathisch bejegenen van de burger. Verzoekster geeft geen concrete duiding in het verzoekschrift waarom zij in het licht van het haar verweten tuchtvergrijp dat zij “als calltaker van de Blauwe Lijn burgers op een klantonvriendelijke, onempathische en onprofessionele manier te woord [heeft] gestaan” (zie supra, punt 19.), het niet- gevolgde deel van de calltaker-opleiding derwijze essentieel of noodzakelijk acht zodat het niet in aanmerking nemen ervan impliceert dat de hogere tuchtoverheid doet blijken van een onzorgvuldige voorbereiding van de bestreden beslissing. Verzoekster wijst ter zake weliswaar naar het belang van het doorlopen van de opleiding tot calltaker om de deskundige uitoefening van de taak onder de knie te krijgen, maar zij betrekt hierbij niet het argument dat “de voorziene opleiding bij de Blauwe Lijn waarvan […] sprake is, […] de algemene opleiding [is] die gegeven wordt aan het personeelslid dat extern bij de Blauwe Lijn in dienst komt en aldus geen enkele ervaring heeft bij een politiedienst”. Inzake het argument dat zij reeds ruime ervaring heeft in een onthaalfunctie en zij daarnaast in het XIV-38.586-27/53 verleden reeds verschillende noodzakelijke en relevante opleidingen heeft gevolgd, beperkt zij zich tot het geven van een eigen beoordeling van haar ervaring en verworven competenties doch die eigen appreciatie volstaat op zich niet om te besluiten dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest door te oordelen dat zij ondanks de onvolledige opleiding, voldoende was opgeleid voor de taken die zij op dat ogenblik (reeds) moest vervullen. Zulks klemt te dezen des te meer daar de hogere tuchtoverheid meent dat het aan verzoekster ten laste gelegde tuchtvergrijp “geen betrekking [heeft] op de technische kant van de job maar gaat over het niet klantvriendelijk niet empathisch bejegenen van de burger” en dat het niet gevolgde onderdeel - sociale media en digitale opvolging van e- mailverkeer - geen betrekking heeft op de wijze waarop de burger volgens de hogere tuchtoverheid moet worden bejegend. Dit aspect en inzonderheid het verband tussen het niet hebben gevolgd van de specifieke opleiding tot calltaker en het haar verweten gedrag om “burgers op een klantonvriendelijke, onempathische en onprofessionele manier te woord [te staan]” betrekt verzoekster in het verzoekschrift niet in haar kritiek. Verzoekster voert ter zake weliswaar argumenten aan in de memorie van wederantwoord, maar zij toont niet aan dat zij die niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Met die argumenten mag aldus geen rekening worden gehouden. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig is opgetreden door bij het onderzoek van het verwijtbaar (of “schuldig”) karakter van verzoeksters gedrag geen rekening te houden met het (niet-betwiste) gegeven dat verzoekster niet de volledige opleiding tot calltaker heeft genoten. 22. Het tweede argument dat moet doen besluiten dat feiten verzoekster niet kunnen worden toegerekend, is het standpunt dat de vijf haar verweten gesprekken “atypisch zijn.” XIV-38.586-28/53 Dit argument wordt eveneens uitdrukkelijk beantwoord in de bestreden beslissing. Het past de ter zake relevante passage uit de formele motivering van de bestreden beslissing hier opnieuw aan te halen: “6. Analyse van het verweer. […] 6.2. Tweede middel […] lk ben van oordeel dat een personeelslid dat reeds sinds 2010 werkzaam is binnen een politiedienst en sinds 2016 binnen een onthaalfunctie, zoals in casu het geval is, niet meer met ernst kan zeggen dat de voorliggende gesprekken atypisch waren. Ook in het kader van uw onthaalfunctie werd u zonder enige twijfel geconfronteerd met verwarde, emotionele, kwetsbare ed. mensen die al dan niet terecht meenden een beroep te moeten doen op de tussenkomst van de politie. Ook daar diende u deze mensen op een correcte manier te behandelen en op de juiste manier door te verwijzen. Bovendien moeten alle gesprekken, ook zogenaamde atypische gesprekken, met de burger op een klantvriendelijke, empathische en professionele manier gevoerd worden, wat u in casu nagelaten heeft te doen. Uw argument dat het atypische gesprekken zouden betreffen, doet dan ook geen afbreuk aan het gepleegde tuchtvergrijp. De materialiteit van de feiten staat onomstotelijk vast op basis van de aan het tuchtdossier gevoegde geluidsfragmenten en het is op deze geluidsfragmenten waarop ik mij als tuchtoverheid baseer.” Ook wordt in de bestreden beslissing onder de rubriek “8. Advies van de Tuchtraad” dit argument onderzocht in repliek op het advies van de Tuchtraad, waarbij wordt gesteld: “8. Advies van de Tuchtraad. […]. lk beoog af te wijken van dit advies om de volgende redenen: […] lk ben van mening dat er zonder deze toelichting voldoende elementen in uw tuchtdossier aanwezig zijn waaruit blijkt dat de feiten, die onomstotelijk vaststaan op basis van objectieve gegevens (geluidsfragmenten), wel degelijk tuchtvergrijpen uitmaken zoals hieronder in mijn motivering verder wordt uiteengezet. Een personeelslid dat al tien jaar bij een politiedienst werkzaam is, waarvan sinds 2016 binnen een onthaalfunctie kan (zoals reeds bij de beoordeling van het tweede middel in punt 6 wordt vermeld) niet meer ernstig voorhouden dat de gesprekken atypisch zijn gezien haar jarenlange ervaring met de burger. Bovendien is het al dan niet atypisch zijn van de gesprekken niet relevant, gezien alle gesprekken met de burger op een klantvriendelijke, empathische en professionele manier moeten gevoerd worden.” XIV-38.586-29/53 Tot slot wordt in de bestreden beslissing onder de rubriek “9. Analyse van het bijkomend verweer (bij strafverzwaring of afwijken advies Tuchtraad)” dit argument onderzocht in repliek op het bijkomend verweerschrift van verzoekster van 15 december 2020, waarbij het volgende wordt gesteld: “9. Analyse van het bijkomend verweer (bij strafverzwaring of afwijking) advies Tuchtraad). […]. Zoals reeds gesteld staan de tuchtfeiten vast op basis van objectieve geluidsfragmenten waarop ik mij als tuchtoverheid heb gebaseerd. Het feit dat de gesprekken atypische gesprekken zouden zijn doet bovendien geen afbreuk aan het gepleegde tuchtvergrijp, zoals reeds werd uiteengezet onder punt 6.2 en punt 8. Alle gesprekken met de burger dienen immers op een klantvriendelijke, empathische en professionele wijze gevoerd te worden, het onderscheid tussen atypische of typische gesprekken is niet relevant voor het vaststaan van het tuchtvergrijp. Mijn inleidend verslag, opgesteld op een ogenblik waarop de teamleider nog niet bijkomend was bevraagd, maakte reeds melding van het voornemen om de tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Het al dan niet atypisch zijn van de gesprekken heeft dan ook in geen enkel opzicht een invloed gehad op de zwaarte van het strafvoorstel.” Uit deze, meerdere malen herhaalde formele motivering, blijkt dat de hogere tuchtoverheid geen rekening wil houden met het al dan niet atypisch karakter van de gesprekken omdat volgens haar “alle gesprekken, ook zogenaamde atypische gesprekken, met de burger op een klantvriendelijke, empathische en professionele manier gevoerd [moeten] worden, wat [verzoekster] in casu nagelaten heeft te doen,” derwijze dat het onderscheid tussen atypische of typische gesprekken volgens de hogere tuchtoverheid niet relevant is voor het kwalificeren van de (niet-bekritiseerde) feiten als tuchtvergrijp en de toerekening ervan aan verzoekster. Kortom, centraal staat het argument dat de atypische aard van de met de burger gevoerde gesprekken niet vermag te beletten dat ook die op een “klantvriendelijke, empathische en professionele manier” moeten worden gevoerd. Verzoekster verzuimt evenwel in haar middel dit essentieel beoordelings- of kwalificatie-element bij haar kritiek te betrekken. Evenmin geeft zij aan waarom die atypische aard van de gevoerde gesprekken, anders dan hoe de hogere tuchtoverheid het ziet, zou (moeten) impliceren dat het haar toegerekend gebrek aan klantvriendelijkheid, empathie en professionalisme haar niet verwijtbaar zou zijn en dus geen tuchtvergrijp XIV-38.586-30/53 inhouden, c.q. een verzachtende omstandigheid zou moeten inhouden. Zulks klemt te dezen des te meer nu blijkt dat de hogere tuchtoverheid dit standpunt meerdere keren in de bestreden beslissing heeft hernomen en dus voor haar determinerend is bij haar besluitvorming inzake de kwalificatie van de feiten als (onverschoond of te verzachten) tuchtvergrijp. Bij gebrek aan een concrete duiding ter zake, volstaat in het licht van wat voorafgaat, verzoeksters standpunt dat volgens haar de vijf gesprekken wel degelijk atypisch van aard zijn, niet om te besluiten dat de hogere tuchtoverheid op onzorgvuldige wijze onjuist, minstens onredelijk gebruik heeft gemaakt van haar appreciatiebevoegdheid door te oordelen dat “het onderscheid tussen atypische of typische gesprekken […] niet relevant [is] voor het vaststaan van het tuchtvergrijp” en dus geen invloed heeft gehad op de kwalificatie van haar gedrag om op een klantonvriendelijke, on-empathische en onprofessionele manier de burger te woord te hebben gestaan, noch op de verschoonbaarheid ervan, noch op de strafmaat. In de mate dat verzoekster derhalve de inhoud van de vijf gesprekken bekritiseert en beoordeelt als “atypisch”, betreft dit dus een eigen persoonlijke appreciatie van de inhoud en het kader van de gesprekken. Die eigen visie volstaat niet om te besluiten dat de hogere tuchtoverheid – door ook voor die “atypische” gesprekken te eisen dat die “op een klantvriendelijke, empathische en professionele manier gevoerd worden,” – onzorgvuldig is geweest in haar besluitvorming betreffende het aan verzoekster toerekenbaar karakter van de haar ten laste gelegde feiten. 23. De enkele bewering tot slot dat verzoekster “steeds haar best heeft gedaan”, de haar gegeven feedback steeds ter harte heeft genomen en beloofd heeft zich ten volle in te zetten en dat nergens uit het dossier haar slechte wil blijkt, volstaat op zich evenmin om te besluiten dat de feiten in strijd met de geschonden geachte zorgvuldigheid werden gekwalificeerd als tuchtvergrijpen. 24. Het tweede middel is in die mate ongegrond. XIV-38.586-31/53 Tweede grief: de formele- en materiëlemotiveringsplicht 25. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Hoewel de formelemotiveringsplicht de tuchtoverheid er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle door de politieambtenaar tijdens de tuchtprocedure opgeworpen argumenten, moet uit haar beslissing wel kunnen worden opgemaakt dat het verweer van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken. Hieruit volgt dat de tuchtoverheid niet uitvoerig moet antwoorden op elk van deze argumenten, noch moet elk argument van verzoekster uitdrukkelijk worden weerlegd. Wel moet impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formele- motiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere - door verzoekster geciteerde en XIV-38.586-32/53 bekritiseerde - onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. 26. Verzoekster voert inzake deze grief ook de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administra- tieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij onachtzaamheden gepleegd door personeels- leden van de geïntegreerde politie bij het uitvoeren van hun ambtsverplichtingen als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van, te dezen, de kwalificatie van de aan verzoekster ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 27. De formele motivering van de bestreden beslissing is weergegeven in het tussenarrest nr. 251.158 van 30 juni 2021 (punt 3.7.). Hetgeen aan verzoekster wordt ten laste gelegd, blijkt uit de bestreden beslissing. Voorts maken luidens de bestreden beslissing die feiten een tuchtvergrijp uit (punt 3.7.). Er wordt naar verwezen. XIV-38.586-33/53 Anders dan hoe verzoekster het ziet, verschaft die formele motivering van de bestreden beslissing haar voldoende duidelijkheid waarom de hogere tuchtoverheid in concreto van mening is waarom de feiten als tuchtfeiten worden gekwalificeerd. Ook blijkt er expliciet, en zeker minstens impliciet uit dat haar verweer, dat de tenlastegelegde feiten niet als tuchtfeiten kunnen worden gekwalificeerd, daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken én dat die formele motivering verder gaat dan het verwijzen naar een reeks deontologische verplichtingen, zodat verzoekster minstens impliciet uit de formele motivering moet kunnen afleiden waarom haar argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Dat volstaat in het licht van de door verzoekster geschonden geachte formelemotiveringsplicht, te meer dat verzoekster zich in het middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift, beperkt tot het formuleren van een algemene kritiek. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de hogere tuchtoverheid ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven nog nader te expliciteren. De enkele omstandigheid dat verzoekster zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig. Overigens blijkt uit de voorgaande behandeling van de eerste grief van dit middel dat verzoekster deze motieven kent en er daadwerkelijk verweer heeft op gevoerd. Het middel is in die mate ongegrond. 28. In zoverre wordt aangevoerd dat wordt afgeweken van het advies van de Tuchtraad zonder de argumenten ervan concreet in de bestreden beslissing te weerleggen, moet vooreerst worden bemerkt dat verzoekster in haar wettigheidskritiek niet het gegeven betrekt dat artikel 54, eerste lid, van de tuchtwet voorziet in een bijzondere formelemotiveringsplicht indien de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies van de Tuchtraad. Luidens deze bepaling moet, wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, zij de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van het betrokken personeelslid (GwH 28 februari 2013, nr. 25/2013, punt B.7.). Het betreft derhalve een specifieke pleegvorm die enkel XIV-38.586-34/53 bestaat wanneer, zoals te dezen, wordt afgeweken van het advies van de Tuchtraad. Deze in hoofde van de hogere tuchtoverheid opgelegde specifieke pleegvormen om de redenen tot afwijking van het advies van de Tuchtraad aan te geven en ter kennis te brengen van het personeelslid, strekken ertoe om aan het betrokken personeelslid, ter vrijwaring van zijn recht van verdediging, de mogelijkheid te bieden zich schriftelijk tegen het voorstel tot afwijking te verweren en de redenen daartoe te betwisten. Dit verweer dient door de hogere tuchtoverheid te worden betrokken bij haar beoordeling wanneer zij een eindbeslissing neemt over de tuchtprocedure. In het licht van (het doel van) deze wettelijke pleegvorm en van het feit dat verzoekster kennis heeft genomen van deze voorbereidende handeling – zodat mag worden aangenomen dat verzoekster aldus de redenen kent waarom de hogere tuchtoverheid voorneemt af te wijken van het advies van de Tuchtraad –, en gebruik heeft gemaakt van haar recht op verweer, zet verzoekster niet uiteen in welke mate de bestreden beslissing – daarnaast – nog expliciet formeel moet motiveren waarom er wordt afgeweken van het advies van de Tuchtraad nu zij het afdoende karakter van deze specifieke voorbereidende – formeel te motiveren – handeling niet bij haar kritiek betrekt en zo ja, waarom in deze specifieke wettelijke context er alsnog een “verzwaarde motiveringsplicht” zou gelden. Te dezen gaat haar verwijzing naar aangehaalde rechtspraak niet op nu verzoekster die niet situeert in deze specifieke wettelijke context die wat deze wettigheidskritiek betreft, anders is dan enkele toepassing van de formelemotiveringsplicht vervat in de wet van 29 juli 1991. De kritiek van verzoekster faalt in rechte. Uit wat voorafgaat volgt dat de kritiek van verzoekster, gericht tegen het motief in de bestreden beslissing waarom wordt voorbijgegaan aan het advies van de Tuchtraad, niet tot nietigverklaring kan leiden. Dat volstaat om deze grief ongegrond te bevinden. XIV-38.586-35/53 In de mate dat verzoekster inzake deze grief ook de schending aanvoert van de materiëlemotiveringsplicht en van “de overige beginselen van behoorlijk bestuur”, maakt zij niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid door, anders dan hoe de Tuchtraad het zag, het gedrag van verzoekster niet te zien als een “weerspiegeling van haar persoonlijkheid” en als een disfunctieprobleem, maar wel als een attitudeprobleem dat in hoofde van verzoekster bestaat bij haar contacten met de hulpzoekende burger - en die daarvan discretionair oordeelt dat dit een (ernstige) inbreuk inhoudt op deontologische waarden die de hogere tuchtoverheid hoog inschat -, de haar toegemeten discretionaire bevoegdheid is te buiten gegaan. Verzoekster ziet het anders, maar dat maakt daarom de bestreden beslissing op dat punt niet onwettig. 29. In zoverre wordt aangevoerd dat de repliek op verzoeksters argument dat zij onvoldoende opleiding heeft genoten, niet afdoende is, blijkt uit de formele motivering waarom dat argument de hogere tuchtoverheid niet heeft overtuigd: zoals hiervoor reeds is gebleken (zie supra, punt 21.) meent de hogere tuchtoverheid dat verzoekster door de voorheen gevolgde opleidingen en verworven ervaring die in de bestreden beslissing worden gedetailleerd, doet blijken dat zij wel voldoende opleiding heeft genoten om haar gedrag niet te verschonen. Aldus is ook (expliciet) ingegaan op dit verweerelement. Dat volstaat in het licht van de door verzoekster geschonden geachte formelemotiveringsplicht. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de hogere tuchtoverheid ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven nog nader te expliciteren. De enkele omstandigheid dat verzoekster zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig. In de mate dat verzoekster in de kritiek dat de motivering niet afdoende is ook een schending van de materiëlemotiveringsplicht ziet, doet verzoekster blijken van een eigen standpunt - dat, samengevat, inhoudt dat de gevolgde opleidingen en verworven ervaringen andere competenties betreffen en de opleiding als calltaker bij de Blauwe Lijn niet kunnen vervangen, - maar dat XIV-38.586-36/53 impliceert niet dat de hogere tuchtoverheid, door dit anders te zien dan verzoekster, tot een conclusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan. In het licht van het hiervoor gevoerde onderzoek van de eerste grief in dit middel en de aldaar gedane vaststellingen (zie supra, punt 17.), is de door de hogere overheid gedane beoordeling van het gebrek aan volledige opleiding tot calltaker in relatie tot het weerhouden tuchtfeit, niet onredelijk, minstens toont verzoekster zulks niet aan. 30. In zoverre wordt aangevoerd dat de formelemotiveringsplicht is geschonden door de overweging dat het atypische karakter van de gesprekken geen afbreuk doet aan het gepleegde tuchtvergrijp, blijkt uit de formele motivering waarom “het al dan niet atypisch zijn van de gesprekken […] dan ook in geen enkel opzicht een invloed [heeft] gehad op de zwaarte van het strafvoorstel”. Volgens de hogere tuchtoverheid dienen “alle gesprekken met de burger […] immers op een klantvriendelijke, empathische en professionele wijze gevoerd te worden, het onderscheid tussen atypische of typische gesprekken is niet relevant voor het bestaan van het tuchtvergrijp.” Aldus is ook (expliciet) ingegaan op dit verweerelement. Dat volstaat in het licht van de door verzoekster geschonden geachte formelemotiveringsplicht. Voorts gaat, zoals reeds is gesteld, de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de hogere tuchtoverheid ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven nog nader te expliciteren. De enkele omstandigheid dat verzoekster zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig. In de mate dat verzoekster in haar kritiek ook een schending van de materiëlemotiveringsplicht ziet, geeft verzoekster blijk van een eigen standpunt - dat, samengevat, inhoudt dat volgens haar dat onderscheid wel “juist bijzonder relevant [is]”, - maar dat impliceert niet dat de hogere tuchtoverheid, door dit anders te zien dan verzoekster, tot een conclusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan. De door de hogere overheid gedane beoordeling van de relevantie van de aard van de gevoerde gesprekken in relatie tot het oordeel dat alle gesprekken, ook atypische, XIV-38.586-37/53 klantvriendelijk, empathisch en professioneel moeten worden gevoerd, is niet onredelijk, minstens toont verzoekster zulks niet aan. Verzoekster maakt voorts niet aannemelijk dat er te dezen een oorzakelijk verband zou zijn tussen het (al dan niet) atypische karakter van de haar verweten gesprekken met het haar tenlastegelegde tuchtvergrijp, noch dat zulks een verschoningsgrond of een verzachtende omstandigheid zou uitmaken. De kritiek tot slot dat gebruik moet zijn gemaakt van de verklaringen van de teamleider, mist feitelijke grondslag zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken. 31. In zoverre wordt aangevoerd dat niet in concreto wordt aangegeven wat verzoekster anders had moeten doen, houdt de formelemotiveringsplicht, noch in abstracto, noch in concreto, in dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk het volgens de hogere tuchtoverheid deontologisch correct geachte gedrag vermeldt dat van een personeelslid van de geïntegreerde politie wordt verwacht. Het volstaat dat, zoals te dezen, het deontologisch laakbare en aan verzoekster toegerekend gedrag wordt aangegeven, zonder dat moet worden gemotiveerd welke het verwachte, deontologisch aanvaardbaar gedrag had moeten zijn. Dat volstaat om deze grief niet bij te vallen. Overigens bemerkt de Raad van State dat ook die grief is beantwoord in de bestreden beslissing - zoals blijkt uit de beoordeling in de bestreden beslissing van verzoeksters bijkomend verweerschrift - en dat verzoekster dit antwoord niet mede betrekt in haar kritiek. Om dezelfde reden is evenmin de materiëlemotiveringsplicht geschonden wat deze grief betreft. 32. Het tweede middel is in die mate ongegrond. Conclusie 33. Het tweede middel is ongegrond. XIV-38.586-38/53 C. Vierde middel Vooraf 34. In het derde middel voert verzoekster de schending aan van het evenredigheidsbeginsel. In het vierde middel voert verzoekster de schending aan van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht. Een toets aan het evenredigheidsbeginsel is pas aan de orde wanneer de motieven deugdelijk zijn en vaststaan. Het is daarom aangewezen om eerst het vierde middel te onderzoeken vooraleer de gegrondheid van het derde middel te onderzoeken. Uiteenzetting van het middel 35. Verzoekster voert in het vierde middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en van de materiëlemotiveringsplicht doordat, eerste onderdeel, in de motivering van de strafmaat meermaals wordt verwezen naar de zware tuchtstraf van de inhouding van de brutowedde met 10 % gedurende twee maanden die werd opgelegd op 9 november 2020 en doordat, tweede onderdeel, de formele motivering van de strafmaat bestaat uit stijlformules die geenszins in concreto onderbouwd zijn en niet worden ondersteund door in rechte en in feite aanvaardbare motieven die uit het dossier zouden blijken, terwijl, eerste onderdeel, verzoekster de tuchtstraf van 9 november 2020 heeft aangevochten met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (zaak met rolnummer G/A. 232.632/XIV-38.563), zodat, indien de Raad van State deze tuchtstraf vernietigt, deze rechtsgrond voor de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wegvalt, wat de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg heeft en, tweede onderdeel, de materiëlemotiveringsplicht vereist dat de motivering van de strafmaat steunt op in rechte en in feite aanvaardbare en aan de hand van het dossier aantoonbare motieven en de formelemotiveringsplicht XIV-38.586-39/53 vereist dat die motieven afdoende zijn en opgenomen worden in de beslissing zelf. Verzoekster licht inzake het eerste onderdeel van het vierde middel toe dat zij de tuchtstraf van 9 november 2020 eveneens aanvecht met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (G/A. 232.632/XIV-38.563) en dat ook in dat tuchtdossier de Tuchtraad oordeelde dat er van tuchtfeiten geen sprake was en adviseerde de tuchtvervolging stop te zetten. Indien de Raad van State deze tuchtstraf vernietigt, valt volgens verzoekster deze rechtsgrond voor de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege weg, wat de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg heeft. De thans bestreden beslissing berust dan immers niet meer op in rechte en in feite aanvaardbare motieven en in de formele motivering van de beslissing wordt dan ten onrechte verwezen naar een tuchtstraf die met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer werd weggenomen en geacht moet worden nooit te hebben bestaan. Verzoekster licht inzake het tweede onderdeel toe dat in casu de strafmaat in essentie is gesteund op de ernst van de feiten, waarbij die ernst zou blijken uit de geluidsfragmenten en met name omdat het eerste gesprek volledig zou escaleren door toedoen van verzoekster. Volgens verzoekster geven die echter een totaal ander beeld van het verloop van het gesprek en nopen die tot veel meer nuancering. Het kan zeker niet de vermeende bijzondere ernst van de feiten ondersteunen. Ook de bewering dat iedere samenwerking onmogelijk is en het vertrouwen onherroepelijk geschonden is, betreft volgens verzoekster een stijlformule. Zij strijdt met het dossier, waarin immers zich de vraag van de hiërarchische overste van verzoekster bevindt om verzoekster over te plaatsen. Ook verzoekster heeft meermaals schriftelijk te kennen te geven in te stemmen met een overplaatsing naar een andere dienst. Dat iedere samenwerking onmogelijk is en het vertrouwen onherroepelijk geschonden is, wordt hierdoor tegengesproken. Voorts is het motief dat het verder laten functioneren van verzoekster de geloofwaardigheid en het imago van de politiedienst ernstig zou schaden, een stijlformule die niet nader wordt geconcretiseerd. Verzoekster XIV-38.586-40/53 verwijst ter zake naar de gesprekken en haar analyse ervan, waaruit zij besluit dat haar optreden ter zake niet het imago of de geloofwaardigheid van de politie heeft geschaad. Tot slot doet zij gelden dat helemaal niet is aangetoond hoe van het politiepersoneel niet meer kan worden geëist dat zij nog met verzoekster samenwerken. Dit blijkt evenmin spontaan uit de feiten of het dossier, daar het feiten betreft die zich niet hebben voorgedaan in de relatie tot de collega’s en geen enkele impact hebben op de relatie tot de collega’s. 36. In de memorie van wederantwoord beklemtoont verzoekster, wat het eerste onderdeel betreft, dat de tuchtstraf van 9 november 2020 een belangrijk element ter ondersteuning van de strafmaat vormt, enerzijds omdat het ook de bestraffing van klantonvriendelijk gedrag betreft, anderzijds omdat het een tuchtstraf is die uiterst recent werd opgelegd. Volgens haar is het duidelijk dat deze tuchtstraf van 9 november 2020 een determinerend motief is voor de strafmaat. Voorts herneemt zij haar standpunt uiteengezet in het verzoekschrift en betoogt dat de Raad van State zich pas over dit middel kan uitspreken na uitspraak over het beroep tot nietigverklaring ingediend tegen de voornoemde tuchtstraf van 9 november 2020. Wat het tweede onderdeel betreft, volhardt verzoekster in het middelonderdeel en verwijst zij naar haar verzoekschrift. In de laatste memorie volhardt verzoekster in haar standpunt dat de tuchtstraf van 9 november 2020 een determinerend motief is voor de strafmaat. Volgens haar blijkt uit de bestreden beslissing duidelijk welk belang aan de meest recente tuchtstraf wordt gehecht en betreft het standpunt dat de strafmaat nog afdoende verantwoord blijft, een niet-toegelaten opportuniteitsoordeel, vermits de Raad van State zich niet in de plaats van de hogere tuchtoverheid mag stellen en oordelen over de strafmaat indien een decisief argument ter ondersteuning van die strafmaat wegvalt. Inzake het tweede onderdeel stelt verzoekster dat zij volhardt in wat zij in haar verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord heeft uiteengezet. Beoordeling XIV-38.586-41/53 Eerste onderdeel 37. In het eerste onderdeel acht verzoekster de aangevoerde bepalingen en het beginsel geschonden omdat de op 9 november 2020 opgelegde tuchtstraf, volgens haar, een determinerend motief betreft voor de strafmaat, terwijl zij de wettigheid van die tuchtstraf voor de Raad van State aanvecht met een beroep tot nietigverklaring ervan, zodat indien de Raad van State die tuchtstraf vernietigt, de rechtsgrond voor de bestreden beslissing wegvalt. Centraal staat de vraag of de opgelegde tuchtstraf een determinerend gegeven vormt bij de bepaling van de voorliggende strafmaat. Ter adstructie wordt hierna duidelijkheidshalve de formele motivering hernomen betreffende de strafmaat, zoals die is vervat in de bestreden beslissing (zie tussenarrest, punt 3.7): “10. Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999. Aangezien ik meen dat de feiten vaststaan, dat ze u kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 7, een tuchtvergrijp uitmaken. Gelet op de analyse van uw tuchtdossier waarvan u kopie hebt ontvangen op 4 juni 2020. Gelet op de ernst van de feiten. Gelet de feiten volstrekt onaanvaardbaar zijn voor een personeelslid van een politiedienst. Gelet de feiten zeer ernstig zijn vermits ze onverenigbaar zijn met de principes vervat in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en in strijd zijn met de meest essentiële deontologische normen waaraan het personeelslid van een politiedienst dient te voldoen. Gelet dat het u verder laten functioneren, de geloofwaardigheid en het imago van de politiedienst ernstig zouden schaden. Gelet op het recidief karakter gezien u in het verleden reeds werd aangesproken naar aanleiding van gelijkaardige feiten van het niet correct verder helpen van de burger. Gelet deze tuchtstraffen niet enkel tot doel hadden u te bestraffen, doch ook een pedagogisch streefdoel hadden, namelijk duidelijk maken dat u alles in het werk diende te stellen om herhaling te voorkomen. Gelet de feiten dermate ernstig zijn dat het vertrouwen onherroepelijk geschonden is en dat iedere verdere samenwerking onmogelijk is geworden. Gelet men bijgevolg van het andere politiepersoneel niet kan eisen dat zij met u nog samenwerken. Gelet dat u niet meer op een behoorlijke wijze kan ingeschakeld worden in het XIV-38.586-42/53 politiekorps en dat derhalve de zorgvuldigheidsplicht mij verplicht hier in te grijpen. Gelet dat een ambtshalve ontslag minder ingrijpende gevolgen heeft voor uw pensioenrechten. Gelet op het tuchtstraffenblad met vermelding van de volgende tuchtstraffen: - beslissing korpschef d.d. 9 januari 2018: ‘blaam’ - beslissing burgemeester d.d. 6 juni 2018: ‘terugzetting in weddeschaal’ De tuchtstraf ‘blaam’ van 9 januari 2018 werd opgelegd door op 27 juli 2017 zeer ongepast te reageren toen INP [D. H.] samen met zijn vriendin […] aangifte wilde komen doen van verkrachting op het bureel aan de Noorderlaan. U zei meer bepaald dat er aangifte moest worden gedaan in het ziekenhuis en toen u hoorde dat de verkrachting in mei 2017 had plaatsgevonden, zei u dat ‘het dan woord tegen woord was’ en dat het geen zin meer had om aangifte te doen. Vervolgens zei u verwijtend dat er meteen aangifte had moeten worden gedaan. De tuchtstraf ‘terugzetting in weddeschaal’ van 6 juni 2018 werd u opgelegd omwille van de drie volgende feiten: door op 3 oktober 2017 omstreeks 23.30 uur de heer [M . L.] met zijn minderjarige broer niet verder te helpen, terwijl zij naar het politiekantoor Noorderlaan kwamen met een pakje weed (40 gram), verpakkingsmateriaal en een weegschaal, dat ze wilden afgeven. U hebt ze doorgestuurd en een afspraak ingepland waardoor ze de volgende dag langs konden gaan in het regiokantoor Berendrecht; doordat u op 29 juli 2017 in het politiekantoor Noorderlaan de heer [A. H.] ongepast hebt behandeld toen hij aangifte van verlies van o.a. de identiteitskaart, gsm, bankkaart, wilde doen. U hebt gezegd dat hij maar beter op zijn goederen diende te letten, u gaf hem geen afspraak, doch u verwees hem gewoon door naar een ander politiekantoor, en eveneens door op 12 november 2017 tegen een bezoekster van Marokkaanse afkomst, mevrouw [N. B.], het volgende te zeggen: ‘zal je niet eens beginnen met je hoofddoek af te zetten, madammeke’. Gelet u bovendien naast twee hogervermelde tuchtstraffen, recent het inleidend verslag d.d. 22 januari 2020 werd betekend met het voornemen om u de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Na de hoorzitting bij de hogere tuchtoverheid werd het strafvoorstel d.d. 28 februari 2020 gewijzigd naar de zware tuchtstraf ‘terugzetting in weddeschaal’, waarna u een verzoek tot heroverweging indiende bij de tuchtraad. Na het definitief advies van de tuchtraad werd op 9 november 2020 de zware tuchtstraf van ‘inhouding van de brutowedde met 10 % gedurende 2 maanden’ opgelegd. Het tuchtvergrijp betreft ook in dit tuchtdossier het klantonvriendelijk en respectloos bejegenen van de burger, en meer bepaald: ‘U hebt uw ambtsplichten miskend en de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht doordat u als onthaalmedewerkster een man, die in de nacht van 21 op 22 augustus 2019 omstreeks 03.09 uur in het ingangssas van het politiekantoor Noorderlaan was toegekomen en dewelke er tot 05.43 uur ongeveer op de grond heeft gelegen, geen hulp heeft geboden noch geverifieerd heeft of hij hulp nodig had. U heeft als onthaalmedewerkster de man niet binnengelaten hoewel hij herhaaldelijk op de deur klopte. De betrokken persoon heeft vervolgens bijna 3 uur in het ingangssas gelegen zonder dat hij werd aangesproken of geholpen en hebt u hiervan slechts éénmaal melding gemaakt aan een operationele medewerker. Aangaande deze feiten werd proces-verbaal AN.[…]/2019 wegens schuldig verzuim opgesteld.’ Gelet ik met de lichte tuchtstraf van 9 januari 2018 (blaam), de zware tuchtstraf van 6 juni 2018 (terugzetting in weddeschaal) en het voorstel van zware tuchtstraf van 28 februari 2020 u tevergeefs een krachtig signaal gaf om u te doen beseffen dat uw houding drastisch diende te worden veranderd. Gelet u evenwel met de feiten die aan de basis liggen van voorliggend inleidend XIV-38.586-43/53 verslag binnen een zeer korte tijdspanne opnieuw uw ambtsplichten hebt geschonden en de waardigheid van het ambt in het gedrang hebt gebracht. U lijkt niet te hebben geleerd uit de fouten van het verleden. Rekening houdend met al deze elementen en gezien uw tuchtverleden, is het duidelijk dat u niet beschikt over de juiste ingesteldheid en evenmin over het juiste normbesef om uw functie van medewerkster van een politiedienst uit te oefenen. Gelet op de negatieve functioneringsnota’s van 20 april 2020, 23 april 2020, 8 mei 2020 en 14 mei 2020 Gelet op de evaluatie van 15 juni 2019 met eindvermelding ‘bevredigend’. Onder punt 1.3 Realiseren van de doelstellingen van het evaluatieverslag wordt vermeld: ‘De doelstellingen opgesteld in 2016 werden beoogd te bereiken. [Verzoekster] zal toch de nodige aandacht moeten geven aan sociale vaardigheden, collegialiteit, geduld en aan haar klantvriendelijk optreden.’ Gelet op de analyse van uw verweerschrift van 29 juni 2020. Gelet op uw verhoor op datum van 8 juli 2020. Gelet op mijn besluit voorstel zware tuchtstraf van 14 juli 2020. Gelet op het advies van de tuchtraad gegeven op 17 november 2020. Gelet op de motivering bedoeld in punt 8. Gelet op mijn voornemen om het advies van de tuchtraad niet op te volgen van 8 december 2020. Gelet op de analyse van uw bijkomend verweerschrift, op datum van 15 december 2020. In mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid: Leg ik u, voor de feiten vervat in punt 2, de zware tuchtstraf op van het ontslag van ambtswege met ingang van 23 juni 2020 (datum voorlopige schorsing)”. Uit deze formele motivering blijkt dat een van de determinerende motieven voor het bepalen van de strafmaat, het feit is dat de hogere tuchtoverheid met “de lichte tuchtstraf van 9 januari 2018 (blaam), de zware tuchtstraf van 6 juni 2018 (terugzetting in weddeschaal) en het voorstel van zware tuchtstraf van 28 februari 2020 [verzoekster] tevergeefs een krachtig signaal gaf om [verzoekster] te doen beseffen dat [haar] houding drastisch diende te worden veranderd,” maar dat verzoekster “niet [lijkt] te hebben geleerd uit de fouten van het verleden.” Anders dan hoe verzoekster het ziet, is bij het bepalen van de strafmaat, niet de tuchtstraf van 9 november 2020 determinerend, maar wel het signaal op tuchtvlak dat zij heeft gekregen naar aanleiding van gelijkaardige feiten inzake het niet correct verder helpen van de burger. De drie aan verzoekster in het recente verleden tenlastegelegde tuchtfeiten strekken tot illustratie van het vastgestelde attitudeprobleem inzake het helpen van de burger. Indien zoals te dezen een algemeen gedrag van verzoekster als (mede determinerend) motief geldt voor de bepaling van de strafmaat, volstaat XIV-38.586-44/53 het dat het feitelijk bestaan van dit algemeen gedrag – het attitudeprobleem – naar behoren is bewezen. Verzoekster, op wie de stelplicht ter zake rust de schending van de materiëlemotiveringsplicht aan te voeren, voert zulks niet aan. Zij maakt evenmin aannemelijk dat, indien abstractie wordt gemaakt van de betwiste tuchtstraf, het feit dat verzoekster een krachtig signaal gegeven op tuchtvlak heeft genegeerd, niet langer deugdelijk is bewezen. Anders dan hoe verzoekster het ziet, is het al dan niet bepalen of een feit al dan niet een determinerend motief is ter ondersteuning van de strafmaat, geen zaak van opportuniteit maar van legaliteit waartoe de Raad van State bevoegd is te oordelen. Tot slot blijken de motieven voor de strafmaat op afdoende wijze uit de formele motivering van de betreden beslissing zodat het middelonderdeel, in de mate dat het steunt op de formelemotiveringsplicht, ongegrond is. 38. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. Tweede middelonderdeel 39. In het tussenarrest nr. 251.158 van 30 juni 2021 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middelonderdeel voorlopig als volgt geoordeeld: “Tweede onderdeel 34. In het tweede onderdeel acht verzoekster de formele motivering van de strafmaat niet in concreto onderbouwd omdat het stijlformules betreffen die geen steun vinden in het dossier en niet afdoende zijn. De draagwijdte van de geschonden geachte bepalingen is hiervoor aangegeven er wordt naar verwezen (supra, punt 22.). 35. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.7.). Er wordt naar verwezen. In tegenstelling tot hoe verzoekster het evenwel ziet, moet zoals hiervoor reeds is gesteld (supra, punt 22.) bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht rekening worden gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere -door verzoekster geciteerde en XIV-38.586-45/53 bekritiseerde -onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. Te dezen gaat verzoekster bij haar kritiek dat de formele motivering niet concreet en precies is en loutere stijlformules zijn, evenwel uit van een zeer selectieve lezing van de gegeven formele motivering, vermits haar kritiek op het eerste gezicht enkel steunt op wat (gedeeltelijk) onder punt 10 van de bestreden beslissing is gesteld, zonder dat zij evenwel in haar kritiek rekening houdt met wat in de overige onderdelen van de bestreden beslissing is gesteld inzake de door haar bekritiseerde stijlformules, noch uiteenzet dat ook met die overige onderdelen uit de formele motivering, de gegeven formele motivering haar geen afdoende zicht zou bieden in de reden waarom de betrokken straf werd opgelegd, opdat zij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. In het licht van het verzuim om de formele motivering in haar geheel te betrekken bij haar kritiek, maakt verzoekster niet aannemelijk dat de formele motivering inzake de strafmaat niet voldoende concreet of precies is. De enkele omstandigheid dat verzoekster een ander standpunt heeft en zich niet kan vinden in (het geheel van) de gegeven formele motivering, maakt die alvast daarom niet onwettig. 36. Verzoekster voert ook de schending van de materiëlemotiveringsplicht aan, zodat haar kritieken ook vanuit dat oogpunt op hun merites moeten worden beoordeeld. In de mate dat verzoekster het uitgedrukte motief dat iedere samenwerking onmogelijk is en het vertrouwen onherroepelijk is geschonden, onjuist bevindt omdat haar hiërarchische overheid slechts vroeg haar over te plaatsen (waarmee zij instemde), volstaat de vaststelling dat verzoeksters hiërarchische chef niet de (hogere) tuchtoverheid is. De enkele omstandigheid dat personeelsleden die over verzoekster geen tuchtbevoegdheid hebben een andere opvatting ter zake hebben dan de hogere tuchtoverheid, maakt derhalve op zich het argument niet onwettig dat samenwerking onmogelijk is geworden en het vertrouwen onherroepelijk is geschonden. In de mate dat verzoekster het motief bekritiseert dat haar gedrag doet blijken van een schending van het imago of de geloofwaardigheid van de politie, beperkt verzoekster zich tot het weergeven van een eigen feitelijke beoordeling van die impact, maar dat maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat, haar beoordelingsruimte te buiten is gegaan door te oordelen dat die feiten het imago en de geloofwaardigheid van de politie schenden. Eenzelfde conclusie geldt inzake verzoeksters kritiek op het motief dat niet is aangetoond dat van het andere politiepersoneel niet kan worden geëist dat het nog met verzoekster samenwerkt. Op zich lijkt dit een gevolgtrekking te zijn die de hogere tuchtoverheid afleidt uit de ernst van de bewezen feiten waarvan verzoekster niet aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid die, zonder haar beleidsruimte ter zake te schenden, niet kon maken. De enkele bewering dat deze gevolgtrekking niet is aangetoond, noch dat het geen feiten betreft die zich situeren in de inter-relationele sfeer onder collega’s, staan er derhalve aan de weg dat de hogere overheid tot die gevolgtrekking kon komen. Overigens bemerkt de Raad van State dat uit het verslag van het voorafgaand onderzoek, met inbegrip van de bijlagen, alvast blijkt dat collega’s zich ernstige vragen stelden bij het functioneren van verzoekster en de nadelige gevolgen daarvan. In de mate tot slot dat verzoekster meent dat de escalatie van het eerste gesprek integraal aan haar toeschrijven, niet correct en aanvaardbaar is, zodat het niet de bijzondere ernst van de feiten (ter motivering van de strafmaat) kan ondersteunen, doet verzoekster blijken van een eigen appreciatie van dit gesprek. Die maakt XIV-38.586-46/53 evenwel niet aannemelijk dat de appreciatie van de hogere tuchtoverheid dat “uit het eerste geluidsfragment in verband met de melding van IFG blijkt dat de situatie door [verzoeksters] onbeleefde, klantonvriendelijke en niet empathische houding volledig escaleert en deze houding een reëel gevaar kan inhouden voor de veiligheid van de burgers” onjuist is en in redelijkheid niet kan worden afgeleid uit dat geluidsfragment. 37. Het tweede onderdeel is niet ernstig.” 40. Verzoekster volhardt in de memorie van wederantwoord in haar standpunt uiteengezet in het verzoekschrift, zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Verzoekster is voorts niet meer ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep, zich hierbij in haar laatste memorie beperkend tot het volharden tot wat zij in eerdere processtukken heeft gesteld en dat ze de mening van het auditoraat niet deelt. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het tweede middelonderdeel thans ongegrond te bevinden. 41. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. Conclusie 42. Het vierde middel is ongegrond. D. Derde middel Uiteenzetting van het middel 43. Verzoekster voert in het derde middel de schending aan van het evenredigheidsbeginsel doordat de bestreden beslissing de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege oplegt, terwijl de gesprekken die aan verzoekster worden verweten van die uitzonderlijke aard zijn dat het voor om het even welke calltaker een onmogelijke opdracht is om die gesprekken te voeren op een uitsluitend klantvriendelijke wijze, waarbij de oproeper wordt geholpen. In het XIV-38.586-47/53 licht van die bijzondere omstandigheden - waaronder de specifieke inhoud van de oproepen - is de opgelegde strafmaat dan ook kennelijk onredelijk. Verzoekster schetst vooreerst de feiten en de omstandigheden. Zij licht toe, verwijzend naar het vierde middel, dat de motieven in het voorstel van zware tuchtstraf dat de feiten zeer ernstig zijn, dat het vertrouwen onherroepelijk geschonden is, iedere verdere samenwerking onmogelijk is en dat de geloofwaardigheid en het imago van de politie ernstig zijn geschaad, en dat verzoekster niet meer zou kunnen worden ingeschakeld in het politiekorps, onjuist en in strijd zijn met de realiteit. Zij doet gelden, verwijzend naar het tweede middel, dat zij geen tuchtfeiten heeft gepleegd. Daarenboven wordt de beweerde ernst van de feiten schromelijk overdreven. Zij stelt vast dat geen enkele beller een klacht heeft geformuleerd, wat volgens haar zeer zeker een indicatie is van de ernst van de feiten en de wijze waarop die feiten worden gezien door de bellers. Ten onrechte vertrekt de verwerende partij van een ideaalbeeld van hoe een gesprek tussen calltaker en oproeper verloopt, maar uit de gesprekken blijkt dat in de praktijk die gesprekken niet altijd verlopen in ideale omstandigheden. Daarbij komt dat de hiërarchische overste heeft gevraagd om verzoekster over te plaatsen omdat zij niet de geschikte persoon is om als calltaker te werken, maar dat in dat verslag niet wordt gesproken over tucht. Voorts moet ook rekening worden gehouden met verzoeksters recente evaluatie “bevredigend” die dateert van na de aangehaalde tuchtstraffen uit het verleden en dus een verzachtende omstandigheid vormt. Verzoekster concludeert dat een ontslag van ambtswege - zelfs gelet op het tuchtverleden - dan ook manifest onevenredig is en niet in verhouding staat tot de feiten en de omstandigheden zoals het gebrek aan opleiding, haar goede wil, de bijzondere aard en omstandigheden van de gesprekken, …. Daarenboven treft een ontslag van ambtswege verzoekster onevenredig hard in verhouding tot de feiten. Zij wijst ter zake op het feit dat zij alleenstaande is, op zichzelf is aangewezen voor haar inkomen en levensonderhoud en voor het dragen van de maandelijkse vaste kosten. Door het ontslag van ambtswege valt haar enige inkomen plots weg. Daar een tuchtrechtelijk ontslag doorgaans leidt tot een langdurige schorsing van het XIV-38.586-48/53 recht op werkloosheidsuitkering, heeft dit tot gevolg dat verzoekster gedurende lange tijd over geen enkel inkomen beschikt. Deze gevolgen zijn manifest onevenredig in verhouding tot de feiten die haar ten laste worden gelegd (en waarvan met stelligheid wordt betwist dat dit tuchtfeiten zijn). Dit geldt te meer nu het gelet op de leeftijd van verzoekster - 57 jaar - ver van evident is om nog een nieuwe betrekking op de arbeidsmarkt te vinden, zeker na een tuchtrechtelijk ontslag. 44. In de memorie van wederantwoord blijft verzoekster van mening dat de formele motieven voor de strafmaat op geen enkele wijze in concreto de ernst van de strafmaat verantwoorden. Zij vindt dat de beweerde ernst van de feiten schromelijk is overdreven, hernemend haar argument dat geen enkele beller een klacht heeft geformuleerd en dat ook de hiërarchische overste niet de toepassing van de tuchtprocedure vroeg. Voorts herneemt zij de motieven waarom volgens haar het ontslag van ambtswege manifest onevenredig is. In de laatste memorie deelt zij de mening niet die is uiteengezet in het arrest over de vordering tot schorsing van de bestreden beslissing en volhardt zij in hetgeen zij in haar eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. Ook herneemt zij en benadrukt zij dat zij nooit een ongunstige evaluatie kreeg en dat haar eerste teamleader haar werklust prees. Beoordeling 45. In het tussenarrest nr. 251.158 van 30 juni 2021 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld: “40. Verzoekster betwist in het derde middel de evenredigheid van de opgelegde tuchtstraf. Het komt aan de (hogere) tuchtoverheid toe te oordelen met welke tuchtsanctie een bepaald tuchtvergrijp moet worden gesanctioneerd. Het komt aan de Raad van State, binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan XIV-38.586-49/53 niet het evenredigheidsbeginsel schendt. Een schending van dat algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoekster de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoekster doen blijken dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. 41. Aangezien het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de opgelegde tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van evenredigheid enkel aan de door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten, die volgens haar doen blijken dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoekster rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door haar aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de hogere tuchtoverheid. 42. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid de straftoemeting specifiek heeft gesteund op enerzijds de ernst van de feiten waaraan zij zeer zwaar tilt omdat die ‘onverenigbaar zijn met de principes vervat in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een gestructureerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en in strijd zijn met de meest essentiële deontologische normen waaraan een personeelslid van een politiedienst dient te voldoen’ en omdat het verder laten functioneren van verzoekster, ‘de geloofwaardigheid en het imago van de politiedienst ernstig zouden schaden’ en anderzijds op het (recente) tuchtverleden voor gelijkaardige feiten, waarbij ook wordt gewezen op ‘het krachtig signaal’ dat van die (zware) recente tuchtstraffen uitging om haar houding aan te passen. Het middel steunt in belangrijke mate op het uitgangspunt dat verzoekster geen tuchtfeiten heeft gepleegd aangezien de motieven waarop dit besluit steunt onjuist zijn, alsook op het argument dat de motieven dat de feiten zeer ernstig zijn onjuist en in strijd zijn met de realiteit. Los van de vaststelling dat uit de beoordeling van het tweede en het vierde middel blijkt dat deze standpunten de vereiste ernst ontberen, betreffen deze argumenten de vraag of voldaan is aan de materiëlemotiveringsplicht. Zoals hiervoor reeds is gesteld, is de schending van het evenredigheidsbeginsel pas aan de orde wanneer vaststaat dat de bestreden beslissing steunt op motieven die haar in rechte en in feite kunnen verantwoorden. Hieruit volgt dat argumenten die de motieven betwisten, niet kunnen dienen ter adstructie van het standpunt dat de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van evenredigheid. In die mate is het middel niet ernstig. In de mate dat verzoekster doet gelden dat haar hiërarchische overheid slechts had gevraagd haar te herplaatsen, doet het toekennen van een zwaarder gewicht aan het tuchtfeit en de ernst ervan dan wat een personeelslid die over verzoekster geen tuchtbevoegdheid heeft, eraan geeft, op zich niet blijken dat de hogere tuchtoverheid, bij het bepalen van de strafmaat, de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsruimte inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. Hetzelfde geldt voor het niet bijtreden van en het niet hetzelfde gewicht geven aan de meest recente evaluatie en het feit dat verzoekster nooit een ongunstige XIV-38.586-50/53 evaluatie heeft gekregen. Op zich belet het gegeven dat verzoeksters evaluatie na de aan verzoekster opgelegde eerdere tuchtstraffen werd gegeven en dat zij nooit een negatieve evaluatie verkreeg, niet dat de hogere tuchtoverheid meer gewicht gaf aan het tuchtverleden van verzoekster en aan het recidive-karakter van de thans gepleegde feiten die zij als zeer ernstig inschat, te meer dat, luidens de bestreden beslissing, uit die recentste evaluatie ook blijkt dat verzoekster ‘toch de nodige aandacht [zal] moeten geven aan sociale vaardigheden, collegialiteit, geduld en aan haar klantvriendelijk optreden.’ De voorts door verzoekster in het middel aangehaalde ‘bijzondere omstandigheden’ van de haar tenlastegelegde gesprekken en het feit dat de bellers geen klacht jegens haar indienden, geven weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de zwaarwichtigheid van de in aanmerking genomen feiten en van verzoeksters gedrag, die duidelijk verschilt van die van de hogere tuchtoverheid, maar door deze niet bij te treden is de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan. Verzoeksters eigen opvatting maakt, getoetst aan de beoordeling door de hogere tuchtoverheid van de ernst van de feiten en de weerslag ervan op de openbare dienst, te weten het imago van de politiediensten, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de opgelegde tuchtstraf niet in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten en dat derhalve de hogere tuchtoverheid een beslissing heeft genomen die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Het argument tot slot dat de tuchtstraf voor verzoekster een ernstige financiële weerslag heeft en haar ernstig treft in haar inkomen en levensonderhoud, maakt op zich de keuze voor de straf niet onredelijk. De financiële impact en doorwerking naar de weerslag ervan op het voorzien in de normale uitgaven voor het levensonderhoud, betreffen het aan de opgelegde tuchtstraf eigen zijnde bestraffende karakter. Deze pecuniaire gevolgen doen, gelet op, enerzijds de door de hogere tuchtoverheid beoordeelde ernst van de feiten en de weerslag ervan op de openbare dienst, te weten het imago van de politiediensten, en anderzijds haar appreciatiebevoegdheid inzake de daarvoor op te leggen tuchtstraf, op zich niet besluiten dat het veroorzaakte pecuniaire leed van die aard is dat de hogere tuchtoverheid hierdoor de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. Hetzelfde geldt wat de weerslag van de bestreden beslissing betreft op het gerechtigd zijn op werkloosheidsuitkeringen en het feit dat het voor verzoekster, naar zij stelt, gelet op haar leeftijd niet evident zal zijn om een nieuwe betrekking op de arbeidsmarkt te vinden na een tuchtrechtelijk ontslag. De omstandigheid dat verzoekster een andere mening is toegedaan, maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het evenredigheids- beginsel moet blijken. Uit wat voorafgaat volgt dat de argumenten die verzoekster heeft aangevoerd, in de concrete omstandigheden van de zaak, niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissing tekortkomt aan de eis van evenredigheid.” 46. Verzoekster gaat niet akkoord met de overwegingen in het arrest over de vordering tot schorsing, doch beperkt zich in de memorie van XIV-38.586-51/53 wederantwoord en in haar laatste memorie tot het samenvattend hernemen van haar argumenten ontwikkeld in het verzoekschrift. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter XIV-38.586-52/53 Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.586-53/53 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.647 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.158 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div