id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.671 Rolnummer: A. 234070/VII-41165 Zaak: Arrest 255671 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-07 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 08:20 Fiche Arrest nr 255.671 van 2 februari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.671 van 2 februari 2023 in de zaak A. 234.070/VII-41.165 In zake : Johan DE MOL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 Kortrijk Nelson Mandelaplein 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partijen :
- Wim HENKENS
- Erik VAN DEN BERGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 juli 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1039 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 27 mei 2021 in de zaak 1920-RvVb-0457-A. VII-41.165-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 253.909 van 2 juni 2022 is het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek van de zaak. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 2 september 2022 een aanvullend verslag opgesteld, op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie- procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Vandromme, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Laura Vandervoort, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-41.165-2/10 III. Feiten
- De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) verleent op 12 december 2019 aan Erik Van Den Berghe en Wim Henkens een stedenbouwkundige vergunning “voor de bouw van een open eengezinswoning”.
- Het bestreden arrest verwerpt het middel en bijgevolg het beroep van verzoeker tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker herneemt in zijn verzoekschrift tot voortzetting van de procedure na het aanvullend auditoraatsverslag het tweede middel zoals uiteengezet in zijn memorie van wederantwoord.
- Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoekende partij luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”.
- Het aanvullend auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van verzoeker. Dit procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre daarin wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. VII-41.165-3/10 V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van verzoeker
- Verzoeker voert de schending aan van artikel 7.4.4, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit). Verzoeker stelt in de hoofding van zijn middel dat de motivering van het bestreden arrest “gebrekkig en foutief” is. Hij zet vervolgens uiteen: “Verzoeker is van oordeel dat de RvVb [zijn] middel niet op correcte wijze heeft beoordeeld, en voor kritiek vatbaar is, en meer specifiek wat betreft de beoordeling van de bestemmingsvoorschriften en alle documentatie tot grensbepaling dat in het dossier voorligt. […] Het komt er dus op neer dat de motivering van de RvVb erin bestaat dat: - De nota van 28 september 2016 afdoend bij de beslissing van de Deputatie werd betrokken. - Verzoeker niet zou staven dat zij ‘de juiste versie’ (van het gewestplan) gebruikt heeft. - Verzoeker in het middel niet zou aantonen dat de feitelijke vaststelling in de bestreden beslissing over de ligging van de woning onjuist zou [zijn], en de motivering niet draagkrachtig is. - Verzoeker slechts louter zou verwijzen naar het technisch advies van 18 april 2019 en ‘in het midden’ zou laten ‘waarom de motivering in de bestreden beslissing niet afdoende zou zijn’. Verzoeker vindt dit een gebrekkige motivering van de RvVb, waarbij ook te weinig rekening werd gehouden met de argumenten in het middel van Verzoeker. VII-41.165-4/10 Een en ander moet ook in het licht worden geplaatst van het eerder arrest van diezelfde RvVb in voorliggend dossier, waarbij de RvVb op 29 januari 2019 (met het arrest nr. A - 1819-0554), net het volgende stelde: ‘De bepaling van de planologische bestemming van een perceel volgens het gewestplan moet steunen op de originele, bij het gewestplan gevoegde kaartbladen, waarop de bestemmingen van de betrokken gebieden aangegeven worden. Uit geen gegeven of stuk van het administratief dossier blijkt dat de gehanteerde diepte van vijftig meter vanaf de grens van de buurtweg het resultaat is van een berekening die uitgaat van de bestemmingskaart van het originele gewestplan. Ook in hun verweer bieden de verwerende partij en de tussenkomende partijen geen verantwoording waarom het woongebied vanaf de rooilijn van de buurtweg volgens het gewestplan vijftig meter zou bedragen. De diepte van vijftig meter om het woongebied of te bakenen, dient zich dan ook als een loutere aanname aan. De afwijzing van het bewijsmateriaal van de verzoekende partij wordt niet deugdelijk gemotiveerd.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond.’ Verzoeker formuleert de volgende kritiek op de motieven van de RvVb in voorliggend bestreden arrest: - Het motief ‘De ‘16 stappen’ die uitgevoerd werden, hebben de versie als basis die de verzoekende partij als de ‘originele versie’ beschouwt’ is onduidelijk en onleesbaar. Het is onduidelijk wat de RvVb hiermee bedoelt. - Dat volgens de RvVb de nota van 28 september 2016 afdoend bij de beslissing van de Deputatie werd betrokken, is een te beperkte lezing van het middel van Verzoeker. Immers, uit randnummer 18 van het inleidend verzoekschrift blijkt duidelijk dat Verzoeker twee (!) technische adviezen aan het dossier heeft toegevoegd, en van het uitvoerig advies van 18 april 2019 zelfs geen melding is gemaakt. - De RvVb vindt in huidig bestreden arrest een visuele vergelijking van de afdrukken van het gewestplan klaarblijkelijk afdoende, terwijl ze net in haar eigen beslissing van 29 januari 2019 stelde dat de Deputatie zich bij haar beslissing moest steunen op de originele kaartbladen. - De RvVb vindt blijkbaar dat Verzoeker zijn middel niet voldoende heeft gestaafd en niet zou aantonen wat onjuist zou zijn aan de beoordeling van de ligging van de woning in de bestreden beslissing. Zo stelt de RvVb zelfs dat Verzoeker slechts louter zou verwijzen naar het technisch advies van 18 april 2019 en ‘in het midden’ zou laten ‘waarom de motivering in de bestreden beslissing niet afdoende zou zijn’. Verzoeker is het daar helemaal niet mee eens, en dat blijkt genoegzaam uit randnummer 19 van het inleidend verzoekschrift. Ook alle relevante stukken werden (zowel digitaal als in hard copy) aan het dossier bij de RvVb toegevoegd, maakten deel uit van het administratief dossier, en de argumentatie waarop de redenering van Verzoeker gestoeld was. En dit zowel in de administratieve beroepsprocedure als de vernietigingsprocedure bij de RvVb. Met deze stukken wordt onverkort net wél aangetoond dat het grootste deel van de woning in het groengebied is gelegen. Het lijkt erop dat de RvVb van oordeel is dat, wa[t] in deze adviezen en stukken stond, ook integraal VII-41.165-5/10 moest worden overgenomen in het verzoekschrift zelf. Verzoeker deelt deze zienswijze niet. Uit de motivering van de RvVb valt niet af te leiden waarom de aangevoerde argumenten en documenten niet zouden aantonen dat de woning voor het grootste deel in het groengebied is gelegen. Omgekeerd maakt de RvVb het zichzelf erg makkelijk door dan maar te stellen dat die documenten het niet zouden aantonen. Dit is onjuist. De bijlage 4 van de nota van 28 september 2016 geeft nochtans een vergelijking van de grenslijn bestemmingszone van het detail van originele gewestplan ter hoogte van het terrein in kwestie met de gedrukte versie. De bijlage 6 van diezelfde nota maakt dit grafisch nog duidelijker door beide kaarten (origineel gewestplan + gedrukte versie) op elkaar te projecteren. De grenslijn bestemmingszone origineel gewestplan wordt gemarkeerd in groene kleur, de grens volgens de gedrukte versie wordt gemarkeerd in blauwe kleur. De RvVb lijkt de motivering van de Deputatie zonder meer voor correct aan te nemen, en geeft niet aan waarom deze visuele vergelijking van een uittreksel zou kunnen volstaan. Een en onder klemt eens te meer nu diezelfde RvVb zélf in haar eerder arrest over dit geschil aanduidde dat een ‘bepaling van de planologische bestemming van een perceel volgens het gewestplan moet steunen op de originele, bij het gewestplan gevoegde kaartbladen’. Daaraan gekoppeld is deze overweging van de RvVb dan ook bevreemdend: ‘Wordt het bedoelde uittreksel met de versies bij de nota van 28 september 2010 vergeleken, dan kan de verwerende partij nochtans geen onjuiste voorstelling worden verweten door aan de hand van de gehanteerde referentiepunten een overeenstemming te zien met de ‘gedrukte versie’ en met de ‘originele versie’ waarvan verzoekende partij uitgaat.’ Verzoeker is van oordeel dat de RvVb het haar voorliggende middel niet op een afdoende wijze heeft onderzocht, foutief heeft beoordeeld en ook haar motieven, om het middel af te wijzen, niet kunnen volstaan. Alle eerder onder randnummer 13 voormelde bepalingen zijn dan ook geschonden”. Beoordeling
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 7.4.4, § 1, VCRO, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 13 van het inrichtingsbesluit zonder uiteenzetting van de wijze waarop het bestreden arrest deze bepalingen schendt, is niet ontvankelijk. VII-41.165-6/10
- Het middel dat aanvoert dat de RvVb het middel van verzoeker “niet op een afdoende wijze heeft onderzocht, foutief heeft beoordeeld en ook [zijn] motieven, om het middel af te wijzen, niet kunnen volstaan”, noopt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf waartoe hij als cassatierechter overeenkomstig artikel 14, § 2, RvS-wet niet bevoegd is.
- Het middel gaat terug op de beoordeling in het bestreden arrest van het enige middel van verzoeker: “[…] Het bewijsmateriaal van de verzoekende partij dat in de vernietigde beslissing onbesproken gelaten werd, bestaat uit een nota gedateerd 28 september 2016 van een landmeter-expert met zes bijlagen. De conclusie dat de woning de zonegrens met groengebied overschrijdt, wordt bereikt op grond van een projectie van het kadasterplan op een uitvergroting van het bestemmingsplan (kaartblad 23/5) van wat als het ‘origineel gewestplan’ aangeduid wordt (bijlage 3). Volgens de projectie wordt de zonegrens met elf meter overschreden. De nota bevat een tweede grensbepaling op wat de ‘gedrukte versie van het gewestplan’ genoemd wordt. De verschillen op de bestemmingskaart tussen het ‘origineel gewestplan’ met de ‘gedrukte versie’ worden in bijlage 4 weergegeven, meer bepaald dat ter hoogte van de betrokken eigendom de strook woongebied langs de vroegere buurtweg nr. 119 ‘aanzienlijk breder’ is op de ‘gedrukte versie van het gewestplan’ en dat op de ‘gedrukte versie’ de woonzone niet tot de waterloop reikt. Bijlage 6 is een projectie van ‘de gedrukte versie van het gewestplan op de originele’, met aanduiding waar de zonegrens volgens beide versies ligt. Op de ‘gedrukte versie’ is het woongebied ter hoogte van het perceel 22,30 meter dieper. Als de ‘gedrukte versie’ van het gewestplan als basis voor de grensbepaling gebruikt wordt, besluit de nota dat de woning zich geheel in woongebied bevindt. […] In de bestreden beslissing vergelijkt de verwerende partij de versies van het gewestplan bij de nota van 28 september 2016 met het uittreksel van het origineel gewestplan (kaartblad 23/5) dat ze in de hernomen administratieve beroepsprocedure van het Departement Omgeving ontvangen heeft (stuk nr. 2 van de verzoekende partij). De verwerende partij komt tot de conclusie dat de versie die in de nota en bijlagen als de ‘gedrukte versie’ bestempeld wordt, identiek is aan het uittreksel van het origineel gewestplan dat het departement haar bezorgd heeft, en dat in de nota de verkeerde versie als de originele versie aangeduid wordt. Zo stelt de verwerende partij vast ‘dat de zonegrens op de bouwplaats naar buiten bolt ten opzichte van de vroegere buurtweg, en niet naar binnen, en dat op het origineel gewestplan de westelijk gelegen uitstulping van het woongebied in de Brugstraat de waterloop niet raakt (dit verschilpunt werd met nummer 2 aangeduid op [het] uittreksel van de gewestplanversies in de nota)’. Op grond van de eigen berekeningen van de landmeter van de VII-41.165-7/10 verzoekende partij besluit de verwerende partij dat de woning volledig in woongebied gelegen is en zelfs 11,30 meter van de zonegrens verwijderd blijft. […] Het verwijt dat de verwerende partij de nota van 28 september 2016 niet bij haar beoordeling betrokken heeft, is onjuist, zoals uit het voorgaande mag blijken. De verzoekende partij toont niet aan dat de feitelijke vaststelling in de bestreden beslissing van de identiteit van het uittreksel van het origineel gewestplan met haar ‘gedrukte versie’ onjuist is. Zij volhardt in de juistheid van haar versie en noemt een louter visuele vergelijking ‘veel te onnauwkeurig’. Wordt het bedoelde uittreksel met de versies bij de nota van 28 september 2016 vergeleken, dan kan de verwerende partij nochtans geen onjuiste voorstelling worden verweten door aan de hand van de gehanteerde referentiepunten (de vroegere buurtweg en de beek) een overeenstemming te zien met de ‘gedrukte versie’ en niet met de ‘originele versie’ waarvan de verzoekende partij uitgaat. Ook de schriftelijke replieken van 23 januari 2020 (stuk nr. 6) en van 10 september 2020 (stuk nr. 7) van de landmeter van de verzoekende partij doen niet tot het tegendeel besluiten. De verzoekende partij blijft bij haar stelling dat ze de juiste versie gebruikt heeft zonder dat te staven. De ’16 stappen’ die uitgevoerd werden, hebben de versie als basis die de verzoekende partij als de ‘originele versie’ beschouwt. De kritiek dat het betrokken uittreksel niet beschikbaar was voor ‘de provinciale dienst’; is feitelijk onjuist. De provinciale stedenbouwkundige ambtenaar heeft op 15 november 2019 een derde verslag uitgebracht na van het Departement Omgeving het uittreksel van het originele gewestplan te hebben ontvangen. De motivering in de bestreden beslissing is eensluidend met het derde verslag. De in artikel 4.7.23, §1 VCRO besloten normatieve hoorplicht, zoals aangevuld met de waarborgen die uit het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht voortvloeien, vereist dat elke betrokkene in de gelegenheid gesteld wordt om vooraf op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen alvorens de deputatie over het beroep beslist. De verzoekende partij weerlegt niet dat haar ‘gedrukte versie’ van het gewestplan overeenstemt met het uittreksel van het originele gewestplan, zodat zij ook niet staande kan houden dat de verwerende partij de bestreden beslissing op basis van een haar onbekend stuk genomen zou hebben. Het valt voorts niet in te zien waarom de verzoekende partij nog vooraf gehoord had moeten worden over de eigen berekeningen die zij op basis van de als ‘gedrukte versie’ bestempelde versie uitgevoerd heeft en de daaruit gemaakte gevolgtrekkingen, te weten dat de aangevraagde woning zich volledig binnen woongebied bevindt. Vergeefs voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij niet expliciet op het ‘technisch advies’ van 18 april 2019 van de landmeter ingegaan is. De verzoekende partij laat met die loutere verwijzing in het midden waarom de motivering in de bestreden beslissing niet afdoende zou zijn. Als orgaan van actief bestuur hoeft de verwerende partij niet op elk voor haar aangebracht stuk of argument te antwoorden”. VII-41.165-8/10
- De bij artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC.
- Het middel dat de schending van de rechterlijke motiveringsverplichting aanvoert omdat de motieven van het bestreden arrest “gebrekkig en foutief” zijn, bij de motivering in het bestreden arrest “te weinig rekening werd gehouden met de argumenten in het middel van verzoeker”, de motivering van het bestreden arrest onjuist of “bevreemdend” is, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt om die reden.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-41.165-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.165-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.671 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.909 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div