← België

Arrest 255720 - Arbeids- en beroepskaarten - 09/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.720 Rolnummer: A. 237469/VII-41717 Zaak: Arrest 255720 - Arbeids- en beroepskaarten - 09/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-20 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-10 08:23 Fiche Arrest nr 255.720 van 9 februari 2023 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.720 van 9 februari 2023 in de zaak A. 237.469/VII-41.717 In zake: nv SNEL EN GOED bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Jespers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Alberstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. De verzoekende partij dient met een enig verzoekschrift op 10 oktober 2022 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van “de beslissing van 8 september 2022, met kennisgeving op 16 september 2022 betreffende het door verzoekster ingestelde beroep inzake de tewerkstelling van [I.M.], met nationaliteit Albanië, bij de [verzoekende partij], en waarbij het ingestelde beroep ongegrond werd verklaard en derhalve de gevraagde toelating tot arbeid met gecombineerde vergunning niet werd toegekend”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. VII-41.717-1/7 Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State.’ De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari 2022, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Raf Jespers, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Karien Loontjens, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De verzoekende partij dient op 28 september 2021 bij de dienst Economische Migratie van het departement Werk en Sociale Economie van de verwerende partij een aanvraag in tot toelating tot arbeid voor bepaalde duur met gecombineerde vergunning voor de genaamde I.M., van Albanese nationaliteit. Met een beslissing van 21 februari 2022 wordt de aanvraag verworpen op grond van artikel 12, § 1, 3° en 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2018 ‘houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’. VII-41.717-2/7 De verzoekende partij tekent op 14 maart 2022 beroep aan bij de bevoegde Vlaamse minister tegen deze weigeringsbeslissing. Op 8 september 2022 beslist de Vlaamse minister van Werk, Sociale Economie, Innovatie, Economie en Landbouw het beroep ongegrond te verklaren en derhalve de gevraagde toelating tot arbeid niet toe te kennen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Standpunt van de verzoekende partij
  6. Ter staving van de spoedeisendheid voert de verzoekende partij aan dat zij diverse bouw- en renovatieopdrachten heeft en dat de opdrachtgevers wachten op de uitvoering ervan. In het kader van die opdrachten zijn er taken van loodgieterij en sanitair uit te voeren. De verzoekende partij wijst op de stukken betreffende vier projecten die momenteel op stapel staan en op uitvoering wachten, namelijk het project Pierebeekstraat 20 Antwerpen (“dringend te beginnen” volgens een e-mail van 5 oktober 2022), het project Grote Steenweg Kontich (2-3 jaar werk, 4 appartementen, twee huizen), het project Immo Vivo en een project voor de renovatie van een woning. De verzoekende partij wacht reeds zeer lang om I.M., die de vermelde specialisaties heeft, te kunnen laten werken. Haar aanvraag dateert van VII-41.717-3/7 28 september 2021 en de uitspraak in beroep volgde pas op 8 september 2022 en werd haar op 16 september 2022 ter kennis gebracht. Gezien het tijdsverloop van de procedure is het zeker niet de verantwoordelijkheid van de verzoekende partij dat zij I.M. nog niet kon tewerkstellen. De nood om deze gespecialiseerde werknemer tewerk te stellen wordt echter steeds dringender. Er zijn inderdaad geen gespecialiseerde werknemers op de arbeidsmarkt te vinden. Het is overigens algemeen bekend dat de bouwsector een nijpend tekort aan gespecialiseerde werknemers kent. De verzoekende partij besluit dat het nog geruime tijd zal duren vooraleer I.M. zal kunnen worden tewerkgesteld indien bijkomend de procedure tot nietigverklaring moet worden afgewacht. Beoordeling
  7. Naar luid van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij bij de Raad van State toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Een verzoekende partij moet aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens in haar inleidende akte uitleggen in welke mate zij onherroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Een financieel verlies kan, behoudens tegenbewijs, worden hersteld na een annulatiearrest, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangevoerd, zoals wanneer de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit VII-41.717-4/7 van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf ernstig in gevaar wordt gebracht. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financiële gevolgen dus in beginsel onomkeerbaar zijn.
  8. De verzoekende partij beperkt zich in wezen tot de opmerking dat haar opdrachtgevers voor “diverse” opdrachten reeds lang op uitvoering wachten, dat daarbij ook “taken van loodgieterij en sanitair” zijn uit te voeren en dat thans vier aannemingsopdrachten zijn uit te voeren. Zij maakt echter niet in het minst geloofwaardig dat enkel en alleen I.M. beschikbaar is op de arbeidsmarkt om deze opdrachten (mee) uit te voeren, noch dat zij die welbepaalde taken niet via onderaanneming of op een andere wijze zou kunnen laten uitvoeren. Zo blijkt niet eens dat de verzoekende partij getracht heeft een andere loodgieter aan te werven. De verzoekende partij brengt ook geen enkel gegeven bij omtrent haar sociaal-economische toestand, noch over het aandeel van de bewuste opdrachten in het geheel van haar omzet of activiteiten. Bij gebrek aan enig concreet element in die zin overtuigt zij de Raad van State geenszins ervan dat, enkel door het niet kunnen tewerkstellen van I.M. in afwachting van een uitspraak ten gronde, haar voortbestaan in het gedrang zou komen of zij dergelijke onherroepelijke schade zou ondergaan dat zij de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring niet zou kunnen afwachten. Het betoog ter terechtzitting doet niet anders besluiten.
  9. Bijgevolg is de spoedeisendheid van de vordering niet aangetoond. VI. Conclusie
  10. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII-41.717-5/7 VII-41.717-6/7 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.717-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.720 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.582 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.