← België

Arrest 255721 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 09/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.721 Rolnummer: A. 237273/VII-41670 Zaak: Arrest 255721 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 09/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-20 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-10 08:23 Fiche Arrest nr 255.721 van 9 februari 2023 Economische zaken - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.721 van 9 februari 2023 in de zaak A. 237.273/VII-41.670 In zake: nv ECCA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Dewaele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. De verzoekende partij dient met een enig verzoekschrift op 19 september 2022 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van “het besluit van de gedelegeerd bestuurder van de Vlaamse Landmaatschappij tot intrekking van de erkenning als laboratorium in de discipline mest, voor wat betreft de pakketten M-M1, M-M5 en M-M6, van [de verzoekende partij] van 19 juli 2022”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. VII-41.670-1/9 Auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State.’ De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari 2023, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristof Caluwaert, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Pieter Dewaele, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verzoekende partij baat een laboratorium uit dat ondernemingen bijstaat op het vlak van monsternames, analyse en advies. Zij beschikt onder meer over een erkenning als laboratorium in de discipline mest voor onderscheiden pakketten in de zin van bijlage 3, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 ‘tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu’ (hierna: VLAREL). 3.
  5. Op 28 september 2021 maakt de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (hierna: VITO) op basis van de jaarlijkse opvolgingsaudit een auditverslag op. In dit verslag wordt melding gemaakt van een VII-41.670-2/9 aantal tekortkomingen en het wordt met een e-mail van 5 oktober 2021 aan de verzoekende partij meegedeeld. Hierna vindt een omstandig e-mailverkeer plaats tussen de verzoekende partij en VITO, dat in essentie inhoudt dat de verzoekende partij corrigerende acties vermeldt die zij heeft ondernomen en waarvan zij bewijsstukken meedeelt en dat de VITO op een aantal punten bijkomende corrigerende acties en/of verduidelijking vraagt. Het betreft onder meer de werking van het digitale invoersysteem AIDOO van de verzoekende partij. 3.
  6. Met een brief van 28 april 2022 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij de evaluatie mee van de door de verzoekende partij genomen corrigerende maatregelen voor de verschillende tekortkomingen met de vaststelling dat deze maatregelen onvoldoende zijn om alle tekortkomingen te remediëren. De verwerende partij deelt in deze brief ook mee dat de verzoekende partij geslaagd is, evenwel met tekortkomingen, voor een ringtest voor de pakketten M-M1 en M-M6 en dat zij een plan van aanpak met corrigerende maatregelen moet voorleggen. De verwerende partij deelt verder mee dat de verzoekende partij tweemaal niet is geslaagd voor een ringtest voor het pakket M-M2, op grond waarvan de erkenning geheel of gedeeltelijk kan worden geschorst of opgeheven. Met dezelfde brief brengt de verwerende partij de verzoekende partij op de hoogte van haar voornemen om de erkenning als laboratorium in de discipline mest te schorsen of op te heffen. Zij deelt mee dat de verzoekende partij haar verweermiddelen kan indienen en nodigt de verzoekende partij uit op een hoorzitting op 16 mei
  7. 3.
  8. De verzoekende partij vraagt met een e-mail van 3 mei 2022 meer toelichting bij de opmerkingen in het auditverslag en de verwerende partij antwoordt hierop met een e-mail van 4 mei
  9. De verzoekende partij stuurt op VII-41.670-3/9 13 mei 2022 een actieplan naar de verwerende partij met bijkomende maatregelen voor tekortkomingen in de monsternameformulieren. Op 16 mei 2022 vindt de hoorzitting plaats over het voornemen van de verwerende partij om over te gaan tot schorsing of opheffing van de erkenning van verzoekende partij als laboratorium in de discipline mest. 3.
  10. Met een beslissing van 19 juli 2022 trekt de verwerende partij de erkenning in van de verzoekende partij voor de pakketten M-M1, M-M5 en M-M
  11. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  12. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Standpunt van de verzoekende partij
  13. Ter staving van de spoedeisendheid wijst de verzoekende partij in de eerste plaats op “een aanzienlijk en onherstelbaar moreel nadeel” omdat zij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing “ernstige reputatie- en imagoschade” lijdt. Zij licht toe dat die schade zich in de eerste plaats zal voordoen met betrekking tot de activiteiten die verband houden met het nemen van monsters en analyseren van vloeibare, verwerkte en vaste mest in de pakketten M-M1, M-M5 en M-M
  14. De vertrouwensrelatie met haar klanten zal onherroepelijk worden aangetast en zij zal haar klantenbestand verloren zien gaan. De bestreden beslissing is immers gestoeld op overwegingen die wijzen op een ernstige VII-41.670-4/9 tekortkoming in de bedrijfsvoering van de verzoekende partij, op basis waarvan de verwerende partij besluit dat de verzoekende partij rechtstreeks schade aan het leefmilieu heeft aangebracht en een omgeving heeft gecreëerd waar fraude mogelijk is. Volgens de verzoekende partij blijft de impact van de bestreden beslissing bovendien niet beperkt tot de voornoemde activiteiten. Aangezien zij bekend staat als een one stop shop, verwacht het cliënteel dat de verzoekende partij een totaalrapport kan afleveren. De verzoekende partij was daarom genoodzaakt om een aantal van haar interne monsternemers voortaan te laten werken onder de erkenning van een ander erkend laboratorium en de monsternames en analyses in de discipline mest dus te laten uitvoeren onder die andere erkenning. Deze werkwijze gaat gepaard met aanzienlijke kosten en doet ook vragen rijzen bij het cliënteel. De verzoekende partij acht het logisch dat haar klanten vragen gaan stellen over de algemene betrouwbaarheid als erkend labo indien de erkenning voor een bepaalde discipline wordt ingetrokken. Verder moet rekening worden gehouden met het risico op een spill-over effect naar andere disciplines en deeldomeinen. Dat dit geen louter hypothetisch risico betreft, blijkt uit het feit dat verzoekende partij hierover reeds vragen ontving van klanten, waarvan zij één e-mail bijbrengt. Door de negatieve reputatie- en imagoschade die volgt uit de bestreden beslissing, zal de goede naam van het bedrijf van de verzoekende partij onherroepelijk worden aangetast. Gelet op wat voorafgaat, is duidelijk dat de verzoekende partij het resultaat van een beroep tot nietigverklaring niet kan afwachten. Enkel met een schorsing kan verdere reputatie- en imagoschade worden voorkomen. De verzoekende partij wijst in dit verband nog op artikel 8, 2°, van het VLAREL, naar luid waarvan geen nieuwe erkenning kan worden gevraagd binnen de twee jaar na de opheffing van de erkenning. In afwachting van de uitkomst van het beroep tot nietigverklaring kan de verzoekende partij dus geen nieuwe erkenning krijgen om haar activiteiten als erkend laboratorium in de discipline mest verder te zetten en eventuele twijfels weg te nemen bij haar klanten met betrekking tot de algemene betrouwbaarheid van de monsternames en analyses die door haar worden uitgevoerd. In de tweede plaats voert de verzoekende partij aan dat zij “onherroepelijk marktaandeel” zal verliezen en “aanzienlijke economische VII-41.670-5/9 schade” zal leiden, dit door de opheffing van de erkenning en het feit dat zij de komende twee jaar geen nieuwe erkenning kan aanvragen. Door de uitvoering van de bestreden beslissing zal het marktaandeel van de verzoekende partij (ongeveer 50% in Oost- en West-Vlaanderen) worden aangetast en zij zal dit niet kunnen terugwinnen zonder de schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing. Minstens zal de verzoekende partij daartoe talrijke commerciële en financiële inspanningen moeten leveren. De verzoekende partij verwijst nogmaals naar artikel 8, 2°, van het VLAREL en het spill-over effect, waardoor zij ook voor andere disciplines en deeldomeinen, waarvoor zij wel nog steeds een erkenning heeft, marktaandeel dreigt te verliezen. Zij acht het aannemelijk dat klanten die momenteel een beroep doen op de verzoekende partij voor monsternames en analyses voor de pakketten waarvoor de erkenning wordt opgeheven, zich zullen wenden tot andere erkende laboratoria. De kans is dan zeer groot dat haar klanten ervoor zullen kiezen om alle monsternames en analyses door een ander erkend laboratorium te laten uitvoeren. Volgens de verzoekende partij is er bijgevolg een reëel risico dat zij als gevolg van de bestreden beslissing een nog veel groter marktaandeel dreigt te verliezen. Beoordeling
  15. Naar luid van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij bij de Raad van State toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Een verzoekende partij moet aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens in haar inleidende akte uitleggen in welke mate zij VII-41.670-6/9 onherroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Een financieel verlies kan, behoudens tegenbewijs, worden hersteld na een annulatiearrest, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangevoerd, zoals wanneer de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf ernstig in gevaar wordt gebracht. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financiële gevolgen dus in beginsel onomkeerbaar zijn.
  16. Wat de voorgehouden “reputatie- en imagoschade” betreft, dient vooraf te worden opgemerkt dat de verzoekende partij als handelsvennootschap geen zuiver morele schade kan lijden doch dat die voorgehouden schade wel een vorm van materiële (financieel-economische) schade kan inhouden. Het verlies van het vertrouwen van bestaande of mogelijke klanten kan immers leiden tot een verlies van omzet en een vermindering van de activiteiten van die vennootschap, waardoor in het uiterste geval haar voortbestaan in het gedrang kan komen. Te dezen brengt de verzoekende partij in concreto één e- mailbericht van één klant bij, die vraagt naar de reden van de intrekking van de erkenning en naar het akkoord van de Mestbank met staalnames door “staalnemers” van de verzoekende partij onder de erkenning van een ander laboratorium. Dit volstaat geenszins om de voorgehouden schadelijke gevolgen aannemelijk te maken. Verder beperkt de verzoekende partij zich tot een algemene verwijzing naar haar eigen marktaandeel en het mogelijke verlies daarvan, zowel rechtstreeks (doordat zij bepaalde activiteiten niet meer kan uitoefenen) als onrechtstreeks (doordat klanten niet enkel voor die activiteiten maar wellicht ook voor andere activiteiten een beroep zullen doen op een ander laboratorium). De verzoekende partij brengt echter geen enkel concreet gegeven bij waaruit het VII-41.670-7/9 geheel van haar activiteiten, het aandeel daarin van de activiteiten met betrekking tot de ingetrokken erkenning, haar financiële toestand, de evolutie van haar omzet en dergelijke kunnen blijken. De verzoekende partij maakt bij gebrek aan enig concreet gegeven evenmin aannemelijk dat de “talrijke commerciële en financiële inspanningen” die zij ondertussen levert van die aard zijn dat het gaat om een dermate ernstig financieel nadeel dat haar activiteiten of haar voortbestaan in het gedrang dreigen te komen. De loutere verwijzing naar artikel 8, 2°, van het VLAREL doet geen afbreuk aan deze vaststelling. Uit het voorgaande blijkt dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onherroepelijke schadelijke gevolgen ondergaat of dreigt te ondergaan waardoor het resultaat van het beroep tot nietigverklaring niet kan worden afgewacht.
  17. Bijgevolg is de spoedeisendheid van de vordering niet aangetoond. VI. Conclusie
  18. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-41.670-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.670-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.721 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.306 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.