← België

Arrest 255804 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 14/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.804 Rolnummer: A. 232025/X-17818 Zaak: Arrest 255804 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 14/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-17 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 08:25 Fiche Arrest nr 255.804 van 14 februari 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 255.804 van 14 februari 2023 in de zaak A. 232.025/X-17.818 In zake : Wim LEERMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 9051 Sint-Denijs-Westrem Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dylan Casaer kantoor houdend te 1020 Brussel Esplanade 1, bus 88 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Fien Duymelinck kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Carina VAN CAUTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 15 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse regering van 17 juli 2020 tot benoeming van Carina Van Cauter als gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. X-17.818-1/18 Tevens vraagt verzoeker de toekenning van een schadevergoeding tot herstel ten belope van 47.403,32 euro. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 december
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
  4. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alexander De Becker die verschijnt voor verzoeker, advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-17.818-2/18 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Juridisch kader en feiten 3.
  6. Deel III ‘De benoeming’ van het besluit van 5 maart 2004 ‘tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant’ luidt initieel: “Deel III. De benoeming Art.
  7. Voor de toegang tot een ambt van gouverneur gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden: 1° Belg zijn; 2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van het ambt van gouverneur; 3° de burgerlijke en politieke rechten genieten; 4° aan de dienstplichtwetten voldoen.” Bij besluit van 16 mei 2014 vervangt de Vlaamse regering deel III, dat bestaat uit artikel 8: “Deel III. De benoeming Art.
  8. De Vlaamse Regering verklaart de betrekking van gouverneur vacant. De oproep wordt tenminste in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De oproep regelt de wijze van kandidaatstelling en bevat een beknopte weergave van de functiebeschrijving en van het salaris. De termijn tussen de publicatie van de vacature en de uiterste datum van kandidaatstelling bedraagt ten minste twintig werkdagen. Art. 8/
  9. Voor de toegang tot een ambt van gouverneur gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden: 1° Belg zijn; 2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van het ambt van gouverneur; 3° de burgerlijke en politieke rechten genieten; 4° aan de dienstplichtwetten voldoen; 5° tien jaar relevante ervaring kunnen aantonen. Art. 8/
  10. In de selectieprocedure wordt onderzocht in welke mate de kandidaten voldoen aan het vereiste competentieprofiel voor de functie. De Vlaamse Regering stelt de functiebeschrijving vast. Art. 8/
  11. §
  12. De kandidaten worden door een onafhankelijk selectiebureau geselecteerd op basis van de criteria, vermeld in artikel 8/1 en 8/
  13. §
  14. Het onafhankelijk selectiebureau stelt aan de minister van Binnenlandse Aangelegenheden een lijst met geschikte kandidaten voor. X-17.818-3/18 Art. 8/
  15. De Vlaamse Regering kiest de meest geschikte kandidaat uit de lijst, vermeld in artikel 8/3, §
  16. Art. 8/5.Wanneer de geselecteerde kandidaat voor een hoorzitting in de daartoe bevoegde Commissie van het Vlaams Parlement wordt uitgenodigd, dient hij daaraan gevolg te geven met het oog op zijn benoeming.” 3.
  17. Op 23 maart 2018 verklaart de Vlaamse regering de betrekking van gouverneur in de provincie Oost-Vlaanderen vacant en keurt zij de functiebeschrijving en een selectiereglement goed. Er zijn 137 kandidaten. De CV(curriculum vitae)-screening, de verkennende gesprekken met, en een externe potentieelinschatting door, een extern selectiebureau, resulteren finaal in een lijst van vijftien geschikte kandidaten, onder wie verzoeker en Carina Van Cauter. De geschikt bevonden kandidaten worden op 24 oktober 2018 geïnterviewd door vier Vlaamse ministers. Op 26 oktober 2018 stelt de Vlaamse regering het agendapunt met betrekking tot een voorstel tot benoeming van de gouverneur in de provincie Oost-Vlaanderen uit. In afwachting van de benoeming van de gouverneur wordt een waarnemend gouverneur aangewezen. 3.
  18. Met een brief van 26 januari 2019 vraagt verzoeker de Vlaamse regering om over te gaan tot een beslissing van voordracht van gouverneur in Oost-Vlaanderen. Bij gebrek aan het gewenste gevolg richt verzoeker aan de Vlaamse regering op 16 februari 2019, onder verwijzing naar artikel 14, § 3, van de Raad van State-wet, een aanmaning om te beslissen. In de brief van 16 februari 2019 schrijft hij onder meer: “U voldoende bekend, werd ik voorgedragen. Uit de pers kon iedereen vernemen dat dit was omwille van het feit dat ik volgens de functioneel bevoegde minister de best gerangschikte kandidaat ben”. X-17.818-4/18 Met een 16 augustus 2019 gedateerd verzoekschrift stelt verzoeker tegen de fictieve weigeringsbeslissingen tot benoeming van de gouverneur in Oost-Vlaanderen en tot benoeming van hemzelf tot gouverneur in Oost-Vlaanderen het annulatieberoep bij de Raad van State gekend onder het beroep met nr. A.228.846/X-17.557 in. Het is bij arrest nr. 255.801 van 14 februari 2023 verworpen. 3.
  19. Op 6 december 2019 beslist de Vlaamse regering om de procedure voor de invulling van de betrekking van gouverneur in de provincie Oost-Vlaanderen stop te zetten om volgende redenen, waaromtrent wordt meegedeeld dat ze naar het oordeel van de Vlaamse regering elk dragend zijn om de stopzetting te motiveren: “
  20. De wetgeving voorziet dat het selectiebureau louter een lijst met geschikte kandidaten overmaakt (art. 8/3 BVR). Het blijft echter het prerogatief van de Regering om uit die lijst de meest geschikte kandidaat te kiezen (art. 8/4 BVR). Er werd echter geen eensgezindheid bereikt binnen de Vlaamse Regering over de meest geschikte kandidaat.
  21. De Vlaamse Regering wil, gelet op het Regeerakkoord, binnen de functie van gouverneur meer gewicht geven aan een actieve verbindings- en verzoeningsrol tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid.
  22. Het is belangrijk dat de benoeming van de gouverneur berust op een bijzondere vertrouwensband met de Vlaamse regering.
  23. De Vlaamse Regering zal het Besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, wijzigen.
  24. Het is te verkiezen dat de benoemingen die elkaar in een kort tijdsbestek opvolgen, allen rekening houden met hogergenoemde doelstellingen.” Die beslissing is het voorwerp van het beroep in de zaak met nr. A. 230.122/X-17.
  25. Het beroep is door de Raad van State verworpen met arrest nr. 255.802 van 14 februari
  26. 3.
  27. De Vlaamse regering keurt op 13 december 2019 principieel het voorontwerp van besluit tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 ‘tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant’ goed. De wijziging strekt ertoe de regels inzake de benoeming, ingevoerd bij het besluit X-17.818-5/18 van de Vlaamse regering van 16 mei 2014, op te heffen, zodat de bepalingen die vóór de inwerkingtreding van dat besluit van kracht waren opnieuw van toepassing zijn. De herziening wordt hierdoor gemotiveerd dat de huidige benoemingsprocedure te weinig rekening houdt met de bijzondere vertrouwensband tussen de functie van gouverneur en de Vlaamse regering en met het grotere gewicht dat de Vlaamse regering wil geven aan de actieve verbindings- en verzoeningsrol van de gouverneur tussen de gemeenten en de Vlaamse overheidsdiensten actief in de provincie. Op 31 januari 2020 neemt de Vlaamse regering het besluit ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de provincie Vlaams-Brabant, wat betreft de procedure tot benoeming’. Het wordt op 10 februari 2020 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Verzoeker heeft tegen het besluit het beroep tot nietigverklaring in de zaak nr. 230.465/X-17.694 ingesteld. Het beroep is verworpen bij arrest nr. 255.803 van 14 februari
  28. 3.
  29. Bij besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 2020 wordt Carina Van Cauter benoemd tot gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. Gemotiveerd wordt: “Vormvereiste De volgende vormvereiste is vervuld: - de federale ministerraad heeft eensluidend advies gegeven op 17 juli
  30. Motivering […] - Carina Van Cauter beschikt over een jarenlange ervaring op provinciaal niveau, zowel als provincieraadslid, evenals lid van de bestendige deputatie. Daarnaast beschikt zij ook over jarenlange ervaring als volksvertegenwoordiger op federaal en Vlaams niveau. Hierdoor beschikt zij over de nodige netwerken en netwerkcapaciteiten om verbindingen te leggen tussen verschillende bestuursniveaus; - Door haar jarenlange ervaring op het beleidsdomein justitie, is Carina Van Cauter bovendien zeer vertrouwd met concepten als bemiddeling en geschillenbeslechting. Wegens deze ervaring beschikt Carina Van Cauter niet alleen over het noodzakelijke netwerk, maar ook over de nodige X-17.818-6/18 expertise om een actieve verbindings- en verzoeningsrol op te nemen tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid. Door haar ervaring als volksvertegenwoordiger en gedeputeerde heeft zij voeling met wat er leeft bij lokale besturen in Oost-Vlaanderen; - Carina Van Cauter was Vast lid van de parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de omstandigheden [inzake] de terroristische aanslagen; daarin nam [zij] deel aan het onderzoek naar de nood- en interventieplannen, de werking van het crisis- en communicatiecomité, het ASTRID-netwerk, evenals de eerste hulp en opvang van slachtoffers. Zulks vindt aansluiting bij de coördinerende rol van de gouverneur bij rampen en de opmaak van provinciale nood- en interventieplannen. Daarnaast besteedde zij als lid aandacht aan het bestuurlijk optreden van de lokale politiekorpsen, en de informatiedoorstroming wat aansluiting vindt bij het provinciaal veiligheidsoverleg; - Carina Van Cauter geniet omwille van voorgaande ervaring en kwaliteiten een bijzondere vertrouwensband met de Vlaamse Regering; - Carina Van Cauter voldoet aan de benoemingsvoorwaarden van gouverneur.” Dit is het voorwerp van het voorliggende beroep. IV. Beroep tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  31. Verzoeker leidt in het verzoekschrift een eerste middel af uit machtsafwending, uit de afwezigheid van een reglementaire grondslag “gelet op de onwettige stopzetting van de benoemingsprocedure bij Besluit van de Vlaamse Regering dd. 6 december 2019 en de onwettige wijziging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 door opheffing van de artikelen 8, 8.1, 5° en 8/2 tot en met 8/5”, en uit artikel 159 van de Grondwet. Beoordeling
  32. De beslissing van de Vlaamse regering van 6 december 2019 tot stopzetting van de procedure tot invulling van de betrekking van de gouverneur van Oost-Vlaanderen is een bestuurshandeling ten aanzien waarvan geen X-17.818-7/18 toepassing van artikel 159 van de Grondwet meer mogelijk is eens ze, door het verstrijken van de termijn voor het instellen van een annulatieberoep ertegen, definitief is geworden. Is evenwel tegen de beslissing een annulatieberoep ingesteld, dan blijft de toepassing van artikel 159 van de Grondwet mogelijk, zij het slechts in zoverre dat het annulatieberoep onzekerheid heeft doen ontstaan. Het houdt in beginsel in dat het appel aan artikel 159 van de Grondwet binnen de grenzen moet blijven van de middelen die ontvankelijk in dat annulatieberoep zijn aangebracht. Als gezien sub randnummer 3.4, heeft verzoeker tegen de beslissing van 6 december 2019 bij de Raad van State het annulatieberoep gekend onder nr. A. 230.122/X-17.661 ingesteld, maar is het bij arrest nr. 255.802 van 14 februari 2023 afgewezen – nadat alle erin aangevoerde rechtmatigheidsbezwaren werden verworpen.
  33. Wat het reglementaire besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2020 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 betreft, voert verzoeker in het besproken middel geen andere grieven aan dan de grieven die hij rechtstreeks tegen dit besluit inbracht in het annulatieberoep met nr. A. 230.465/X-17.694 dat hij ertegen instelde. Het beroep, en de grieven, zijn verworpen bij arrest nr. 255.803 van 14 februari
  34. Het eerste middel moet bijgevolg in zijn geheel worden verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  35. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd “van art 6.
  36. EVRM (recht op een eerlijk proces) al dan niet gelezen in samenhang met de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het redelijkheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel”. X-17.818-8/18 Concreet klaagt verzoeker aan dat de verwerende partij actief zou hebben ingegrepen in zijn beroepen in de zaken met nr. A. 228.846/X- 17.557, A. 230.122/X-17.661 en A. 230.465/X-17.
  37. De wijziging van een cruciale spelregel kon tot gevolg hebben dat verzoeker zijn belang in die procedures verloor. Beoordeling
  38. De Raad van State heeft verzoekers kritiek reeds een beoordeling gegeven in de arresten nr. 255.802 van 14 februari 2023 (vierde middel) en nr. 255.803 van 14 februari 2023 (tweede middel). De kritiek wordt afgewezen. In geen enkel van de drie beroepen waarnaar verzoeker verwijst, is hem het vereiste belang ontzegd. Het middel wordt bijgevolg verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  39. Een derde middel noemt de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ geschonden, al dan niet in samenhang gelezen met het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. In de eerste plaats licht verzoeker toe dat in de motivering geen indicatie wordt gegeven met betrekking tot het advies van de federale regering. Voorts wordt in essentie betoogd dat de verwerende partij voor de bestreden benoeming precies steun zoekt in competenties die getoetst zijn in de eerdere open aanwervingsprocedure, waarin verzoeker significant beter scoorde dan Carina Van Cauter. Er is geen enkel nieuw argument in de motivering opgenomen. Dit wijst uit dat de vorige procedure ten onrechte is X-17.818-9/18 stopgezet en evenzeer dat nu Carina Van Cauter niet rechtmatig kan worden benoemd. X-17.818-10/18 Beoordeling
  40. Naar eis van artikel 6, § 1, VIII, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en van artikel 59 van het provinciedecreet wordt de provinciegouverneur benoemd “op eensluidend advies van de ministerraad”. Ter zake vermeldt de bestreden beslissing dat deze “vormvereiste is vervuld”: “de federale ministerraad heeft eensluidend advies gegeven op 17 juli 2020”. Dit volstaat vanuit het oogpunt van de verplichting tot formele motivering.
  41. De eerdere open aanwervingsprocedure is stopgezet met een beslissing van de Vlaamse regering van 6 december 2019, waartegen verzoeker zonder succes beroep heeft ingesteld. Overigens werd in die procedure Carina Van Cauter, net als verzoeker, opgenomen in de lijst met geschikte kandidaten die door het extern selectiekantoor werd voorgesteld, en is het niet tot enige keuze uit deze lijst gekomen door de Vlaamse regering, zijnde de enige die tot deze keuze bevoegd was. Na de stopzetting is de geldende benoemingsprocedure gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 31 januari
  42. Die wijziging hield, zoals de verwijzing naar het arrest van de Raad van State nr. 107.561 van 10 juni 2002 in de nota van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen aan de Vlaamse regering onderstreept, de overgang in naar een totaal verschillend systeem: een systeem waarin bij de benoeming van de gouverneur geen bepaalde vorm of bijzonder vormvoorschrift geëerbiedigd dient te worden; dat de Vlaamse regering in staat stelt de persoon van haar keuze te benoemen zonder daarvoor eerst een oproep tot de gegadigden te moeten richten; waarin uit de motivering van de benoeming niet moet blijken dat een vergelijking is gemaakt van de verdiensten van de benoemde X-17.818-11/18 persoon en van die van iemand anders opdat de motivering afdoende is; en waarin het voldoende is dat de motieven die worden opgegeven voor de keuze van de persoon die benoemd is, juist zijn en rechtsgeldig beoordeeld.
  43. In dit licht beschouwd, brengt verzoeker niet de deugdelijkheid van de motieven voor de bestreden benoeming in het gedrang door te doen gelden dat de motieven dezelfde gegevens betreffen die ook al tijdens de eerdere open aanwervingsprocedure werden getoetst en dat Carina van Cauter daarbij “lager gerangschikt” zou zijn geweest. Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel
  44. Een vierde middel wordt afgeleid uit de “[s]chending van de artikelen 10 en 33 van de Grondwet, al dan niet samengelezen met artikel 6 § 1, VIII, 1°, derde lid van de Bijzondere Wet op de hervorming van de instellingen en met artikel 59 van het Provinciedecreet”. Toegelicht wordt dat de meest geschikte kandidaat moet worden benoemd. Doordat verzoeker, “althans volgens verscheidene artikelen in de pers door de Vlaamse regering als de meest geschikte kandidaat uit de selectieproeven is gekomen […], is het evident dat hij ten volle aanspraak op de benoeming kan maken”. De verwerende partij heeft, door te hebben nagelaten hem op grond van de eerdere benoemingsprocedure te benoemen als provinciegouverneur, “zijn gelijke toegang tot het openbaar ambt onwettig beperkt en […] terzelfdertijd als overheid gefaald om op te treden in het algemeen belang door de meest geschikte kandidaat (hetgeen zijzelf erkende […]) te benoemen als provinciegouverneur”. X-17.818-12/18 Beoordeling
  45. Als reeds gezegd, is de eerdere benoemingsprocedure definitief afgesloten en is verzoeker daarin niet door de Vlaamse regering als de meest geschikte kandidaat gekozen.
  46. De thans bestreden benoeming is gebaseerd op het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004, zoals het bij besluit van 31 januari 2020 gewijzigd is. De nieuwe regeling maakt het mogelijk de gouverneur te benoemen op grond van een bijzondere vertrouwensrelatie die op zich de keuze van de benoemende overheid voldoende kan wettigen. Zoals eerder geoordeeld in het arrest van de Raad van State nr. 107.561 van 10 juni 2002, verkeren, eensdeels, wie aldus ‘intuitu personae’ gekozen is en, anderdeels, anderen, niet in dezelfde situatie, en maakt in die omstandigheden de betrokken benoeming geen schending uit van de gelijkheidsregel.
  47. Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  48. In een vijfde middel betoogt verzoeker dat de verwerende partij “het rechtsbeginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ [miskent] doordat [zij] haar eigen besluit dd. 5 maart 2004, zoals gewijzigd door het Besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2020, schendt”. Verzoeker argumenteert dat een overheid in individuele beslissingen haar regelgeving met algemene draagwijdte moet eerbiedigen. Dit is hier niet gebeurd. De Vlaamse regering voorziet in een objectieve selectieprocedure, om vervolgens toch niet over te gaan tot benoeming van een gouverneur, laat staan van de meest geschikte kandidaat die uit de selectieprocedure naar voor is gekomen. Zij benoemt uiteindelijk, op grond van X-17.818-13/18 dezelfde gegevens als de gegevens die in de selectieprocedure werden getoetst, een kandidate die “haar kandidatuur introk omdat zij geen daadwerkelijke kans meer maakte”. Beoordeling
  49. Zoals het middel is toegelicht, verwijt verzoeker de verwerende partij dat zij niet degene benoemd heeft die uit de eerdere benoemingsprocedure, op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 zoals gewijzigd bij besluit van 16 mei 2014, als de meest geschikte kandidaat zou zijn voortgekomen. Die procedure werd evenwel stopgezet zonder dat een “meest geschikte” kandidaat is gekozen, en verzoeker heeft tegen de stopzettingsbeslissing tevergeefs beroep ingesteld. Evident werd voor de thans bestreden benoeming geen toepassing meer gemaakt van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 zoals gewijzigd bij besluit van 16 mei
  50. De wijziging werd immers opgeheven bij besluit van 31 januari
  51. Het middel wordt verworpen. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  52. In een zesde middel wordt de schending aangeklaagd “van Titel 7 Bestuurlijk Toezicht van het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 en van de artikelen 326, 327, 328, 330, 331, 332, 333, 335, 337 en 340”. Het motief met betrekking tot de actieve verbindings- en verzoeningsrol tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid is in strijd met de toezichtrol zoals die in het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal X-17.818-14/18 bestuur’ (hierna: decreet lokaal bestuur) aan de provinciegouverneur wordt toegekend. Beoordeling
  53. Eén van de motieven van de bestreden beslissing is dat Carina Van Cauter wegens haar jarenlange ervaring op het beleidsdomein justitie, over de nodige expertise beschikt “om een actieve verbindings- en verzoeningsrol op te nemen tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid”.
  54. Volgens verzoeker is een dergelijke rol onverzoenbaar met (de bepalingen van) titel 7 ‘Het bestuurlijk toezicht’ van deel 2 van het decreet lokaal bestuur. Anders dan verzoeker meent, sluit de rol die de gouverneur moet spelen in het kader van het bestuurlijk toezicht, niet uit dat hij bovendien ook een rol van verbinding en verzoening tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid opneemt. De passus in het evaluatierapport ‘Structurele onbestuurbaarheid’, waarnaar verzoeker in het verzoekschrift verwijst, spreekt dat geenszins tegen. De passus betreft louter de onverzoenbaarheid van de rol van de gouverneur als toezichthouder en als bemiddelaar in het kader van de toepassing van de – intussen al niet meer bestaande – procedure inzake de structurele onbestuurbaarheid (artikel 46 van het decreet lokaal bestuur).
  55. Het middel wordt verworpen. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel X-17.818-15/18
  56. In een zevende en laatste middel voert verzoeker de schending aan “van artikel 59 van het Provinciedecreet en artikel 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams- Brabant”. Het benoemingsbesluit “vormt één grote aanbeveling op basis van een politiek verleden en de benoeming wordt gebaseerd op basis van een aan de hand van politieke overtuigingen uitgebouwde loopbaan”, terwijl de functie van gouverneur geen politieke functie is. Als de gouverneur geen politieke functie bekleedt, mogen ook geen politieke motieven worden aangevoerd voor zijn of haar benoeming. Beoordeling
  57. Volgens artikel 59 van het provinciedecreet wordt de provinciegouverneur benoemd door de Vlaamse regering, op eensluidend advies van de ministerraad, en stelt de Vlaamse regering zijn statuut vast. Artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 schrijft voor dat in het persoonlijk dossier van de gouverneur geen aanbevelingen mogen voorkomen waaruit een levensbeschouwelijke, ideologische of politieke overtuiging blijkt.
  58. De Raad van State valt niet bij dat het op grond van deze rechtsregels verboden zou zijn om, bij de beoordeling van de kwaliteiten en nuttige ervaring met het oog op een benoeming als gouverneur, rekening te houden met de ervaring die de betrokkene in de uitoefening van een politieke functie heeft opgedaan inzake het leggen van verbindingen tussen verschillende bestuursniveaus, het opnemen van een actieve verbindings- en verzoeningsrol tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid, het uitoefenen van een coördinerende rol bij rampen en de opmaak van provinciale nood- en interventieplannen, en het voeren van het provinciaal veiligheidsoverleg. X-17.818-16/18 De omstandigheid dat deze betrokkene, eens tot provinciegouverneur benoemd, geen (partij)politieke rol te spelen heeft en zich neutraal en loyaal dient op te stellen, is daar geen beletsel voor.
  59. Het middel wordt verworpen. H. Conclusie
  60. Wat er van de ontvankelijkheid van het beroep ook zij, er worden geen middelen in aangevoerd die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. V. Schadevergoeding tot herstel
  61. Vermits geen onwettigheid wordt vastgesteld, is er reden om de vordering van schadevergoeding tot herstel af te wijzen overeenkomstig artikel 25/3, § 3, van het algemeen procedurereglement. De voor die vordering gekweten kosten dienen, gelet op het bepaalde in artikel 70, § 1, vijfde lid, van het algemeen procedurereglement, aan verzoeker te worden terugbetaald. BESLISSING
  62. De Raad van State verwerpt het beroep.
  63. De Raad van State verwerpt de vordering tot schadevergoeding tot herstel.
  64. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, op een bijdrage van 20 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-17.818-17/18 De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
  65. De kosten in verband met het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op 200 euro, en op een bijdrage van 20 euro, worden aan verzoeker terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.818-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.804 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.