← België

Arrest 255654 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.654 Rolnummer: A. 237486/VII-41708 Zaak: Arrest 255654 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-07 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-10 08:19 Fiche Arrest nr 255.654 van 31 januari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.654 van 31 januari 2023 in de zaak A. 237.486/VII-41.708 In zake :

  1. Marc AMELINCKX
  2. Bruno LUYTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jeroen De Coninck en Tinneke Huyghe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 211 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV EDF LUMINUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Vanessa McClelland kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 14 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0019 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 8 september 2022 in de zaak 2021-RvVb-0805-A. VII-41.708-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 17 november
  5. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 22 november 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Met een verzoekschrift van 17 januari 2023 heeft de nv EDF Luminus gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 januari
  6. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tinneke Huyghe, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Vanessa McClelland, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. VII-41.708-2/7 III. Feiten
  8. Het Vlaamse Gewest verleent op 21 mei 2021 aan de nv EDF Luminus en de nv Alcon Couvreur een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van een windturbine en aanhorigheden.
  9. Het bestreden arrest verwerpt de vijf middelen en bijgevolg het beroep van Marc Amelinckx en Bruno Luyten tegen de omgevingsvergunning van het Vlaamse Gewest. IV. Tussenkomst
  10. De nv EDF Luminus blijkt voordeel te halen uit het bestreden arrest en heeft er belang bij dat het beroep wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek worden ingewilligd. V. Onderzoek van het middel Standpunt van Marc Amelinckx en Bruno Luyten
  11. Marc Amelinckx en Bruno Luyten voeren aan: “[…] schending van het algemeen beginsel van de motiveringsplicht, artikel 149 GW en artikel 32 DBRC-decreet, in combinatie gelezen met artikel 19, artikel 20 en artikel 21 OVD, artikel 4.3.3, §2 DABM en artikel 2, §6-7 van het project-MER-besluit Terwijl het algemeen beginsel van de motiveringsplicht, artikel 149 GW en artikel 32 DBRC-decreet vereisen dat elke uitspraak van de rechter met redenen omkleed is en een intern tegenstrijdige motivering gelijkgesteld wordt met een gebrek aan motivering; Terwijl artikel 19, artikel 20 en artikel 21 OVD, artikel 4.3.3, §2 DABM en artikel 2, §6-7 project-MER-besluit opleggen dat een volledige project-MER-screeningsnota deel uitmaakt van het aanvraagdossier in eerste aanleg en dat het ontbreken van (een gedeelte van) deze nota niet kan worden hersteld in graad van beroep; Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen overweegt dat het wijzigingsverzoek van de aanvragers geen aanvulling in graad van beroep inhoudt van de project-MER-screeningsnota en tegelijkertijd dat VII-41.708-3/7 eerste verwerende partij in cassatie ‘deze bijkomende gegevens betrokken heeft bij haar beoordeling’ en dat niet wordt aangetoond dat ‘het wijzigingsverzoek nieuwe informatie bevat die de opmaak van een project-MER noodzakelijk zou maken’; Doordat het tegenstrijdig is om enerzijds vast te stellen dat eerste verwerende partij in cassatie het wijzigingsverzoek met aanvulling van de project-MER-screeningsnota betrekt bij haar beoordeling en dat het aan verzoekende partijen in cassatie toekomt om aan te tonen dat uit de aangevulde project-MER-screeningsnota de opmaak van een project-MER blijkt, maar dit anderzijds niet te kwalificeren als een herstel in graad van beroep van een ontbrekend gedeelte van een project-MER-screeningsnota; Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen hierdoor toelaat dat een ontbrekend gedeelte van de project-MER-screeningsnota wordt toegevoegd in graad van beroep, waardoor een onregelmatigheid in het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek uit eerste aanleg wordt hersteld en dit niet wordt verhinderd door de beoordeling van de milieueffecten van de aanvraag door eerste verwerende partij in cassatie en het feit dat verzoekende partijen in cassatie de aanzienlijke omvang van de milieueffecten niet zouden aantonen; Zodoende zijn de betreffende hierboven opgesomde bepalingen en beginselen geschonden”. Beoordeling
  12. Het middel is gericht tegen de beoordeling door de RvVb van het eerste middel van Marc Amelinckx en Bruno Luyten.
  13. Het bestreden arrest overweegt dat: - het middel “beperkt is tot het betoog dat de nota van [de nv EDF Luminus] bij het wijzigingsverzoek een bijkomende beschrijving voor de effecten op het aspect mobiliteit omvat, wat als ‘reparatie’ meegenomen is in de bestreden beslissing” en dat “[d]ergelijk herstel […] niet op ontvankelijke wijze voor het eerst [kan] in de bestuurlijke beroepsfase”; - Marc Amelinckx en Bruno Luyten in essentie aanvoeren “dat de ‘effecten op de mobiliteit’ naar aanleiding van de ‘uitvoering van het dempen van de vijver an sich’ ontoereikend werden onderzocht in de screeningsnota en op onontvankelijke wijze werden ‘hersteld’ in graad van bestuurlijk beroep”; - uit de stukken van het administratief dossier en de bestreden vergunningsbeslissing blijkt dat het Vlaamse Gewest “zich bewust is van de VII-41.708-4/7 mogelijke milieueffecten ‘van de uitvoering van het dempen van de vijver’ en dat [het] daaraan de nodige aandacht heeft besteed, maar tot de vaststelling komt dat er geen aanzienlijke milieueffecten kunnen worden verwacht”; - Marc Amelinckx en Bruno Luyten “niet aan[tonen] dat het wijzigingsverzoek nieuwe informatie bevat die de opmaak van een project-MER noodzakelijk zou maken”, dat hun kritiek “dat de bestreden beslissing geen afdoende motivering bevat over hun argument dat de screeningsnota onvolledig was, […] dan ook niet dienstig” is, en dat zij niet aantonen dat het Vlaamse Gewest “niet zorgvuldig is geweest bij [zijn] onderzoek en beoordeling van de aanvraag”; - “de transportbewegingen, die gepaard gaan met het dempen van de vijver […] maar ‘tijdelijk’ en ‘beperkt’” zijn en dat in zoverre Marc Amelinckx en Bruno Luyten “vooropstellen dat de effecten ‘op de vijver en de beschermde vogelsoorten en vleermuizen in de omgeving’ op ontoereikende wijze in de screeningsnota zijn vastgesteld”, het niet volstaat “om louter aan te voeren dat de motivering over die effecten niet afdoende is” terwijl het Vlaamse Gewest “concreet de milieueffecten naar aanleiding van de demping van de vijver [heeft] kunnen inschatten, zowel wat betreft de vijver als wat betreft de daar aanwezige diersoorten”; - Marc Amelinckx en Bruno Luyten tonen “dan ook niet aan dat de bij de aanvraag gevoegde screeningsnota gebrekkig is”; - de nv EDF Luminus heeft “met haar ‘wijzigingsverzoek’ […] willen antwoorden op het bestuurlijk beroepschrift”, dat Marc Amelinckx en Bruno Luyten “niet aannemelijk [maken] dat de informatie die daarin is bijgevoegd, een herstelling inhoudt van een gebrekkige screeningsnota” en het Vlaamse Gewest “niet ten kwade [kan] geduid worden dat [het] deze bijkomende gegevens betrokken heeft bij [zijn] beoordeling, aangezien de partijen hiervan op de hoogte waren en ze hierover tegenspraak hebben kunnen voeren”. Het bestreden arrest verwerpt het middel van Marc Amelinckx en Bruno Luyten met het besluit: “De verzoekende partijen falen in hun stelplicht. Ze slagen er met hun betoog niet in om aan te tonen dat de project-m.e.r.-screeningnota dermate VII-41.708-5/7 ontoereikend is dat het de verwerende partij niet toeliet om met kennis van zaken te oordelen of er van de aanvraag op het vlak van de ‘milieueffecten van de uitvoering van het dempen van de vijver an sich’ al dan niet aanzienlijk milieueffecten te verwachten zijn, noch dat de verwerende partij op onjuiste of kennelijk onredelijke wijze oordeelt dat er op dat punt geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. De ingediende project-m.e.r.-screeningsnota werd op het geviseerde punt dus niet, zoals de verzoekende partijen voorhouden ‘hersteld’”.
  14. Het middel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest “toelaat dat een ontbrekend gedeelte van de project-MER-screeningsnota wordt toegevoegd in graad van beroep” mist feitelijke grondslag. Het bestreden arrest verwerpt immers de grief van Marc Amelinckx en Bruno Luyten “dat de ‘effecten op de mobiliteit’ naar aanleiding van de ‘uitvoering van het dempen van de vijver an sich’ ontoereikend werden onderzocht in de screeningsnota en op onontvankelijke wijze werden ‘hersteld’ in graad van bestuurlijk beroep” en besluit dat “[d]e ingediende project-m.e.r.-screeningsnota […] op het geviseerde punt dus niet [werd] ‘hersteld’”.
  15. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  16. Het verzoek van de nv EDF Luminus tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  17. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  18. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-41.708-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig januari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-41.708-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.654 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.