← België

Arrest 255674 - Milieuvergunningen - 03/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.674 Rolnummer: A. 234568/VII-41210 Zaak: Arrest 255674 - Milieuvergunningen - 03/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-07 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-10 08:21 Fiche Arrest nr 255.674 van 3 februari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.674 van 3 februari 2023 in de zaak A. 234.568/VII-41.210 In zake: de NV DESCHACHT PLASTICS BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Astrid Lippens kantoor houdend te 9000 Gent Nieuwebosstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 27 januari 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 9 juli 2021 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de toezichthouder van de stad Gent van 26 maart 2021 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.210-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 februari 2023, om 11 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jasper De Coster en Astrid Lippens, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verzoekende partij exploiteert een groothandel in bouwmaterialen aan de Antwerpsesteenweg 1070-1072 te Oostakker. 3.
  5. Bij besluit van 26 maart 2021 verplichten de burgemeester en de toezichthouder van de stad Gent de verzoekende partij tot “uitvoering van structurele maatregelen op het terrein […], waarbij de structurele maatregelen als gevolg hebben dat de geluidsnormen in de buurt niet langer worden overschreden”. De maatregelen moeten binnen een termijn van drie maanden worden uitgevoerd. Het besluit houdende bestuurlijke maatregelen bepaalt nog: “Voor de keuze van de uit te voeren structurele maatregelen dient men zich te baseren op de resultaten van een nog te organiseren representatief akoestisch onderzoek in de zin van bijlage 4.5.
  6. van Vlarem II, waarin ook een opsomming van maatregelen dient te worden opgenomen waardoor niet langer sprake meer kan zijn van overschrijdingen van de geluidsnormen in de buurt. Het akoestisch onderzoek alsook de maatregelen dienen te worden VII-41.210-2/6 uitgewerkt in samenspraak met een erkend milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen. Onder structurele maatregel wordt elke op de resultaten van het akoestisch onderzoek gebaseerde maatregel begrepen die leidt tot de verlaging van de geluidsoverdracht bij buren zodat de geluidsnormen in de buurt door de exploitatie van Deschacht Plastics Belgium nv worden nageleefd, en dit zonder afhankelijk te zijn van de goodwill van medewerkers, bezoekers of leveranciers. Dit kan bijvoorbeeld gaan over het herlokaliseren van activiteiten en/of laad- en losactiviteiten binnen het terrein, het anders invullen van het gebruik van loodsen of open ruimten, het afschermen van activiteiten door bijkomende constructies (niet limitatieve opsomming)… Een belofte of een richtlijn aan medewerkers, bezoekers of leveranciers, om extra aandacht te schenken aan de hinderveroorzakende activiteiten kan niet worden aanzien als een structurele maatregel”. Aan het niet tijdig uitvoeren van de bestuurlijke maatregelen worden dwangsommen gekoppeld: “ten bedrage van 400,00 euro (vierhonderd euro) per dag vertraging van de voormelde termijn van 3 maanden voor de uitvoering van structurele maatregelen. Aan de niet naleving van de geluidsnormen na het verstrijken van de voorziene termijn van 3 maanden na datum van dit besluit zal per vaststelling een dwangsom van 2.500,00 euro (tweeduizend vijfhonderd euro) worden gekoppeld”. 3.
  7. Met het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 9 juli 2021 worden de bestuurlijke maatregelen in graad van beroep grotendeels bevestigd. 3.
  8. Op 3 januari 2023 ontvangt de verzoekende partij een beslissing van de stad Gent van 26 december 2022 waarbij zij in gebreke wordt gesteld om uitvoering te geven aan de opgelegde bestuurlijke maatregelen. Het is die beslissing die haar ertoe brengt voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen tegen het ministerieel besluit van 9 juli
  9. VII-41.210-3/6 IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  10. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  11. De verzoekende partij staaft de spoedeisendheid van de vordering in hoofdzaak door te wijzen op de “financiële klap” die haar dreigt te worden toegebracht door de gevorderde dwangsom ten belope van 100.000 euro. De “andere schade”, veroorzaakt door een ernstige verstoring van haar gewone werking en van de geplande activiteiten gedurende zes dan wel twee maanden, gezien de doorlooptijd voor het beroep tot nietigverklaring en de gewone vordering tot schorsing, zou “evident niet hersteld [kunnen] worden door de uiteindelijke vernietiging van de bestreden beslissing en de hieruit voortvloeiende (loutere) terugbetaling van de gestorte bedragen”. De verzoekende partij zet voorts nog uiteen dat de opgelegde dwangsom “volstrekt disproportioneel” is, aangezien zij voor het plaatsten van het geluidsscherm een omgevingsvergunning moest verkrijgen en de termijn voor het uitvoeren van de opgelegde bestuurlijke maatregelen daarvoor te kort was. Beoordeling
  12. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan VII-41.210-4/6 ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijke en zeer ongewone karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
  13. Het staat buiten betwisting dat de verzoekende partij de beslissing van de stad Gent van 26 december 2022, die de rechtstreekse aanleiding was voor het instellen van de vordering, heeft ontvangen op 3 januari
  14. Pas op 27 januari 2023 dient de verzoekende partij bij de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Het tijdsverloop tussen de datum waarop de verzoekende partij kennis kreeg van de ingebrekestelling door de stad Gent en de datum waarop de vordering werd ingesteld, houdt de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift geen VII-41.210-5/6 elementen aan die haar talmen rechtvaardigen. De uitermate hoge graad van urgentie die thans door de verzoekende partij aan de zaak wordt toegeschreven, valt niet te verzoenen met het manifeste gebrek aan diligentie in haren hoofde. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet met de vereiste spoed is opgetreden en dat haar niet-verantwoorde afwachtende houding de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering ontkracht.
  15. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.210-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.674 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.114 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.