← België

Arrest 255931 - Jacht - Reglementen - 02/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.931 Rolnummer: A. 235529/VII-41288 Zaak: Arrest 255931 - Jacht - Reglementen - 02/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-09 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-19 11:36 Fiche Arrest nr 255.931 van 2 maart 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.931 van 2 maart 2023 in de zaak A. 235.529/VII-41.288 In zake :

  1. Roger THEYS
  2. Roger VAN HOVE
  3. Denis JORSSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE BOECHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts en Jean-Chistophe Beyers kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 21 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de burgemeester van de gemeente Boechout van 28 juli 2021 tot “[s]topzetting jacht en bestrijding op houtduiven op percelen omwille van veiligheid en overlast”, b. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Boechout van 27 september 2021 waarbij de voormelde beslissing van de burgemeester van 28 juli 2021 wordt bekrachtigd, c. het besluit van de burgemeester van de gemeente Boechout van 30 november 2021 tot “[s]topzetting jacht op houtduiven en de bestrijding ervan met VII-41.288-1/20 vuurwapens op de percelen A 239 w en y, A 241 a, A 247 b, A 248 en A 249 te Vremde omwille van openbare veiligheid en overlast” en d. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Boechout van 20 december 2021 waarbij de voormelde beslissing van de burgemeester van 30 november 2021 wordt bekrachtigd. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 1 december 2022 een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 februari
  6. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Angelique Van de Meirssche, die loco advocaten Floris Sebreghts en Jean-Chistophe Beyers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. VII-41.288-2/20 III. Feiten 3.
  8. Op 28 juli 2021 neemt de burgemeester van de gemeente Boechout het volgende besluit: “Gelet op artikel 134 par. 1 en artikel 135 par. 2 van de Nieuwe Gemeentewet, betreffende ernstige stoornis van de openbare rust en de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen; De percelen, A 239 Y, A 239 W, A 249, A 247 B, A 241 a en A 248 gelegen tussen de Eekstraat, Millegemweg en Marcel De Ridderstraat zijn gelegen in agrarisch gebied, hier worden landbouwgewassen geteeld. De eigenaars van deze gronden zijn: Stroobants Maria, Broechemsesteenweg 57 te 2531 Vremde; Van Boom Christine, Oude Putsebaan 33, 3140 Keerbergen; Van Boom Philippe, Legebaan 89 te 2560 Nijlen. De pachter van deze gronden is Thys Roger, St. Bernardsstraat 66 te 2531 Vremde. Bij het beschermen van landbouwgewassen tegen vraat moet er eerst ingezet worden op alternatieve bestrijdingsmethoden zoals vogelverschrikkers, roofvogelvliegers, vogelschrikkanonnen, en dergelijke meer. Jacht of bestrijding met vuurwapens van houtduiven is het laatste bestrijdingsmiddel dat ingezet mag worden als voorgaande methodes niet afdoende zijn. Gedurende de zomer van 2016 en 2017 zijn er verschillende meldingen gekomen van de omwonenden van deze gronden. Deze meldingen gingen over geluidsoverlast door intensieve jacht op houtduiven op deze percelen en de bezorgdheid over de veiligheid. In de nabije omgeving is er een woonwijk met speelpleintje, en twee veelgebruikte wegen voor zachte recreatie zoals wandelaars, fietsers en ruiters. In 2016 werd na overleg met de lokale politie de jachthut van de toenmalige jager door dhr. wijlen Peeters zelf afgebroken. In 2017 werd er opnieuw gejaagd op deze percelen met talrijke meldingen van uit de omgeving tot gevolg. Een gesprek tussen jager en de lokale politie aangaande de veiligheid en overlast leidde tot geen verbetering van de situatie. In 2021 werd er opnieuw gejaagd met klachten van omwonenden tot gevolg en dit met betrekking tot de openbare veiligheid. Jagers respecteren o.a. niet de schietpositie met de rug naar de bebouwde percelen. Er leeft angst bij gezinnen met jonge kinderen die er buiten spelen. Bovendien worden de preventieve maatregelen uit de code van goede praktijk die vooraf moeten genomen worden op de percelen om de schade aan de gewassen te voorkomen niet of onvoldoende uitgevoerd”. Het beschikkend gedeelte van deze beslissing luidt als volgt: VII-41.288-3/20 “
  9. Om de jacht én de bestrijding met vuurwapens op houtduiven op deze percelen vanaf heden te verbieden o.w.v. de hierboven aangehaalde redenen.
  10. De jachtrechthouder, pachter, eigenaar van deze grond, natuurinspectie van ANB en de lokale politie worden op de hoogte gebracht van dit besluit.
  11. Onderhavig besluit te laten bekrachtigen op de eerstvolgende gemeenteraad”. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
  12. De gemeenteraad van de gemeente Boechout bekrachtigt op haar vergadering van 27 september 2021 het voormelde besluit van de burgemeester. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  13. Op 30 november 2021 neemt de burgemeester de volgende beslissing: “Feiten en context De percelen A 239Y, A 239W, A 249, A247 B, A 241a en A 248 gelegen tussen de Eekstraat, Millegemweg en Marcel De Ridderstraat zijn gelegen in agrarisch gebied. Hier worden landbouwgewassen geteeld. De eigenaars van deze gronden zijn: Stroobants Maria, Broechemsesteenweg 57 te 2531 Vremde; Van Boom Christine, Oude Putsebaan 33, 3140 Keerbergen; Van Boom Philippe, Legebaan 89 te 2560 Nijlen. De pachter van deze gronden is Thys Roger, St. Bernardsstraat 66 te 2531 Vremde. Bij het beschermen van landbouwgewassen tegen vraat moet er eerst ingezet worden op alternatieve bestrijdingsmethoden zoals vogelverschrikkers, roofvogelvliegers, vogelschrikkanonnen, en dergelijke meer. Jacht of bestrijding met vuurwapens van houtduiven is het laatste bestrijdingsmiddel dat ingezet mag worden als voorgaande methodes niet afdoende zijn. Gedurende de zomer van 2016 en 2017 zijn er verschillende meldingen gekomen van de omwonenden van deze gronden. Deze meldingen gingen over geluidsoverlast door intensieve jacht op houtduiven op deze percelen en de bezorgdheid over de veiligheid. In de nabije omgeving is er een woonwijk met speelpleintje, en twee veelgebruikte wegen voor zachte recreatie zoals wandelaars, fietsers en ruiters. In 2016 werd na overleg met de lokale politie de jachthut van de toenmalige jager door dhr. wijlen Peeters zelf afgebroken. VII-41.288-4/20 In 2017 werd er opnieuw gejaagd op deze percelen met talrijke meldingen vanuit de omgeving tot gevolg. Een gesprek tussen jager en de lokale politie aangaande de veiligheid en overlast leidde tot geen verbetering van de situatie. In 2021 werd er opnieuw gejaagd met klachten van omwonenden tot gevolg en dit met betrekking tot de openbare veiligheid en rust. Jagers respecteren o.a. niet de schietpositie met de rug naar de bebouwde percelen. Er leeft angst bij gezinnen met jonge kinderen die er buiten spelen. De politie ontving verschillende meldingen van buurtbewoners over overlast en gevaarlijke situaties veroorzaakt door jagers op het kwestieuze perceel. Bovendien werd vastgesteld dat de preventieve maatregelen uit de code van goede praktijk die vooraf moeten genomen worden op de percelen om de schade aan de gewassen te voorkomen niet of onvoldoende genomen werden. De openbare orde en veiligheid is in het gedrang omdat het jachtgebied zich bevindt in de onmiddellijke buurt, zelfs aangrenzend aan, van woonwijken en woonstraten, i.c. Marcel De Ridderstraat, Withofstraat en Veldloopstraat. Tevens lopen er in de buurt recreatieve wandel- en fietsroutes langs de Millegemweg en Eekstraat. Buurtbewoners getuigen van hagel en geschoten duiven op de privé-eigendom (terrassen en tuinen) en durven bij de jacht hun kinderen niet meer buiten te laten spelen. Dit is mee ingegeven door het feit dat de jagers zich niet opstellen met de rug naar de woningen, maar ofwel het veld doorkruisen of zich opstellen aan de rand van het veld, tegenover de woningen. De burgemeester heeft verschillende keren opdracht gegeven aan de politie om bemiddelend op te treden en de jagers te wijzen op de goede praktijk van de regels van de jacht. Dit heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid. De burgemeester heeft zich ter plaatse vergewist van de situatie en is van mening dat op dit specifieke perceel niet gejaagd kan worden zonder dat dit een verstoring van de openbare orde en rust en een reëel gevaar voor de openbare veiligheid meebrengt. Omwille van de ligging van de akker tussen de bewoning en de recreatieve routes, is dit geen plek om op een veilige manier te jagen, wat trouwens elders in Boechout wel wordt toegestaan. Het jachtverbod beperkt zich tot deze akker net omwille van de specifieke ligging aan woonwijken. De burgemeester is van mening dat er een reëel risico op verwondingen door hagelinslag bestaat zowel voor buurtbewoners, als voor toevallige wandelaars en fietsers, zelfs met het respecteren van de goede praktijk van de jacht. Juridische grond Artikel 134 par. 1 en artikel 135 par. 2 van de Nieuwe Gemeentewet, betreffende ernstige stoornis van de openbare rust en veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen. BESLUIT Enig artikel De burgemeester beslist : VII-41.288-5/20 1) om de jacht én de bestrijding met vuurwapens op houtduiven op deze percelen vanaf heden te verbieden omwille van de hierboven aangehaalde redenen. 2) de jachtrechthouder, pachter, eigenaar van deze grond, natuurinspectie van ANB en de lokale politie worden op de hoogte gebracht van dit besluit. 3) onderhavig besluit te laten bekrachtigen op de eerstvolgende zitting van de gemeenteraad Dit besluit vervangt het burgemeesterbesluit van 28 juli 2021”. Dit is de derde bestreden beslissing. 3.
  14. De gemeenteraad bekrachtigt op haar vergadering van 20 december 2021 het besluit van de burgemeester van 30 november
  15. Dit is de vierde bestreden beslissing. 3.
  16. De verzoekers wenden zich op 5 oktober 2021, wat de derde en de vierde bestreden beslissing betreft, tot de hogere overheid. De gouverneur van de provincie Antwerpen is van oordeel dat “de openbare orde daadwerkelijk verstoord wordt, dat deze verstoring ernstig is en zich voordoet bij de omwonenden van de gronden en ev. toevallige passanten”, dat het besluit “de elementen [omschrijft] waaruit het acute gevaar voor de bevolking blijkt” en dat “het risico voor de openbare orde en veiligheid […] afdoende [wordt] vastgesteld en gemotiveerd”. De gouverneur beslist dan ook op 2 december 2021 om niet op te treden. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie nopens het belang van de verzoekers
  17. De verwerende partij werpt het volgende op: “[…] Er moet worden opgemerkt dat de verzoekende partijen er geenszins in slagen om concreet aan te kaarten welke nadelen zij rechtstreeks VII-41.288-6/20 ondervinden ten gevolge van de bestreden besluiten. De verzoekende partijen halen geen enkel rechtstreeks of persoonlijk voordeel uit de vernietiging van de bestreden beslissingen, minstens maken zij dit voordeel - indien al aanwezig, quod non - niet aannemelijk. […] Voor wat de eerste verzoekende bang betreft, wordt gesteld dat deze landbouwer en pachter is van de desbetreffende percelen en dat hij de intentie heeft om zijn veldvruchten te vrijwaren van houtduiven. Om die reden zou hij overeenkomstig artikel 22 van het jachtdecreet van 24 juli 1991 om bestrijding van de houtduiven verzoeken. Er moet echter worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij niet in het minst (d.m.v. enig stuk dat in deze procedure wordt gevoegd) aantoont, laat staan aannemelijk maakt, dat hij ook effectief schade aan diens gewassen lijdt ten gevolge van de aanwezigheid van houtduiven. Vooraleer men effectief het recht heeft om over te gaan tot bestrijding van deze soort, moet evenwel het verzoek daartoe worden beoordeeld o.b.v. de vraag of wel alle maatregelen zijn genomen die redelijkerwijs mogen worden verwacht om wildschade te voorkomen. In deze ligt er evenmin een bewijs voor dat op het moment van indiening van het verzoekschrift tot vernietiging (nog steeds) de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat om te kunnen overgaan tot bestrijding (cfr. artikel 22, tweede lid van het Jachtdecreet van 24 juli 1991) is vervuld. Het belang waarvan verzoeker blijk moet geven, moet echter bestaan op het ogenblik van het indienen van het vernietigingsberoep en moet behouden blijven tot aan de uitspraak. Het voordeel moet in principe meer zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing.[…] […] In casu wordt door de eerste verzoekende partij in geen enkel opzicht aangetoond dat ten tijde van het indienen van het verzoekschrift tot vernietiging voor hem, als grondgebruiker, effectief geen andere bevredigende oplossing bestond zodat hij het jaagbaar wild kon doden of laten doden onder de in artikel 22 jachtdecreet van 24 juli 1991 en in artikel 41 Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 vermelde voorwaarden. Eerste verzoekende partij faalt daarnaast eveneens in het aannemelijk maken dat hij na vernietiging van de verschillende bestreden besluiten (opnieuw) zou voldoen aan de voorwaarden om middels een meldingsformulier te verzoeken om de bestrijding van de houtduiven op de betreffende percelen. […] In zoverre de eerste verzoekende partij nalaat aan te tonen dat hij (nog steeds) zou kunnen worden toegestaan om over te gaan tot bestrijding van de houtduiven op de betreffende percelen nadat de bestreden beslissingen desgevallend zouden worden vernietigd, maakt hij zijn hinder niet afdoende concreet en geeft hij geen blijk van het rechtens vereiste persoonlijk en actueel belang. Immers wordt niet in concreto aangetoond wel rechtstreeks en persoonlijk voordeel de vernietiging van de bestreden beslissingen hem oplevert. […] De tweede en derde verzoekende partijen stellen jachtrechthouder te zijn conform artikel 7, lid 2 Jachtdecreet. Meer specifiek zou zij hun jachtrecht rechtmatig kunnen uitoefenen op de jachtterreinen met nrs. 31700012 en 31700021 gelegen in de wildbeheereenheid Groot-anst. VII-41.288-7/20 Beide jachtterreinen werden goedgekeurd op 16 februari
  18. De percelen A 239Y, A 239W, A 249, A247 B, A 241a en A 248 zijn gelegen tussen de Eekstraat, Millegemweg en Marcel De Ridderstraat en behoren tot het jachtterrein van de heer Peeters Willy, woonachtig te Vremdesesteenweg 71 te 2530 Boechout. […] Noch de tweede noch de derde verzoekende partij voegt het (overeenkomstig artikel 1 van het Ministerieel Besluit van 12 juli 2016 tot bepaling van de gegevens die minimaal moeten worden opgenomen in een schriftelijk bewijs van het jachtrecht op een perceel) schriftelijk bewijs van het jachtrecht op de betreffende percelen (als vermeld in artikel 31, § 2, tweede lid, § 4, vierde lid, en § 6, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende de administratieve organisatie van de jacht in het Vlaamse Gewest). […] Tweede en derde verzoekende partij laten aldus na bij hun verzoekschrift tot vernietiging de nodige stavingsstukken te voegen welke toelaten na te trekken of beiden al dan niet effectief op dat ogenblik houder zijn van het jachtrecht op de desbetreffende percelen. In zoverre over dit aspect geen zekerheid wordt geboden, moet worden besloten dat thans ook niet wordt aangetoond dat tweede en derde verzoekende partij over het vereiste persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang beschikken”.
  19. De verzoekers dupliceren: “[…] De bestreden beslissingen strekken ertoe om alle jacht op houtduiven - gewone jacht en bijzondere jacht - en tevens bestrijding van houtduiven te verbieden op vermelde percelen die in grondgebruik van eerste verzoeker zijn. De bestreden beslissingen gelden voor onbepaalde duur, onbeperkt in de tijd, en maken derhalve de toepassing van gewone jacht, bijzondere jacht en bestrijding onmogelijk. […] […] De vernietiging van de bestreden beslissingen strekt eerste verzoeker rechtstreeks en persoonlijk tot voordeel aangezien bij wijze van instant rechtsherstel de toepassing van het Jachtdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten opnieuw mogelijk zal worden, t.t.z. het voor de landbouw schadelijke wild zal opnieuw kunnen worden beheerd/gereguleerd, zowel via gewone jacht, bijzondere jacht als bestrijding. Verwerende partijen beweren ten onrechte dat diens belang maar kan worden gestaafd mits het bewijs dat hij effectief wildschade lijdt, minstens zulks aannemelijk wordt gemaakt. Opdat gewone jacht en/of bijzondere jacht zou worden toegepast, is het nochtans niet wettelijk vereist dat er al landbouwschade zou zijn ingetreden. Voor de toepassing van gewone jacht dient er geen landbouwschade of dreigende landbouwschade te worden bewezen. VII-41.288-8/20 […] Als landbouwer verkiest eerste verzoeker uiteraard dat schade aan zijn gewassen wordt voorkomen, veel liever dan dat de regulering van houtduiven pas plaatsvindt wanneer er al gewassenschade is geleden. Eerste verzoeker moet niet het bewijs leveren dat hij effectief schade aan zijn gewassen heeft geleden om het voordeel van gewone jacht en bijzondere jacht hersteld te zien. In het kader van de huidige procedure zou hoogstens moeten inroepen dat hij de bescherming van zijn gewassen op algemene wijze beoogt, wat hij reeds in het verzoekschrift heeft gedaan. […] Eerste verzoeker toont hiermee aan dat hij belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissingen aangezien er zodoende opnieuw gewone jacht, bijzondere jacht en bestrijding op houtduiven mogelijk wordt met als rechtstreeks gevolg dat effectieve schade aan zijn gewassen wordt ‘voorkomen’, minstens dat hij de kans op de voorkoming van schade aan zijn gewassen niet verloren ziet gaan. Bovendien levert hij het bewijs dat er op 23 juni 2021 melding voor de bestrijding van houtduiven werd gedaan […], benevens het bewijs van het feit dat er effectief bestrijding van houtduiven in juli 2021 heeft plaatsgevonden, reden waarom de verwerende partijen de bestreden beslissingen hebben genomen en zonder dewelke zij de bestreden beslissingen niet zouden hebben genomen. […] Op het ogenblik van de indiening van het beroep (en op het ogenblik van dat uitspraak) ziet hij het voordeel van die wettelijke mogelijkheden (van gewone jacht, bijzondere jacht en bestrijding te vrijwaring van zijn gewassen) zich ontzegd, reden waarom hij het actueel belang bij de vernietiging van de bestreden beslissingen heeft. […] In ieder geval bestaat de mogelijkheid dat er na de vernietiging van de bestreden beslissingen opnieuw zal worden voldaan aan de voorwaarden om bestrijding van houtduiven te melden. Het belang kan enkel en alleen aan verzoeker worden ontzegd indien de verwerende partijen aantonen dat er na de vernietiging van de bestreden beslissingen met zekerheid niet zal worden voldaan aan de voorwaarden om houtduiven te bestrijden. […]. Voor percelen in een jachtplan die wel reeds waren opgenomen in het goedgekeurde jachtplan van vorige jaren, volstaat een mondeling bewijs van jachtrecht opdat het jachtplan door de arrondissementscommissaris goedgekeurd zou blijven. Dat is geheel logisch bij gebrek aan betwisting van het jachtrecht door eigenaars of rechthebbende met concurrerende belangen. […] Alleen indien de eigenaar of rechthebbende die de betwisting opwerpt, schriftelijke bewijsstukken voorlegt, zal de jachtrechthouder zelf schriftelijke bewijsstukken moeten voorleggen. VII-41.288-9/20 […] Het jachtrecht van tweede en verzoekers blijkt uit de ontstentenis van enige betwisting door de eigenaar of zijn rechthebbenden, alsmede uit de goedkeuring door de arrondissementscommissaris van het jachtplan overeenkomstig artikel 7 van het Jachtdecreet en artikel 32 van het Jachtadministratiebesluit […]”. Beoordeling
  20. Naar luid van artikel 4, tweede lid, van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 kan de Vlaamse regering bepalen dat ten aanzien van bepaalde wildsoorten bijzondere jacht kan worden uitgeoefend in de gevallen waarbij dat noodzakelijk is, zoals onder meer “ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren”. Artikel 6, 2°, van het Jachtopeningsbesluit bepaalt dat de jacht op de houtduif open is van 15 september tot en met 28 of 29 februari. De bijzondere jacht op de houtduif kan volgens artikel 7, tweede lid, 10°, van hetzelfde besluit worden uitgeoefend van 1 maart tot en met 14 september.
  21. Eerste verzoeker is pachter van percelen waarop het bestreden verbod om houtduiven te bejagen en te bestrijden van toepassing is. Door de bestreden beslissingen worden die percelen uitgesloten van de mogelijkheid, verleend door artikel 4 van het Jachtdecreet en de artikelen 6, 2°, en 7, tweede lid, 10°, van het Jachtopeningsbesluit, om houtduiven te bejagen teneinde belangrijke schade aan gewassen op die percelen te voorkomen. Bovendien bepaalt artikel 22 van het Jachtdecreet voorwaarden waarbij de eigenaar of de grondgebruiker het jaagbaar wild mag doden of laten doden als hij “kan aantonen dat geen andere bevredigende oplossing bestaat”. Artikel 51 van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 stelt de nadere regels vast voor de bestrijding van overig wild waaronder de houtduif. Uit de bestreden beslissingen vloeit eveneens voort dat eerste verzoeker uitgesloten wordt van de VII-41.288-10/20 mogelijkheid om onder voorwaarden houtduiven te bestrijden om belangrijke schade aan zijn gewassen te voorkomen. Op grond van wat voorafgaat moet worden aangenomen dat eerste verzoeker belang heeft bij het verwijderen uit de rechtsorde van het bestreden jachtverbod.
  22. Er wordt niet betwist dat tweede en derde verzoeker op grond van artikel 7, eerste lid, van het Jachtdecreet over een jachtrecht op de betrokken percelen beschikken. Derhalve streven zij door de vernietiging van het verbod om tot bejaging of bestrijding over te gaan, een wettig voordeel na.
  23. De exceptie is ongegrond. B. Exceptie nopens de middelen en het voorwerp van het beroep
  24. De verwerende partij werpt het volgende op: “[…] Uw Raad zal vaststellen dat de kritieken in de middelen van de verzoekende partijen uitsluitend gericht zijn ten aanzien van het besluit van de burgemeester dd. 30 november
  25. […] Er worden daarentegen geheel geen kritieken geuit ten aanzien van de beslissing van de gemeenteraad dd. 20 december 2021 ter bekrachtiging van het besluit van de burgemeester dd. 30 november
  26. Eveneens moet worden vastgesteld dat de overige twee bestreden besluiten, zijnde het besluit van de burgemeester van 28 juli 2021 en het besluit van de gemeenteraad ter bekrachtiging van voormeld burgemeesterbesluit op 27 september
  27. Dit aangezien deze laatste twee besluiten inmiddels werden vervangen. […] Gelet op het voorgaande verduidelijken de verzoekende partijen op geen enkele manier op welke wijze zij de aangehaalde bepalingen en beginselen geschonden achten voor wat betreft de bestreden beslissingen van respectievelijk 28 juli 2021, 27 september 2021 en 20 december 2021”.
  28. De verzoekers dupliceren dat “de nietigverklaring van enkel de gemeenteraadsbeslissing van 20 december 2021 en het burgemeestersbesluit van 30 november 2021 ertoe zou leiden dat de vervangen beslissingen, zijnde de VII-41.288-11/20 beslissing van de gemeenteraad van Boechout van 27 september 2021 houdende bekrachtiging van het besluit van de burgemeester van 28 juli 2021 om de jacht en bestrijding met vuurwapens op houtduiven op de percelen gelegen tussen de Eekstraat, Millegemweg en Marcel De Ridderstraat vanaf heden te verbieden o.w.v. de hierboven aangehaalde redenen, publicatiedatum 30 september 2021 (derde bestreden beslissing), en de beslissing van de burgemeester van Boechout van 28 juli 2021 ‘om de jacht én de bestrijding met vuurwapens op houtduiven op deze percelen vanaf heden te verbieden o.w.v. de hierboven aangehaalde redenen’, niet gepubliceerd (vierde bestreden beslissing), zouden herleven, reden waarom die beslissingen eveneens worden aangevochten en dienen te worden vernietigd”. En voorts: “De bewering dat de middelen enkel zijn gericht tegen het burgemeestersbesluit van 30 november 2021, niet tegen de bekrachtigende gemeenteraadsbeslissing van 20 december 2021 (en niet tegen de vervangen beslissingen van 28 juli 2021 en 27 september 2021) is onjuist. In alle middelen wordt steeds uiteengezet dat de bestreden beslissingen de aldaar vermelde bepalingen en beginselen schenden. De kritieken worden derhalve geuit ten aanzien van alle bestreden beslissingen”. Beoordeling
  29. De bewering dat de middelen uitsluitend gericht zijn tegen het besluit van de burgemeester van de gemeente Boechout van 30 november 2021, mist feitelijke grondslag. Evenmin blijkt uit voormelde beslissing dat de vervanging ex tunc geldt, waardoor de verzoekers het belang niet kan worden ontzegd bij de nietigverklaring van het besluit van de burgemeester van de gemeente Boechout van 28 juli
  30. De exceptie wordt verworpen. VII-41.288-12/20 V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  31. In het tweede middel wordt onder meer de schending aangevoerd van artikel 134, § 1, van de nieuwe gemeentewet. Het middel wordt als volgt toegelicht: “[…] Uit niets blijkt dat er sprake zou zijn van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners. Nergens wordt gemotiveerd waarom het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, reden waarom de burgemeester niet kon optreden en waarom de gemeenteraad zijn toevlucht diende te nemen tot artikel 119 van de Nieuwe Gemeentewet. […] De burgemeester verwijst naar meldingen in de zomer van 2016 en 2017, waarvan niet kan worden ingezien hoe zij in 2021 de hoogdringendheid zouden kunnen rechtvaardigen. In de mate dat de burgemeester beweert dat er in 2021 opnieuw werd gejaagd met klachten van omwonenden tot gevolg en dit m.b.t. de openbare veiligheid, en dat jagers niet de schietpositie met de rug naar de bebouwde percelen zouden respecteren, wordt dit formeel betwist […]. […] De overweging in de burgemeestersbeslissing van 30 november 2021 dat de politie verschillende meldingen van buurtbewoners kreeg over overlast en gevaarlijke situaties veroorzaakt door jagers op het kwestieuze perceel, is manifest onjuist. In het administratief dossier bevinden zich 4 meldingsfiches waaruit geen gevaarlijke situatie blijkt, doch enkel melding wordt gedaan van het feit dat er schoten vallen, dat er gejaagd wordt, zulks in de foutieve veronderstelling dat er een jachtverbod zou gelden: […] […] Dat geldt des te meer aangezien er een uitdrukkelijke wettelijke toelating bestaat om te jagen op de openbare weg en in de onmiddellijke omgeving van woningen en gebouwen, alsook dat er specifieke wettelijke bepalingen bestaan rond de veiligheid van jachtactiviteiten. […] De motivering in de burgemeestersbeslissing van 30 november 2021 dat de burgemeester zich ter plaatse heeft vergewist van de situatie en van mening is dat op dit specifieke perceel niet gejaagd kan worden zonder dat dit een verstoring van de openbare orde en rust en een reëel gevaar voor de openbare veiligheid meebrengt, en dat omwille van de ligging van de akker VII-41.288-13/20 tussen de bewoning en de recreatieve routes, dit geen plek is om op een veilige manier te jagen, en dat de burgemeester van mening is dat er een reëel risico op verwondingen door hagelinslag bestaat zowel voor buurtbewoners, als voor toevallige wandelaars en fietsers, zelfs met het respecteren van de goede praktijk van de jacht, is niet pertinent en komt vooral neer op wetskritiek. […] Hoogstens de gemeenteraad zou hebben kunnen beslissen om een politieverordening uit te vaardigen. […] Gelet op de onwettigheid van het burgemeestersbesluit is ook de bekrachtiging hiervan door de gemeenteraad onwettig. De bekrachtiging door de gemeenteraad vermag nooit de begane onregelmatigheid in de beslissing van de burgemeester te regulariseren”.
  32. De verwerende partij antwoordt: “[…] De toepassing van artikel 1[3]4, §1 Nieuwe Gemeentewet stelt […] niet dat slechts een politieverordening kan worden aangenomen o.b.v. objectieve vaststellingen. Hierover anders oordelen, zou een extra voorwaarde toevoegen aan deze wetsbepaling. Het is wel vereist dat de burgemeester zijn bevoegdheid steeds zorgvuldig en in alle redelijkheid uitoefent (quod in casu). Er werd immers een doorgedreven en zorgvuldige afweging gemaakt vooraleer werd overgegaan tot het verbieden van de jacht en de bestrijding van houtduiven met vuurwapens. Zo is de burgemeester ook zelf ter plaatse geweest om zich ter plaatse te kunnen vergewissen van een aantal zaken, zoals bv. de afstanden, de constellatie van een en ander en de onmiddellijke omgeving. Zodoende heeft hij zich blindelings gebaseerd op de hem doorgezonden beschrijvingen en fotomateriaal, niettemin dit op zich weinig aan de verbeelding overliet. Het klopt dat op deze ogenblikken geen jagers actief waren. Het is echter allesbehalve een evidentie dat de burgemeester zich telkens bij een incident onmiddellijk ter plaatse kan begeven om de feiten à la minute met de eigen ogen vast te stellen. Eenzelfde verhaal geldt voor de interventieploegen van de lokale politiediensten. […] Voorgaande doet echter geen afbreuk aan de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de burgemeester i.h.k.v. zijn bevoegdheid op grond van artikel 1[3]4, §1 Nieuwe Gemeentewet. Hij moet in alle redelijkheid een afweging maken van o.m. de ernst en de geloofwaardigheid van de klachten van de omwonenden, de gedeeltelijke politionele vaststellingen en de eigen vaststellingen teneinde te kunnen besluiten tot het al dan niet overgaan tot het opmaken van een politieverordening. Meer bepaald moet de burgemeester dus een zorgvuldige inschatting maken van de ernst van het gevaar, het risico op schade en de mogelijkheid om een ingreep nog langer uit te stellen. In voorliggend dossier zijn alle motieven daartoe op uitdrukkelijke wijze VII-41.288-14/20 opgenomen in het bestreden besluit en of / in de stukken die deel uitmaken van het bestreden besluit. […] Het thans verbieden van de jacht op de achterliggende akkers en het eventuele nadeel hiervan voor de eerste verzoekende partij is niet onredelijk of buiten proportie t.o.v. het voordeel (i.h.k.v. veiligheid) dat wordt gecreëerd in het algemeen belang. Immers kan eerste verzoekende partij evenzeer gebruik maken van een hele reeks alternatieve bestrijdingsmogelijkheden. Indien deze alternatieve bestrijdingsmogelijkheden minder effectief of meer tijdrovend zouden zijn - wat niet wordt aangetoond -, dan nog staat dit nog steeds in schril contract met de vrijwaring van de fysieke en mentale integriteit en veiligheid van de omwonenden en de talrijke passanten. Er is dus bijgevolg geen sprake van een schending van het redelijkheid-, zorgvuldigheid- of proportionaliteitsbeginsel. […] De verzoekende partijen verwijzen tot slot nog naar een aantal bepalingen uit enerzijds het Jachtdecreet van 24 juli 1991 en anderzijds het Jachtvoorwaardenbesluit van 24 april
  33. Zij zijn van oordeel dat in deze specifieke regelgeving voldoende aanknopingspunten zouden terug te vinden zijn aangaande de grenzen en modaliteiten van de jacht alsook aangaande de handhavingsmogelijkheden. Zo wordt o.a. opgeworpen dat de burgemeester een klacht tot de daartoe geëigende instanties had kunnen richten verweten indien hij van oordeel was dat bijvoorbeeld de preventieve maatregelen uit de code van goede praktijk of de voorwaarden uit het Jachtdecreet of Jachtvoorwaardenbesluit met de voeten worden getreden. […] Er moet echter worden besloten dat deze discussie geheel irrelevant is van zodra sprake is van een overtuiging dat het geringste uitstel gevaar of schade kan opleveren voor de inwoners, wat in deze absoluut het geval was. […] Het op een ogenblik dat er een acuut gevaar bestaat voor de fysieke en mentale integriteit van de inwoners en de openbare rust ernstig verstoord is, verplicht eerst uitputten van de in de jachtreglementering opgenomen handhavingsmogelijkheden holt namelijk de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 134, §1 Nieuwe Gemeentewet uit. […] […] Ondanks het bestaan van sectorspecifieke regelingen kon de burgemeester in de gegeven omstandigheden dus op wettige wijze gebruik maken van de mogelijkheid om op grond van artikel 134, §1 Nieuwe Gemeentewet een politieverordening aan te nemen”.
  34. In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekers onder meer het volgende toe: “[…] Volgens de verwerende partijen zouden verzoekers een voorwaarde aan artikel 134 van de Nieuwe Gemeentewet toevoegen door te vereisen dat een politieverordening gesteund op het motief van ‘oproer, kwaadwillige VII-41.288-15/20 samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen’, moet berusten op objectieve vaststellingen. Verzoekers stellen nochtans vast dat iedere bestuurlijke maatregel van politie noodzakelijk dient te steunen op genoegzaam vaststaande feiten. Bij de beoordeling van het gevaar dat wapendracht kan opleveren voor de openbare en veiligheid, moet de beslissing van de burgemeester (en die van de gemeenteraad) steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld, zo blijkt uit de vaste rechtspraak van de Raad van State (RvSt, nr. 240.895 van 6 maart 2018). […] Zelfs indien de subsidiaire toepassing van de artikelen 134 en 135 van de Nieuwe Gemeentewet mogelijk zou zijn, quod certe non, dient te worden vastgesteld dat er op 30 november 2021 geen sprake was van een imminent gevaar dat zelfs het geringste uitstel niet zou kunnen verdragen, te meer aangezien er al op 28 juli 2021 door de burgemeester een jachtverbod was beslist en terwijl de verwerende partijen de periode tussen 28 juli 2021 en 30 november 2021 niet hebben aangewend om maatregelen te benaarstigen zoals toezicht, het opleggen van bestuurlijke maatregelen, en het opleggen van veiligheidsmaatregelen volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”. Beoordeling
  35. Voor het nemen van de bestreden politieverordeningen wordt rechtsgrond gezocht in artikel 134 van de nieuwe gemeentewet. In beginsel komt het de gemeenteraad toe de politieverordeningen vast te stellen. Artikel 134 van de nieuwe gemeentewet voorziet in een uitzondering daarop en laat, uitzonderlijk en onder voorwaarden, de burgemeester toe zich in de plaats van de gemeenteraad te stellen en zelfstandig een politieverordening te maken. Artikel 134, § 1, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet luidt: “In geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, kan de burgemeester politieverordeningen maken, onder verplichting om daarvan VII-41.288-16/20 onverwijld aan de gemeenteraad kennis te geven, met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden”. Uit de aangehaalde bepaling volgt dat de gebeurtenis die de uitoefening van de bevoegdheid door de burgemeester verantwoordt onvoorzien moet zijn. Onder “onvoorzien” moet, overeenkomstig de spraakgebruikelijke betekenis ervan, te worden begrepen: onverwacht, plots opdoemend, of niet te voorspellen. Als er objectief geen sprake is van een onvoorziene gebeurtenis, kan geen beroep worden gedaan op artikel 134, § 1, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet. Het beroep op de betrokken bepaling van de nieuwe gemeentewet vereist dat de burgemeester zijn beslissing op bijzondere wijze motiveert door de precieze omstandigheden op te geven die verantwoorden waarom uitzonderlijk van die bevoegdheid gebruik moet worden gemaakt.
  36. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de burgemeester van de gemeente Boechout reeds op 17 juli 2017, met toepassing van artikel 134, § 1, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, de jacht op houtduiven op de percelen in kwestie heeft verboden. Daarbij werd verwezen naar de meldingen van geluidsoverlast die gedurende de zomers van 2016 en 2017 door omwonenden kenbaar werden gemaakt en de bezorgdheid over de veiligheid van de jacht. Er werd in dit verband ook uitdrukkelijk aangegeven dat de betrokken (jacht)gronden in de nabije omgeving gelegen zijn van een woonwijk met een speelpleintje en een veelgebruikte weg door wandelaars, fietsers en ruiters. Hoewel na overleg met de lokale politie een jachthut werd afgebroken, bleek dit overleg niet te hebben geleid tot een verbetering van de toestand, waardoor de burgemeester heeft gemeend reeds op dat ogenblik de bevoegdheid te moeten uitoefenen overeenkomstig artikel 134, § 1, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet. In de beslissing van de burgemeester van de gemeente Boechout van 30 november 2021 wordt gerefereerd aan de feiten vermeld in het vroegere VII-41.288-17/20 besluit van 17 juli
  37. Daar wordt aan toegevoegd dat er in 2021 opnieuw klachten door omwonenden werden ingediend. Met het besluit van 30 november 2021 vervangt de burgemeester zijn besluit van 17 juli 2017, waarbij bijkomend wordt aangegeven dat hij reeds enkele malen aan de politie de opdracht heeft gegeven om bemiddelend op te treden, maar dat de situatie niet is verbeterd.
  38. Het vaststaande feitenrelaas toont aan dat er geen sprake is van een onvoorziene gebeurtenis, omdat er al geruime tijd een tussenkomst is van de gemeentelijke overheid wegens de bejaging en/of bestrijding van houtduiven op de betrokken percelen. Artikel 134, § 1, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet kan nochtans enkel worden aangewend als er wegens het plots opdoemend gevaar zo snel moet worden opgetreden dat de zaak niet aan de gemeenteraad kan worden voorgelegd.
  39. Uit wat voorafgaat volgt dat de burgemeester van de gemeente Boechout artikel 134, § 1, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet niet kon inroepen om politieverordeningen uit te vaardigen, zoals vervat in de eerste en de derde bestreden beslissing. Daaruit volgt dat de tweede en de vierde bestreden beslissing van de gemeenteraad van Boechout tot bekrachtiging van die onwettige beslissingen zijn gevitieerd.
  40. De omstandigheid dat de beslissingen van de burgemeester eveneens als rechtsgrond artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet inroepen, doet aan de voormelde vaststelling geen afbreuk. Deze bepaling maakt deel uit van het hoofdstuk ‘Bevoegdheden van de gemeente in het algemeen’ en strekt er niet toe om de bevoegdheden tussen de gemeentelijke organen af te bakenen.
  41. Het middel is gegrond. VII-41.288-18/20 BESLISSING
  42. De Raad van State vernietigt: a. het besluit van de burgemeester van de gemeente Boechout van 28 juli 2021 tot “[s]topzetting jacht en bestrijding op houtduiven op percelen omwille van veiligheid en overlast”, b. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Boechout van 27 september 2021 waarbij de voormelde beslissing van de burgemeester van 28 juli 2021 wordt bekrachtigd, c. het besluit van de burgemeester van de gemeente Boechout van 30 november 2021 tot “[s]topzetting jacht op houtduiven en de bestrijding ervan met vuurwapens op de percelen A 239 w en y, A 241 a, A 247 b, A 248 en A 249 te Vremde omwille van openbare veiligheid en overlast” en d. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Boechout van 20 december 2021 waarbij de voormelde beslissing van de burgemeester van 30 november 2021 wordt bekrachtigd.
  43. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissingen.
  44. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. VII-41.288-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.288-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.