← België

Arrest 255730 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.730 Rolnummer: A. 234960/VII-41238 Zaak: Arrest 255730 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-16 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-15 02:01 Fiche Arrest nr 255.730 van 9 februari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.730 van 9 februari 2023 in de zaak A. 234.960/VII-41.238 In zake :

  1. de BV VC ENERGY
  2. Carlos VAN CROMBRUGGHE VAN LEERNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Vermaercke en Daan Vandenbroucke kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Claudine DE CLERCQ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Isabelle Larmuseau en Sofie De Maesschalck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0047 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 16 september 2021 in de zaak 1920-RvVb-0691-A. VII-41.238-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 27 december
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Claudine De Clercq heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 23 februari
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 30 augustus 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Vandenbroucke, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Florence Lobelle, die loco advocaten Isabelle Larmuseau en Sofie De Maesschalck verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-41.238-2/10 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
  8. De verwerende partij weigert op 1 juli 2020 aan de verzoekende partijen een omgevingsvergunning te verlenen “voor een aantal stedenbouwkundige handelingen en voor het veranderen door uitbreiding en wijziging van de exploitatie van een vergistingsinstallatie”.
  9. Het bestreden arrest verwerpt de drie middelen en bijgevolg het beroep van de verzoekende partijen tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  10. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag dat in deze zaak besluit het beroep te verwerpen, niet in de mogelijkheid een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen waarbij een schriftelijke repliek op het auditoraatsverslag wordt gegeven. Artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit laat in dat geval enkel toe om op straffe van de toewijzing van de afstand van het geding te “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het verzoek tot voortzetting wordt alleen als procedurestuk in aanmerking genomen in zoverre daarin wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van de verzoekende partijen ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. VII-41.238-3/10 V. Onderzoek van de middelen Voorafgaandelijk
  11. Artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt wat volgt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”. In het aan dat besluit voorafgaande verslag aan de Koning wordt deze bepaling als volgt toegelicht: “De samenvattende memorie dient de argumenten van het verzoekschrift en van de memorie van wederantwoord als een geordend geheel weer te geven. De verzoekende partij, die moet worden bijgestaan door een advocaat, wordt er aldus toe gebracht een allesomvattend overzicht in te dienen, dat de uiteenzetting van de feiten bevat, haar eventuele antwoorden op excepties van niet-ontvankelijkheid en haar middelen in één enkele, pertinente argumentering. […]. Het gevolg van de verplichting om een samenvattende memorie in te dienen is dat de Raad van State in beginsel geen uitspraak meer hoeft te doen op basis van de uiteenzetting van de feiten en middelen vervat in het verzoekschrift”. Het doel van dit voorschrift is de vereenvoudiging van het onderzoek van het cassatieberoep door de Raad van State die ten gronde uitspraak moet kunnen doen op basis van één enkel procedurestuk van een verzoekende partij, met name de samenvattende memorie. Het voorschrift is ingegeven door de termijn in artikel 20, § 4, RvS-wet, waarover de Raad van State beschikt om over toelaatbaar verklaarde cassatieberoepen uitspraak te doen en de voorrang die bijgevolg aan de behandeling van cassatieberoepen moet worden gegeven. Dit brengt mee dat de in het inleidende verzoekschrift aangevoerde cassatiemiddelen in de samenvattende memorie minstens summier, doch volledig worden VII-41.238-4/10 opgenomen. Bovendien moeten in dit procedurestuk de cassatiemiddelen worden samengevat. Het volstaat niet dat een verzoekende partij in de samenvattende memorie enkel stelt te volharden in haar cassatieberoep, louter blijk geeft van volgehouden belangstelling om de vernietiging van de aangevochten jurisdictionele beslissing na te streven, louter verwijst naar haar inleidend verzoekschrift of naar de uiteenzetting van haar middelen in het verzoekschrift, of zich beperkt tot weerlegging of ontkrachting van de argumentatie van de andere partijen. Uit deze bepaling volgt dat over de gegrondheid van de middelen die niet in deze samenvattende memorie zijn opgenomen, geen uitspraak dient te worden gedaan door de Raad van State.
  12. Te dezen neemt de memorie van wederantwoord van de verzoekende partijen niet de vorm aan van een samenvattende memorie bedoeld in artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit. A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen
  13. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 149 en 159 van de Grondwet en de artikelen 2, 53 en 57/58 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD). Zij betogen dat de RvVb “de voorgelegde middelen niét effectief lijkt te hebben onderzocht” en “in een parallel dossier met exact dezelfde motivering vanwege verwerende partij omtrent het belang van het betrokken publiek - plots wél de middelen onderzoekt en tot een volledig omgekeerde conclusie komt”. Zij stellen dat zij hiermee “de vinger op een pertinente inconsequentie/tegenstrijdigheid in het arrest van de RvVb [leggen]” aangezien in het ene arrest “parafrasering (volledig terecht) niet als een deugdelijke motivering VII-41.238-5/10 [kan] worden aanzien” en in het “andere arrest (zelfde datum, zelfde zitting, zelfde feitelijkheden, zelfde motivering door verwerende partij) […] dit plots wél” kan. Zij besluiten dat de “motivering in het bestreden arrest […] tegenstrijdig [is] en dus allerminst deugdelijk”. Beoordeling
  14. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 159 van de Grondwet en van de artikelen 2, 53 en 57/58 OVD en niet uiteenzet op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen schendt, is niet ontvankelijk.
  15. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de rechterlijke motiveringsverplichting. Er bestaat tegenstrijdigheid in de motivering wanneer er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de redenen van het bestreden arrest onderling of tussen de redenen en het dictum van het bestreden arrest.
  16. Het middel dat “een pertinente inconsequentie/tegenstrijdigheid in het [bestreden] arrest” aanvoert omdat de RvVb “de voorgelegde middelen niét effectief lijkt te hebben onderzocht” en de middelen “in een parallel dossier met exact dezelfde motivering vanwege verwerende partij omtrent het belang van het VII-41.238-6/10 betrokken publiek” wel onderzoekt “en tot een volledig omgekeerde conclusie komt”, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht.
  17. Het middel dat aanvoert dat de motivering van het bestreden arrest “allerminst deugdelijk” is, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.
  18. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
  19. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 149 en 159 van de Grondwet, de artikelen 8.17 en 8.18 Nieuw Burgerlijk Wetboek, artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit) en het gezag van gewijsde van “arrest Raad van State dd. 7 juni 2018 en arrest Raad voor Vergunningsbetwistingen dd. 22 oktober 2019” omdat het bestreden arrest “enerzijds het definitief vergunde karakter van de basisvergunningen van verzoekende partijen erkent, doch anderzijds ze zomaar verder negeert”. Zij betogen: “Dat het deels stedenbouwkundig en/of milieutechnisch vergund zijn niet zou volstaan om uit te maken of een inrichting op het ogenblik van de beoordeling in de dan nog bestaande vorm nog bestemmingsconform is, kan niet overtuigen, zeker niet omdat uit geen enkel stuk mocht blijken dat er ook maar iets aan de houtkachel is veranderd sedert
  20. Verzoekende partijen blijven al de gehele ‘procedureslag’ hieromtrent met dezelfde vraag zitten: hoe kan het dat een houtverbranding in 2007 definitief wordt vergund, hierna niét wordt uitgebreid/gewijzigd (hetgeen ook niet wordt betwist!) en hierna, op grond van deze houtverbranding zou worden besloten tot niet-conformiteit met de bestemming? Het bestreden arrest verantwoordt/motiveert dit (andermaal) niet naar recht”. VII-41.238-7/10 Beoordeling
  21. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt.
  22. Het middel dat de schending van de bewijskracht van een akte aanvoert zonder te verduidelijken welke passages van het bestreden arrest de bewijskracht van welkdanige akte miskennen, is bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.
  23. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 159 van de Grondwet, artikel 11 van het inrichtingsbesluit en het gezag van gewijsde van de in de aanhef van het middel bedoelde arresten van de Raad van State en de RvVb, zonder concreet uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen en het gezag van gewijsde van deze arresten schendt, is niet ontvankelijk.
  24. Het middel dat de schending van de rechterlijke motiveringsverplichting aanvoert omdat het bestreden arrest “niet naar recht” verantwoordt of motiveert, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting van de rechterlijke motiveringsverplichting gelet op randnummer
  25. Het middel wordt verworpen. VII-41.238-8/10 C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partijen
  26. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 149 en 159 van de Grondwet. Zij betogen dat het bestreden arrest heeft nagelaten “een eigen oordeel en overtuiging [te] vormen ter ondersteuning van [zijn] uitspraak” en zich beperkt heeft “tot een non-motivering van jewelste”. Beoordeling
  27. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 159 van de Grondwet zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze grondwettelijke bepaling schendt, is niet ontvankelijk.
  28. Het bestreden arrest onderzoekt de drie middelen van de verzoekende partijen en motiveert waarom de middelen worden verworpen.
  29. Het middel dat de schending van de rechterlijke motiveringsverplichting aanvoert, mist feitelijke grondslag.
  30. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. VII-41.238-9/10
  32. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.238-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.730 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.