id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.779 Rolnummer: A. 222297/XIV-37432 Zaak: Arrest 255779 - Varia (economische zaken) - 13/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-20 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 08:25 Fiche Arrest nr 255.779 van 13 februari 2023 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.779 van 13 februari 2023 in de zaak A. 222.297/XIV-37.432 In zake : de cvba PLAYRIGHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cédric Molitor kantoor houdend te 1200 Brussel Brand Whitlocklaan 114 12 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Van Melkebeke Naamsestraat 72-74 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk, Economie en Consumenten bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(2)die worden vermeld in de bestreden akte zoals die in het Belgisch Staatsblad zijn gepubliceerd. Het middel laat gelden dat de “aanvangsdatum van uitbating” wel degelijk als begindatum van het muziekgebruik van de uitbater moet beschouwd worden.”. Vervolgens, als repliek op het verweer van de verwerende partij, voegt de verzoekende partij in een lange uitweiding nog wat volgt toe: XIV-37.432-9/26 “1. Wat betreft de schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, legde verzoekende partij in haar verzoekschrift wél uit in welk opzicht deze beginsels geschonden zijn. In dat verband zal men immers verwijzen naar de brief d.d. 27 juni 2014 aan de Controledienst waarin verzoekster en SIMIM het volgende lieten gelden (zie ontwikkeling van het middel, nr. 1, pp. 17-18): ‘Voor zover als nodig zal tevens verwezen worden naar een e-mail d.d. 23 juni 2000 van dhr. [D.] aan SIMIM, waarin dhr. [D.] stelde: ‘Naar aanleiding van onze telefoongesprek van deze morgen gelieve hierbij de opmerkingen van de controledienst t.a.v. de documenten bestemd voor de dienstsector te willen terugvinden.’ […] In de bijlage in kwestie kan men o.a. het volgende lezen: ‘3. Données de tarification Il convient de préciser qu’il s’agit de la surface nette de tout lieu accessible au public où de la musique est diffusée. En dessous de la rubrique ‘Date de début de l'exploitation’, il convient d'insérer une rubrique ‘date de fin de l'exploitation.’ […] Dit schrijven toont enerzijds aan dat de Controledienst wel degelijk op de hoogte was van de inhoud van de aangifteformulieren én deze zelfs goedkeurde (mits een aantal wijzingen werden doorgevoerd). (…) Maar bovendien - en vooral - toont dit aan dat ook voor de controledienst de begindatum van de uitbating wel degelijk een tarificatiecriterium uitmaakt! Alles is hiermee dan ook feitelijk gezegd. De waarschuwing dient ingetrokken te worden.’. Dit toont aan dat, door de bestreden akte aan te nemen, verwerende partij zonder enige rechtvaardiging teruggekomen is op het standpunt dat zij initieel aangenomen had (en dat volledigheidshalve gevoegd wordt als nieuw stuk 14), dit terwijl verzoekende partij meer dan 15 jaar handelde conform volledig de richtlijnen van de controledienst en deze sinds het begin van de inning toepaste. Het middel is dan ook gegrond. 2. Wat betreft de verwijzingen in de argumentatie over het middel naar de argumentatie die onder randnummer 3 is ontwikkeld door een van de raadslieden van de verzoekende partij en van SIMIM in zijn schrijven d.d. 19 april 2017 aan de Controledienst, moet het volgende opgemerkt worden. Randnummer 3 van de brief van 19 april 2017 waarnaar wordt verwezen wordt uitdrukkelijk en volledig hernomen in het verzoekschrift tot nietigverklaring, en dat in randnummer 15 van de feitenuiteenzetting. De Raad van State kan aldus wel degelijk perfect kennis nemen van dat onderdeel van de argumentatie van de verzoekende partij en zij moet hiermee rekening houden in de mate dat men wel degelijk moet in aanmerking nemen dat op die wijze de desbetreffende argumenten uitdrukkelijk in het verzoekschrift zijn opgenomen en uitgewerkt. 3. Voor het overige, en nog essentiëler, bekritiseert het middel niet de afwezigheid van motivering van de aangevochten akte maar wel het niet afdoende karakter van deze motivering en dus het exacte, pertinente en toelaatbare kenmerk van de ingeroepen motieven. De fundamentele kritiek die in het middel wordt aangevoerd, betreft het feit dat de verwerende partij een onjuiste toepassing heeft gemaakt van het begrip ‘aanvangsdatum van uitbating’. In dat verband, kunnen de vier volgende argumenten aangegeven worden die, ieder op zich genomen reeds aantonen dat de stelling van verwerende partij niet kan gevolgd worden, a fortiori gezamenlijk. 4. Ten eerste zal men eraan herinneren dat artikel 42, 6e lid Auteurswet 1994 voorziet dat: XIV-37.432-10/26 ‘Degenen die de vergoeding verschuldigd zijn, moeten overeenkomstig de eisen van de redelijkheid de inlichtingen meedelen die nuttig zijn voor de inning en de verdeling van de rechten.’ Met andere woorden de uitbater dient alle inlichtingen mee te delen aan de beheersvennootschappen, hetzij verzoekende partij en SIMIM, die ‘nuttig zijn voor de inning en verdeling van de rechten’. Indien het criterium ‘aanvangsdatum van de uitbating’ wordt gelezen zoals de verwerende partij het voorhoudt - m.n. louter als een identificatiecriterium - heeft het geen enkel nut. Louter weten wanneer een uitbating aangevat is, heeft immers geen enkel nut voor de inning noch de verdeling van de billijke vergoeding. Daarentegen zorgt de interpretatie van verzoekende partij en SIMIM (en dus ook van de toenmalige controledienst, supra), waarbij voormeld criterium gelezen wordt als zijnde de aanduiding van het moment vanaf wanneer muziek wordt gespeeld in de uitbating en aldus als tarificatiecriterium dienst doet, wél bijzonder nuttig voor de inning van de billijke vergoeding. Aangezien voormelde wetsbepaling het wettelijk kader van de billijke vergoeding vastlegt, dient hier uiteraard rekening mee gehouden te worden bij de analyse van het kwestieus criterium. De lezing van verzoekende partij en SIMIM (én de toenmalige controledienst) is de enige die in dit wettelijk kader past, aangezien deze lezing als enige ervoor zorgt dat de aldus meegedeelde inlichting nuttig is voor de inning en verdeling van de rechten. 5. Hieraan gekoppeld dient benadrukt te worden dat het criterium ‘aanvangsdatum van de uitbating’ als louter identificatiecriterium geen enkel nut heeft, aangezien de andere criteria die vervat zijn in de beslissingen - zoals het adres, het BTW-nummer, de handelsnaam, enz. reeds een perfecte identificatie mogelijk maken. De ‘aanvangsdatum van de uitbating’ als zijnde louter de openingsdatum van de uitbating beschouwen voegt niets toe aan de identificatie en heeft dus geen enkel nut. De ‘aanvangsdatum van de uitbating’ als zijnde het begin van het muziekgebruik beschouwen heeft daarentegen wel nut en sluit op die wijze, zoals gezegd, aan bij het relevante wettelijk kader. 6. Een bijkomend bewijs hiervan vindt men de diverse KB’s die genomen zijn in uitvoering van de Auteurswet[…]. Zo voorziet artikel 17, 8° van het KB horeca d.d. 22 december 2004: ‘Art. 17. Binnen de dertig dagen volgend op de aanvraag van de beheersvennootschappen of hun mandataris moet de uitbater door middel van een daartoe bestemd formulier per uitbating minstens de hiemavolgende inlichtingen verschaffen : (…) 8° de datum van aanvang van de uitbating indien die na 1 januari 2005 ligt.’ Hetzelfde vindt men in de oorspronkelijke versies van andere K.B.’s. Zo vermeldt artikel 10, I, 5° van het K.B. ‘diensten’ d.d. 13 december 1999: ‘de datum van het begin van de uitbating indien deze na 31 december 1997 plaatsvindt’[…]. Artikel 10, I, 5e van het K.B. ‘distributie’ van 12 april 1999 sprak dan weer van de ‘datum van het begin van de uitbating indien deze na 31 december 1997 plaatsvindt’. […] Indien de ‘aanvangsdatum van de uitbating’ louter een identificatiecriterium zou uitmaken, dan zou die logischerwijs altijd meegedeeld moeten worden teneinde de identificatie van de desbetreffende uitbating mogelijk te maken. Het feit dat die datum in werkelijkheid enkel moet meegedeeld worden indien deze datum na een bepaalde dag ligt, bevestigt opnieuw dat de interpretatie van verwerende partij niet kan gevolgd worden en dat dit criterium wel degelijk dient om de aanvang van XIV-37.432-11/26 het muziekgebruik te bepalen (en dus het verschuldigd zijn van de billijke vergoeding). 7. Het is daarbij bijzonder interessant de oorspronkelijke versie van artikel 10, I, 5e van het K.B. distributie in zijn geheel te lezen, aangezien dit als door de uitbater mee te delen inlichting het volgende vermeldde: ‘5. De datum van het begin van de uitbating indien deze na 31 december 1997 plaatsvindt; de oorsprong van de bron van de muzikale uitzending en het soort muziek’.[…] Het feit dat in een doorlopende tekst het ‘begin van de uitbating’ gekoppeld wordt aan de muzikale bron én het soort muziek bevestigt eens te meer dat het alhier besproken criterium op muziekgebruik slaat én niet als identificatiecriterium dienst doet. Ook het oorspronkelijk artikel 18 van dit K.B. mag niet onvermeld gelaten worden, aangezien het initieel voorzag : ‘De onderhavige overeenkomst wordt toegepast vanaf 8 juli 1996. Voor de uitbaters die hun activiteit aangevangen hebben voor 1 januari 1998 zal de billijke vergoeding, verschuldigd voor de periode van 8 juli 1996 tot 31 december 1997, forfaitair verminderd worden tot 50 % van de jaarlijkse billijke vergoeding voorzien in artikel 4.’ Die overgangsbepaling is er overigens gekomen omdat de Belgische Staat er jaren over gedaan heeft om K.B.’s uit te vaardigen ter uitvoering van de Auteurswet van 1994, reden waarom er een retroactieve inning voorzien is (de datum vanaf wanneer mag geïnd worden gaat immers terug van voor de datum van het K.B.), hetgeen eens te meer bevestigt dat de datum van aanvang wel degelijk de datum is vanaf wanneer de billijke vergoeding mag geïnd worden (en geen tarificatiecriterium uitmaakt). Opnieuw is er dus een wettelijke koppeling tussen het criterium ‘aanvang van de uitbating’ en het verschuldigd zijn van de billijke vergoeding, hetgeen nogmaals bevestigt dat de interpretatie van verwerende partij niet kan weerhouden worden. 8. Ten tweede zal eraan herinnerd worden dat, bij het uitwerken van de K.B.’s in kwestie de tekst in samenspraak met verwerende partij is opgesteld. Dienaangaande zal nogmaals verwezen worden naar een e-mail d.d. 23 juni 2000 van dhr. [D.] aan verzoekende partij, waarin dhr. [D.] stelde (stuk 14): ‘Naar aanleiding van onze telefoongesprek van deze morgen gelieve hierbij de opmerkingen van de controledienst t.a.v. de documenten bestemd voor de dienstsector te willen terugvinden.’ […] In de bijlage in kwestie kan men o.a. het volgende lezen: ‘3. Données de tarification Il convient de préciser qu’il s’agit de la surface nette de tout lieu accessible au public où de la musique est diffusée. En dessous de la rubrique ‘Date de début de l'exploitation’, il convient d’insérer une rubrique ‘date de fin de l'exploitation’. […] Met andere woorden, de notie ‘aanvangsdatum van de uitbating’ maakt, naar luidt van de eigen woorden van verwerende partij, wel degelijk deel uit van de tarificatiegegevens. Dit hoeft overigens niet te verbazen, aangezien dit de enige manier is om hieraan enig nut te verlenen (supra). Derhalve bevestigt dit dat de stelling van verwerende partij niet kan weerhouden worden. Verwerende partij betwist dit argument overigens niet in haar memorie van antwoord. 9. Ten derde stelt verwerende partij dat de door verzoekende partij en SIMIM aan het begrip ‘aanvangsdatum van de uitbating’ gegeven interpretatie strijdig zou XIV-37.432-12/26 zijn met artikel 1315 B.W., aangezien dit een omkering van de bewijslast zou inhouden. Zo stelt de verwerende partij in haar schrijven d.d. 6 oktober 2016: ‘(SIMIM en PlayRight) dienen hiervoor de bewijselementen aan te dragen. Het kan niet aan de uitbater toekomen om het bewijs te leveren dat hij geen opgenomen muziek in zijn uitbating heeft afgespeeld met betrekking tot de jaren waarop het betalingsverzoek slaat. Dit volgt zo uit artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek.’ Men zal verwerende partij op dit punt vooreerst herinneren aan haar eigen stelling luidens dewelke: ‘(...) kan de Controledienst opmerken dat het onzes inziens in fine de hoven en rechtbanken toekomt om de koninklijke besluiten te interpreteren aangaande de billijke vergoeding.’ (schrijven d.d. 15 september 2014 van de Controledienst, blz. 3, (…)). M.a.w., verwerende partij heeft zelf erkend dat het niet aan haar toekomt om de criteria vervat in de koninklijke besluiten te interpreteren, doch wel aan de gerechtelijke macht. Zij kan heden dan ook verzoekende partij en SIMIM niet sanctioneren op basis van haar eigen, bestreden interpretatie van een van de criteria in kwestie, m.n. de ‘aanvangsdatum van de uitbating’. 10. Doch zelfs indien verwerende partij hier alsnog toe gerechtigd zou zijn, dient benadrukt te worden dat de gerechtelijke macht zich reeds hierover gebogen heeft. De Heer Vrederechter van het Vredegerecht te St-Jans-Molenbeek heeft immers gezegd voor recht dat: ‘ Compte tenu des présomptions édictées par la décision du 14 novembre 2012, à tout le moins des règles et des définitions qu'elle contient, la charge de la preuve incombe bien à l’exploitant qui ne s’estime pas redevable de cette rémunération équitable, de démontrer que les conditions du payement ne sont pas remplies.’ […] Vrije vertaling: ‘Rekening houdend met de vermoedens die voorzien worden door de beslissing van 14 november 2012, minstens met de regels en de definities die die beslissing bevat, ligt de bewijslast wel degelijk bij de uitbater die meent dat hij niet gehouden is de billijke vergoeding te betalen, om aan te tonen dat de betalingsvoorwaarden niet vervuld zijn.’ […] M.a.w., de Heer Vrederechter heeft voor recht gezegd dat (de regels en definities vervat
- in)de beslissing van 14 november 2012 (zijnde een recente versie van een van de beslissingen genoemd in voormelde tekortkoming[…]) zorgt voor een omkering van de bewijslast. Indien weliswaar de feitelijke gegevens van dat geschil niet identiek zijn aan deze van huidig beroep, zoals verwerende partij opmerkt in haar Memorie, doet dit niets af aan het feit dat in het hier geciteerd vonnis de rechterlijke macht heeft bevestigd dat de bewijslast bij de uitbater ligt. M.a.w., indien en voor zover de toepassing die verzoekende partij en SIMIM maken van het criterium ‘aanvangsdatum van de uitbating’ voor een omkering van de bewijslast zou zorgen, maakt dat geenszins een schending uit van artikel 1315 B.W., zoals beslist is in voormeld vonnis, waarbij nogmaals benadrukt zal worden dat de verwerende partij zelf erkend heeft dat het aan de rechterlijke macht toekomt om die notie te interpreteren. 11. Ten vierde weze gemeld dat op heden een nieuw globaal KB in de maak is, dat alle uitvoeringsbesluiten van de billijke vergoeding groepeert, waarbij het de bedoeling is dat die per 1 januari 2018 in werking zou treden (zie stuk 16). In dat KB is de notie ‘begindatum muziekgebruik’ wél opgenomen in de inlichtingen die door de uitbater verstrekt dienen te worden. De ‘aanvangsdatum van de uitbating’ dient in dit nieuwe KB niet meer aangegeven te worden, wat XIV-37.432-13/26 nogmaals aantoont dat deze notie geen enkel nut had als puur identificatiecriterium. Het commentaar bij deze wijziging sluit alle mogelijke discussie af, aangezien er expressis verbis wordt gesteld: ‘Ter verduidelijking van de tekst werd ‘het begin van de uitbating’ vervangen door ‘het begin van het gebruik van muziek’ (stuk 16, voetnoot 35 en 39, blz. 20). De woorden ‘ter verduidelijking’ tonen immers op onweerlegbare wijze aan dat het criterium ‘aanvangsdatum van de uitbating’ wel degelijk verwijst naar de aanvang van het muziekgebruik, doch dat dit - om alle misverstanden te vermijden - in de nieuwe tekst nu met zoveel woorden zal gesteld worden. 12. Het voorgaande toont aan dat de invulling die de verwerende partij aan het begrip ‘aanvangsdatum van de uitbating’ niet strookt met de wettelijke teksten noch met haar eigen standpunt uit 2001 noch met de gerechtelijke interpretatie noch met de ‘verduidelijking’ die de wetgever hieraan in 2017 wenst te verlenen. Aldus is aangetoond dat een foutieve motivering aan de grondslag van de bestreden beslissing ligt, die om die reden alleen al vernietigd dient te worden. 13. Louter volledigheidshalve wenst verzoekende partij nog te antwoorden op de argumentatie van verwerende partij als zou haar geen vooringenomenheid kunnen verweten worden (randnummer 43 van de memorie van antwoord). Enerzijds zal eraan herinnerd worden dat verwerende partij gesteld heeft : ‘Ik heb een telefonisch gesprek gehad met Mevrouw [K.E.]. Ze wil graag weten of de billijke vergoeding 4 jaar in het verleden kan eisen. lk heb haar verteld dat volgens ons moet de bv over bewijsmateriaal beschikken om dit te kunnen doen maar dat de BV daarmee niet akkoord is en dat een inbreuk procedure lopende is. Ze vroeg dan wat kan ze aan haar leden (garagisten) aanraden. lk zei u kan naar de rechter maar ik u niet garanderen dat u de zaak zal winnen. Ze zal het verder bekijken en bestuderen. lk zei dat we onze juridische argumenten kunnen doorgeven. Kan je ervoor zorgen?’ […] Niet alleen maakt verwerende partij zodoende aan een buitenstaander bekend dat er een inbreukprocedure lastens verzoekende partij en SIMIM lopende is, doch bovendien geeft verwerende partij aan een buitenstaander juridische argumenten tegen de beheersvennootschappen. Als enig verweer verwijst verwerende partij naar de mailwisseling die zij gehad heeft met de betrokken debiteur en waarin zij … effectief juridische argumenten aanreikt om de billijke vergoeding te betwisten! Bovendien geeft verwerende partij nog altijd geen enkele reden aan waarom zij moest vermelden dat er een inbreukprocedure lopende was lastens verzoekende partij en SIMIM. Dit bevestigt dus de vooringenomenheid van verwerende partij in casu. In een andere e-mail d.d. 11 juli 2014 aan een zekere Mevr. [C.] gaat verwerende partij nog een stap verder en stelt onomwonden: ‘IVM onze verschil van mening met de BV rond de 5 jaar zijn we bezig om hen te overtuigen / dwingen maar het is op dit moment nog niet gelukt.’ […] Het feit dat verwerende partij verzoekende partij en SIMIM wil ‘dwingen’ spreekt boekdelen. Ook hier tracht verwerende partij zich te verweren door te verwijzen naar latere briefwisseling, doch slaagt er geenszins in enige rechtvaardiging te geven voor de door haar gebruikte term ‘dwingen’. Dit alles toont de vooringenomenheid en partijdigheid van verwerende partij in deze kwestie aan, waarmee uiteraard rekening dient gehouden te worden bij de beoordeling van dit geschil”. XIV-37.432-14/26 8. In haar laatste memorie, onder het kopje “Wat betreft het tweede [lees: het eerste] middel”, verwijst de verzoekende partij naar haar eerdere procedurestukken. Daarnaast betwist ze het standpunt dat het onderzoek van het eerste middel en de interpretatie van het criterium “aanvangsdatum van de uitbating”, de Raad van State ertoe zou brengen zich uit te spreken over de interpretatie van een contract en over de subjectieve rechten die partijen eraan ontlenen. In essentie voert de verzoekende partij aan dat de omstandigheid dat de koninklijke besluiten tot het bindend verklaren van de beslissingen van de Commissie, zoals beoogd in artikel 42 van de Auteurswet van 30 juni 1994, op zich niet van reglementaire aard zijn, niet met zich meebrengt dat de aldus bindend verklaarde beslissingen zelf niet van reglementaire aard zouden kunnen zijn, noch dat de schending van de regels vastgelegd in deze beslissingen niet zou kunnen worden ingeroepen ter ondersteuning van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. De tussenkomst van de Koning moet immers worden gezien als een handeling van toezicht die maakt dat de beslissing genomen door de Commissie genoemd in artikel 42 van de Auteurswet van 30 juni 1994 ten volle uitwerking kan hebben ten aanzien van derden. Evenmin volgt uit artikel 42 van de Auteurswet van 30 juni 1994 dat de in toepassing van deze bepaling genomen beslissingen door de Commissie - die door deze bepaling wordt ingericht - van contractuele aard zouden zijn. Deze beweerde contractuele aard kan niet voortvloeien uit het enkele feit dat deze Commissie paritair is samengesteld. De bevoegdheid van deze Commissie bestaat er immers in de billijke vergoeding te bepalen alsook de modaliteiten voor de inning ervan. Er moeten aldus regels met een algemene draagwijdte worden vastgelegd, waarvan trouwens wordt voorzien dat de Koning hen bindend kan verklaren ten aanzien van derden. Tot slot, meent de verzoekende partij dat in het auditoraatsverslag niet wordt ingegaan “op de argumenten ontwikkeld in de tweede en derde plaats in de antwoordmemorie [lees: de memorie van wederantwoord] (nrs. 8 tot 10).” XIV-37.432-15/26 Beoordeling Betreffende de (niet-)ontvankelijkheid van het middel 9. Anders dan de feitenuiteenzetting, vormt de uiteenzetting van de middelen steeds een essentieel onderdeel van het verzoekschrift omdat het de andere partijen toelaat zich te verdedigen tegen de grieven die ten aanzien van de bestreden beslissing worden aangevoerd, en de Raad van State in staat stelt de gegrondheid van die grieven te beoordelen. Onder “middel” in de zin van artikel 2, § 1, 3° van de het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) moet worden verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Een middel moet dus duidelijk en nauwkeurig zijn, precies omdat de onduidelijkheid van een (in een) verzoekschrift (geformuleerd middel) het contradictoir karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij schendt. Die duidelijkheid is des te noodzakelijker wanneer het verzoekschrift de schending van meerdere rechtsregels aanvoert of wanneer het middel technisch van aard is. Voldoende duidelijk betekent dat het niet nodig is veronderstellingen over de juiste bedoeling van de verzoekende partij te maken waardoor, in werkelijkheid, de verwerende partij, en nadien de Raad van State ertoe worden gebracht in plaats van de verzoekende partij het middel te (re)construeren. 10. De verzoekende partij kan niet worden bijgevallen waar zij in haar memorie van wederantwoord op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie repliceert dat zij, wat de schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel betreft, in haar verzoekschrift “wél uitlegt in welk opzicht deze beginsels geschonden zijn”. Zij verwijst in die memorie weliswaar naar de brief van 27 juni 2014 aan de Controledienst waarin zij vervolgens verwijst naar een (eerdere) brief van 23 juni 2000 van dhr. [D.], toenmalig diensthoofd van de Controledienst waaruit zou moeten blijken dat de Controledienst “wel degelijk op XIV-37.432-16/26 de hoogte was van de inhoud van de aangifteformulieren én deze zelfs goedkeurde (mits een aantal wijzingen werden doorgevoerd)” en zou aantonen dat “ook voor de Controledienst de begindatum van de uitbating wel degelijk een tarificatiecriterium uitmaakt”, waarmee dan “[a]lles hiermee dan ook feitelijk [is] gezegd” en “[d]e waarschuwing dient ingetrokken te worden.”. Het is pas voor het eerst met haar memorie van wederantwoord dat zij die brief die ze eerder deels citeerde, situeert in die zin dat, volgens de verzoekende partij, daarmee is aangetoond dat “door de bestreden akte aan te nemen, verwerende partij zonder enige rechtvaardiging teruggekomen is op het standpunt dat zij initieel aangenomen had (en dat volledigheidshalve gevoegd wordt als nieuw stuk 14), dit terwijl verzoekende partij meer dan 15 jaar handelde conform volledig de richtlijnen van de controledienst en deze sinds het begin van de inning toepaste”. Die duiding verstrekt met de memorie van wederantwoord ontbreekt geheel in het verzoekschrift waar dat schrijven van 23 juni 2000 wordt geciteerd. Er wordt zelfs geen link gelegd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, begrippen die in de “ontwikkeling van het middel” zelfs niet worden gebruikt. Er kan niet worden aanvaard dat de verwerende partij, het auditoraat of de Raad moeten gissen waarin dan precies de in het middel aangevoerde schending van het rechtszekerheids- cq. vertrouwensbeginsel in is gelegen. Dergelijke verregaande onduidelijkheid, meer zelfs, dergelijke verregaande onvolledigheid kan niet met een memorie van wederantwoord worden goedgemaakt. 11. Het eerste middel is in de hiervoor aangegeven mate niet-ontvankelijk. De beoordeling van het eerste middel wordt dan ook beperkt tot datgene zoals het door de verzoekende partij zelf is samengevat, en zoals zij in haar memorie van wederantwoord herhaalt, met name in zoverre de verzoekende partij daarmee laat gelden “dat de motivering van de aangevochten akte niet afdoende en niet voldoende is”. Het middel, aldus de verzoekende partij, “bekritiseert niet de afwezigheid van motivering van de aangevochten akte maar wel het niet afdoende karakter van deze motivering en dus het exacte, pertinente en toelaatbare kenmerk XIV-37.432-17/26 van de ingeroepen motieven. De fundamentele kritiek die in het middel wordt aangevoerd, betreft het feit dat de verwerende partij een onjuiste toepassing heeft gemaakt van het begrip ‘aanvangsdatum van uitbating’”. Volgens haar kan haar in werkelijkheid geen enkele tekortkoming worden ten laste gelegd; “[h]et middel laat gelden dat de ‘aanvangsdatum van uitbating’ wel degelijk als begindatum van het muziekgebruik van de uitbater moet beschouwd worden”. Betreffende de (on)gegrondheid van het middel 12. De te dezen relevante artikelen 41 tot 43 van de Auteurswet van 30 juni 1994 houdende ‘Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de uitvoerende kunstenaars en producenten’ zoals van toepassing op de bestreden beslissing, luiden: “Art. 41. Wanneer de prestatie van een uitvoerende kunstenaar op geoorloofde wijze wordt gereproduceerd of door de radio uitgezonden, mogen de uitvoerende kunstenaars en de producent zich onverminderd het recht van de auteur niet verzetten: 1° tegen de mededeling ervan op een openbare plaats, op voorwaarde dat die prestatie niet voor een voorstelling wordt gebruikt en van het publiek geen toegangsgeld of vergoeding wordt gevraagd om die prestatie te kunnen bijwonen; 2° tegen uitzending ervan via de omroep.’; ‘Art 42. Het gebruik van prestaties geeft, overeenkomstig artikel 41, de uitvoerende kunstenaars en de producenten recht op een billijke vergoeding, ongeacht de plaats waar die fonogrammen zijn vastgelegd. De vergoeding wordt door die personen die de handelingen bepaald in artikel 41 verrichten betaald aan de in hoofdstuk VII van deze wet bedoelde vennootschappen voor het beheer van de rechten. Is er binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet omtrent die vergoeding geen overeenstemming tussen die beheersvennootschappen en de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, dan wordt het bedrag ervan bepaald door een commissie die voltallig of in gespecialiseerde afdelingen zetelt en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht. Deze commissie zetelt voltallig of in afdelingen die gespecialiseerd zijn in een of meerdere activiteitssectoren. Elke afdeling wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht. In deze commissie beschikken de vennootschappen voor het beheer van de rechten, enerzijds, en de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, anderzijds, over een gelijk aantal stemmen. Deze gelijke verdeling van het aantal stemmen tussen, enerzijds, de vennootschappen voor het beheer van de rechten en, anderzijds, de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, is eveneens van toepassing wanneer de commissie in gespecialiseerde afdelingen zetelt. XIV-37.432-18/26 De vennootschappen voor het beheer van de rechten en de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, worden aangewezen door de minister die bevoegd is voor het auteursrecht. Degenen die de vergoeding verschuldigd zijn, m[o]eten overeenkomstig de eisen van de redelijkheid de inlichtingen meedelen die nuttig zijn voor de inning en de verdeling van de rechten. De commissie die voltallig of in gespecialiseerde afdelingen zetelt bepaalt op welke wijze die inlichtingen en stukken worden verstrekt. De commissie die voltallig of in gespecialiseerde afdelingen zetelt beslist bij meerderheid van de stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. De beslissingen van de commissie worden bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Koning kan de nadere regels met betrekking tot de werking en de organisatie van de Commissie bepalen. De beslissingen van de Commissie worden bij koninklijk besluit bindend verklaard ten aanzien van derden. De minister, bevoegd voor het auteursrecht, kan weigeren de Koning voor te stellen een beslissing bindend te maken op grond van het feit dat die beslissing kennelijk onwettige bepalingen bevat, of bepalingen die indruisen tegen het algemeen belang. Hij brengt de commissie op de hoogte van de redenen daarvoor.’; en ‘Art. 43. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten wordt de in artikel 42 bedoelde vergoeding door de vennootschappen voor het beheer van de rechten verdeeld onder de uitvoerende kunstenaars en de producenten, ieder voor de helft. De duur van de in artikel 42 bedoelde rechten op vergoeding is telkens gelijk aan deze voorzien in de artikelen 38 en 39, laatste lid’”. 13. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. XIV-37.432-19/26 De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. 14. Zoals hiervoor sub 11 is gebleken, verklaart de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord niet de afwezigheid van een motivering te bekritiseren maar wel het niet afdoende karakter van deze motivering. Het verweer betrokken op de formele motivering doet bijgevolg niet ter zake. 15. In essentie betoogt de verzoekende partij onder dit eerste middel dat de verwerende partij het criterium ‘aanvangsdatum van de uitbating’ onjuist heeft geïnterpreteerd en toegepast. Bedoeld criterium was ten tijde van de bestreden besluitvorming opgenomen als een te verschaffen inlichting in diverse in de aanhef van het middel als geschonden ingeroepen bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde overeenkomsten tussen de beheersvennootschappen en uitbatingen in de verschillende bedrijfssectoren met het oog op de inning van de billijke vergoeding voor de directe of indirecte mededeling van fonogrammen. De algemeen verbindend verklaring bij koninklijk besluit is voorzien in het hiervoor sub 12 aangehaalde artikel 42, laatste lid, van de Auteurswet van 30 juni 1994 zoals dat op de bestreden besluitvorming van toepassing was. Luidens die bepaling is het doel ervan de beslissingen van de Commissie bij koninklijk besluit bindend te verklaren ten aanzien van derden. XIV-37.432-20/26 De in de aanhef van het middel ingeroepen (en geschonden geachte) koninklijke besluiten (zoals van toepassing op de bestreden beslissing) bevatten een artikel 1 waarbij “[a]lgemeen bindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen beslissing van [datum van de beslissing], genomen door de commissie zoals bedoeld in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, inzake de billijke vergoeding verschuldigd door de uitbatingspunten gebruikt voor de [betrokken activiteitensector]”. De met degelijke bepaling algemeen verbindend verklaarde “beslissing” die telkens als bijlage bij het betrokken koninklijk besluit wordt opgenomen, draagt nu eens de benaming “overeenkomst”, bijvoorbeeld “Overeenkomst inzake de billijke vergoeding verschuldigd door de verkooppunten en handelsgalerijen” die als bijlage is opgenomen bij het koninklijk besluit van 12 april 1999 (Belgisch Staatsblad, 5 juni 1999) en dan weer “beslissing”, bijvoorbeeld “Beslissing van 15 december 2004 inzake de billijke vergoeding verschuldigd door uitbatingen die logies aanbieden en/of maaltijden en/of dranken bereiden en/of opdienen, evenals door discotheken/dancings, genomen door de commissie bedoeld in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten” die als bijlage is opgenomen bij het koninklijk besluit van 22 december 2004/2 (Belgisch Staatsblad). De verzoekende partij kan niet worden bijgevallen. Doorslaggevend is immers hetgeen is bepaald in (het door de verzoekende partij eveneens geschonden geachte) artikel 42 van de Auteurswet van 30 juni 1994 zelf. Naar luid van het zesde lid van die bepaling moeten “(d)egenen die de vergoeding verschuldigd zijn, (…) overeenkomstig de eisen van de redelijkheid de inlichtingen meedelen die nuttig zijn voor de inning en de verdeling van de rechten”. Deze bepaling kan niet worden los gezien van de inleidende zinssnede van datzelfde artikel 42 luidens dewelke “(h)et gebruik van prestaties (…), overeenkomstig artikel 41, de uitvoerende kunstenaars en de producenten recht [geeft] op een billijke vergoeding, ongeacht de plaats waar die fonogrammen zijn vastgelegd”. XIV-37.432-21/26 Voor zoveel als nodig bemerkt de Raad van State dat de verwerende partij - anders dan de verzoekende partij dat ziet - wel degelijk, en zelfs in eerste instantie, bevoegd is of geroepen wordt om de wet te interpreteren nu zij met de toepassing ervan is belast, zij het onder voorbehoud van rechterlijke controle. Bij gebrek aan een uitdrukkelijke andersluidende definiëring dient het gehanteerde criterium “aanvangsdatum van de uitbating” te worden begrepen in zijn spraakgebruikelijke betekenis. Met de verwerende partij wordt aangenomen dat sprake kan zijn van een uitbating zonder dat er muziek wordt uitgezonden en derhalve, zonder dat de prestaties van de uitvoerende kunstenaar waaraan de billijke vergoeding beantwoordt, worden gebruikt. De aangifte van de aanvangsdatum van de uitbating is dan ook niet van aard eenduidig te begrijpen als ‘het begin van het muziekgebruik’ zoals de verzoekende partij stelt. Het is daarbij niet relevant of de aanvangsdatum van de uitbating is opgenomen onder de identificatiegegevens of de tarificatiegegevens volgens het aangifteformulier. Opdat inning mogelijk is, zal moeten blijken dat er daadwerkelijk muziekgebruik heeft plaats gevonden en zulks op basis van inlichtingen verleend op initiatief van de uitbaters die, zo stelt artikel 42, zesde lid, van de Auteurswet van 30 juni 1994, “overeenkomstig de eisen van de redelijkheid de inlichtingen meedelen die nuttig zijn voor de inning en de verdeling van de rechten”. Dat standpunt vindt bijkomend steun in de algemeen verbindend verklaarde beslissingen die steeds in een controlebevoegdheid voorzien in hoofde van de beheersvennootschap of de door haar aangestelde mandataris om deze in staat te stellen de inlichtingen die moeten worden verschaft, na te gaan evenals alle inlichtingen te verzamelen die de verdeling van de rechten mogelijk maken. 16. Op 29 december 2017 is dan het koninklijk besluit van 17 december 2017 ‘betreffende de billijke vergoeding van de uitvoerende kunstenaars en producenten voor de openbare uitvoering van fonogrammen of bij uitzending van fonogrammen via de omroep’ (hierna: het koninklijk besluit van XIV-37.432-22/26 17 december 2017) in het Belgisch Staatsblad verschenen. Dit koninklijk besluit is genomen op grond van artikel XI.213 van het WER en krachtens artikel 82 van dat besluit is het in werking getreden op 1 januari 2018. De in de aanhef als geschonden ingeroepen koninklijke besluiten zijn door het koninklijk besluit van 17 december 2017 opgeheven. Hoofdstuk 3 van het koninklijk besluit van 17 december 2017 betreft de “aangifte”. Voor alle bedrijfssectoren wordt thans (onder meer) vermeld als aan te geven ‘de datum van het begin van de openbare uitvoering van fonogrammen’. Anders dan verzoekende partij dat ziet, laat deze “verduidelijking” echter niet toe hieruit alsnog af te leiden dat de ‘aanvangsdatum van de uitbating’ altijd al had moeten zijn begrepen als de aanvang van het muziekgebruik. 17. In zoverre de verzoekende partij eerst in de memorie van wederantwoord bijkomend nog een hele rits van argumenten aanvoert (cfr. punt 5.2.), toont zij niet aan dat zij deze argumenten niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Het betreft immers allemaal uittreksels en citaten uit stukken waarbij zij haar (eigen) toelichting of waaraan zij haar (eigen) interpretatie geeft en waarvan zij reeds geruime tijd voor neerlegging van het verzoekschrift kennis had. Aldus geeft de verzoekende partij op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Zij is dan ook slecht geplaatst om, zoals zij in haar laatste memorie doet, “te benadrukken” dat de argumentatie in het auditoraatsverslag “geenszins antwoordt op de argumenten die zij heeft ontwikkeld “in de tweede en derde plaats in de antwoordmemorie [lees: de memorie van wederantwoord] (nrs. 8 tot 10)”. 18. Het eerste middel is ongegrond. XIV-37.432-23/26 B. Derde middel Uiteenzetting van het middel 19. Een derde middel is genomen uit de schending van artikel 33 van de Grondwet, de schending van artikel XV.66/2 van het WER, de onbevoegdheid van de auteur van de akte en machtsoverschrijding. De verzoekende partij zet uiteen dat het niet vaststaat dat de bestreden akte aangenomen is, zoals de in het middel vermelde bepaling van het WER het voorziet, door de bevoegde minister of door de agent die speciaal daartoe is aangewezen. De administratieve overheden beschikken evenwel slechts over toegewezen bevoegdheden en moeten worden uitgeoefend door de organen die zijn aangeduid door de geldende grondwettelijke, wettelijke en reglementaire bepalingen. Een delegatie van bevoegdheden, wanneer het principe uitdrukkelijk wordt voorzien, kan niet worden vermoed. In haar memorie van wederantwoord zegt zij zich te richten naar de wijsheid van de Raad doch benadrukt niettemin “dat de verwerende partij moet ondervraagd worden over de redenen waarom bepaalde vermeldingen, van stuk 17 van het administratief dossier (hetzelfde geldt trouwens voor het stuk 20 van het administratief dossier, zijnde de nota aan de Minister van 16 april 2015) worden verborgen.” In haar laatste memorie stelt zij, wat dit middel betreft, dat zij “niets toe te voegen [heeft] ten aanzien van de inhoud van haar antwoordmemorie.” Beoordeling 20. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen. “Verwerende partij is op 2 juli 2021, met herinnering op 24 februari 2022, erom verzocht het administratief dossier te willen vervolledigen met een integrale XIV-37.432-24/26 versie van de stukken 17 en 20, zonder zwartmaking van een deel van de inhoud ervan, waarbij kan worden verzocht om vertrouwelijke behandeling ervan, indien de verwerende partij meent dat deze stukken vertrouwelijke gegevens bevatten. Verwerende partij heeft de integrale versie van de stukken 17 en 20 overgelegd op 2 april 2022. Zij verzoekt om de vertrouwelijke behandeling ervan. ‘Deze stukken betreffen inderdaad interne nota’s aan de Minister, waarbij de zwart gemaakte passages niet rechtstreeks betrekking hebben op de bestreden beslissingen die in deze dossiers genomen werden, doch wel op het beleid dat cliënte terzake wenste uit te stippelen en te volgen. Een mededeling van deze passages zou dit beleid kunnen ondermijnen’. Niets belet de Raad het verzoek tot vertrouwelijke behandeling in te willigen. Het enig artikel van het ministerieel besluit van 21 oktober 2015 houdende aanstelling van de ambtenaren die ermee belast zijn om een sanctie op te leggen, overeenkomstig artikel XV.66/2, §§ 1 en 5 van het Wetboek van economisch recht, luidt als volgt: ‘De directeur-generaal, en zo hij afwezig of verhinderd is, de adviseur-generaal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, worden aangesteld om: 1° een sanctie op te leggen overeenkomstig artikel XV.66/2, §1, van het Wetboek van economisch recht indien op het einde van de in toepassing van artikel XV.31/1 van het Wetboek van economisch recht vastgelegde termijn, de overtreder de vastgestelde tekortkoming niet heeft verholpen; 2° een administratieve geldboete op te leggen aan de overtreder overeenkomstig artikel XV.66/2, §1, van het Wetboek van economisch recht’ Uit stuk nr. 17 van het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing door het bevoegde orgaan genomen werd. Het derde middel is niet gegrond”. 21. De verzoekende partij betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft zij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij beperkt zicht ertoe te stellen dat zij “niets toe te voegen [heeft] ten aanzien van de inhoud van haar antwoordmemorie”. Na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. XIV-37.432-25/26 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien februari tweeduizend driëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.432-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.779 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.512 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div