← België

Arrest 255719 - Arbeids- en beroepskaarten - 09/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.719 Rolnummer: A. 237108/VII-41648 Zaak: Arrest 255719 - Arbeids- en beroepskaarten - 09/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-20 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 08:23 Fiche Arrest nr 255.719 van 9 februari 2023 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.719 van 9 februari 2023 in de zaak A. 237.108/VII-41.648 In zake: bv ANTWERP CONTAINER TRANSPORT INTERNATIONAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dieter Dejonghe en Veerle Van Keirsbilck kantoor houdend te 8500 Kortrijk Brugsesteenweg 255 en advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Alberstraat 24, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. De verzoekende partij dient met een enig verzoekschrift op 24 augustus 2022 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van “de beslissing van de Vlaamse Minister van 4 augustus 2022 inzake het beroep tegen een intrekking van de toelating en tot arbeid (meer dan 90 dagen) met gecombineerde vergunning voor Antwerp Container Transport International bv (KBO 0839.101.369)”. VII-41.648-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari 2023, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hanna Biebauw, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Karien Loontjens, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verzoekende partij stelt een groot aantal werknemers tewerk, waarvan er 124 de Turkse nationaliteit hebben. Zij beschikt voor elk van deze werknemers over een toelating tot arbeid, gegeven door de verwerende partij. 3.
  5. In de loop van 2021 en 2022 wordt een uitgebreid onderzoek gevoerd bij de verzoekende partij, enerzijds door de algemene directie Toezicht VII-41.648-2/10 Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (omtrent de arbeidsvoorwaarden) en anderzijds door de Vlaamse Sociale Inspectie (omtrent de tewerkstelling van buitenlandse werknemers). Nadat G.M. als bestuurder van de verzoekende partij meermaals is gehoord, stelt de Vlaamse Sociale Inspectie op 4 mei 2022 een controleverslag op. Hierin wordt vastgesteld dat de verzoekende partij 50 Turkse werknemers (vrachtwagenchauffeurs) tewerkstelde via onrechtmatige detachering of dienstverrichting via een Bulgaarse vennootschap. Op 30 juni 2022 beslist de dienst Economische Migratie van het departement Werk en Sociale Economie van de verwerende partij om 161 toelatingen tot arbeid bij de verzoekende partij in te trekken “omwille van ernstige inbreuken op de regelgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en op de regelgeving betreffende sociale zekerheid en arbeid”. Het gaat om overtredingen van artikel 4, §1, 1°, van de wet van 30 april 1999 ‘betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’, dit overeenkomstig artikel 13, §1, 1° , 3° en 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 ‘houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’. 3.
  6. De verzoekende partij tekent op 26 juli 2022 beroep aan tegen de voormelde beslissing van 30 juni
  7. Met een beslissing van 4 augustus 2022 verklaart de Vlaamse Minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport het beroep ongegrond. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid
  8. In de nota met opmerkingen betwist de verwerende partij het belang van de verzoekende partij bij de voorliggende vordering. VII-41.648-3/10
  9. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de exceptie van niet-ontvankelijkheid uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de verzoekende partij
  11. Ter staving van de spoedeisendheid wijst de verzoekende partij eerst op “financiële schade door omzetverlies, niet gehonoreerde verbintenissen en boeteclausules”. Zij licht toe dat 124 van de 161 intrekkingen betrekking hebben op haar eigen werknemers en dat zij wettelijk gezien niet kan overgaan tot het ontslag van 124 werknemers aangezien dit een collectief ontslag inhoudt waarvoor een specifieke procedure geldt van (gemiddeld) 97 dagen. Ondertussen zijn de arbeidsovereenkomsten van 110 van de 124 betrokken werknemers in onderling akkoord beëindigd. De verzoekende partij kan de afgesloten transportovereenkomsten niet uitvoeren na het verlies van 124 werknemers. Haar klanten zullen dus andere transporteurs zoeken en ook zeer grote schadeclaims instellen wegens de niet-uitvoering van de afgesloten overeenkomsten. De verzoekende partij geeft als voorbeeld een vroegere schadeclaim van 12.987 euro omdat twee containers niet tijdig op de afgesproken plaats werden bezorgd. Elke dag loopt de schade op totdat de verzoekende partij uiteindelijk het faillissement VII-41.648-4/10 zal moeten vragen. Met haar 194 – 124 = 70 resterende werknemers kan de verzoekende partij onvoldoende omzet creëren voor de hoge vaste kosten die voor leasing van vrachtwagens, havenconcessie en verzekeringen ongeveer 662.000 euro per maand bedragen, exclusief lonen, socialezekerheidsbijdragen en belastingen. De verzoekende partij dreigt ook hoge schadeclaims te ontvangen van de betrokken 124 werknemers die van de ene dag op de andere zonder inkomen vallen. Vervolgens wijst de verzoekende partij op “een nagenoeg onherstelbaar verlies aan menselijk kapitaal”. Zij licht toe dat zij door de intrekking van de toelatingen tot arbeid netto 124 werknemers verliest waarvan de arbeidsovereenkomst voor 110 werknemers in onderling akkoord werd beëindigd. Aan deze laatsten is een bonus van 2.000 euro bruto beloofd indien zij na een schorsing van de bestreden beslissing en uiterlijk op 31 juli 2023 terug in dienst zouden treden. De 124 werknemers zijn allemaal vrachtwagenchauffeurs, hetgeen een knelpuntberoep is. De verzoekende partij dreigt dit menselijk kapitaal te verliezen omdat de Turkse vrachtwagenchauffeurs enkel in België konden verblijven omwille van hun tewerkstelling en een vernietigingsarrest pas zal tussenkomen wanneer die werknemers elders werk hebben of zullen zijn teruggekeerd naar Turkije. Tot slot wijst de verzoekende partij op “een onherstelbare imagoschade”. Zij werd vorig jaar nog door het tijdschrift Trends geselecteerd als “Antwerps ambassadeur ‘grote bedrijven’” . Haar bedrijf heeft een bijzondere focus op Turkije en werkt bijna uitsluitend met Turkse vrachtwagenchauffeurs. Te dezen zal de imagoschade in Turkije al onherroepelijk zijn voordat er een vernietigingsarrest komt. De verzoekende partij betwist het oordeel dat zij de sociale regelgeving heeft geschonden, minstens in die zin dat daardoor niet de intrekking van alle single permits van Turkse vrachtwagenchauffeurs kan worden gerechtvaardigd. VII-41.648-5/10 Beoordeling
  12. Naar luid van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij bij de Raad van State toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Een verzoekende partij moet aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens in haar inleidende akte uitleggen in welke mate zij onherroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Een financieel verlies kan, behoudens tegenbewijs, worden hersteld na een annulatiearrest, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangevoerd, zoals wanneer de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf ernstig in gevaar wordt gebracht. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financiële gevolgen dus in beginsel onomkeerbaar zijn.
  13. Wat de voorgehouden “financiële schade” betreft, dient de verzoekende partij derhalve concreet een zodanige situatie aan te tonen dat zij de normale afloop van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten. Zij dient aan de hand van concrete gegevens en stukken een globaal en betrouwbaar inzicht VII-41.648-6/10 te geven in de bestaande financiële toestand zodat de Raad van State met kennis van zaken dit kan beoordelen. Zij mag zich niet beperken tot het enkel overleggen van stukken zonder verdere toelichting. Met één stuk betreffende een vroegere schadeclaim van 12.987 euro voor twee containers die te laat werden geleverd op de laadplaats van een schip, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat zij in de toekomst zal worden geconfronteerd met grote schadeclaims voor het niet-uitvoeren van afgesloten transportovereenkomsten. Overigens blijkt het desbetreffende stuk een factuur te zijn van 31 maart 2022 en dus van vóór de intrekking van de toelatingen tot arbeid, zodat er geen bewijs of aanwijzing wordt bijgebracht voor (dreigende) kosten die wel een gevolg zouden zijn van die intrekking. Dit klemt des te meer nu de intrekking van de toelatingen tot arbeid reeds is gebeurd met een uitvoerbare beslissing van 30 juni 2022 die de verzoekende partij heeft ontvangen op 11 juli 2022 (e-mail) en op 18 juli 2022 (aangetekende brief), hetzij meer dan 6 maanden geleden. De verzoekende partij brengt een stuk bij ter staving van haar “uitermate hoge vaste maandelijkse kosten”, namelijk “leasing vrachtwagens bij Hoet Trucking & Renting (480.464 EUR), concessie in de haven (67.490 EUR), verzekeringen (69.197 EUR), leasing BNP (45.457 EUR)”, hetzij een totaal van 662.608 euro, exclusief de loonkosten. Al gaat het inderdaad om aanzienlijke bedragen, de verzoekende partij geeft geen enkele toelichting of berekening over haar omzet voor en na de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, noch over de financiële toestand van haar onderneming. Zij maakt dan ook niet aannemelijk dat zij met de resterende 70 werknemers onvoldoende omzet kan genereren om haar activiteiten te kunnen volhouden en een faillissement te voorkomen. Al gaat het om een knelpuntberoep, evenmin blijkt dat de verzoekende partij geen bijkomende vrachtwagenchauffeurs kon aanwerven of niet bijkomend met onderaannemers kon werken sedert de tenuitvoerlegging van de beslissing van 30 juni
  14. De verzoekende partij geeft ook geen toelichting over het aandeel van het wegvervoer in het geheel van haar activiteiten. Dit klemt des te meer nu zij ter terechtzitting de volgende vaststelling in het auditoraatsverslag niet ontkracht: VII-41.648-7/10 “Uit de website van verzoekster blijkt trouwens dat zij veel meer doet dan enkel wegvervoer met vrachtwagens. Zo houdt ze zich ook bezig met douane-entrepot, zeevervoer en spoorvervoer. Uit stuk nr. 18 uit de stukkenbundel van verzoekster blijkt dat ze ‘een bovengrens van 250 trekkers heeft bepaald voor de transportactiviteiten’ en dat ze zich de komende jaren vooral wil toeleggen op logistieke activiteiten (‘nieuwe uitdaging gevonden in de logistiek’) ‘door de overname van CBN’, door de activering van enkele in onbruik geraakte spoorlijnen en door de bouw van een nieuw magazijn met een oppervlakte van 12.000 m². Voor deze laatste activiteiten heeft verzoekster overigens geen vrachtwagenchauffeurs nodig.” Dat de verzoekende partij niet kan overgaan tot collectief ontslag is te dezen niet relevant nu zij zelf aangeeft dat de arbeidsovereenkomst voor 110 van de 124 werknemers werd beëindigd in onderling akkoord. De verzoekende partij hoeft zich dan ook niet te verwachten aan vorderingen, ingesteld door deze 110 (ex-)werknemers.
  15. Wat het voorgehouden “nagenoeg onherstelbaar verlies aan menselijk kapitaal” betreft, kan in de eerste plaats erop worden gewezen dat 110 van de 124 arbeidsovereenkomsten in onderling akkoord werden beëindigd. Zoals reeds aangegeven, toont de verzoekende partij niet aan dat dit verlies haar bestaan in het gedrang brengt in de zin dat de 70 overgebleven werknemers niet zouden volstaan, dat zij geen andere vrachtwagenchauffeurs zou kunnen vinden of dat (tijdelijk) geen beroep zou kunnen worden gedaan op onderaannemers. Er mag immers geredelijk worden aangenomen dat de ex-werknemers in eerste instantie beschikbaar blijven op de arbeidsmarkt voor het wegvervoer. In dit verband kan mee in aanmerking worden genomen dat de verzoekende partij niet het verweer in de nota met opmerkingen ontkracht dat voor 38 ex-werknemers van de verzoekende partij reeds een aanvraag gebeurde bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor een vennootschap waarvan de huidige bestuurder van de verzoekende partij bestuurder was tot september 2018 en die haar zetel eind augustus 2022 heeft verplaatst van het Vlaamse Gewest naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  16. Wat de voorgehouden “onherstelbare imagoschade” betreft, geldt dat dergelijke reputatieschade in de regel kan worden rechtgezet door een VII-41.648-8/10 vernietigingsarrest. In hoofde van een vennootschap zoals te dezen gaat het overigens om financiële gevolgen, volgens de verzoekende partij door het niet meer kunnen aanwerven van vrachtwagenchauffeurs in Turkije omwille van haar (onterechte) slecht imago, en niet om zuiver morele schade zoals in hoofde van een natuurlijk persoon. De verzoekende partij toont niet concreet aan dat zij ondertussen in Turkije en bij Turkse vrachtwagenchauffeurs een dergelijke reputatieschade zou lijden dat zij er in de toekomst geen chauffeurs meer zou kunnen aanwerven. Zij heeft volgens haar eigen verklaringen het merendeel van de betrokken werknemers immers niet rechtstreeks in Turkije aangeworven maar via een Bulgaarse vennootschap waar deze chauffeurs tewerkgesteld zouden zijn geweest.
  17. Bijgevolg is de spoedeisendheid van de vordering niet aangetoond. VII. Conclusie
  18. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-41.648-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.648-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.719 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.611 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.