id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.775 Rolnummer: A. 234433/X-17988 Zaak: Arrest 255775 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 10/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-17 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 08:24 Fiche Arrest nr 255.775 van 10 februari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 255.775 van 10 februari 2023 in de zaak A. 234.433/X-17.988 In zake : Koenraad PRINCEN woonplaats kiezend te 3500 Hasselt Kliniekstraat 14 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdend te 8790 Waregem Eertbruggestraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 september 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2021 ‘tot wijziging van artikel 1/1 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect’. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 252.392 van 10 december 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-17.988-1/8 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 februari
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die in persoon verschijnt, en advocaat Yves François, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 ‘tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect’ (hierna: het vrijstellingsbesluit), worden een aantal handelingen vrijgesteld van de principiële verplichte medewerking van een architect. 3.
- Met het bestreden besluit van 28 mei 2021 ‘tot wijziging van artikel 1/1 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect’, wordt de vrijstelling uitgebreid tot de constructies opgenomen in een nieuw punt 3°/1: X-17.988-2/8 “3°/1 het plaatsen van een niet-gestapelde, verplaatsbare voorgemonteerde of modulaire constructie, met een maximale oppervlakte van 50 vierkante meter en een maximale hoogte van 3,5 meter. Als aan een bestaand gebouw wordt aangebouwd, dan mogen de bouwwerken noch de oplossing van een constructieprobleem met zich meebrengen, noch de stabiliteit van de aanpalende gebouwen wijzigen.” Deze uitbreiding van de vrijstelling wordt in de nota aan de Vlaamse regering als volgt gemotiveerd: “Deze vrijstelling wordt ingevoerd omdat het doorgaans gaat over in serie geproduceerde, eenmalig ontworpen producten. Deze worden kant en klaar of in bouwpakket aangekocht, geleverd en geplaatst. De oppervlakte en hoogtematen zijn zo vastgelegd dat stabiliteitsproblemen bij de plaatsing niet te verwachten zijn. Ook de derde voorwaarde vermijdt stabiliteitsproblemen. De medewerking van een architect voor deze constructies verplichten, houdt geen maatschappelijke meerwaarde in, noch naar goede ruimtelijke ordening toe, noch naar de esthetiek of de stabiliteit van de constructies.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4.
- Verzoeker voert in zijn verzoekschrift, wat zijn belang betreft, onder meer aan dat zijn aanvragen tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een verplaatsbare inrichting die voor bewoning kan worden gebruikt, steeds “uit[draaien] op discussies omtrent de definitie van verplaatsbare inrichtingen en de vermeende medewerking van een architect waarbij de vergunning dan wordt geweigerd of waarbij men zelfs de vergunningsaanvraag ‘onvolledig en onontvankelijk’ verklaar[t]”. 4.
- De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord verzoekers belang om reden dat de bestreden beslissing net zijn situatie verbetert. “Waar hij vroeger een bepaalde constructie (niet op wielen) wilde plaatsen, had hij sowieso de medewerking van een architect nodig, thans is dat niet meer altijd het geval”. X-17.988-3/8 4.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat zijn laatste vergunningsaanvraag “onvolledig en onontvankelijk verklaard [werd] net omdat mijn verplaatsbare inrichting in kwestie groter is dan 50 m² en de modules op elkaar worden gestapeld […], dus op basis van het [bestreden besluit]”. Beoordeling 5.
- Verzoeker beklaagt zich er, zoals gezien, over dat zijn omgevingsvergunningsaanvraag werd afgewezen “net omdat [z]ijn verplaatsbare inrichting in kwestie groter is dan 50m² en de modules op elkaar worden gestapeld”, en dus “op basis van” het vrijstellingsbesluit dat hij bestrijdt. Verzoeker dreigt inderdaad telkenmale geconfronteerd te worden met een verwerping van zijn omgevingsvergunningsaanvraag onder verwijzing naar de voorwaarden van het bestreden besluit, waaraan zijn vergunningsaanvraag niet voldoet. Hij heeft dan ook het rechtens vereiste belang om dit besluit te bestrijden. 5.
- De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van het tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker acht in een tweede middel – het enige dat in het auditoraatsverslag wordt besproken – artikel 4, 4°, c), van het vrijstellingsbesluit geschonden. Verwijzend naar het begrip “verplaatsbare inrichtingen”, betoogt hij dat alle verplaatsbare inrichtingen expliciet vrijgesteld zijn van de medewerking van een architect. Belangrijk is de vraag of de constructie gefabriceerd is en met andere woorden een “inrichting” betreft. Verzoeker meent verder dat “een grond gebruiken voor het plaatsen van een verplaatsbare inrichting” net dezelfde actie is als “het plaatsen van een verplaatsbare inrichting op een grond”. Het gebruik van een grond neemt immers aanvang vanaf het moment dat er iets op wordt geplaatst. Die twee handelingen apart als te vergunnen X-17.988-4/8 handelingen beschouwen, houdt geen steek. De vergunning aanvragen om een grond “gewoonlijk te gebruiken voor het plaatsen van een verplaatsbare inrichting” komt simpelweg overeen met het aanvragen van een vergunning voor het “regelmatig of gedurig plaatsen van een verplaatsbare inrichting op die grond”. Dit vereist dus geen bijkomende vrijstelling van de tussenkomst van een architect, nu die reeds voorzien wordt door artikel 4, 4°, c), van het vrijstellingsbesluit. Verzoeker stelt zich de vraag of het nuttig is om werken die niets met bouwen te maken hebben, en die dus per definitie vrijgesteld zijn van de medewerking van een architect, toch op te nemen in het besluit dat de vrijstelling van architect regelt.
- Verzoeker stelt in zijn laatste memorie dat de door hem gewenste inrichting een verplaatsbare inrichting betreft die niet onder het begrip “constructie” valt zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO). Hij meent dat de vergunningsplicht voor een verplaatsbare inrichting wordt geregeld door artikel 4.2.1, 5°, c), VCRO en niet door artikel 4.2.1, 1°, a), VCRO, zodat alle verplaatsbare inrichtingen, ongeacht hun afmetingen, zijn vrijgesteld van de medewerking van een architect op grond van artikel 4, 4°, c), van het vrijstellingsbesluit. Er is geen bijkomende vergunning nodig om die verplaatsbare inrichting effectief te plaatsen. Ook voor vaste inrichtingen geldt dat de tussenkomst van een architect niet is vereist, nu een “inrichting” geen “bouwwerk” is zoals bedoeld in artikel 4 van de architectenwet. Beoordeling 8.
- Artikel 4 van de architectenwet bepaalt: “De Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren moeten een beroep doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering der werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Wat betreft de openbare instellingen en de particulieren, mogen er afwijkingen toegestaan worden door den Gouverneur, op voorstel van het Schepencollege der gemeente, waar de werken moeten uitgevoerd worden. Bij een koninklijk besluit worden de werken aangeduid waarvoor de medewerking van een architect niet verplichtend zal zijn.” X-17.988-5/8 Gelet op deze wettelijke bepaling is voor elke handeling waarvoor “een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd”, en waarvoor derhalve de omgevingsvergunningsplicht – voorheen de stedenbouwkundigevergunningsplicht en bouwvergunningsplicht – geldt in beginsel de medewerking van een architect vereist. Verzoekers verwijzing naar de voorbereidende werken van de wet van 22 december 1970 vermag daaraan geen afbreuk te doen. 8.2.
- Het geschonden geachte artikel 4, 4°, c), van het vrijstellingsbesluit luidt: “De medewerking van een architect is niet verplicht voor de volgende handelingen: […] 4° een grond gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten voor: […] c) het plaatsen van één of meer verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt, zoals woonwagens, kampeerwagens, afgedankt voertuigen, tenten.” Deze vrijstelling van de medewerking van een architect werd ingeschreven in het licht van artikel 4.2.1, 5°, VCRO, dat bepaalt: “Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen: […] 5° een grond gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten voor: […] c) het plaatsen van één of meer verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt, in het bijzonder woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen en tenten, […].” 8.2.
- Het geviseerde artikel 1/1, 3°/1, van het vrijstellingsbesluit voorziet in de vrijstelling van de medewerking van een architect voor: “3°/1 het plaatsen van een niet-gestapelde, verplaatsbare voorgemonteerde of modulaire constructie, met een maximale oppervlakte van 50 vierkante meter en een maximale hoogte van 3,5 meter. Als aan een bestaand gebouw wordt aangebouwd, dan mogen de bouwwerken noch de oplossing van een constructieprobleem met zich meebrengen, noch de stabiliteit van de aanpalende gebouwen wijzigen.” X-17.988-6/8 Deze vrijstelling van de medewerking van een architect werd ingeschreven in het licht van het bepaalde in artikel 4.2.1, 1°, a),VCRO, dat stelt: “Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen 1° de hierna volgende bouwwerken verrichten, [...] Het optrekken of plaatsen van een constructie.” 8.2.
- De vergunningsplicht op grond van artikel 4.2.1, 5°, VCRO, voor het gebruiken van een grond voor het plaatsen van een verplaatsbare constructie die voor bewoning kan worden gebruikt, is wel degelijk te onderscheiden van de vergunningsplicht voor het optrekken of plaatsen van een constructie, zoals ingeschreven in artikel 4.2.1, 1°, a) VCRO. De vrijstelling van de verplichting tot medewerking van een architect op grond van artikel 4, 4°, c), van het vrijstellingsbesluit, kan in dat licht niet gelden als een vrijstelling van de verplichte medewerking van een architect voor handelingen die vergunningsplichtig zijn op grond van artikel 4.2.1, 1°, a), VCRO, te weten het optrekken of plaatsen van een constructie. 8.
- Art. 4.1.1, 3°, VCRO omschrijft het begrip “constructie” als: “een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds.” 8.
- Het plaatsen van een door verzoeker bedoelde voorgemonteerde of modulaire unit, waarvan aangenomen dient te worden dat deze op de grond steunt om reden van de stabiliteit en bestemd is om ter plaatse te blijven staan, ook al kan deze uit elkaar worden genomen of verplaatst worden, moet begrepen worden als “het plaatsen van een constructie” waarvoor overeenkomstig artikel 4.2.1, 1°, a), VCRO de omgevingsvergunningsplicht geldt. Gezien het gestelde onder randnummer 8.1, is daarvoor, behoudens de in het bestreden besluit voorziene vrijstelling, de medewerking van een architect vereist. Deze vaststelling volstaat om het middel te verwerpen. X-17.988-7/8 8.
- Het tweede middel is ongegrond.
- Er is reden om een aanvullend auditoraatsverslag op te stellen. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Het bevoegde lid van het auditoraat wordt ermee belast een aanvullend verslag op te stellen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.988-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.775 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.392 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div