id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.648 Rolnummer: A. 232632/XIV-38563 Zaak: Arrest 255648 - Tucht (openbaar ambt) - 31/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-03 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 08:19 Fiche Arrest nr 255.648 van 31 januari 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.648 van 31 januari 2023 in de zaak A. 232.632/XIV-38.563 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Liesbet Vandendriessche kantoor houdend te 9051 Gent Raymonde de Larochelaan 19b bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas De Donder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 270 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 9 november 2020 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van de inhouding van 10% van de bruto maandwedde gedurende twee maanden wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.563-1/8 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Liesbet Vandendriessche, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is assistent in het administratief en logistiek kader bij de lokale politiezone Antwerpen (PZ 5345). Sinds 10 maart 2020 is zij tewerkgesteld als calltaker bij het callcenter van de Blauwe Lijn. 3.
- De hogere tuchtoverheid beslist op 9 november 2020 aan verzoekster de zware tuchtstraf van inhouding van 10% van de bruto maandwedde gedurende twee maanden op te leggen. XIV-38.563-2/8 Dit is de bestreden beslissing. 3.
- De hogere tuchtoverheid beslist op 4 januari 2021 aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Deze beslissing tot ontslag van ambtswege is opgelegd met een retroactieve werking tot, luidens die beslissing, de datum van de voorlopige schorsing, dat wil zeggen met ingang vanaf 23 juni 2020 (datum voorlopige schorsing) Het beroep tot nietigverklaring van die beslissing is verworpen bij arrest nr. 255.647 van heden. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie wegens gebrek aan belang Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat het belang van verzoekster “onzeker” is. Zij is immers op 4 januari 2021 ontslagen, zodat een vernietiging van de bestreden beslissing haar geen enkel voordeel meer kan bieden, “tenzij uw Raad van oordeel zou zijn dat de beslissing tot ontslag zou moeten vernietigd worden in de procedure G/A 232.867/XIV- 38.586.”
- Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord dat zij, gelet op de materiële en morele gevolgen van de bestreden beslissing, over een “evident belang” beschikt bij het voorliggende beroep. Los van de vaststelling dat zij eveneens het ontslag van ambtswege aanvecht, is het volgens verzoekster vaste rechtspraak dat ook nadat een personeelslid het bestuur heeft verlaten, het een belang behoudt bij het aanvechten van een eerdere tuchtstraf. Een tuchtstraf impliceert immers een afkeuring van de wijze waarop het XIV-38.563-3/8 personeelslid zijn functie heeft uitgeoefend, zodat het personeelslid minstens een moreel belang behoudt. Daarnaast behoudt verzoekster in casu ook een materieel belang, “daar bij een vernietiging van de aangevochten tuchtstraf de ingehouden wedde zal moeten worden terugbetaald, los van het lot van het beroep tegen de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege.” Beoordeling
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.
- en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar XIV-38.563-4/8 beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven.
- Verzoekster voert vooreerst een moreel belang aan verbonden aan de afkeuring van de wijze waarop zij haar functie heeft uitgeoefend. Verzoekster is evenwel op 4 januari 2021 om andere tuchtrechtelijke redenen definitief ontslagen uit het ambt (zie supra, punt 3.3.). Die beslissing is definitief. Uit artikel 5 van de tuchtwet blijkt dat, op een totaal van vijf zware straffen, het ontslag van ambtswege de op een na zwaarste tuchtstraf is, terwijl de inhouding van wedde de lichtste onder de zware tuchtstraffen is. Voorts heeft het definitief ontslag uitwerking vanaf 23 juni 2020, i.e. vooraleer dat de thans bestreden beslissing uitwerking heeft. In die feitelijke context blijkt niet dat de aangevoerde morele schade en afkeuring besloten in de thans bestreden tuchtrechtelijke beslissing tot inhouding van wedde, zich onderscheidt van die welke voortvloeit uit het definitief geworden ontslag van ambtswege en die uit zijn aard zwaardere en verstrekkendere gevolgen heeft - waaronder het oneervol verlies van de hoedanigheid van personeelslid - en die met retroactieve werking uitwerking heeft vooraleer de thans bestreden beslissing uitwerking heeft (zie supra, punt 3.3.). In deze feitelijke context doet verzoekster niet blijken noch maakt zij aannemelijk dat het moreel nadeel ingevolge de thans bestreden beslissing niet is opgeslorpt door de tenuitvoerlegging van de bijna twee maanden later opgelegde, definitieve beslissing tot ontslag van ambtswege die bovendien is ingegaan voor de thans bestreden beslissing. Hieruit volgt dat verzoekster niet doet blijken dat XIV-38.563-5/8 een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing haar kan behoeden voor het morele nadeel dat zij lijdt door het ontslag van ambtswege. Zij getuigt derhalve niet van een moreel belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. De rechtspraak die verzoekster aanhaalt leidt niet tot een ander besluit vermits verzoekster niet doet blijken dat er in die gevallen sprake was van opslorping van het moreel belang door een zwaardere tuchtstraf die al uitwerking had op het ogenblik dat de bestreden tuchtbeslissing is genomen.
- Rest derhalve het onderzoek of naar verzoekster betoogt, de eventuele vernietiging van de bestreden beslissing zou inhouden dat de ingehouden wedde zal moeten worden terugbetaald. Met andere woorden, verzoekster doet een financieel nadeel gelden rechtstreeks volgend uit de vernietiging nu bij eventuele vernietiging van de bestreden beslissing de procedure niet meer kan worden overgedaan vermits verzoekster onderwijl geen personeelslid meer is van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten in de zin van artikel 2 van de tuchtwet. Centraal staat derhalve of er te dezen op grond van de bestreden beslissing daadwerkelijk wedde werd ingehouden. In dat verband moet worden gewezen op het feit dat de kort erop volgende tuchtbeslissing tot ontslag van ambtswege is opgelegd met een retroactieve werking tot, luidens die beslissing, de datum van de voorlopige schorsing. Die situeert zich, zoals reeds is vastgesteld, voor de datum van uitwerking van de thans bestreden beslissing. Voorts lijkt uit die terugwerkende kracht van die definitieve beslissing te volgen dat toepassing werd gemaakt van artikel 65, tweede lid, van de tuchtwet en dat de tuchtbeslissing tot ontslag is genomen “in aansluiting op een voorlopige schorsing.” Niet blijkt uit de overgelegde stukken of in die concrete omstandigheden van opeenvolgende tuchtstraffen, er in (uitsluitende) uitvoering van de bestreden beslissing – en inzonderheid niet op grond van een voorlopige schorsing met inhouding van een (groter) weddegedeelte die later met toepassing XIV-38.563-6/8 van artikel 65, tweede lid, van de tuchtwet met terugwerkende kracht werd “geregulariseerd” door de tuchtbeslissing tot ontslag van ambtswege – daadwerkelijk wedde werd ingehouden. Kortom, verzoekster voert het bewijs niet aan dat daadwerkelijk is overgegaan tot wedde-inhouding. Deze bewijsaangelegenheid is evenwel niet door de partijen aangevoerd of ter sprake gebracht, noch onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek. Ze is aldus niet het voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat. Aangezien het een element betreft dat desgevallend de beslechting van het beroep kan beïnvloeden, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova / Bulgarije, punt 42; EHRM 5 september 2013, Čepek / Tsjechische Republiek, punt 45).
- Het debat moet derhalve wat de in punt 8 vermelde aangelegenheid betreft, worden heropend. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Aan de partijen wordt een termijn van vijftien dagen gegeven om een memorie, te samen met de nodige overtuigingsstukken, maar beperkt tot de in het voorliggende arrest ambtshalve aangehaalde aangelegenheid, in te dienen na de kennisgeving van het onderhavige arrest.
- De zaak wordt vastgesteld op de terechtzitting van 15 maart 2023 om 14.00 uur.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster weggelaten. XIV-38.563-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.563-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.648 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.201 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.