← België

Arrest 255836 - Reglementen (economische zaken) - 16/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.836 Rolnummer: A. 231560/XIV-38456 Zaak: Arrest 255836 - Reglementen (economische zaken) - 16/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-22 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 08:27 Fiche Arrest nr 255.836 van 16 februari 2023 Economische zaken - Reglementen (economische zaken) Beslissing : Verwerping Schadevergoeding tot herstel als niet verricht beschouwd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.836 van 16 februari 2023 in de zaak A. 231.560/XIV-38.456 In zake : de BVBA INSIGHTSWORLD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Olivier Mignolet, Michael Bulckaert en Sander Vogt kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 143/6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francine Lemaire kantoor houdend te 1070 Brussel René Berrewaertslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.

  1. Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van “het Ministerieel besluit van 8 juni 2020 tot wijziging van artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten en kmo-groeitrajecten en artikel 27 en 28 van het ministerieel besluit van 30 maart 2016 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten en kmo-groeitrajecten, wat betreft de steun voor ondernemerschapsbevorderende diensten, en minstens punt 5° van de Bijlage bij het Ministerieel besluit van 8 juni 2020 zoals ingevoerd door artikel 1 juncto artikel 2 van dit Ministerieel besluit van 8 juni 2020 (…)”. XIV-38.456-1/16 1.
  2. Met een op 18 oktober 2022 ingediend verzoekschrift vraagt de verzoekende partij de Raad van State om de verwerende partij te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan de verzoekende partij omwille van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de onwettigheid van het bestreden besluit, minstens als gevolg van de onwettigheid “van punt 5° van de Bijlage zoals ingevoegd door artikel 1 juncto artikel 2 van het Bestreden Besluit”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober en op 16 november
  4. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michael Bulckaert die, eveneens loco advocaten Olivier Mignolet en Sander Vogt verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Francine Lemaire, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-38.456-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De kmo-portefeuille is een steunmaatregel die ondernemers een financiële tegemoetkoming geeft als ze opleiding of advies aankopen bij een geregistreerde dienstverlener. Overeenkomstig artikel 2 van het decreet van 16 maart 2012 ‘betreffende het economisch ondersteuningsbeleid’ kan de Vlaamse regering met betrekking tot categorieën van steun, vermeld in dit decreet, en met inachtneming van de regels vermeld in dit decreet, steun verlenen aan projecten inzake het economisch ondersteuningsbeleid binnen de vastgestelde begrotingskredieten. 3.
  7. De Vlaamse Regering verleent bij besluit van 26 februari 2016 ‘tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten en kmo-groeitrajecten’ (hierna: het subsidiebesluit van 26 februari 2016) steun aan kmo’s voor ondernemerschapsbevorderende diensten (opleiding en advies), die een dienstverlener verleent aan en ten behoeve van die ondernemingen. In artikel 9 van het subsidiebesluit van 26 februari 2016 worden een aantal begrippen inzake ondernemerschapsbevorderende diensten gedefinieerd en met het laatste lid van die bepaling wordt de ter zake bevoegde minister ertoe gemachtigd “de definitie van ondernemerschapsbevorderende diensten [te] verfijnen rekening houdend met de beleidsprioriteiten”. Artikel 12, eerste lid, van datzelfde subsidiebesluit sluit bepaalde diensten van steun uit en het tweede lid van het genoemde artikel 12 XIV-38.456-3/16 machtigt de minister om “de niet in aanmerking komende diensten verder [te] verfijnen en uit [te] breiden gelet op de beleidsprioriteiten”. 3.
  8. De verzoekende partij is een erkende dienstverlener voor de pijler “Opleiding” die een sublicentie heeft om diensten inzake insights discovery methode aan te bieden. 3.
  9. Op 8 juni 2020 neemt de Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw het ministerieel besluit van 8 juni 2020 ‘tot wijziging van artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten en kmo-groeitrajecten en artikel 27 en 28 van het ministerieel besluit van 30 maart 2016 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten en kmo-groeitrajecten, wat betreft de steun voor ondernemerschapsbevorderende diensten’. Dit is het bestreden besluit. Met artikel 1 ervan wordt aan artikel 12, eerste lid, van het subsidiebesluit van 26 februari 2016 dat de van steun uitgesloten diensten bevat, een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt: “5° de diensten die opgenomen zijn in de lijst, die als bijlage is toegevoegd.”. Met artikel 2 van het bestreden besluit wordt aan het subsidiebesluit van 26 februari 2016 een bijlage toegevoegd, die bij het bestreden besluit is gevoegd. Punt 5° van de bijlage luidt: “BIJLAGE. De lijst, vermeld in artikel 12, eerste lid, 5°. […] 5° de diensten inzake insights discovery methode; […] .” XIV-38.456-4/16 Met de artikelen 3 en 4 worden wijzigingen aangebracht aan de artikelen 27 en 28 van het ministerieel besluit van 30 maart 2016 ‘tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten en kmo-groeitrajecten, wat betreft de steun voor ondernemerschapsbevorderende diensten’ (hierna: het ministerieel besluit van 30 maart 2016). Artikel 5 van het bestreden besluit, tot slot, voorziet in een overgangsregeling voor hangende subsidieaanvragen. Het bestreden besluit wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 juni 2020 en trad in werking op 1 juli 2020 (zie punt 3.5). 3.
  10. Met een besluit van 1 april 2022 ‘tot vaststelling van een lijst van uitgesloten diensten voor de kmo-portefeuille’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 1 april 2022) trekt de Vlaamse regering de artikelen 1 en 2 van het bestreden (ministerieel) besluit in, evenals de artikelen 27 en 28 van het ministerieel besluit van 30 maart 2016 (cfr. artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 april 2022). Het genoemde besluit van 1 april 2022 voorziet verder nog in wijzigingen aan artikel 12, eerste lid, van het subsidiebesluit van 26 februari 2022 (artikel 1), voegt daaraan een nieuwe bijlage toe (artikel 2) en vervangt vervolgens die bijlage (artikel 3), trekt voorts nog een ministerieel besluit van 9 juli 2021 ‘tot wijziging van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten en kmo-groeitrajecten’ in (artikel 5) en voorziet, tot slot, in een overgangsregeling voor reeds ingediende subsidieaanvragen (artikel 6). Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2020, behoudens artikel 3 ervan dat uitwerking heeft met ingang van 13 juli
  11. Het besluit van de Vlaamse regering van 1 april 2022 wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 22 juni
  12. XIV-38.456-5/16 3.
  13. Met een schrijven van 27 september 2022 wijst de raadsman van de verwerende partij de Raad van State (onder meer) op het in punt 3.5 vermelde, tussengekomen besluit van de Vlaamse regering van 1 april
  14. Zij stelt dat “voor zover geweten” het niet bestreden werd met een vernietigingsberoep en dat het voorliggende vernietigingsberoep derhalve “zonder voorwerp is geworden nu dit besluit ingetrokken werd (en dit met ingang vanaf de datum waarop het in werking was getreden) en dat [de verzoekende partij] niet langer het vereiste actueel belang heeft.” 3.
  15. Met een verzoekschrift van 18 oktober 2022 vraagt de verzoekende partij de Raad van State om de verwerende partij te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan de verzoekende partij omwille van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de onwettigheid van het bestreden besluit, minstens als gevolg van de onwettigheid “van punt 5° van de Bijlage zoals ingevoegd door artikel 1 juncto artikel 2 van het Bestreden Besluit”. Dit verzoekschrift is bij de Raad van State ontvangen op 20 oktober
  16. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie Standpunt van de partijen
  17. Zoals uit de uiteenzetting van de feiten is gebleken (punt 3.6) heeft de verwerende partij de Raad van State bij brief van 27 september 2022, waarvan door de verwerende partij een afschrift is bezorgd aan de raadslieden van de verzoekende partij, gewezen op het tussengekomen besluit van de Vlaamse regering van 1 april 2022 en, meer bepaald, op artikel 4 ervan waarbij de bij het bestreden (ministerieel) besluit getroffen regeling wordt ingetrokken en waarbij de Vlaamse regering voorts zelf in een regeling van uitgesloten diensten voorziet. De XIV-38.456-6/16 verwerende partij meent dan ook dat het voorliggende vernietigingsberoep zonder voorwerp is geworden en de verzoekende partij niet langer het vereiste actueel belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit.
  18. Op de terechtzitting van 19 oktober 2022 verwijst de staatsraad-verslaggever naar de in punt 3.6 vermelde brief van de verwerende partij en vraagt de verzoekende partij welke nog haar actueel belang is gelet op het tussengekomen intrekkingsbesluit van de Vlaamse regering van 1 april
  19. De verzoekende partij antwoordt dat zij “gisteren nog een verzoek tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend” en aldus meent nog een belang te hebben. Op de vraag of de verzoekende partij het besluit van de Vlaamse regering van 1 april 2022 heeft aangevochten met een vernietigingsberoep antwoordt de verzoekende partij ontkennend en verklaart dat zij, naar haar oordeel, door de nieuwe regeling niet (langer) wordt geschaad.
  20. Omdat op 19 oktober 2022 geen verzoek tot schadevergoeding tot herstel in het procesdossier aanwezig was, de verwerende partij er geen standpunt over heeft kunnen innemen en de Raad van State, noch overigens het auditoraat, daarvan zijn ingelicht of er kennis van hebben kunnen nemen, wordt de zaak uitgesteld naar de daaropvolgende terechtzitting die heeft plaatsgevonden op 16 november
  21. Beoordeling
  22. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een XIV-38.456-7/16 belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.
  23. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.).
  24. Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Te dezen omschrijft de verzoekende partij in haar verzoekschrift tot nietigverklaring haar belang bij de vernietiging van het bestreden besluit. XIV-38.456-8/16 Zij zet, samengevat, uiteen dat zij een “persoonlijk belang” heeft omdat de bestreden bepaling uitdrukkelijk de Insights Discovery methode vermeldt en zij de exclusieve (en dus enige) licentiehouder van deze methode in België is en op basis waarvan zij rechtstreekse opleidingen en accreditatieopleidingen geeft. Ten tweede is haar belang “rechtstreeks” aangezien de inwerkingtreding van de bestreden bepaling de rechtstreekse oorzaak is van aanzienlijke nadelen in hoofde van de verzoekende partij. Deze bepaling veroorzaakt immers schade aan de marktpositie van de verzoekende partij aangezien het volgen van haar opleidingen niet meer gesubsidieerd en aangespoord wordt, wat zich vertaald voornamelijk in een verminderde vraag naar accreditatieopleidingen, maar ook naar rechtstreekse opleidingen. De verzoekende partij lijdt voorts reputatieschade omdat, zo stelt zij, uit de bestreden bepaling volgt dat “haar opleidingen niet ondernemerschapsbevorderend zouden zijn”. Het belang van de verzoekende partij is daarenboven “zeker” aangezien het niet hypothetisch is dat de verdwijning van steun onder de kmo-portefeuille zich zal vertalen in “klantenverlies/omzetverlies”. Tot slot, verschaft de beoogde nietigverklaring de verzoekende partij een rechtstreeks en persoonlijk voordeel: een tussen te komen nietigverklaring van de bestreden bepaling beëindigt de onrechtmatige aantasting van de marktpositie van de verzoekende partij door een subsidieregime dat, zonder enige verklaring, concurrerende opleidingen bevoordeelt. Voorts neemt een nietigverklaring de beslissing weg dat de Insights Discovery methode niet ondernemerschapsbevorderend zou zijn en wordt haar reputatieschade op dat punt geremedieerd. Het is aldus duidelijk dat “het begin van herstel van het nadeel van verzoekende partij ten gevolge van de bestreden bepaling wordt gedragen door de nietigverklaring van die bepalingen”. De verzoekende partij heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd nauwkeurig afgebakend. Zij heeft het haar door het bestreden besluit veroorzaakte nadeel in wezen aangeduid als een financieel nadeel. Dat geldt ook voor de ingeroepen “reputatieschade” die zij, althans in haar verzoekschrift tot nietigverklaring, situeert op het niveau van de door haar aangeboden opleidingen daar, zo verwoordt ze het, “uit de Bestreden Bepaling volgt dat verzoekende partij XIV-38.456-9/16 haar opleidingen niet ondernemerschapsbevorderend zouden zijn”, wat zich omwille van de verdwijning van steun onder de kmo-portefeuille weerom zal vertalen in “klantenverlies/omzetverlies”.
  25. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. De Raad stelt vast dat, zoals de verwerende partij hem heeft meegedeeld, de door de verzoekende partij bestreden bepalingen door de Vlaamse regering zijn ingetrokken met het in punt 3.5 vermelde besluit van de Vlaamse regering van 1 april
  26. De verzoekende partij heeft daartegen geen beroep tot nietigverklaring ingediend. Evenmin deden andere potentiële belanghebbenden dat zodat het besluit van de Vlaamse regering van 1 april 2022 definitief is geworden, daarin begrepen de intrekking van de door de verzoekende partij met het voorliggende beroep bestreden bepalingen. Daargelaten nog of de nieuwe regeling de verzoekende partij geen nadeel berokkent zoals zij op de terechtzitting zelf aangeeft, dient in ieder geval te worden vastgesteld dat de door haar met het voorliggende beroep tot nietigverklaring bestreden bepalingen definitief zijn ingetrokken zodat deze haar geen materieel nadeel meer berokkenen, noch overigens een moreel nadeel. De verzoekende partij heeft geen argumenten aangebracht om anders ertegen aan te kijken. De Raad van State mag er in de gegeven omstandigheden mee volstaan vast te stellen dat door de intrekking de met het voorliggende beroep tot nietigverklaring bestreden bepalingen uit de rechtsordening zijn verdwenen zodat het beroep tot nietigverklaring geen voorwerp meer heeft en de verzoekende partij niet meer tot voordeel kan strekken. XIV-38.456-10/16
  27. Niet blijkt dat wat de verzoekende partij dan met de gevraagde nietigverklaring nog nastreeft uit méér bestaat dan het voordeel om derden te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; immers is dat beoogde voordeel niet verbonden met het verdwijnen van het bestreden besluit uit het rechtsverkeer - wat immers reeds is gerealiseerd door het tussengekomen (intrekkings)besluit - maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van het door de verzoekende partij aangevoerde middel. Niettemin, zoals de Raad van State, algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 in de zaak A. 216.462, heeft het instellen van een verzoek tot schadevergoeding tot herstel samen met, of hangende, het beroep tot nietigverklaring tot gevolg de mogelijkheden om in het kader van het beroep tot nietigverklaring uitspraak te doen, te verruimen, namelijk om een onderzoek van de middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid vast te stellen voor zover dat nodig is om over een aldus ingediend verzoek tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te doen.
  28. De verzoekende partij betoogt dat zij voor de geleden schade een verzoek tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend (zie supra de punten 5 en 6). De Raad moet in dat verband het volgende vaststellen: - de verzoekende partij beweert op de terechtzitting van 19 oktober 2022 daags voordien een verzoek tot schadevergoeding tot herstel te hebben ingediend, maar tot op dat ogenblik is dit verzoek op de griffie van de Raad van State niet bekend; - de verzoekende partij heeft vóór die terechtzitting noch de verwerende partij, noch de Raad van State, noch het auditoraat met het oog op zijn ter terechtzitting te geven advies, op de hoogte gebracht van haar demarche; XIV-38.456-11/16 - de verzoekende partij legt op de voormelde terechtzitting in verband met haar bewering geen overtuigingsstukken neer, noch een afschrift van het ingediend verzoek, noch een bewijs van verzending; - nadat de Raad van State vervolgens beslist de zaak naar de daaropvolgende terechtzitting die plaats vond op 16 november 2022 uit te stellen teneinde de zaken na te zien en de zaak in staat te stellen, blijkt uit de barcodes van de aangetekende zendingen dat, eensdeels, het verzoek tot schadevergoeding tot herstel van 18 oktober 2022 en, anderdeels, de erbij horende stukken weliswaar bij bpost zijn afgeleverd op 18 oktober 2022 om 19.14 uur en bij de griffie van de Raad van State zijn toegekomen op 20 oktober 2022 om 09.59 uur. Voorts neemt de Raad de volgende chronologie in overweging: - de verzoekende partij heeft van het intrekkingsbesluit kennis kunnen nemen op de dag van de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2022; - de verzoekende partij kon van de door de verwerende partij opgeworpen exceptie kennis nemen bij ontvangst van de in punt 3.6 genoemde brief waarvan haar een afschrift werd bezorgd; - de verzoekende partij kon van de problematiek die artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet rijzen in de context van het actueel belang ten minste kennis nemen in het door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak in zijn zaak A. 216.462 gewezen arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019, evenals van het doorslaggevend belang dat de Raad van State hecht aan het tijdig indienen van een vordering tot schadevergoeding tot herstel, om nog een uitspraak over de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing te mogen verwachten; - de beschikking tot vaststelling van de voorliggende zaak op 19 oktober 2022 dateert van 2 september 2022 en is door de verzoekende partij ontvangen op 13 september 2022, zijnde ruim 5 weken vóór de terechtzitting van 19 oktober
  29. De Raad van State telt aldus minstens vier momenten waarop de verzoekende partij zich redelijkerwijze had kunnen realiseren dat zij een verzoek XIV-38.456-12/16 tot schadevergoeding tot herstel kon indienen ter vrijwaring van haar onderwijl teloorgegane belang bij het beroep. De verzoekende partij bleef stilzitten tot de avond voor de zitting met alle daarbij horende risico’s die zij daarmee willens en wetens heeft genomen. Op beide terechtzittingen heeft de verzoekende partij geen redenen, laat staan in redelijkheid aanvaardbare redenen, gegeven waarom zij pas enkele uren voor de terechtzitting haar verzoek kon indienen en zulks op een tijdstip dat het én de verwerende partij én het auditoraat met het oog op het te verstrekken advies én de Raad van State nog tijdig kon bereiken. Zij geeft enkel aan in haar verzoek tot schadeloosstelling dat zij volgens de toepasselijke procedurebepalingen “over de mogelijkheid beschikt om te wachten met haar vordering tot zestig dagen na het eindarrest”. Dit alles samen in overweging nemend, oordeelt de Raad van State dat de proceshouding die de verzoekende partij aanneemt om de Raad van State alsnog tot een onderzoek ten gronde te bewegen, flagrant strijdig is met de medewerking die van elke partij wordt gevraagd aan het goede verloop van de rechtsgang. In die concrete omstandigheden, zonder valabele verontschuldiging of redengeving, pas de avond voor de zitting een verzoek tot schadevergoeding tot herstel indienen waarvan het bestaan als gezegd op de zitting van 19 oktober 2022 zelfs niet vaststaat en waarop de zaak naar de daaropvolgende zitting moest worden verdaagd om dan te moeten vaststellen dat het verzoek pas op 18 oktober 2022 om 19u14 bij bpost ter verzending werd aangeboden en de Raad van State pas bereikte op 20 oktober 2022 – kan slechts als niet te rechtvaardigen dilatoir procesgedrag worden bestempeld dat, voorts, te dezen getuigt van een verregaande graad van lichtzinnigheid. Het gedrag van de verzoekende partij vormt derhalve een duidelijke schending van de loyale procesvoering die van de partijen in het geding moet worden verwacht. Het voorgaande maakt een substantiële tekortkoming uit aan het normale en behoorlijke verloop van het onderzoek van het beroep. XIV-38.456-13/16 Het argument van de verzoekende partij dat zij volgens de toepasselijke procedurebepalingen “over de mogelijkheid beschikt om te wachten met haar vordering tot zestig dagen na het eindarrest” doet niet anders besluiten. Het voormelde principe dat op de verzoekende partij geen stelplicht rust om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten en dat het haar toevalt om bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven indien dat in twijfel wordt getrokken, belet immers dat de verzoekende partij hiervan gebruik maakt op een wijze die - zoals hiervoor is vastgesteld - kennelijk de perken van de normale uitoefening ervan door een bedachtzame en zorgvuldige persoon te buiten gaat.
  30. Aldus is de verzoekende partij door haar deloyaal handelen, tekortgeschoten aan haar in de loop van de procedure ontstane plicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Voor het onderzoek van de exceptie van de verwerende partij wordt met het al dan niet bestaan van een verzoek tot schadevergoeding tot herstel, mocht ze al ontvankelijk zijn ingediend, daarom geen rekening gehouden.
  31. De verzoekende partij heeft geen toereikend actueel belang bij het voorliggende beroep tot vernietiging. De exceptie is gegrond. V. Wat de vordering tot het toekennen van een schadevergoeding tot herstel betreft
  32. In haar op 18 oktober 2022 ingediend verzoekschrift vraagt de verzoekende partij de Raad van State om de verwerende partij te veroordelen tot betaling van: “een schadevergoeding tot herstel ten belope van 626,357,00 EUR, als volgt samengesteld: - 606.357,00 EUR aan materiële schade in de vorm van omzetverlies; - 20.000,00 EUR ex aequo et bono aan morele schade in de vorm van reputatieschade; XIV-38.456-14/16 - te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de toepasselijke rentevoet vanaf 1 juli 2020 tot het moment van volledige betaling”. Beoordeling
  33. Overeenkomstig artikel 25/3, §§1 en 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, dient het verzoek om schadevergoeding tot herstel eveneens te worden afgewezen. Immers, indien geen onwettigheid wordt vastgesteld, wijst het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af. Nu te dezen geen onwettigheid is vastgesteld, moet het verzoek om schadevergoeding tot herstel worden afgewezen. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het beroep.
  35. De Raad van State wijst het verzoek om schadevergoeding tot herstel af.
  36. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  37. De rechten verbonden aan het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro, dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partij. XIV-38.456-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien februari tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.456-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.836 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.