← België

Arrest 255729 - Bewakingsondernemingen - 09/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.729 Rolnummer: A. 233666/VII-41117 Zaak: Arrest 255729 - Bewakingsondernemingen - 09/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-16 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 08:23 Fiche Arrest nr 255.729 van 9 februari 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Opheffing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.729 van 9 februari 2023 in de zaak A. é.666/VII-41.117 In zake: Jonas LUYPAERTS wonende te 8211 Zedelgem Ichtegemsestraat 20 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II Laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing van 24 maart 2021 waarbij de identificatiekaart van verzoeker voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 251.786 van 7 oktober 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd en stelt de Raad van State prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. VII-41.117-1/4 Bij arrest nr. 154/2022 van 24 november 2022 heeft het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het automatisch leidt tot een beroepsverbod in geval van veroordelingen wegens inbreuken op de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.
  3. De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan verzoeker ter kennis werd gebracht op 17 februari
  4. Op respectievelijk 17 juni 2022 en 12 mei 2022 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Beoordeling
  6. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. VII-41.117-2/4 Bij het versturen aan verzoeker van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent. Verzoeker heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent.
  7. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. BESLISSING
  8. De schorsing bevolen bij arrest nr. 251.786 van 7 oktober 2021 wordt opgeheven.
  9. De Raad van State verwerpt het beroep.
  10. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.117-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.117-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.729 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.786 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.