id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.802 Rolnummer: A. 230122/X-17661 Zaak: Arrest 255802 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 14/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-17 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-10 08:25 Fiche Arrest nr 255.802 van 14 februari 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 255.802 van 14 februari 2023 in de zaak A. 230.122/X-17.661 In zake : Wim LEERMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 9051 Sint-Denijs-Westrem Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dylan Casaer kantoor houdend te 1020 Brussel Esplanade 1, bus 88 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van: “- De beslissing tot stopzetting van de procedure voor de invulling van de betrekking van gouverneur van Oost-Vlaanderen dd. 6 december 2019, ontvangen op 7 december 2019 […] - De impliciete weigeringsbeslissing van dezelfde datum om verzoeker te benoemen […].” X-17.661-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 248.294 van 18 september 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alexander De Becker, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-17.661-2/17 III. Juridisch kader en feiten 3.
- Bij besluit van 16 mei 2014 wijzigt de Vlaamse regering haar besluit van 5 maart 2004 ‘tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant’. Deel III wordt vervangen door: “Deel III. De benoeming Art.
- De Vlaamse Regering verklaart de betrekking van gouverneur vacant. De oproep wordt tenminste in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De oproep regelt de wijze van kandidaatstelling en bevat een beknopte weergave van de functiebeschrijving en van het salaris. De termijn tussen de publicatie van de vacature en de uiterste datum van kandidaatstelling bedraagt ten minste twintig werkdagen. Art. 8/
- Voor de toegang tot een ambt van gouverneur gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden: 1° Belg zijn; 2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van het ambt van gouverneur; 3° de burgerlijke en politieke rechten genieten; 4° aan de dienstplichtwetten voldoen; 5° tien jaar relevante ervaring kunnen aantonen. Art. 8/
- In de selectieprocedure wordt onderzocht in welke mate de kandidaten voldoen aan het vereiste competentieprofiel voor de functie. De Vlaamse Regering stelt de functiebeschrijving vast. Art. 8/
- §
- De kandidaten worden door een onafhankelijk selectiebureau geselecteerd op basis van de criteria, vermeld in artikel 8/1 en 8/
- §
- Het onafhankelijk selectiebureau stelt aan de minister van Binnenlandse Aangelegenheden een lijst met geschikte kandidaten voor. Art. 8/
- De Vlaamse Regering kiest de meest geschikte kandidaat uit de lijst, vermeld in artikel 8/3, §
- Art. 8/5.Wanneer de geselecteerde kandidaat voor een hoorzitting in de daartoe bevoegde Commissie van het Vlaams Parlement wordt uitgenodigd, dient hij daaraan gevolg te geven met het oog op zijn benoeming.” 3.
- Op 23 maart 2018 verklaart de Vlaamse regering de betrekking van gouverneur in de provincie Oost-Vlaanderen vacant en keurt zij de functiebeschrijving en een selectiereglement goed. Er zijn 137 kandidaten. De CV(curriculum vitae)-screening, de verkennende gesprekken met, en een externe potentieelinschatting door, een extern X-17.661-3/17 selectiebureau, resulteren finaal in een lijst van vijftien geschikte kandidaten, onder wie verzoeker. De geschikt bevonden kandidaten worden op 24 oktober 2018 geïnterviewd door vier Vlaamse ministers. Op 26 oktober 2018 stelt de Vlaamse regering het agendapunt met betrekking tot een voorstel tot benoeming van de provinciegouverneur in de provincie Oost-Vlaanderen uit. In afwachting van de benoeming van de gouverneur wordt een waarnemend gouverneur aangewezen. 3.
- Met een brief van 26 januari 2019 vraagt verzoeker de Vlaamse regering om over te gaan tot een beslissing van voordracht van gouverneur in Oost-Vlaanderen. Bij gebrek aan het gewenste gevolg richt verzoeker aan de Vlaamse regering op 16 februari 2019, onder verwijzing naar artikel 14, § 3, van de Raad van State-wet, een aanmaning om te beslissen. In de brief van 16 februari 2019 schrijft hij onder meer: “U voldoende bekend, werd ik voorgedragen. Uit de pers kon iedereen vernemen dat dit was omwille van het feit dat ik volgens de functioneel bevoegde minister de best gerangschikte kandidaat ben”. Met een 16 augustus 2019 gedateerd verzoekschrift stelt verzoeker tegen de fictieve weigeringsbeslissingen tot benoeming van de gouverneur in Oost-Vlaanderen en tot benoeming van hemzelf tot gouverneur in Oost-Vlaanderen het annulatieberoep bij de Raad van State gekend onder het nr. A. 228.846/X-17.557 in. 3.
- Op 6 december 2019 beslist de Vlaamse regering om de procedure voor de invulling van de betrekking van gouverneur in de provincie Oost-Vlaanderen stop te zetten om volgende redenen, waaromtrent wordt meegedeeld dat ze naar het oordeel van de Vlaamse regering elk dragend zijn om de stopzetting te motiveren: “
- De wetgeving voorziet dat het selectiebureau louter een lijst met geschikte kandidaten overmaakt (art. 8/3 BVR). Het blijft echter het prerogatief van de Regering om uit die lijst de meest geschikte kandidaat te X-17.661-4/17 kiezen (art. 8/4 BVR). Er werd echter geen eensgezindheid bereikt binnen de Vlaamse Regering over de meest geschikte kandidaat.
- De Vlaamse Regering wil, gelet op het Regeerakkoord, binnen de functie van gouverneur meer gewicht geven aan een actieve verbindings- en verzoeningsrol tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid.
- Het is belangrijk dat de benoeming van de gouverneur berust op een bijzondere vertrouwensband met de Vlaamse regering.
- De Vlaamse Regering zal het Besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, wijzigen.
- Het is te verkiezen dat de benoemingen die elkaar in een kort tijdsbestek opvolgen, allen rekening houden met hogergenoemde doelstellingen.” Die beslissing is het voorwerp van voorliggend beroep. 3.
- De Vlaamse regering keurt op 13 december 2019 principieel het voorontwerp van besluit tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 ‘tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant’ goed. De wijziging strekt ertoe de regels inzake de benoeming, ingevoerd bij het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014, op te heffen, zodat de bepalingen die vóór de inwerkingtreding van dat besluit van kracht waren opnieuw van toepassing zijn. De herziening wordt hierdoor gemotiveerd dat de huidige benoemingsprocedure te weinig rekening houdt met de bijzondere vertrouwensband tussen de functie van gouverneur en de Vlaamse regering en met het grotere gewicht dat de Vlaamse regering wil geven aan de actieve verbindings- en verzoeningsrol van de gouverneur tussen de gemeenten en de Vlaamse overheidsdiensten actief in de provincie. Op 31 januari 2020 neemt de Vlaamse regering het besluit ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de provincie Vlaams-Brabant, wat betreft de procedure tot benoeming’. Het wordt op 10 februari 2020 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Dit besluit maakt het voorwerp uit van verzoekers beroep tot nietigverklaring in de zaak nr. A. 230.465/X-17.
- X-17.661-5/17 X-17.661-6/17 IV. Ontvankelijkheid A. Eerste exceptie Uiteenzetting van de exceptie
- De verwerende partij verwijst in een eerste exceptie naar het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2020 dat de procedure tot benoeming van een gouverneur wijzigt. Door het besluit van 31 januari 2020 bestaat er geen rechtsgrond meer om verzoeker alsnog te benoemen nadat eventueel de bestreden stopzettingsbeslissing zou zijn vernietigd. Verzoeker heeft alleen nog belang bij voorliggend beroep indien hij de vernietiging van het besluit van 31 januari 2020 kan verkrijgen. Beoordeling
- Naar verzoeker in de laatste memorie in een nieuw vierde middel doet gelden, maakt het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2020 een cruciale wijziging van de doorslaggevende spelregels in de hangende procedure uit. Dit vormt volgens hem een manifeste schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en van het daarmee samenhangende recht op de wapengelijkheid van beide partijen in een procedure. Het mag niet worden toegelaten “dat een overheid de tegen haar ingestelde hangende procedure van een verzoeker […] ‘ontwapent’ door achtereenvolgende nieuwe beslissingen te nemen die het belang van de verzoeker aantasten en hem tegelijk in een zeer ongelijke procespositie plaatsen in strijd met het recht op een eerlijk proces en op wapengelijkheid”. De beoordeling van de exceptie leidt aldus tot het onderzoek van dat vierde middel. X-17.661-7/17 B. Tweede exceptie Uiteenzetting van de exceptie
- Volgens een tweede exceptie heeft verzoeker alleen belang bij een vernietiging van de tweede bestreden beslissing indien hij kan aantonen dat er in hoofde van de verwerende partij een rechtsplicht bestaat om hem te benoemen. Beoordeling
- Of er al dan niet een rechtsplicht bestaat om verzoeker tot provinciegouverneur te benoemen, moet het onderzoek van de aangevoerde middelen uitwijzen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste en derde middel Uiteenzetting van de middelen
- Een eerste middel is afgeleid uit de “[s]chending van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, en de artikelen 8, 8/1, 8/2, 8/3 en 8/4 in het bijzonder al dan niet in samenlezing met artikel 6 §
- VIII, 1° derde lid BWHI en artikel 59 van het Provinciedecreet en al dan niet in samenlezing met de beginselen van behoorlijk bestuur en daarbij het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel in het bijzonder”. In het verzoekschrift wordt toegelicht dat het eerste motief “uiteraard haaks” staat op de overige motieven, die alle betrekking hebben “op hetgeen er in de toekomst zal gebeuren”. Een redelijke en zorgvuldige overheid mag evenwel geen gebruik maken van toekomstige regelgeving om zich te onttrekken aan de toepassing van de bestaande regelgeving. X-17.661-8/17 Kan de instabiliteit van een betrekking een in rechte aanvaardbaar motief zijn om toch niet over te gaan tot een benoeming in een vacant verklaard ambt, te dezen is er geen sprake van een instabiele betrekking. Het ambt van provinciegouverneur is, zoals blijkt uit artikel 6, § 1, VIII, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en artikel 59 van het provinciedecreet, integendeel een sleutelpositie. De verklaring dat de verwerende partij in de toekomst een nieuwe procedure wil uitvaardigen, kan niet volstaan om een sleutelfunctie als die van gouverneur niet te begeven. Het kan niet dat het ambt van gouverneur een ambt zou zijn dat door een verandering in de inrichting van de provinciale administratie zou sneuvelen of zou zijn gesneuveld. Evenmin doet zich de situatie voor dat er geen geschikte kandidaten uit de selectie zijn gekomen. De Vlaamse regering beschikte over minstens één geschikte kandidaat – verzoeker – “die ze kon en, conform artikel 8/4 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004, had moeten benoemen”. De verwerende partij had de verplichting om te benoemen en, meer nog, de verplichting om verzoeker te benoemen. De nalatigheid van de verwerende partij om te besluiten maakt een schending uit van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens is het vertrouwensbeginsel geschonden aangezien verzoeker er, na de mededelingen in de pers en na de lezing van het selectiereglement en de functiebeschrijving, “terecht” mocht van uitgaan dat de verwerende partij hem zou aanstellen.
- In een derde middel voert verzoeker de schending van het rechtsbeginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ aan “doordat [de] verwerende partij haar eigen besluit dd. 5 maart 2004 alsook haar eigen selectiereglement en functiebeschrijving niet respecteert”. Op het ogenblik dat, in het kader van de algemeen gepropageerde objectieve aanwerving van een gouverneur via een vacature, de meest geschikte kandidaat schijnbaar niet in het gewenste plaatje past, besluit de X-17.661-9/17 verwerende partij om de procedure stop te zetten. Dit is een manifeste schending van haar eigen regelgeving en dient enkel om verzoeker niet te moeten benoemen. Het zogenaamd “niet bereiken van eensgezindheid” om redenen die duidelijk los staan van de selectieprocedure, kan bezwaarlijk gelden als een argument om geen kandidaat te benoemen. Er waren immers geschikte kandidaten voorhanden. Beoordeling
- Met de vacantverklaring op 23 maart 2018 van de betrekking van gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen geeft de verwerende partij te kennen dat de invulling ervan noodzakelijk wordt geacht in het belang van de dienst. Overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004, gewijzigd bij besluit van 16 mei 2014, en zoals uiteengezet in de functiebeschrijving en het selectiereglement die op 23 maart 2018 werden vastgesteld, gebeurt de selectie door de Vlaamse regering. Aan haar – niet aan “de functioneel bevoegde minister”, noch aan de auteurs van “mededelingen in de pers” – komt het toe om uit de lijst van de geschikte kandidaten die het onafhankelijk selectiebureau aan de minister van Binnenlandse Aangelegenheden voorstelt, “de meest geschikte kandidaat [te kiezen] die het best voldoet aan het competentieprofiel”.
- Anders dan verzoeker meent, sluit geen enkele van de rechtsregels die in de besproken middelen worden aangevoerd, a priori uit dat de verwerende partij de procedure tot benoeming van een gouverneur in de provincie, die zij startte, voortijdig beëindigt. Of de benoemingsprocedure, eens begonnen, rechtmatig kan worden afgebroken, ook als er geschikte kandidaten zijn, hangt af van de deugdelijkheid van de motieven voor de stopzetting.
- Om uiteindelijk op 6 december 2019 niet over te gaan tot een keuze – uit de lijst van de vijftien kandidaten die het onafhankelijk selectiebureau aan de minister van Binnenlandse Aangelegenheden voorstelde – van de meest geschikte kandidaat die het best voldoet aan het competentieprofiel, voert de X-17.661-10/17 Vlaamse regering vijf motieven aan, die zij elk als “dragend […] om de stopzetting te motiveren” bestempelt. Daaruit volgt dat de betreden stopzettingsbeslissing alleen geacht kan worden zonder voldoende grond te zijn wanneer verzoeker van elke beweegreden doet aannemen dat ze niet deugdelijk is.
- In zijn verzoekschrift blijft verzoekers kritiek op die precieze motieven uiterst algemeen en beperkt. Er ten onrechte van uitgaande dat de verwerende partij er op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 hoe dan ook toe verplicht was de begonnen benoemingsprocedure tot aan een benoeming – zijn benoeming – door te voeren, merkt hij uitsluitend op, eensdeels, dat alle overwegingen betrekking hebben op wat er in de toekomst zal gebeuren terwijl het de bestaande regelgeving is die moet worden toegepast en het uitvaardigen van een nieuwe procedure niet volstaat om een sleutelfunctie als die van gouverneur niet te begeven, en, anderdeels, dat het niet bereiken van eensgezindheid niet als argument kan gelden wanneer er geschikte kandidaten voorhanden zijn.
- De uitlating dat toekomstige gebeurtenissen en nieuwe inzichten per definitie niet een lopende benoemingsprocedure mogen impacteren, is in haar algemeenheid onjuist. Doorslaggevend zijn de inhoud en de waarde van deze gebeurtenissen en inzichten. Wat die inhoud en waarde betreft, schenkt verzoeker alleen aandacht aan het eerste motief en ontbreekt bijvoorbeeld elke concrete benadering van het stopzettingsmotief in verband met de wil om, rekening houdend met het regeerakkoord van de nieuwe Vlaamse regering, meer gewicht te geven aan “een actieve verbindings- en verzoeningsrol tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid”, of van het stopzettingsmotief van “een bijzondere vertrouwensband met de Vlaamse regering”.
- Zelfs al zouden (al) de motieven van de bestreden beslissing voor kritiek vatbaar zijn, dan nog zou het niet de Raad van State toekomen deze kritiek in de plaats van verzoeker te formuleren. X-17.661-11/17 Zelf is hij er echter pas in de memorie van wederantwoord toe gekomen om – in een exposé van meer dan tien bladzijden lang – elk van de motieven concreet op de korrel te nemen, nadat hij in de memorie van antwoord tegengeworpen kreeg dat hij niet elk van de vijf stopzettingsmotieven had ontmoet ofschoon ze alle op zich dragend zijn. Volgens het auditoraat geeft verzoeker daarmee laattijdig een nieuwe grondslag aan zijn middelen.
- Verzoeker brengt hier in zijn laatste memorie tegen in dat “de Raad van State precies als taak heeft toevertrouwd gekregen om de ambtenaar te beschermen tegen de willekeur van het bestuur”, dat te dezen “het tegensprekelijk debat gefnuikt [wordt] door een al te formalistische en met de wapengelijkheid niet te rijmen stelling” en dat het tegensprekelijk debat “hier volledig ongedaan [wordt] gemaakt door een toepassing die niet in de Wet noch in het Procedurereglement te lezen valt en die in strijd is met de opdracht die de Raad van State heeft gekregen van de wetgever”.
- Artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement is duidelijk: de middelen dienen in het verzoekschrift tot nietigverklaring te worden uiteengezet. Het gaat om een essentiële verplichting die in de eerste plaats de andere partijen in de mogelijkheid moet stellen om hun recht van verdediging naar behoren uit te uitoefenen en zich adequaat tegen de grieven van de verzoekende partij te verweren. De rechtspleging bij de Raad van State zogenaamd “summier” zijnde, heeft de verwerende partij, vooraleer het auditoraatsverslag wordt opgesteld, in principe maar één keer de mogelijkheid om weerwerk te bieden tegen de middelen van de verzoekende partij, namelijk in de memorie van antwoord, volgend op het verzoekschrift. Voorts liet de bestreden beslissing geen enkele ruimte voor misverstand over de exacte draagwijdte van de motieven van de bestreden beslissing: direct aansluitend op de vijf motieven wordt expliciet meegedeeld dat volgens de Vlaamse regering “elk van voorgaande argumenten dragend is om de stopzetting te motiveren”. X-17.661-12/17 Uit een en ander volgt dat verzoekers bijkomende betwisting van de motieven, in de memorie van wederantwoord, te beschouwen is als het aanvoeren van een nieuw middel. Dit middel dat ook al in het verzoekschrift kon zijn aangedragen, is te laat en bijgevolg onontvankelijk.
- Concluderend over het eerste en het derde middel, doet verzoeker niet aannemen dat de verwerende partij tot de bestreden stopzetting van de benoemingsprocedure van een gouverneur heeft beslist zonder daarvoor over draagkrachtige redenen te beschikken en dat die stopzetting de rechtsregels schendt die in de middelen worden aangevoerd. Het eerste en het derde middel worden verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel, gericht tegen de tweede bestreden beslissing, noemt de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ geschonden, in het bijzonder de artikelen 1, 2 en 3, al dan niet gelezen in samenhang met de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Nader geargumenteerd wordt dat de verwerende partij op geen enkel ogenblik enige motivering heeft gegeven ten aanzien van verzoeker waarom zij niet tot zijn benoeming is overgegaan. Op geen enkel moment wordt aangegeven waarom hij als meest geschikte kandidaat niet wordt benoemd. De ingeroepen motieven zijn beperkt tot een wijziging van de regelgeving in de toekomst. Dat kan niet relevant zijn voor de stopzetting van de procedure. De impliciete weigeringsbeslissing om verzoeker te benoemen ontbeert elke formele motivering. Bovendien is er ook geen dossier waaruit die motieven kunnen blijken. Het is bijgevolg onmogelijk om na te gaan of er deugdelijke motieven aan de bestreden impliciete weigeringsbeslissing ten grondslag liggen. De verwerende X-17.661-13/17 partij laat na verzoeker, zijnde de meest geschikte kandidaat, te benoemen zonder dat er enige motivering wordt gegeven. Beoordeling
- Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering en Gelijke Kansen heeft de Vlaamse regering op 6 december 2019 beslist de procedure voor de invulling van de betrekking van gouverneur in de provincie Oost-Vlaanderen stop te zetten. Daartoe werden vijf motieven aangevoerd, die elk expliciet worden beschouwd als dragend voor de stopzetting. Met andere woorden voert de verwerende partij wel degelijk een expliciete redengeving aan waarom zij niet tot de benoeming van een van de geschikt bevonden kandidaten, onder wie verzoeker, is overgegaan.
- Zoals hiervoor gezien bij de beoordeling van het eerste en het derde middel, volstaat het niet dat verzoeker in het algemeen verklaart dat een toekomstige wijziging van de regelgeving niet relevant is, om ervan te overtuigen dat er geen deugdelijke motieven ten grondslag liggen aan de beslissing om de benoemingsprocedure van de gouverneur stop te zetten en om dus niemand, ook niet verzoeker, te benoemen.
- Het tweede middel wordt verworpen. C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in de laatste memorie een nieuw middel aan, afgeleid uit de “[s]chending van artikel 6.
- EVRM (recht op een eerlijk proces – wapengelijkheid) al dan niet gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het redelijkheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel”. X-17.661-14/17 In zoverre het middel, dat volgens verzoeker van openbare orde is, op het voorliggende beroep betrokken kan worden, bekritiseert verzoeker erin dat de verwerende partij wetens en willens de voorbereiding van zijn verzoekschrift in het voorliggende beroep heeft doorkruist en dat zij er namelijk op “geanticipeerd” heeft door “in de laatste dagen van de zestigdagentermijn” het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2020 te nemen maar nog niet te publiceren. Dit benadeelt verzoeker op ingrijpende wijze “door hem voor een nieuw ‘voldongen feit’ (nieuwe beslissing) te plaatsen en zijn procesbelang te ondergraven”. Het schendt de bepalingen en beginselen die in het middel worden aangevoerd. Het kan niet worden toegelaten dat een overheid een verzoeker “ontwapent” door nieuwe beslissingen te nemen die zijn belang aantasten en hem in een zeer ongelijke procespositie plaatsen. Die wapenongelijkheid is “alleen nog maar stuitender”, aldus verzoeker, wanneer zou worden aangenomen dat verzoeker “bepaalde motieven van een beslissing die hij nochtans in haar volledigheid heeft aangevochten niet meer zou mogen bekritiseren omdat dat in zijn inleidend verzoekschrift slechts op summiere wijze gebeurde”. Ten slotte zou de verwerende partij ook stukken achterhouden voor verzoeker: zij bezorgt sommige stukken vertrouwelijk aan de Raad van State en legt een administratief dossier neer dat minder omvangrijk is dan dat in de zaak A. 232.025/X-17.818, gericht tegen de beslissing van de Vlaamse regering van 17 juli 2020 tot benoeming van Carina Van Cauter als gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. Beoordeling
- Het middel betreft uitsluitend de regelmatigheid van de voorliggende procedure bij de Raad van State tot vernietiging van die beslissing. Het toont niet de onwettigheid van de bestreden beslissing aan. X-17.661-15/17
- Voorts wordt niet bijgevallen dat het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2020 verzoeker heeft benadeeld doordat het hem heeft verrast of zijn procesbelang bij voorliggend beroep heeft ondergraven. Dat er een nieuw besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van 5 maart 2004 op til was, vormt één van de motieven van de bestreden beslissing. Bovendien brengt verzoeker zelf in zijn verzoekschrift bij de Raad van State ter sprake dat het nieuwe besluit op 31 januari 2020 genomen is en dat de bedoeling ervan “duidelijk” is: “[De Vlaamse regering] wenst de bestaande procedure volledig te doen verdwijnen zodat een eventuele vernietiging van de beslissing tot stopzetting van de procedure tot aanstelling van de provinciegouverneur van Oost-Vlaanderen meteen ook impliceert dat verzoeker geen aanspraak meer kan maken omdat intussen de procedure volledig is gewijzigd”. In zoverre verzoeker vreesde dat het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2020 hem zou “ontwapenen” en er meer bepaald voor zou zorgen dat zijn middelen niet door de Raad van State worden onderzocht, is die vrees niet uitgekomen, getuige de bespreking hiervoor van die middelen.
- De omstandigheid dat verzoeker ervoor koos om in zijn verzoekschrift, zoals hij het zelf eufemistisch zegt, slechts summier te zijn en niet wordt toegelaten zijn middelen naderhand uit te breiden, houdt geen aantasting van de wapengelijkheid in (zie sub randnrs. 16 en 17).
- De verwerende partij heeft in deze zaak als administratief dossier dezelfde stukken neergelegd als in de zaak A. 232.025/X-17.
- Van vijf stukken heeft zij de vertrouwelijke behandeling gevraagd. Geen van die stukken is voor de beoordeling van verzoekers middelen van belang en in aanmerking genomen.
- Het vierde middel wordt verworpen. X-17.661-16/17 VI. Slotsom
- Het voorliggende beroep moet hoe dan ook worden verworpen bij gebrek aan een gegrond middel. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten, begroot op 400 euro, op een bijdrage van 40 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro ten behoeve van de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.661-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.802 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div