← België

Arrest 255829 - Natuurbehoud - Vergunningen - 16/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.829 Rolnummer: A. 232278/VII-40959 Zaak: Arrest 255829 - Natuurbehoud - Vergunningen - 16/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-27 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-10 08:27 Fiche Arrest nr 255.829 van 16 februari 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.829 van 16 februari 2023 in de zaak A. 232.278/VII-40.959 In zake : Hans FONTEYNE woonplaats kiezend te 8490 Varsenare Lijsterdreef 1 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 november 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 21 oktober 2020 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 10 juli 2020 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen strekkende tot de heraanplant van ten minste zes hoogstammige bomen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 28 april 2022 een verslag opgesteld. VII-40.959-1/25 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die in persoon verschijnt en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 13 februari 2020 gaan gewestelijke toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos over tot het onderzoek van de bestaande toestand van een aantal percelen gelegen langs de Oude Gistelsesteenweg te Varsenare (Jabbeke), kadastraal gekend als afdeling 6, sectie A, nrs. 314/E, 329/F, 329/G, 329/D en 329/
  6. In een proces-verbaal over het plaatsbezoek stellen zij het volgende vast: “We stellen vast dat er over de volledige oppervlakte van het bosperceel graaf- en zaagwerken werden uitgevoerd. […] We begeven ons van aan de straatzijde tot centraal in het bosperceel. Langs één zijde staan nog vele hoogstammige bomen maar we tellen ook +/- 70 kleine tot grote stronken van bomen die recent werden afgezet tot tegen de VII-40.959-2/25 grond. Een andere zijde werd volledig kaal gekapt en de bosgrond werd duidelijk gefreesd. We doen een rondgang verder door het perceel en tellen minstens nog 45 kleine tot middelgrote stronken van bomen die zijn afgezet. Hier en daar zijn ook struiken met wortel en al uitgetrokken. We vermoeden dat we slechts een deel van het aantal afgezette bomen kunnen zien. Op vele plaatsen is de bosbodem gefreesd waardoor stronken van bomen niet meer te zien zijn. De volledige kruid- en struiklaag van dit bos werd vernietigd. Door het uitvoeren van de werken werden er ook open stukken in het bos gecreëerd. Al deze werken hebben een zware impact op de biodiversiteit en de biologische waarde van het bos. In het bosperceel zien we nog enkele restanten van oude constructies (tuinhuis, serre en dergelijke). Verder zien we ook dat er overal puin ligt tussen de omgewoelde aarde. In aard en staat herkennen wij dit als een bosperceel dat werd ‘opgekuist’. We begeven ons tot aan de achterzijde van een dreef bij het bosperceel waarlangs een gracht loopt. Op de taluds van de gracht zien we de stronken van zeven grote bomen. Sommige stronken duiden aan dat dit zéér oude bomen waren. De meest noordelijke boom langs [de] gracht was een populier of abeel. Over de gracht ligt er ook een oud brugje naar een naastgelegen terrein. We zien dat er ook op dat terrein één of meerdere bomen werden geveld. Dit terrein betreden we echter niet. We nemen de nodige foto’s en verlaten terug het terrein”. 3.
  7. Op 26 februari 2020 begeven de toezichthouders zich opnieuw ter plaatse. In het proces-verbaal over dit plaatsbezoek wordt het volgende gesteld: “Op deze datum zijn wij opnieuw ter plaatse. […] We ontmoeten dhr. Fonteyne, hij laat weten de eigenaar te zijn en we besluiten om gezamenlijk het perceel te bezoeken. Terwijl we het bosperceel doorlopen vertelt dhr. Fonteyne de historie van het perceel en de stortplaats dat het was geworden. De werken werden na halfweg januari uitgevoerd en werden volgens hem uitgevoerd met alle goeie bedoelingen om het bos terug bos te laten ontwikkelen. […] Uit het verdere gesprek blijkt dat er voor de werken in het bos, waar ook de bomen langs de gracht toe behoren, geen machtiging is vanuit het ANB en/of [enig] advies werd gevraagd aan onze dienst, hetgeen wettelijk verplicht is. Dhr. Fonteyne blijft bij zijn mening dat het een ‘opkuis’ van een stort betrof en geen werken in een bos”. Dezelfde dag bezorgt verzoeker aan de toezichthouders een e-mail met twee bijlagen. Deze documenten zouden een inzicht moeten geven in de vroegere staat van het bos en de werken die door verzoeker werden uitgevoerd. VII-40.959-3/25 3.
  8. De toezichthouders zetten hun werkzaamheden ten burele verder: “Via de gemeente wordt navraag gedaan of er een omgevingsvergunning gekend is bij hun dienst. Op 01/01/2020 ontvangt opsteller de info dat er bij de gemeente geen vergunning is gekend voor het vellen van hoogstammige bomen. Er is wel briefwisseling geweest in 2019 tussen dhr. Fonteyne en de gemeente. […] […] In brief 473618 wordt de vraag gesteld omtrent het vellen van een hoogstammige beuk in de tuin van dhr. Fonteyne en de bomen langs de gracht. De gemeente [bezorgt] dhr. Fonteyne op 30/04/2019 een antwoord per brief 475475 met de melding dat een vergunning voor het vellen van bomen noodzakelijk is tenzij aan alle opgesomde voorwaarden is voldaan. Aangezien de hoogstammige bomen langs de gracht deel uit maken van de bosrand moet er bijgevolg al rekening worden gehouden met de eerste voorwaarden die vermeld is in deze brief. Bijkomend vernemen we van de gemeente dat het perceel 329/02, het meest rechtse bosperceel met de dreef, waarlangs zes van de zeven hoogstammige bomen langs de gracht stonden, eigendom zou zijn van een derde partij en dus niet van dhr. Fonteyne”. 3.
  9. Op 7 april 2020 dient verzoeker een aantal bijkomende documenten in. 3.
  10. De toezichthouders begeven zich op 16 juni 2020 andermaal ter plaatse. Zij bekijken opnieuw de stronken van de bomen langs de gracht en stellen vast: “dat het hier gaat om zes eiken en één abeel, eerder kon de boomsoort vanwege de winterperiode moeilijk [achterhaald] worden. Op dit moment kunnen [wij] het duidelijk vaststellen aan het hout van de stronken en het opgeschoten loof onderaan de stammen. Vanwege het opgeschoten loof aan de stamvoet kunnen wij besluiten dat dit helemaal geen ‘dode bomen’ waren zoals dhr. Fonteyne beweert in zijn verklaring en we zien in de stamvoet geen teken van verrotting. De bomen staan inderdaad wel voor een groot deel ingeworteld in het talud van de gracht, echter voor een gezonde boom houdt dit geen gevaar in”. 3.
  11. Op 10 juli 2020 legt de gewestelijke toezichthouder aan verzoeker de volgende bestuurlijke maatregelen op: “Art.
  12. […] VII-40.959-4/25 Conform art; 16.4.7, § 1 & § 2 van het Milieuhandhavingsdecreet wordt via dit proces-verbaal aan de eigenaar van een deel van de bospercelen en de verantwoordelijke voor de werken een Besluit Houdende Bestuurlijke Maatregel opgelegd ter herstel van het bewuste perceel bos. - Teneinde een spoedig herstel tot oorspronkelijke staat te bekomen van de wederrechtelijk gekapte hoogstammige bomen op het kadastraal perceel Jabbeke, afd. 6, sectie A, nr. 329/02, moet door de verantwoordelijke voor deze kapping een heraanplant van ten minste zes hoogstammige bomen worden gerealiseerd langs de waterloop conform de voorwaarden die opgenomen zijn in dit besluit; - De her aanplant moet worden uitgevoerd op dezelfde locatie als waar de vorige bomen stonden; Dit betreft +/- 38 à 40 lopende meter langs de kant van gracht die grenst aan het bos. - De zes aan te planten bomen moeten een minimale hoogte kennen van vier meter en een stamomtrek van ten minste 30 cm op 1 m boven het maaiveld. De bomen moeten worden aangeplant met een volgroeid wortelstelsel in een draadkluit. - De aan te planten bomen moeten vijf zomereiken (Quercus robur) zijn en één witte abeel (Populus alba) - De zes bomen moeten worden aangeplant in de één-meterzone landinwaarts rekenende vanaf de bovenzijde van de talud van de waterloop. De boom (witte abeel) die het dichtst tegen de grens met de achterbuurman (perceel 294d) van de dreef moet worden aangeplant, moet ten minste twee meter van de perceelsgrens worden gezet. - De zes bomen moeten over een gelijkmatig verdeelde tussenafstand worden aangeplant tussen het aanwezige oude brugje en de achterste perceelsgrens. - Voorafgaand aan de aanplant mogen de oude stronken van de vorige bomen machinaal worden verwijderd. De talud van de waterloop moet bij uitvoering van deze werken zo goed als mogelijk intact gehouden worden of als dusdanig worden hersteld. - Voor de aanplant van de nieuwe bomen mag gebruik worden gemaakt van een graafmachine. De wortelkluiten moeten op een professionele manier in de grond verankerd worden bv. door middel van palen en spanbanden. Dit verzekert de standplaats van de boom en zal een goede doorstart van de wortels bespoedigen. - De bomen moeten na aanplant tot op minimum 50cm boven het maaiveld voorzien worden van bescherming tegen vraatschade. Dit om de levensduur van de boom te verzekeren. - Voor de overige reeds uitgevoerde werken in het bosperceel moet een regulariserende kapmachtiging worden aangevraagd bij de dienst Adviezen en Vergunningen van het Agentschap Natuur en Bos. De aanvraag hiervoor is terug te vinden op de website van het ANB - www.natuurenbos.be - Beleid & Wetgeving - Bomen kappen. De voorwaarden van de verkregen kapmachtiging moeten strikt nageleefd worden. Art.
  13. Uitvoeringstermijn: De uitvoering van deze Bestuurlijke Maatregel moeten worden gefinaliseerd voor 20/12/2020”. VII-40.959-5/25 3.
  14. Op 13 juli 2020 stellen de gewestelijke toezichthouders een navolgend proces-verbaal op, waarin bijkomende vaststellingen gedaan worden: “Tussen onze dienst en dhr. Fonteyne werden diverse mails verstuurd die een indirecte invloed hebben op de feiten. Vanwege de COVID-19 maatregelen was onze dienst genoodzaakt om bepaalde vragen omtrent dit dossier via mail te stellen. Bij de eerste e-mail naar dhr Fonteyne werd hij in kennis gesteld van de Salduz regelgeving. Alle mailverkeer en de daar uit voortvloeiende informatie wordt in dit navolgend proces-verbaal gebundeld. 25/05/2020 Op deze datum stuurt opsteller een e-mail naar dhr. Fonteyne met de vraag om ons een kopie van de kapmachtiging of vergunning te bezorgen waarvan hij reeds tot tweemaal toe sprak. Hij haalde dit zowel tijdens ons eerste gezamenlijk terreinbezoek aan alsook in zijn verklaring […]. Dezelfde dag nog antwoord dhr. Fonteyne via mail met een foto van document 475475 vanuit de gemeente Jabbeke als bijlage. Dit geldt volgens hem als antwoord op zijn aanvraag om een kapvergunnig […]. Hierop laten wij dhr. Fonteyne weten dat een dergelijke brief geen ‘vergunning’ is maar een gewone brief met de vermelding wanneer de vrijstelling van toepassing is. We delen hem ook mee dat de vrijstelling niet van toepassing is op de hoogstammige bomen langs de gracht gezien deze deel uitmaken van het bosperceel/bosrand. […] In het mailverkeer wordt er nog gesproken van hoogstammige populieren langs de gracht, bij nader onderzoek op een latere datum blijken dit hoofdzakelijk eiken te zijn, tijdens de winterperiode maakten we hierin een foute inschatting. Bijkomend laten we aan dhr Fonteyne weten dat we via de gemeente vernamen dat perceel 329/02 niet zijn eigendom zou zijn, we vragen hierop zijn reactie. […] Op 26/05/2020 verkrijgen wij van dhr. Fonteyne een uitgebreid antwoord met enkele héél opmerkelijke passages. Omtrent het eigendomsrecht van perceel 329/02 schrijft dhr. Fonteyne een voor ons onsamenhangend stuk tekst zonder inhoud […] Mailverkeer van 16, 17 & 18/06/2020 Aansluitend op ons terreinbezoek van 16/06/2020 (zie apv) verkrijgen we opnieuw enkele mails van dhr. Fonteyne. De inhoud van dit mailverkeer is opmerkelijk. Hieronder vermelde we enkel de tijdslijn, […] Het meest relevante uit deze mailing is, - Het feit dat dhr. Fonteyne het bestaan van zijn ‘antwoordmail’ op 05/12/2019 om 20.05 naar [de uitvoerder van de werken] ontkent. […] Het is in deze mail dat dhr. Fonteyne een antwoord geeft op de vraag van mevr. Neyt: ‘Beschikken jullie over de nodige kapvergunning?’ Dhr. Fonteyne antwoordt hier onder andere: ‘… Verder is de opkuis van het bos ‘een onderhoud’ – het verwijderen enerzijds van te veel is om een noodzakelijke opkuis tegen dichtgroei waardoor een bos nooit kan uitgroeien zoals het hoort.’ VII-40.959-6/25 Uit dit [antwoord] (waarvan dhr. Fonteyne het bestaan ontkent) blijkt duidelijk dat hij de noodzaak van een kapmachtiging niet wenst te erkennen. - Dhr. Fonteyne geeft opnieuw geen duidelijk antwoord op de vraag wie er eigenaar is van het perceel 329/
  15. Het perceel waar de zes hoogstammige bomen bij de gracht werden gerooid. Onze dienst moet besluiten dat het niet in de mogelijkheid ligt van dhr. Fonteyne om hier duidelijk op te antwoorden”. 3.
  16. Vervolgens stelt verzoeker op 23 juli 2020 bij de bevoegde Vlaamse minister beroep in tegen de beslissing van 10 juli 2020 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen. 3.
  17. Met een besluit van 21 oktober 2020 verklaart de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het bestuurlijk beroep ongegrond en bevestigt zij de beslissing houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Dit is het bestreden besluit dat steunt op de volgende motieven: “Beroepsindiener betwist de kwalificatie van de percelen als bos en verwijst ter zake naar de aankoopakte en de kadastrale plannen die de percelen als respectievelijk land- en/of tuinbouwgrond en bouwland omschrijven; Conform artikel 3, § 1 van het Bosdecreet wordt onder een ‘bos’ het volgende verstaan: ‘grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen.’ Uit voormelde begripsomschrijving kan worden besloten dat de situatie op het terrein bepalend is om van een bos te kunnen spreken. De omschrijving van de percelen in de notariële aankoopakte en kadastrale plannen is ter zake niet rechtsgeldig. Op het luchtfotomateriaal[…], meer bepaald de luchtfoto’s zomer 2012, zomer 2015, zomer 2018 (middenschalig, zomeropnamen) is duidelijk zichtbaar dat de percelen in kwestie een homogeen vorm betreffen en samen met de aanpalende percelen onderdeel uitmaken van een groter boscomplex. Ook op het fotomateriaal[…] dat de verbalisant tijdens de controle op 13 februari 2020 van het terrein maakte, is duidelijk een resterend bos zichtbaar. Ook het fotomateriaal dat de beroepsindiener zelf aanreikt en de toestand van het terrein voor de opkuiswerken en de huidige toestand van de percelen weergeeft, onderschrijft dit. Het staat in casu afdoende vast dat de percelen in kwestie een bos betreffen en derhalve onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet ressorteren; Beroepsindiener stelt over een op 30 april 2019 door de gemeente Jabbeke verleende vrijstelling van vergunning te beschikken voor de kapping van alle bomen binnen een afstand van 15 meter van zijn gebouw, indien niet VII-40.959-7/25 behorend tot een bos en gelegen in agrarisch gebied. De afgerotte boomrestanten gelegen in het talud van de gracht op perceel 329/02 voldeden volgens beroepsindiener aan voormelde voorwaarden waardoor de vrijstelling van toepassing was. De in het talud van de gracht verdwenen bomen betroffen een beuk waarvan de helft van zijn wortelgestel was onthecht en met klimop begroeide dode boomresten die onstabiel over de gracht gingen en om veiligheidsredenen werden verwijderd; Uit de vaststellingen van de verbalisant, namelijk de vaststelling dat aan de stamvoet van de boomstronken opgeschoten loof werd opgemerkt, blijkt dat de bomen in kwestie niet dood waren. Aan de stamvoet van deze bomen waren bovendien geen tekenen van verrotting zichtbaar. Het gegeven dat een groot deel van deze bomen in het talud van de gracht was ingeworteld, houdt voor gezonde bomen geen risico in. In andersluidend geval had beroepsindiener conform artikel 81 van het Bosdecreet een melding van een kap om veiligheidsredenen moeten doen, hetgeen echter niet is gebeurd. De vrijstelling waarover beroepsindiener zegt te beschikken is echter geen rechtsgeldig afgeleverde vergunning of vrijstelling. Het document waar beroepsindiener op doelt betreft een schrijven namens het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke naar aanleiding van een verzoek inzake het verwijderen van een hoogstammige boom op het perceel gelegen te Jabbeke, lijsterdreef
  18. De brief is louter informatief en stelt dat het vellen van hoogstammige bomen is vrijgesteld van een vergunning als aan volgende voorwaarden is voldaan: 1) de boom behoort niet tot een bos, 2) de boom staat in woongebied, agrarisch gebied of industriegebied, 3) de boom staat niet in woonparkgebied, 4) de boom staat op maximaal 15 meter van de woning. Het schrijven vermeldt uitdrukkelijk dat ingeval de vrijstelling niet van toepassing is, een vergunning is vereist en deze kan worden aangevraagd via het omgevingsloket. In voorliggend geval voldeden de gekapte bomen minstens niet aan voorwaarde 1 (niet gelegen in een bos). Gezien beroepsindiener geen melding van een kap om veiligheidsredenen heeft gedaan, diende hij alsnog over een kapmachtiging te beschikken; Beroepsindiener betwist dat hij bomen van derden, in casu van de familie Van Hulle, zou hebben verwijderd. Na eigen opzoeking van de kadastrale gegevens besluit beroepsindiener dat perceel 329/02, waarop 6 van de 7 verwijderde bomen in het talud van de gracht stonden, bij de overige percelen 314E, 329D, 329F en 329G werd geïncorporeerd en perceel 329/02 aldus niet meer bestaat. Volgens de kadastrale gegevens is het perceel een weg dat in casu een deel van een vergeten erfdienstbaarheid betreft; In het proces-verbaal concludeert de verbalisant, na contact name met de registratiedienst van de Federale overheidsdienst Financiën en de heer Van Hulle, dat perceel 329/02 nog altijd tot de eigendom van de familie Van Hulle behoort. Beroepsindiener kan ter zake geen eigendomsrecht van het perceel voorleggen, noch een ander rechtsgeldig document dat de incorporatie van het perceel bij zijn overige percelen bewijst. De gevolgtrekkingen die beroepsindiener aan zijn eigen opzoeking van de kadastrale gegevens verbindt, zijn juridisch niet correct. Het staat in casu afdoende vast dat de bomen op perceel 329/02 die beroepsindiener heeft laten verwijderen niet tot zijn eigendom behoorden maar eigendom zijn van de familie Van Hulle; VII-40.959-8/25 Beroepsindiener nuanceert de vaststelling van de verbalisant dat bomen verspreid over het terrein zouden zijn afgezet, dat er graafwerken op het terrein waren uitgevoerd en de volledige kruid- en struiklaag van het bos was vernietigd. Beroepsindiener stelt dat de vorige eigenaar van de percelen, pater Vercruysse, een ‘bouwafvalterrein’ van de percelen heeft gemaakt. Beroepsindiener is de voorbije 15 jaar bezig geweest om het terrein van al het afval te ontdoen. Op de plaatsen waar volgens de verbalisant bomen waren afgezet, stonden in de realiteit koterijen. Op de bodem lagen verschillende betonplaten waardoor de kruid- en struiklaag onbestaande was. De zogenaamde graafwerken betroffen de laatste fase van de opruimactie van het terrein waarbij de betonplaten en de vijverplastic door middel van een kraan moesten worden verwijderd. Beroepsindiener benadrukt dat hij enkel opdracht heeft gegeven tot opkuiswerken, nl. het verwijderen van alle beton en plastic dat niet handmatig van het terrein kon worden verwijderd, en niet tot graafwerken. Dhr. Debaere zou volgens beroepsindiener op de hoogte geweest zijn van het feit dat er geen kapmachtiging voorhanden was. Dhr. Debaere bepaalde voorts zelf wat mocht en wat niet; Op het fotomateriaal dat door de verbalisant tijdens de controle op 13 februari 2020 werd gemaakt, zijn duidelijk afgezette stobben zichtbaar. De verbalisant schatte het aantal afgezette bomen op een 115-tal. De verklaring van beroepsindiener dat daar geen bomen hebben gestaan, klopt aldus niet. De betwisting door beroepsindiener dat hij de kruid- en struiklaag van het bos niet zou hebben verwijderd, wordt weinig geloofwaardig geacht. Uit de vaststellingen van de verbalisant blijkt dat over quasi de volledige bosoppervlakte de kruid- en struiklaag was verdwenen, terwijl op de foto’s waarop het nog niet opgeruimde bos zichtbaar is, deze boslagen wel zichtbaar zijn. De verbalisant stelde ook vast dat een deel van de bodem was gefreesd. Bovendien was beroepsindiener als opdrachtgever ervoor verantwoordelijk dat de ‘opkuiswerken’ uitgevoerd door dhr. Debaere correct werden uitgevoerd. In een mail van 5 december 2019 vraagt mevrouw Evi Neyt, partner van dhr. Debaere, naar het bestaan van een kapvergunning. In zijn antwoordmail van 5 december 2019, waarvan beroepsindiener het bestaan daarvan ontkent en suggereert dat er mogelijks sprake is van een valsheid in geschrifte (zie onder), stelt beroepsindiener: ‘De meldingsplicht is nageleefd en de gemeente heeft ons schriftelijk geantwoord dat de reuze beuk mag worden verwijderd omwille het gevaar.’ De in onderhavige beroepsprocedure uitgewerkte argumentatie van beroepsindiener is gelijk aan deze in voormelde antwoordmail. Er moet dan ook worden vastgesteld dat beroepsindiener (al dan niet opzettelijk) vage en foutieve informatie aan de uitvoerder van de werken heeft verstrekt. In zijn mails naar dhr. Debaere stelt beroepsindiener dat alle opgeschoten en ongezonde bomen verwijderd moeten worden. Hoewel het naderhand moeilijk is om vast te stellen of de verwijderde bomen gezonde dan wel zieke bomen betroffen (en het verwijderen ervan vergunningsplichtig dan wel meldingsplichtig was), is voor het verwijderen van de uitgeschoten (en dus gezonde) bomen wel een kapmachtiging vereist. Het zonder machtiging verwijderen van bomen in een bos gaat veel verder dan wat onder het ‘opkuisen’ van een bos verstaan wordt; De maatregel inzake het aanvragen van een regulariserende kapmachtiging acht beroepsindiener onbegrijpelijk. Het bos werd ontdaan van massaal VII-40.959-9/25 bouwafval en waar geen bomen stonden, werden ook geen bomen gekapt. Bovendien is het heraanplanten van nieuwe bomen volgens hem niet logisch. Beroepsindiener verwijst ter zake naar het verslag van gerechtsdeurwaarder Vertommen[…] waar in het Tillegembos werd vastgesteld dat dergelijk herstel niet leidt tot herstel maar tot een zinloze beplanting. Door de versmachtende opgeschoten bomen op de percelen 314E en 329G te verwijderen, krijgen de overige bomen alle kans op een gezonde brede kruin; Zoals reeds uiteengezet wordt de bewering van beroepsindiener dat hij verspreid over het terrein geen bomen heeft afgezet, niet geloofwaardig geacht. Het opzet van de bestreden beslissing bestaat erin om waar mogelijk herstel te bewerkstelligen en de overtreder te verplichten zich in regel te stellen met de van toepassing zijnde regelgeving (door in casu een regulariserende kapmachtiging aan te vragen). Het in vraag stellen van een (her)aanplant in het Tillegembos is onterecht, want dergelijke aanplant wordt in de bestreden beslissing immers niet bevolen; Beroepsindiener stelt dat zijn verhoor ‘onjuist, onvolledig en subjectief’ werd weergegeven en dat het (aanvankelijk) proces-verbaal een aantal bijlagen ontbrak. Omwille van de COVID-19 maatregelen was het voor de verbalisant niet mogelijk om beroepsindiener in persoon te verhoren. Er werd wel beslist om via mail te corresponderen. Alle relevante mailverkeer werd als bijlage bij het aanvankelijk proces-verbaal gevoegd. Minder relevante mails en bijkomende informatie werden gebundeld in het navolgend proces-verbaal van 13 juli
  19. Dit bezwaar van beroepsindiener is niet deugdelijk; Beroepsindiener wil kennis nemen van zijn zogenaamd antwoord op de mail van 12 december 2019 (vermoedelijk wordt de mail van 5 december 2019 aan mevr. Evi Neyt bedoeld). Beroepsindiener herinnert zich niet deze mail verstuurd te hebben en kan deze ook niet meer in zijn mailbox terugvinden. Beroepsindiener suggereert dat er mogelijks sprake is van schriftvervalsing. Het is ter zake verwonderlijk dat beroepsindiener niet meer weet dat hij betreffende mail wel of niet heeft gestuurd, zeker gezien dit zijn antwoord op de vraag van mevr. Neyt of er een kapmachtiging voorhanden was, omvat. Beroepsindiener maakt niet aannemelijk dat er effectief sprake is van valsheid in geschrifte (art. 194-197 Sw.) door een bedrieglijk opzet in hoofde van de verbalisant, dhr. Debaere of mevr. Neyt aan te tonen. Bovendien is het bestaan van betreffend document voldoende bewezen en maakt het onderdeel uit van het administratief dossier; De overige opgeworpen elementen zijn niet van die aard dat ze de rechtsgeldigheid van de bestreden beslissing in het gedrang brengen”. VII-40.959-10/25 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  20. Het eerste middel draagt als opschrift “Argumenten van mijn beroep”. In zijn uiteenzetting verwijt verzoeker de verbalisant “subjectief gedrag”. Hij voert meer in het bijzonder aan dat niet alle door hem “eerder belangrijk voorgelegde stukken” werden verwerkt. De “startbrief van 7 april 2019” van de gemeente Jabbeke diende eveneens als relevant beschouwd te worden. Een objectief onderzoek zou uitgewezen hebben dat zijn “aanvraag gebeurde onder de naam Hans Fohan”, de gebruikelijke kunstenaarsnaam van verzoeker. Er bestaat geen e-mailadres onder de naam Hans Fonteyne. De in het navolgend proces-verbaal opgenomen e-mailberichten betreffen een “subjectieve selectie dat elk recht op verdediging weigert op te nemen”. Voorts stelt verzoeker dat hij meermaals om inzage van de stukken heeft verzocht en dat hij die inzage “ruim te laat” heeft gekregen op 17 oktober
  21. De bestreden beslissing werd “voortijdig afgesloten”. Meer bepaald werd op 21 oktober 2020 “[d]ertien dagen voorop aan hun recht tot afsluiten van [zijn] argumententermijn van 30 dagen […] reeds vooraf aan het verstrijken van het beroepstermijn getekend door de minister”. Tot slot laat verzoeker nog gelden dat, indien de steller van het bestreden besluit het “30 dagen recht op antwoord gerespecteerd” had, hij had kunnen lezen dat hij het bestaan van de zijnerzijds verloren e-mail aan Evi Neyt erkende.
  22. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het middel. De uiteenzetting van verzoeker bevat een weergave van een aantal oprispingen, maar allerminst een voldoende duidelijke uiteenzetting van een geschonden geachte rechtsregel of rechtsbeginsel. Ten gronde ontgaat haar de relevantie van de uiteenzetting in verband met de e-mails, omdat verzoeker nalaat te vermelden wat er precies in die VII-40.959-11/25 mails staat en waarom zij bij het proces-verbaal gevoegd hadden moeten worden. Verzoeker beklaagt zich ten onrechte over de laattijdige kennisgeving van het besluit houdende bestuurlijke maatregelen. Het proces-verbaal is op 13 juli 2020 aangetekend verzonden aan verzoeker, met het besluit houdende de bestuurlijke maatregel als bijlage. Verzoeker had dus reeds midden juli 2020 kennis van de bestuurlijke maatregel. Bovendien heeft hij dat besluit gevoegd bij zijn administratief beroep van 23 juli
  23. Voorts kan verzoeker zich er evenmin over beklagen dat de thans bestreden beslissing te vlug werd genomen. De termijn om te beslissen over het administratief beroep verstreek immers op 22 oktober 2020, terwijl het bestreden besluit dateert van daags ervoor. In de mate dat verzoeker op 7 oktober 2020 nog stukken had opgevraagd bij de afdeling Handhaving, merkt de verwerende partij op dat de zaak op grond van de devolutieve werking van het administratief beroep op dat ogenblik in handen was van de bevoegde Vlaamse minister. Daarenboven wordt in de bestreden beslissing louter geoordeeld op grond van stukken die verzoeker reeds gekend waren, met name het aanvankelijk proces-verbaal en het navolgend proces-verbaal. De kritiek omtrent een vermeende schending van de termijn van het recht op antwoord is ongegrond omdat er in handhavingsprocedures niet voorzien wordt in een recht op antwoord. Er bestaat enkel een hoorrecht, maar verzoeker verwijst op dit punt naar geen enkele reglementaire bepaling die geschonden zou zijn. Tot slot is de uiteenzetting over de e-mail aan Evi Neyt niet relevant.
  24. In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker nog het volgende toe: “In de laatste repliek van verweerder blijkt bovenstaande alsof ‘een vondst’ om het absoluut bewijs dat de verzoeker ‘de verdachtmaking’ inhoudt. Hoe kan dergelijke attitude vanuit de verweerder zoals hierboven aangehaald ‘een verzoeker’ verdacht maken? Inhoudelijk verklaart het antwoord aan ‘EVI’ helemaal niet dat een vergunning werd aangevraagd. Het blijkt ook helemaal niet logisch dat verzoeker niet bevestigend antwoordde via mail maar tegelijk telefonisch het tegendeel zou hebben medegedeeld - deze flagrante leugen is weerom een staaltje van deze natuurinspecteur die er alles aan deed om het tegendeel ten voordele van het welslagen in zijn lust om verbalisering - het houdt niet op. Een professionele firma als Debaere weet beter dan wie ook wat wordt vereist bij het onderhoud van een afvalterrein waarop een decennia lange wildgroei van VII-40.959-12/25 scheve, dode, omgevallen bomen waartussen enkele gezonde mooie bomen nog konden worden gered door snoei om een mooi natuurgeheel. Samen met de verwijdering van de massa beton en plastiekvijvers is boomsnoei trouwens zijn professionele dagdagelijkse taak. Zijn beroepskennis heeft beslist hoe de bomen van groeiende wilde scheuten dienden ontdaan om het behoud van de natuur”.
  25. In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat het betrokken agrarisch perceel gelegen is in een waterwinningsgebied dat niet bebost mag zijn, dat het terrein tot aan de aankoop ervan gebruikt werd als sluikstort en dat hij het terrein “stelselmatig [heeft] opgeruimd”. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  26. Het middel wordt enkel onderzocht in de mate uit de toelichting ervan klaarblijkelijk kan worden afgeleid dat verzoeker de schending aanvoert van het onpartijdigheidsbeginsel, het recht van verdediging en de hoorplicht. In zoverre het middel nog andere, obscuur gebleven, wettigheidskritieken zou bevatten, is het onontvankelijk. Gegrondheid van het middel
  27. Subjectieve partijdigheid wordt niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen.
  28. Het bestaan op enig moment van verwarring omtrent de werkelijke naam van verzoeker en zijn als kunstenaar gebruikte pseudoniem(en), kan onmogelijk beschouwd worden als een aanwijzing voor een partijdig overheidsoptreden. Het bewijs van de aantijging dat de (elektronische) communicatie die hij tijdens het beslissingsproces met het bestuur heeft gevoerd selectief zou zijn gebruikt, komt enkel toe aan verzoeker. De toelichting bij het middel bevat niet het minste bewijs van dergelijke aantijging. VII-40.959-13/25
  29. Blijkens de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) met een titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen’, is het bij bestuurlijke maatregelen “niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen”, kunnen “bestuurlijke maatregelen [...] volledig onafhankelijk van strafsancties worden genomen”, kan een bestuurlijke maatregel aangezien ze “geen sanctie is in de strafrechtelijke betekenis van het woord, [...] niet het voorwerp uitmaken van een genademaatregel met toepassing van artikel 110 van het gecoördineerde Grondwet” en zijn “de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering nopens de uitwissing van veroordelingen en het herstel in eer en rechten in strafzaken [evenmin] hierop van toepassing”. Bestuurlijke maatregelen zijn aldus gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en hebben geen repressief of bestraffend oogmerk. Zij strekken met andere woorden niet tot sanctionering of bestraffing van het milieumisdrijf als dusdanig. De rechten van verdediging, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zijn slechts van toepassing ten aanzien van bestraffende maatregelen. De bestreden beslissing is geen dergelijke maatregel. De rechten van verdediging als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kunnen dan ook niet geschonden zijn door de bestreden beslissing.
  30. De mogelijkheid om te worden gehoord wordt geregeld door artikel 62, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 ‘tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: milieuhandhavingsbesluit), waardoor de aanvullende werking van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur enkel geldt indien de toepasselijke wettelijke regeling niet volstaat om te waarborgen dat de betrokkene daadwerkelijk de gelegenheid had om nuttig voor zijn standpunt op te komen. VII-40.959-14/25 Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker met de vereiste kennis van de hem ten laste gelegde feiten administratief beroep heeft ingesteld. Hij heeft in zijn beroepschrift niet gevraagd om te worden gehoord. In de gegeven omstandigheden kan niet aangenomen worden dat hij zijn verweer tegen de opgelegde bestuurlijke maatregelen niet nuttig heeft kunnen voeren.
  31. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  32. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 81 van het Bosdecreet van 13 juni
  33. Verzoeker betoogt dat in officiële documenten betreffende zijn percelen geen melding wordt gemaakt van een bos of een weg. De weg betreft een “vergeten restant om erfdienstbaarheid aan alle nu doorverkochte omliggende percelen”, die “niet meer geacht [wordt] in het bezit te zijn van derden, gezien de erfdienstbare doorgang geen recht biedt op plantrecht, parking of bouwrecht”. Er werden bovendien geen bomen verwijderd van de weg, maar wel uit het talud van de gracht. Het vereiste herstel is ontoepasbaar, vermits de weg een erfdienstbaarheid betreft die moet toelaten de omliggende percelen te bereiken en erop geen bomen geplant kunnen worden. Indien de weg gelijk is aan de talud waar de bomen stonden, dan kan de erfdienstbaarheid onmogelijk zijn toegepast, gezien de functie van deze weg. Verzoeker vervolgt dat de verwijdering van de dode bomen noodzakelijk was en vereist werd door zijn verzekeraar. Aldus werd gehandeld in overeenstemming met artikel 81 van het Bosdecreet. De verzoeker meent nog dat hij over een vrijstelling van vergunning beschikt, hem verleend door de gemeente op 30 april
  34. De gemeente gaf hem aldus het recht tot het laten kappen van alle bomen binnen de afstand van 15 meter van zijn woning. Verder werd met de Polders van Blankenberge afgesproken om na het verwijderen van de dode bomen de resterende boomstronken te behouden om de stevigheid van de grachthellingen geen geweld aan te doen. Bij recent vernieuwde grachten verkiest VII-40.959-15/25 men betonnen hellingen die de waterdoorstroming bevorderen. Waar de natuurinspecteur opgeschoten loof opmerkt aan de stamvoet van een boomstronk, is het niet onbegrijpelijk dat hij geen boomsoorten herkent. Ook is het algemeen bekend dat rotte stronken humus bieden aan erop groeiend opgeschoten loof. Het plaatsen van een boom van één meter hoogte en dertig cm omtrek heeft geen enkele overlevingskans. Het is onmogelijk een aardkluit met succes op een helling te planten. Om diezelfde reden hadden de voorgaande bomen in het talud geen overlevingskans.
  35. De verwerende partij antwoordt dat de gewestplanbestemming niet ter zake doet voor de kwalificatie als bos en dat de bestreden beslissing voor die kwalificatie verwijst naar foto’s van het geoportaal van de Vlaamse overheid. Op de kadastrale plannen staan niet alle wegen en de kadastrale informatie en vermeldingen in notariële akten zijn irrelevant voor de kwalificatie als bos. Ook het eigendomsstatuut van de betrokken percelen heeft niets van doen met artikel 81 van het Bosdecreet. Overigens legt verzoeker geen eigendomsbewijs van perceel 329/02 voor, noch een ander rechtsgeldig document dat de incorporatie van dat perceel bij zijn overige percelen bewijst. Het staat afdoende vast dat de bomen die verzoeker op perceel 329/02 heeft laten verwijderen niet tot zijn eigendom behoorden, maar eigendom waren van de familie Van Hulle. De stelling van verzoeker dat hij in overeenstemming met artikel 81 van het Bosdecreet heeft gehandeld, strijdt met de vaststellingen van de natuurinspecteurs. Waar verzoeker meent over een ‘vrijstelling van vergunning’ te beschikken, refereert hij aan een schrijven van de gemeente Jabbeke, dat kort uiteenzet in welke gevallen er geen kapmachtiging moet worden gevraagd. Tot slot meent verzoeker kritiek te moeten uitoefenen op de inhoud van de bestuurlijke maatregel. Het komt de Raad van State evenwel niet toe de bestuurlijke maatregel op zijn inhoudelijke merites te beoordelen. De opgelegde maatregel is alleszins niet kennelijk onredelijk.
  36. In zijn memorie van wederantwoord verwijst verzoeker naar het Flaminckapark, waar de kadastrale gegevens wel vermelden dat het om een bos gaat. Niets belet de gemeente Jabbeke om ook de betrokken percelen kadastraal te omschrijven als een van tuinbouwland te onderscheiden bos. De speurtocht van de natuurinspecteur naar de eigenaar van de weg was zinloos, aangezien de familie VII-40.959-16/25 Van Hulle geen enkele boom op die weg had staan. De eigendom van de familie Van Hulle betreft een “waardeloos bezit”. Dit feit is historisch gegroeid binnen de vele perceelverkopen van het voormalige tuinbouwbedrijf van de familie Van Hulle en is een waardeloze restant die gelijk staat aan een historisch gegroeide symbiose van de percelen. Verzoeker betoogt dat hij nu pas vaststelt dat hij geen eigenaar is van de weg, waarvoor hij destijds nochtans betaald heeft. Voorts zet hij nog uiteen dat het natuurbehoud zijn doel was. Tot slot werpt hij nog op dat, gezien de hellende plaats van beplanting en de plantafstand, het volgens het Veldwetboek niet mogelijk en zelfs verboden is om het opgelegde herstel uit te voeren.
  37. Verzoeker zet in zijn laatste memorie uiteen dat in de bestreden beslissing niet alle beroepsargumenten worden beantwoord en dat zijn recht van verdediging niet werd gerespecteerd doordat hij niet heeft kunnen antwoorden op de “opgevraagde stukken”. Vervolgens beschrijft verzoeker de historiek van de opruimingswerken die volgens hem ingegeven waren door een “morele plicht”. Beoordeling
  38. Artikel 81 van het Bosdecreet luidt: “Kappingen voorzien in een goedgekeurd beheersplan mogen onmiddellijk worden uitgevoerd en zijn niet meldingsplichtig. Indien onverwijld moet worden overgegaan tot kapping om veiligheidsredenen moet de kapping en de motivering ervan ten laatste 24 uur na het aanvangen van de kapping schriftelijk worden medegedeeld aan het Agentschap. Indien dringend moet worden overgegaan tot kapping om sanitaire redenen, moet de kapping en de motivering ervan minstens veertien dagen voor het aanvangen van de kapping aan het Agentschap schriftelijk worden meegedeeld. Binnen een termijn van zes maanden na het uitvoeren van de voormelde kappingen dient de bosbeheerder een voorstel van herstelmaatregelen, gaande van de herbebossing van de gekapte of beschadigde percelen tot een gelijkwaardige oppervlakte, met inbegrip van spontane herbebossing, ter goedkeuring aan het Agentschap voor te leggen. Wanneer de bosbeheerder geen herstelmaatregelen voorlegt binnen die termijn of wanneer hij in gebreke blijft om de goedgekeurde herstelmaatregelen uit te voeren binnen een termijn van één jaar na de goedkeuring van het al dan niet gewijzigde voorstel of wanneer binnen deze termijn de spontane herbebossing geen of onvoldoende resultaten opgeleverd heeft, kan het Agentschap de werken op kosten van de bosbeheerders laten uitvoeren. De kosten worden verhaald door toezending via een aangetekende zending van de kostenstaat aan de bosbeheerder. VII-40.959-17/25 Voor alle andere kappingen moet een machtiging gevraagd worden aan het Agentschap. Kappingen andere dan vermeld in het eerste tot en met het derde lid waarvoor geen machtiging is verleend, alsook het niet naleven van de voorwaarden van een machtiging, zijn verboden. Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het vierde lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. Het Agentschap beslist binnen de zestig dagen na de datum van indiening van het verzoek of de kapping kan worden uitgevoerd, waarvan onverwijld mededeling wordt gegeven aan de betrokken gemeentebesturen. Na verloop van deze termijn wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. De Vlaamse Regering kan de kappingen bepalen die door hun geringe impact vrijgesteld worden van machtiging”.
  39. In het aanvankelijk proces-verbaal wordt aangegeven: “De bewuste percelen maken deel uit van een groter boscomplex. Het deel waarin gewerkt werd is een bosperceel van diverse kadastrale percelen met een oppervlakte van +/- 0,75 Ha g[r]oot. De verschillende luchtfoto’s doorheen de jaren tonen aan dat de percelen vroeger ‘open vlaktes’ met enkele constructies kenden maar doorheen het laatste decennia volledig toegroeide als bos. - Het bos is gelegen in ‘Agrarisch gebied’. - Het bos is niet gelegen in VEN-gebied of enige andere overdruk. - Er is geen bosbeheerplan opgemaakt voor dit boscomplex en er zijn bij de dienst Adviezen en vergunningen van het ANB geen gekende kapmachtigingen voor het uitvoeren van werken in een bos. - In 2018 werd het bosperceel, samen met de omliggende bospercelen als ‘Biologisch Waardevol’ gekarteerd op Biologische Waarderingskaart. Op deze kaart kreeg het boscomplex de Habitatcode ‘n’ (= loofhoutaanplant) met als 2de eenheid ‘rob’ hetgeen wijst op een bovengemiddelde aanwezigheid van ‘Robinia Pseudoacacia’, een exotische houtsoort”.
  40. Overeenkomstig artikel 3, § 1, van het Bosdecreet moet onder “bossen” worden verstaan “grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen”. De juridische kwalificatie van een grondoppervlakte als bos in de zin van het Bosdecreet hangt niet af van de ruimtelijke bestemming van het gebied, maar wel van het feit of op deze oppervlakte bomen en houtachtige struikvegetaties aanwezig zijn. Niet de aanduiding op het gewestplan of vermeldingen in officiële documenten als VII-40.959-18/25 aankoopaktes, kadastrale plannen of kadastrale uittreksels, maar wel de feitelijke toestand ter plaatse is determinerend om te bepalen of een perceel bebost is.
  41. De uiteenzetting van verzoeker die steunt op vermeldingen in allerhande (officiële) documenten, is niet van aard de kwalificatie van de betrokken percelen als bos te weerleggen. De omstandigheid dat doorheen de jaren verschillende afvalmaterialen werden achtergelaten op de betrokken percelen, weerlegt niet dat het gaat om een grondoppervlak waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen. De aanwezigheid van een “weg”, zijnde een dreef in het bos nabij de bosrand, of de gracht, doet evenmin enige afbreuk aan de kwalificatie van de betrokken percelen als bos, ongeacht de eigendomssituatie ervan of de al of niet aanwezigheid van een erfdienstbaarheid. Anders dan verzoeker het ziet, maken ook de betrokken bosdreef en de gracht deel uit van het bos.
  42. Verzoeker weerlegt derhalve niet dat de kappingen hebben plaatsgevonden in een groter boscomplex, waarvoor geen bosbeheerplan werd opgesteld. Bijgevolg was overeenkomstig artikel 81 van het Bosdecreet een voorafgaande machtiging vereist voor de uitgevoerde kappingen. De uiteindelijke bedoeling van verzoeker om het terrein te ontdoen van bouwafval en andere achtergelaten afvalstoffen - die gewis als nobel kan worden aangemerkt - ontslaat hem evenwel niet van de verplichting om de wettelijk voorgeschreven machtigingen te verkrijgen, alvorens op het perceel over te gaan tot het kappen van bomen, graaf- en zaagwerken en het wijzigen van de kruid- en struiklaag. De zogenaamde “vrijstelling van vergunning” waarnaar verzoeker verwijst, betreft een louter informatief schrijven van de gemeente Jabbeke waarin het volgende wordt meegedeeld: “Het college van burgemeester en schepenen heeft in zitting van 15 april 2019 kennis genomen van uw verzoek om een hoogstammige boom te verwijderen op een perceel gelegen Lijsterdreef 1 te 8490 Jabbeke. Het vellen van hoogstammige bomen is in bepaalde gevallen vrijgesteld van vergunning als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: - de boom behoort niet tot een bos VII-40.959-19/25 - de boom staat in woongebied, agrarisch gebied of industriegebied - de boom staat niet in woonparkgebied - de boom staat op maximaal 15 meter van de woning Indien deze vrijstelling niet van toepassing is, is een vergunning noodzakelijk. […]”. Uit dit schrijven kan verzoeker niet te goeder trouw hebben afgeleid dat hij voor de beoogde kappingen over geen voorafgaande machtiging van het Agentschap voor Natuur en Bos moest beschikken.
  43. In zoverre verzoeker opwerpt dat de gevelde bomen “helemaal geen 5 gezonde eiken” waren maar het in werkelijkheid om “rotte bomen” ging, wordt verwezen naar de vaststellingen van de toezichthouder in het aanvankelijk proces-verbaal: “Vanwege het opgeschoten loof aan de stamvoet kunnen wij besluiten dat dit helemaal geen ‘dode bomen’ waren zoals dhr. Fonteyne beweert in zijn verklaring en we zien in de stamvoet geen teken van verrotting. De bomen staan inderdaad wel voor een groot deel ingeworteld in het talud van de gracht, echter voor een gezonde boom houdt dit geen gevaar in”. De vaststellingen in het proces-verbaal genieten, krachtens artikel 16.3.25 DABM, een bijzondere bewijswaarde. De beweringen van verzoeker dat “rotte stronken humus bieden aan de daarop groeiend opgeschoten loof” en bij “bomen met rotting” het loof opnieuw opschiet op de “afgerotte stronken”, weerleggen de vaststelling in het proces-verbaal dat “de stamvoet geen teken van verrotting” vertoont niet.
  44. De stelling van verzoeker dat de “herplaatsing [van] bomen op de talud van een beek […] ongezien en ontoepasbaar” is en zijn kritiek omtrent het planten van bomen in taluds, is niet dienstig, vermits de bestuurlijke maatregel niet de heraanplant in het talud beveelt, maar wel “in de één-meterzone landinwaarts rekenende vanaf de bovenzijde van de talud van de waterloop”.
  45. Het tweede middel is ongegrond. VII-40.959-20/25 C. Derde middel Standpunt van de partijen
  46. Het verzoekschrift bevat een derde middel dat wordt afgeleid uit de schending van artikel 96 van het Bosdecreet. Verzoeker adstrueert het middel als volgt: “De oude toestand van het tuinbouw perceel waarin zijn vijvers van zwaar plastiek, de vele koterijen, de onder de bladbodem gelegen oppervlaktes betonplaten met nogmaals een massaal aantal zware betontegels, was dermate zo beschamend dat ‘verwijderen’ een mezelf de opgelegde taak was. Mijn aankoopakte en de kadastrale gegevens alsmede de toestand zelf ter plaatse, hebben nooit een boskarakter aangetoond waardoor het verwijderen van de vreemde materialen mij de meest logische aanpak bleek. Het is duidelijk dat afval hier gelijk stond aan de inhoud van de bodem. Een boseigen strooisel, kruid- of boomlagen bevinden zich op aarde van bosgrond en niet op een laag gewapend beton of ander bouwafval”.
  47. De verwerende partij brengt hiertegen in dat ettelijke tientallen bomen afgezaagd zijn en de onderlaag is verdwenen en dat de natuurinspecteurs hebben verklaard dat ook de bosbodem op verscheidene plaatsen werd gefreesd. Volgens de verwerende partij gaat verzoeker in tegen de zintuiglijke vaststellingen van de natuurinspecteurs.
  48. In zijn laatste memorie wijst verzoeker op het bestaan van een “erfdienstbaarheidswegel” die gevrijwaard moet worden van bomen en stelt hij dat hij wel degelijk door het gemeentebestuur werd vrijgesteld van het verkrijgen van een vergunning voor “het kappen van zowel dreigende gezonde, verdorde en dode bomen”. Beoordeling
  49. Artikel 96 van het Bosdecreet bepaalt: “Behoudens machtiging van het Agentschap of in de gevallen en onder de voorwaarden voorzien in een goedgekeurd beheersplan, zijn ingrijpende VII-40.959-21/25 wijzigingen en beschadigingen van de bodem, de strooisel-, kruid-, of boomlaag verboden”.
  50. Uit de beoordeling van het tweede middel volgt dat het betrokken gebied als bos aangemerkt moet worden. In het aanvankelijk proces-verbaal wordt vastgesteld dat graafwerken werden uitgevoerd, dat de “bosbodem gefreesd” werd en dat hier en daar “struiken met wortel en al uitgetrokken” zijn. Verzoeker weerlegt deze vaststellingen niet naar behoren van recht. Bijgevolg staat vast dat verzoeker is overgegaan tot ingrijpende wijzigingen en beschadigingen van de bodem, de strooisel-, kruid , of boomlaag, die in een bos verboden zijn behoudens machtiging van het Agentschap voor Natuur en Bos.
  51. Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
  52. Als vierde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 97 van het Bosdecreet. Verzoeker zet uiteen dat, indien het gebied als bos beschouwd moet worden, hij er overeenkomstig artikel 97 van het Bosdecreet toe verplicht was om de keten, loodsen en alle andere constructies te verwijderen. Het was onmogelijk om de bomen en planten tussen glas, beton, ijzer “als onbeschadigd terug te vinden, noch onbeschadigd van tussen de vreemde materialen te bevrijden”. Hij en zijn gezin hebben jarenlang alle achtergelaten afval in zakken gestopt om af te voeren tot op de dag dat de kraanwerken de “zware platen en andere onmenselijke restanten” uittilden. Voorts bekritiseert verzoeker de vaststelling dat de open vlakten de laatste tien jaar toegroeiden tot een bos omdat er op dat ogenblik een betonlaag aanwezig was. Meer bepaald zou uit een onduidelijke luchtfoto van 2005 niet afgeleid kunnen worden dat er sprake was van VII-40.959-22/25 een dichtgroei door bomen. Tevens betwist verzoeker de kartering van het bos als biologisch waardevol, gelet op de “massa aanwezig beton in de open plekken”. Daarenboven kan het verwijderen van de exoot “Robinia pseudoacacia” volgens hem niet gezien worden als een milieumisdrijf. Er zouden volgens verzoeker ook geen “graafwerken” hebben plaatsgevonden, maar enkel “optilwerken” waarbij zware gewichten in een container werden geworpen. Omtrent het uitvoeren van zaagwerken verwijst hij naar “de ervaring en de boomkennis van de hiervoor op eigen houtje beslissende aannemer”.
  53. De verwerende partij antwoordt dat ettelijke tientallen bomen werden gerooid en dat geen enkel bewijs voorligt dat die kappingen noodzakelijk waren om de achtergelaten afvalstoffen te verwijderen. Bovendien belet niets dat verzoeker zich in regel had gesteld door, ofwel een kapmachtiging ofwel een ontheffing van het ontbossingsverbod aan te vragen. De kappingen waren ook niet beperkt tot de soort “Robinia pseudoacacia”, maar betreffen ook Amerikaanse eik.
  54. Verzoeker merkt in zijn memorie van wederantwoord nog op dat de aankoopakte van 2004 de aanwezigheid van bomen verbiedt op het betrokken perceel. Beoordeling
  55. Artikel 97, § 2, van het Bosdecreet bepaalt onder meer dat het zonder machtiging van het Agentschap voor Natuur en Bos in alle privé-bossen verboden is “keten, loodsen en alle andere constructies en verblijfsgelegenheden op te richten en in stand te houden, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn”. Uit het door het Bosdecreet ingestelde verbod om constructies op te richten of in stand te houden, volgt niet dat verzoeker op eigen initiatief en zonder voorafgaande machtiging van het Agentschap voor Natuur en Bos mocht VII-40.959-23/25 overgaan tot het verwijderen van de tussen de aanwezige constructies gegroeide bomen en struikvegetaties zoals omschreven door het Bosdecreet.
  56. De bestreden beslissing is, in tegenstelling tot de bewering van verzoeker, niet gebaseerd op “onleesbare onduidelijke zwart/wit kopieën”, maar wel op digitale kleurenfoto’s van het geoportaal van de Vlaamse overheid. Ter zake stelt het proces-verbaal van de toezichthouder vast: “De verschillende luchtfoto’s doorheen de jaren tonen aan dat de percelen vroeger ‘open vlaktes’ met enkele constructies kenden maar doorheen het laatste decennia volledig toegroeide als bos”. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de bewering dat de dichtgroei naar een bos precies mogelijk werd gemaakt door de stelselmatige opruiming door verzoeker van de achtergelaten afvalstoffen. Ook is de verwijzing naar de aanwezigheid in het bos van de soort ‘Robinia pseudoacacia’ niet dienstig, omdat daarmee de vaststelling in het proces-verbaal niet wordt tegengesproken dat minstens “zes eiken en één abeel” werden verwijderd. In het proces-verbaal wordt ook vastgesteld dat “over de volledige oppervlakte van het bosperceel graaf- en zaagwerken werden uitgevoerd”. Met de bewering van verzoeker dat enkel “optilwerken” hebben plaatsgevonden, in de betekenis die hij daar persoonlijk aan geeft en de beweerde “ervaring en de boomkennis van de hiervoor op eigen houtje beslissende aannemer”, wordt de bewijswaarde van de vaststellingen in het proces-verbaal niet ontkracht.
  57. Het vierde middel is ongegrond. BESLISSING
  58. De Raad van State verwerpt het beroep. VII-40.959-24/25
  59. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.959-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.829 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.