← België

Arrest 255688 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 03/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.688 Rolnummer: A. 232848/X-17890 Zaak: Arrest 255688 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 03/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-10 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-10 08:20 Fiche Arrest nr 255.688 van 3 februari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 255.688 van 3 februari 2023 in de zaak A. 232.848/X-17.890 In zake : Ildiko FINTOR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Thys kantoor houdend te 2500 Lier Donk 37 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD LIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 5 februari 2021, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit d.d. 19 november 2020 genomen door de Burgemeester van de Stad Lier tot openstellen van de wegenis Heidebloem omwille van openbare veiligheid […] waarbij definitief werd beslist om[wille] van de openbare veiligheid op het perceel gelegen te Lier sectie [B] nr. 190/Z aan de noordelijke en oostelijke zijde van het perceel een vrije doorgang op te leggen van 4 meter en aan het kruispunt aan de westelijke zijde een vrije draaicirkel op te leggen van 11 meter binne[n]straa[l] en 15 meter buitenstraa[l] […]”. Tevens wordt gevraagd om “[v]erweerster te veroordelen om aan verzoekster een schadevergoeding te betalen van € 7.500,00, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf heden”. X-17.890-1/10 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 januari
  2. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Thys, die verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een eensluidend advies gegeven wat het beroep tot nietigverklaring betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster is eigenaar van een perceel gelegen Heidebloem, zonder nummer, te Lier, kadastraal gekend als sectie B, nr. 190/z: X-17.890-2/10 Verzoeksters perceel 3.
  5. In het kader van een betwisting omtrent het afsluiten van verzoeksters’ perceel, richtte zij zich tot het vredegerecht van het kanton Lier. In een vonnis van 6 oktober 2020 oordeelt de vrederechter als volgt: “[…] Zegt voor recht dat eiseres bij toepassing van artikel 647 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 29 van het Veldwetboek het recht heeft om het hierna genoemde perceel aan twee zijden af te sluiten, meer bepaald aan de lange zijde aan de kant van de spoorweg en aan de tegengestelde lange zijde, mits naleving van de eventuele stedenbouwkundige voorschriften en/of gemeentelijke voorschriften ter zake en behoudens andersluidende beslissing van verweerster bij toepassing van artikel 135 §2 van de Nieuwe Gemeentewet binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van betekening van dit vonnis: het driehoekig perceel grond gelegen te 2500 Lier, Heidebloem (zonder nummer), ten kadaster gekend onder sectie B, nr. 190/Z met een oppervlakte van 788 vierkante meter. […].” 3.
  6. Met het bestreden besluit van 19 november 2020 beslist de burgemeester van de stad Lier: “om omwille van de openbare veiligheid op het perceel gelegen Lier sectie B nr. 190/Z aan de noordelijke en oostelijke zijde van het perceel een vrije doorgang op te leggen van 4 meter, en aan het kruispunt aan de westelijke zijde een vrije draaicirkel op te leggen van 11 meter binnenstraal X-17.890-3/10 en 15 meter buitenstraal. Deze zone dient ten allen tijde vrij van obstakels te blijven.” 3.
  7. De bestreden beslissing steunt op de volgende motivering: “Omwille van de noodzaak om de aanpalende woningen en de achterliggende verkaveling te bereiken, is het nodig om bovenop de publiekrechtelijke erfdienstbaarheid een vrij toegankelijke voldoende brede rijweg te hebben voor noodinterventies, waarbij de manoeuvreerruimte en draaicirkels van de brandweerwagen als minimum geldt. Om de wagen te kunnen opstellen en veilig te kunnen draaien adviseert de dienst mobiliteit en de verkeerspolitie op basis van het gezamenlijk mobiliteitsoverleg een vrije straatbreedte van 4 meter en een draaicirkel met binnenstraa[l] 11 meter en buitenstraa[l] van 15 meter noodzakelijk. De burgemeester is bij toepassing van artikel 135 §2 van de Nieuwe Gemeentewet bevoegd om dit in een beslissing af te dwingen teneinde de veiligheid te waarborgen.” Bij de bestreden beslissing is het volgende plan gevoegd: 3.
  8. Met een aangetekende brief van 10 december 2020 wordt verzoekster in kennis gesteld van de bestreden beslissing. X-17.890-4/10 IV. Ontvankelijkheid van het beroep De aangevoerde exceptie 4.
  9. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de bestreden beslissing geen voor vernietiging vatbare handeling is omdat zij louter genomen werd in uitvoering van het vonnis van het vredegerecht van Lier van 6 oktober
  10. Daarin wordt gesteld dat verzoekster paaltjes rondom haar perceel mag aanbrengen, behoudens andersluidende beslissing vanwege de verwerende partij, binnen een termijn van drie maanden, in het kader van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet. Minstens gaat het om een louter declaratieve rechtshandeling, te weten een veruitwendiging/bevestiging van het hogergenoemde vonnis. 4.
  11. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat het vonnis “op geen enkele andere manier [kan] begrepen worden dan dat de omheining van het perceel door verzoekende partij verboden wordt in zover[re] door [de verwerende partij] tijdig de nodige besluitvorming aangenomen wordt op grond van artikel 135, § 2 van de Nieuwe Gemeentewet”. Door de Raad van State “andermaal te vatten met dezelfde problematiek, in de hoop een eerdere rechterlijke beslissing te omzeilen, schendt verzoekende partij het gezag van gewijsde ervan”. Beoordeling 5.
  12. De verwerende partij kan niet gevolgd worden in haar betoog dat de bestreden beslissing de uitvoering of loutere bevestiging zou inhouden van het onder randnummer 3.2 vermelde vonnis van de vrederechter. Het vonnis doet niet meer dan de verwerende partij de mogelijkheid te laten om binnen een termijn van drie maanden haar autonome bevoegdheid op grond van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet uit te oefenen. Het vermeldt in dit verband uitdrukkelijk dat: X-17.890-5/10 “[i]ngevolge het principe van de uitvoeringsimmuniteit van de overheid, dat zijn grondslag vindt in het beginsel van continuïteit van de openbare dienst, […] het (stads)bestuur de opportuniteit van de maatregel [beoordeelt] en […] het ter zake over een discretionaire bevoegdheid [beschikt]. De (vrede)rechter mag zich niet in de plaats van het bestuur stellen en beschikt slechts over een marginaal toetsingsrecht, waarmee wordt bedoeld dat hij slechts mag onderzoeken of de bestuurshandeling niet kennelijk onredelijk is”. 5.
  13. De bestreden beslissing doet in hoofde van verzoekster onmiskenbaar rechtsgevolgen ontstaan, nu een gedeelte van haar perceel vrij moet blijven voor noodinterventies en verzoekster op een deel ervan geen afsluiting meer mag plaatsen. Het betreft een rechtshandeling waartegen beroep bij de Raad van State mogelijk is. 5.
  14. De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 6.
  15. In het eerste middel voert verzoekster onder meer een schending aan van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet. Zij betoogt dat de burgemeester ten onrechte stelt dat de kwestieuze wegenis wordt ingevoerd om veiligheidsredenen. De verwerende partij heeft haar bevoegdheid voorzien in artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet misbruikt, of gebruikt deze bevoegdheid op een wijze waarvoor deze nooit is bedoeld. De verwerende partij heeft de bedoeling om verzoekster definitief een bouwvergunning te ontzeggen. Zij wenst van verzoeksters perceel een openbaar plein te maken. Artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet is enkel van toepassing op openbare wegen en de vrederechter heeft geoordeeld dat de kwestieuze wegenis niet op een openbare weg gevestigd is. 6.
  16. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het bestreden besluit een loutere uitvoering is van het vonnis van de vrederechter X-17.890-6/10 waarin wordt gewezen op artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet en dat politiemaatregelen betrekking kunnen hebben op private goederen. Verweerster kon haar besluitvorming op deze bepaling baseren en diende dit zelfs te doen. Voorts was het noodzakelijk om het “verbindingsstuk voor te behouden om een vrije doorgang van de hulpdiensten te verzekeren”. De bestreden maatregel is ook “volledig in lijn met de basisnormen brandpreventie”. Verweerster benadrukt dat zij louter preventieve maatregelen in het algemeen belang neemt. 6.
  17. Verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat de verwerende partij niet het bewijs levert van de noodzaak van de bestreden beslissing om veiligheidsredenen. Zoals de vrederechter in zijn vonnis van 6 oktober 2020 heeft gesteld, is artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet enkel van toepassing op openbare wegen. De verwerende partij heeft voor de vrederechter voorts erkend dat er voor de Heidebloem geen rooilijnplan is opgesteld geworden. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet is niet voldaan. 6.
  18. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat verzoekster in haar verzoekschrift niet heeft aangevoerd dat artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet geschonden is om reden van “het al dan niet blijvend of periodiek zijn van de toestand waartoe besloten wordt”. Deze kritiek betreft geen middel van openbare orde. 6.
  19. Verzoekster betoogt in haar laatste memorie in haar verzoekschrift wel degelijk te hebben gewezen op het feit dat de verwerende partij haar bevoegdheid op grond van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet heeft gebruikt op een manier die daarvoor nooit bedoeld was. Beoordeling 7.
  20. Zoals hoger gezien (randnummer 5.1), kan de verwerende partij niet gevolgd worden in haar betoog dat de bestreden beslissing de uitvoering of loutere bevestiging zou inhouden van het onder randnummer 3.2 vermelde vonnis van de vrederechter. X-17.890-7/10 7.
  21. In het middel voert verzoekster aan dat de verwerende partij met het bestreden besluit de in artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet voorziene bevoegdheid op een wijze gebruikt waarvoor deze nooit is bedoeld. Zij bekritiseert daarbij dat de verwerende partij een openbaar plein van haar perceel wil maken en wijst op het “definitief” karakter van de maatregel. 7.
  22. Het bestreden besluit is onmiskenbaar gestoeld op artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet, bepaling die in de aanhef ervan uitdrukkelijk wordt vermeld. 7.
  23. Krachtens artikel 135, § 2, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet hebben de gemeenten tot taak om ten behoeve van de inwoners in een goede politie te voorzien, onder meer over de veiligheid en de rust op de openbare wegen. Welke zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten “[m]eer bepaald” worden toevertrouwd, wordt in het tweede lid opgesomd. Tot die zaken behoren, gelet op het punt 1° ervan, “alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen”, met dien verstande evenwel dat “voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden”, “zij niet onder de toepassing van dit artikel [valt]”. 7.
  24. De bestreden beslissing verplicht tot een permanente, voldoende brede doorgang en vrije draaicirkel op verzoeksters perceel en creëert, in strijd met artikel 135, § 2, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, een blijvende toestand. 7.
  25. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Schadevergoeding tot herstel 8.
  26. Luidens artikel 25/3, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ wordt het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel dat is ingediend tijdens de procedure tot X-17.890-8/10 nietigverklaring, uitgesteld tot aan het arrest dat een definitieve uitspraak doet over het beroep tot nietigverklaring. 8.
  27. Verzoekster vraagt in haar verzoekschrift een schadevergoeding van 7.500 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interesten, op grond van de met huidig arrest vast te stellen onwettigheid van het bestreden besluit. Die vraag dient onmiskenbaar begrepen te worden als “een verzoek tot schadevergoeding tot herstel” in de zin van artikel 11bis RvS-wet, voor de beoordeling waarvan de Raad van State, anders dan de verwerende partij dit blijkbaar ziet, bevoegd is. Vastgesteld wordt voorts dat het rolrecht voor dit verzoek door verzoekster op vraag van de griffie werd voldaan. 8.
  28. Het betoog van de verwerende partij dat er in haren hoofde geen enkele fout kan worden vastgesteld, wordt weerlegd door het hiervoor gegrond bevonden eerste middel. 8.
  29. Er is reden om het debat te heropenen voor nader onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. BESLISSING
  30. De Raad van State vernietigt het besluit van de burgemeester van de stad Lier van 19 november 2020 waarbij wordt beslist om op het perceel gelegen te Lier, sectie B, nr. 190/z, aan de noordelijke en oostelijke zijde van het perceel een vrije doorgang op te leggen van 4 meter en aan het kruispunt aan de westelijke zijde een vrije draaicirkel op te leggen van 11 meter binnenstraal en 15 meter buitenstraal.
  31. Het debat wordt heropend voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. X-17.890-9/10
  32. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.890-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.688 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.563 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.