← België

Arrest 255932 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 02/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.932 Rolnummer: A. 230298/V-2003 Zaak: Arrest 255932 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 02/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-07 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-19 11:36 Fiche Arrest nr 255.932 van 2 maart 2023 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Afstand Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Ve KAMER nr. 255.932 van 2 maart 2023 in de zaak A. 230.298/V-2003 In zake:

  1. Cedric DE VALCK
  2. Eddy VANDERVORST
  3. Pieter DE WILDE
  4. Pascal VAN DEN DRIES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  5. Eric LABOURDETTE
  6. Alain BEELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Laurent kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 250 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  7. Het beroep, ingesteld op 20 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 12 december 2019 ‘tot vaststelling van de taalkaders van het personeel van de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp’. V-2003-1/19 II. Verloop van de rechtspleging
  8. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eric Labourdette en Alain Beels hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 23 oktober
  9. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen, de verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. Met toepassing van artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de Ve kamer bij beschikking van 13 december 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 24 januari
  10. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  11. V-2003-2/19 III. Relevante gegevens 3.
  12. Overeenkomstig het hierna sub 8 aangehaalde artikel 43, § 3, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (“bestuurstaalwet”) moeten voor de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor de Brandweer en Dringende Medische Hulp (DBDMH) taalkaders worden vastgelegd. Deze bepaling is krachtens artikel 32, § 1, van de wet van 16 juni 1989 ‘houdende diverse institutionele hervormingen’ van toepassing op de gedecentraliseerde diensten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, zoals de DBDMH, met dien verstande dat ‘de Koning’ gelezen moet worden als ‘de Brusselse Hoofdstedelijke regering’. 3.
  13. Hiertoe is op basis van het personeelsplan 2019 een methodologische nota opgesteld. 3.
  14. Op 3 oktober 2019 verleent de Vaste Commissie voor Taaltoezicht een gunstig advies over de in het vooruitzicht gestelde verdeling van de betrekkingen over de verschillende taalkaders. 3.
  15. Op 12 december 2019 heeft de Brusselse Hoofdstedelijke regering de taalkaders van het personeel van de DBDMH vastgesteld. Dat is het bestreden besluit. Het is op 23 december 2019 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Artikel 2 van dat besluit verdeelt de betrekkingen van de DBDMH vanaf de derde trap van de hiërarchie volgens de taalkaders als volgt: Trap Nederlands Frans 3de trap 29,34% 70,66% 4de trap 29,34% 70,66% V-2003-3/19 5de trap 29,34% 70,66% 6de trap 29,34% 70,66% IV. Afstand
  16. Met een brief van 25 augustus 2020 deelt Eddy Vandervorst mee, afstand van het geding te doen. Hiervan kan akte worden verleend, zodat hierna met “verzoekers” enkel de eerste, derde en vierde verzoeker zijn bedoeld. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  17. Het enige middel is genomen uit de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zoals bepaald in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 39 tot 43 van de bestuurstaalwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De verzoekers merken op dat de verwerende partij voor de vaststelling van de percentages van 29,34 % van het Nederlandstalige kader voor de DBDMH steunt op het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (VCT) maar dit advies gaat volgens hen uit van een verkeerde berekening. Zij zetten hun zienswijze uiteen als volgt: “De VCT ontving de voorbije jaren echter klachten van particulieren die aanvoerden dat zij niet in hun taal konden worden geholpen wegens de ontoereikende tweetaligheid van de interventie-eenheden van de DBDMH die daartoe werden ingezet. De DBDMH is zich bewust van het probleem en wil dit oplossen [door] taalkaders op te stellen die een ‘tweetalig vertrek’ van de interventievoertuigen mogelijk maken. […] Om dit te realiseren gaat de VCT er vanuit dat er hiervoor 58 x 6,4 = 372 Nederlandstalige operationelen (lees: ambulanciers-brandweerlieden) moeten zijn op de werkvloer en 46,44 Nederlandstalige administratieve personeelsleden. V-2003-4/19 VCT adviseert dat er 372 Nederlandstalige hulpverleners nodig zijn om een tweetalige vertrek en hulpverlening te garanderen. Dit is manifest onjuist. In het personeelsplan voor het jaar 2019, zoals gepubliceerd bij Besluit van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dd. 21.03.2019 zijn er 1411 personeelsleden in totaal aanwezig. (B.S., 26.04.2019) Hoeveel operationelen zijn er? 1411-244 (administratieve krachten) = 1167 operationele krachten. In het operationele korps van 1167 zijn onder meer inbegrepen: 20 kapiteins (A1), 18 majoors (A2), 10 kolonels (A3), 5 operationele mandaten (A4 tot A5+) of 53 die niet behoren tot de operationelen van niveau C&D. 1.167-53 = 1.114 operationele die behoren tot C & D die het tweetalig vertrek moeten garanderen. Wanneer de bestreden beslissing hierop wordt toegepast, weten we hoeveel Nederlandstaligen van de C&D er effectief kunnen weerhouden worden: 1.114 x 29,34% = 326,84 Nederlandstalige hulpverleners (niveau C& D), afgerond
  18. Met andere woorden volgens het personeelsplan, kunnen er slechts 327 Nederlandstalige hulpverleners (niveau C&D) ingezet worden, terwijl er in het advies van VCT dd. 03.10.2019 er 372 worden vermeld. Deze 372 zijn dus duidelijk niet beschikbaar! Dit betreft een gigantisch verschil van 372 - 327 = 45 operationele personeelsleden van C& D in het Nederlandstalig kader tekort!! Men dient per wacht (van 24u.) te beschikken over 175 personeelsleden die de operationele functies invullen. […] Dat wil zeggen dat alsdan de Nederlandstalige operationele personeelsleden (niveau C & D) veel meer wachten zullen moeten presteren ten opzichte van hun Franstalige collega’s, zodat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel flagrant geschonden is. De VCT beseft dat haar advies ontoereikend zal zijn voor op het terrein de tweetaligheid van de dienstverlening bij vertrek te garanderen en kan leiden tot een risico van onveiligheid. Om deze lacune op te vangen suggereert de VCT om taalcursussen te geven bij de aanwerving, de bevordering dan wel bij de bijscholing. Het advies van het verlenen van taalcursussen is uiteraard een doekje voor het bloeden en is onwettig, vermits men de Nederlandstalige operationelen (C&D) niet kan verplichten om de Franse taal te spreken. Zij behoren nu eenmaal tot de Nederlandse taalrol. Hoeveel operationelen C & D zijn er dan wel nodig? Er wordt besloten in de methodologische nota […] dat 372 NL opererationelen + 46,44 NL administratie krachten = 419 NL in totaal deel moeten uitmaken van het totale personeelsbestand van
  19. Vraag: als men 58 x 6,4 bekomt men 372 manschappen op terrein van niveau D en C dit is (uiteraard) zonder de A1 en A2 die deel uitmaken van trap 3 en dus ook onder de 30/70 verhouding afgerond vallen. Die A1 en A2 zijn samen met 38 (38 x 29,34 %) = 11,14 afgerond 11 NL waarom worden die niet bij die 372 NL operationele geteld? V-2003-5/19 Dus 11 NL operationele niveau A1 kapiteins en A2 majoors die bij de 372 NL niveau D en C moeten worden bijgeteld. Dan de 50/50 verhouding, trap 1 en trap 2! Wat met de NL in trap 1 en 2, de niveaus A5+ tot A3 waarvan er in totaal F + N 15 A3 zijn (10 kolonels operationeel - 5 directeurs administratieve) van die 10 operationele kolonels zijn er 5 NL. 8 mandaten van A5+ tot A4 (5 operationeel en 3 administratieve) van die 5 operationeel zijn er 2 of 3 NL. (al naargelang de korpschef F of NL is) Dus moeten er minimum 5 NL operationeel A3 + 2 NL operationeel A5+ en A4, totaal 7 NL operationele die moeten worden bijgeteld bij die 372 niveaus D en C. Besluit: 372 NL operationeel (58 x 6,4) + 11 NL operationeel Al en A2 + 5 NL operationeel A3 + 2 NL operationeel A4 en A5 = 372 + 18 = 390 in totaal te voorzien aan NL operationele en geen 372 enkel in niveau D en C. 372 operationeel + 46,44 administratieve volgens de telling = 419 NL in totaal afgerond is derhalve foutief. Moet zijn 390 NL operationeel + 46,66 NL administratieve = 436,44 NL afgerond 437 operationele en administratieve in totaal te voorzien en geen 419 zoals verkeerdelijk wordt geadviseerd! De enige rechtmatige conclusie die hieruit kan getroffen worden, is dat de 29,34% Nederlandstaligen en 70,66% Franstaligen geen juiste verhouding is om de legitieme doelstellingen te realiseren en impliceert een manifeste ongelijkheid van behandeling tussen de beide taalkaders. Het is duidelijk dat verweerster zich niet heeft gebaseerd op de realiteit, maar op een irrealistisch advies van VCT, waardoor zij niet gehandeld heeft zoals mag verwacht worden van een normaal voorzichtig bestuur.”
  20. In de memorie van wederantwoord herhalen de verzoekers ongeveer woordelijk hun inleidend verzoekschrift, waaraan zij nog het volgende toevoegen: “Er zijn jaarlijks +/- 90.000 ziekenwageninterventies en een +/- 15.000 brand- of andere interventies. Dit impliceert dat de werklast van de Nederlandstaligen veel zwaarder is doordat de ziekenwagen (bij elke interventie) telkens moet bemand worden door een Nederlandstalige en een Franstalige om de tweetalige dienstverlening te kunnen garanderen, die wettelijk is voorzien in de taalwetging. Hierdoor dienen de Nederlandstaligen met hun 29,34% tweemaal zo veel de ziekenwagen te bemannen en hierdoor geen recuperatie en/of verlof kunnen nemen zoals hun Franstalige collega’s. De Nederlandstaligen zitten dan ook, als gevolg van de opgelegde taalkader[s] op hun tandvlees. […] De trappen 5 & 6 garanderen de operationele hulpverlening. Dit zijn de rangen C2, C1 en D2 en D
  21. Wanneer de taalkaders van de operationele hulpverlening moet[en] bepaald worden, is het uiteraard niet toegelaten om de andere trappen, die V-2003-6/19 niets te maken hebben met de operationele hulpverlening, hierbij te betrekken. […] Om het taalkader van de rangen C & D vast te stellen, kunnen er uiteraard geen andere parameters hiervoor in aanmerking komen. De personeelsleden die instaan voor de operationele hulpverlening (tweetalig vertrek), moet derhalve afzonderlijk beoordeeld worden, zo niet wordt het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel geschonden. […] Verweerster geeft geen enkele redelijke verantwoording om het taalkader te bepalen voor de 3de, 4de, 5de en 6de trappen samen. Verzoekers zijn ervan overtuigd dat het taalkader voor de 5de en 6de trap, die duidelijk een afzonderlijke groep is die uitsluitend instaat voor de operationele hulpverlening, afzonderlijk dient te worden bepaald.”
  22. In hun laatste memorie verklaren de verzoekers dat zij zich “niet kunnen aansluiten bij het verslag” van de auditeur, maar zij laten voor het overige dat voor hen ongunstige verslag geheel onbesproken en beperken zich ertoe “te volharden in hun middelen”. Beoordeling
  23. Artikel 43, § 3, van de bestuurstaalwet bepaalt: “De Koning bepaalt, voor een duur van ten hoogste zes jaar, die kan worden verlengd zo geen wijziging optreedt, voor iedere centrale dienst, het percentage betrekkingen dat aan het Nederlands en aan het Frans kader dient toegewezen met inachtneming, op alle trappen van de hiërarchie, van het wezenlijk belang dat de Nederlandse en Franse taalgebieden respectievelijk voor iedere dienst vertegenwoordigen. Nochtans, voor de managementfuncties en voor de staffuncties alsook voor de graden van rang 13 en hoger en de graden die gelijkwaardig zijn en de klassen A3, A4 en A5, onder voorbehoud van de toepassing van § 2, eerste lid, worden de betrekkingen, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke percentages verdeeld tussen de twee kaders. Het tweetalig kader omvat 20 % van de betrekkingen van de graden van rang 13 en hoger en van de graden die gelijkwaardig zijn en van de klassen A3, A4 en A5, onder voorbehoud van de toepassing van § 2, eerste lid. Die betrekkingen worden, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke mate verdeeld tussen de twee taalrollen. Om tot het tweetalig kader toegelaten te worden, moeten de ambtenaren voor een examencommissie, samengesteld door de Vaste Wervingssecretaris, het bewijs leveren dat zij de tweede taal voldoende kennen. Worden van dit examen vrijgesteld de ambtenaren wier diploma bewijst dat hun tweede taal de voertaal was van het onderwijs dat zij genoten hebben. V-2003-7/19 Voor de toepassing van voorgaande regelen, bepaalt de Koning welke graden of klassen of managementfuncties of staffuncties tot een zelfde trap van de hiërarchie behoren. De in het vooruitzicht gestelde verdeling van de betrekkingen over de verschillende taalkaders wordt vooraf aan het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht onderworpen. Na raadpleging van dezelfde Commissie, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd en met redenen omkleed besluit, van de regel van verdeling bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, afwijken ten behoeve van de centrale diensten waarvan de bevoegdheden of de werkzaamheden de Nederlandse en de Franse taalgebieden in ongelijke mate betreffen. In afwijking op de vorige leden, zal de vervanging bepaald in artikel 5 van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector, gebeuren in een zelfde taalverhouding als deze die van toepassing is op de personeelsleden van de centrale dienst bekleed met eenzelfde graad of met dezelfde klasse.”
  24. Zoals de Raad van State al meermaals heeft overwogen met betrekking tot de aangehaalde bepaling – bijvoorbeeld in zijn arresten nr. 16.342 van 2 april 1974 en nr. 81.579 van 1 juli 1999 – herhaalt hij ook voor deze zaak dat uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt dat de wetgever, toen hij dat voorschrift oplegde, drie zaken voor ogen had: eerst en vooral dat een objectieve maatstaf voorhanden is om een redelijke raming te kunnen maken van de belangrijkheid van de te behandelen zaken, dat wil zeggen van het volume van de door de betrokken dienst behandelde zaken, en in de tweede en de derde plaats, waarbij die maatstaf enigszins minder streng gebruikt wordt, dat enerzijds rekening zou worden gehouden met de morele en materiële belangen van de taalgemeenschappen en anderzijds met het feit dat de twee belangrijkste landstalen gelijkelijk geëerbiedigd moeten worden; dat de laatstgenoemde twee vereisten, die zijn vastgelegd in een aanvullend voorschrift, de regering voorschrijven ervoor te zorgen dat, door het vaststellen van taalkaders die strikt in verhouding staan tot het volume van de behandelde zaken, ten aanzien van die zaken geen onregelmatige toepassing wordt bekrachtigd van de gezamenlijke bepalingen die het gebruik van de talen in bestuurszaken regelen, en inzonderheid van de artikelen 39 tot 42 van de bestuurstaalwet, de belangen van de twee taalgemeenschappen niet in het gedrang komen en geen afbreuk wordt gedaan aan de eerbied voor één van de beide landstalen; dat bij het bepalen van het volume van de zaken afkomstig van ieder eentalig gebied, zowel acht moet V-2003-8/19 worden geslagen op het aantal behandelde zaken als op de tijd die nodig is om die zaken af te handelen; dat volgens die beginselen, de overheid voor zaken die door de diensten niet verplicht in het Nederlands of het Frans moeten worden behandeld, ofwel bij analogie dezelfde verhouding moet hanteren als die van het arbeidsvolume dat de zaken met zich meebrengen waarvoor het gebruik van één bepaalde taal is opgelegd, ofwel moet voorzien in een paritaire verdeling.
  25. Om aan de doelstelling van de bestuurstaalwet te voldoen moet voor de rangen en niveaus lager dan A3 daarom eerst een objectieve maatstaf worden bepaald die het reële werkvolume meet in elk van de twee talen op elke trap van de hiërarchie. Hiertoe heeft de verwerende partij een methodologie uitgewerkt en heeft zij vervolgens het werkvolume voor elkeen van de trappen in elke taal gemeten. Op te merken valt dat deze methodologie de interventies (brandbestrijding en dringende medische hulpverlening) afzonderlijk heeft behandeld, zodat hun telling niet is “bezoedeld” door de andere dossiers. Voorts zijn de tellingen per categorie samengevat op het niveau van elke afdeling en elke trap van de hiërarchie.
  26. Op basis van de tellingen, aldus verricht overeenkomstig de vastgestelde methodologie, heeft de verwerende partij de taalverdeling berekend die het reële volume weergeeft van de behandelde zaken voor elk niveau van de hiërarchie. Die verhouding is als volgt: Trap Nederlands Frans 3de trap -rangen A1 en A2 27,28% 72,72% 4de trap- rangen B1 en B2 24,73% 75,27% 5de trap- rangen C1 en C2 20,77% 79,23% 6de trap- rangen D1 en D2 23,00% 77,00%
  27. De gehanteerde methodologie, de tellingen en de vastgestelde verhoudingen in functie van de raming van het werkvolume worden door de verzoekers in het geheel niet betwist. V-2003-9/19
  28. Alvorens de taalkaders van de DBDMH te bepalen op basis van deze resultaten, moest echter nog worden nagegaan of de vaststelling van taalkaders strikt in verhouding tot het volume van de behandelde zaken verenigbaar is met de noodzaak om een correcte toepassing van de wetten op het gebruik van de talen binnen de DBDMH te garanderen. Naast de bepaling van het relatieve belang van het Nederlandse en Franse taalgebied voor elke trap van de hiërarchie binnen elke afdeling van de DBDMH, moet immers – als gezien sub 9 – ook rekening worden gehouden met de belangen van de taalgemeenschappen en het respect dat aan het Nederlands en het Frans als landtalen is verschuldigd.
  29. De verwerende partij heeft vastgesteld dat het totaal aantal personeelsleden van de Nederlandse taalrol en van Franstaligen in het tweetalig kader op basis van de vastgestelde verhoudingen in functie van de raming van het werkvolume geen garantie biedt op de regelmatige toepassing van de bestuurstaalwet. Inzonderheid is vastgesteld dat indien de taalkaders worden vastgesteld op grond van de werkvolumes, niet gegarandeerd kan worden dat bij een interventie steeds kan worden geantwoord in de taal van de particulier. De regering schrijft hierover in haar nota aan de VCT onder meer het volgende: “In casu, indien de taalkaders van de DBDMH strikt evenredig zouden worden bepaald volgens het volume van de zaken die door de DBDMH in het Nederlands en het Frans worden behandeld, zou de DBDMH op basis van de 1.411 beschikbare betrekkingen kunnen beschikken over een totaal aantal van 317 ambtenaren van de Nederlandse taalrol en over een totaal aantal van 4 Franstalige ambtenaren in een tweetalig kader (die ook in staat zijn om zaken in het Nederlands te behandelen). Het aantal van 317 wordt verkregen door 1.411 (aantal betrekkingen bij de DBDMH) te vermenigvuldigen met 22,60%, en af te ronden naar de hogere eenheid en na aftrek van de tweetalige betrekkingen. Dit totale aantal personeelsleden van de Nederlandse taalrol en van de Franstaligen in het tweetalige kader biedt echter geen garantie op de regelmatige toepassing van de wetten op het gebruik van de talen voor de zaken die behandeld worden door de DBDMH, wat nochtans een V-2003-10/19 dwingende vereiste is, niet alleen ten aanzien van de wet, maar ook gelet op de aard van de opdrachten die de DBDMH uitvoert, namelijk in het kader van dringende medische hulp en brand. Het zou immers onaanvaardbaar zijn dat de DBDMH een slachtoffer dat zich in het Nederlands uitdrukt, niet zou kunnen helpen in zijn taal omdat taalkaders die strikt evenredig zijn met het werkvolume hem niet zouden toelaten om voldoende personeelsleden aan te werven die zich daarvoor in het Nederlands uitdrukken.” Becijferd wordt dat hiervoor 372 Nederlandstaligen vereist zijn. Naast de interventies en de wachtdienst die moet worden verzekerd, wordt tevens berekend dat er 46,44 voltijdsequivalenten nodig zijn voor de dossiers die wettelijk in het Nederlands moeten worden behandeld: “Het feit dat het totale aantal personeelsleden van de Nederlandse taalrol en de Franstaligen in het tweetalige kader, krachtens een loutere toepassing van het criterium van het volume van de behandelde zaken, geen garantie biedt op de regelmatige toepassing van de wetten op het gebruik van de talen voor de zaken die behandeld worden door de DBDMH, kan op de volgende manier worden vastgesteld. Naast de interventies en de wachtdienst die de DBDMH moet verzekeren, is het aantal voltijdsequivalenten dat nodig is om de dossiers te behandelen die wettelijk noodzakelijk in het Nederlands moeten worden behandeld door de DBDMH […] als volgt: 46,44[…]. Overwegende dat elke interventie enerzijds moet kunnen plaatsvinden in de ene en/of de andere van de twee talen, en anderzijds door het optellen van het aantal interventievoertuigen of -konvooien (alle voertuigen samen) die afzonderlijk kunnen worden opgeëist, moeten er minimaal 58 personeelsleden van elke taalrol tegelijkertijd van wacht zijn (overeenkomstig de lijst van de operationele functies vermeld in het organisatieschema van de wachtdiensten). Het is dus noodzakelijk om te beschikken over 372 (58 X 6,4) ambtenaren van de Nederlandse taalrol (of ‘wettelijk’ tweetalige Franstaligen) om een samenstelling van de teams van wacht te kunnen garanderen, 24/24 uur, 7/7 dagen, 365 dagen/jaar, die een ‘tweetalig vertrek’ mogelijk maken in interventie, dit wil zeggen om het mogelijk te maken dat de interventieteams van wacht op elk ogenblik, in hun taal, alle slachtoffers kunnen helpen, ongeacht of deze zich in het Nederlands of in het Frans uitdrukken[…]. Op het niveau van de DBDMH zou het op basis van het voorgaande dus noodzakelijk zijn dat de DBDMH over ten minste 419 (afronding van het totaal van 372 + 46,44) ambtenaren van de Nederlandse taalrol of Franstaligen van het tweetalige kader kan beschikken om zijn opdrachten te kunnen vervullen en de activiteiten waarmee hij belast is te kunnen behandelen met inachtneming van de wetten op het gebruik van de talen.” V-2003-11/19 De verwerende partij besluit dat “de verdeling van de betrekkingen die de DBDMH in staat stelt te beschikken over het aantal personeelsleden dat strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn opdrachten met inachtneming van de wetten op het gebruik van de talen [kan] worden bepaald door het totale aantal personeelsleden van de Nederlandse taalrol die nodig zijn voor de tweetalige werking van de DBDMH (419 - 4 = 415) over te brengen op het totale aantal betrekkingen van de DBDMH die kunnen worden ingevuld (1.411)”. Rekening houdend met het feit dat de betrekkingen van trap 1 en 2 paritair moeten worden verdeeld, resulteert dit op de lagere trappen van de hiërarchie tot de verhouding die in artikel 2 van het bestreden besluit is vastgesteld voor elk van die trappen: 70,66%F / 29,34% NL.
  30. De VCT verleent het volgende gunstig advies: “In het voorstel worden de verschillende taken van de afdelingen duidelijk omschreven. Er werd een raming gemaakt van het volume te behandelen zaken in iedere afdeling. De voorgestelde significante referentieperiode bedraagt zes maanden: van 8 oktober 2018 tot 12 april
  31. De vermelde criteria voor de raming zijn conform de rechtspraak van de VCT. Er werd een onderscheid gemaakt tussen dossiers type I, dossiers en activiteiten die volgens de wet hetzij in het Nederlands hetzij in het Frans moeten worden behandeld, en dossiers type II, dossiers waarvan de behandeltaal onbepaald of niet bepaalbaar is. De telverrichtingen werden per afdeling van de DBDMH uitgevoerd rekening houdend met het aantal behandelde zaken en de tijd die aan elk van deze dossiers werd besteed. Omwille van praktische redenen werd bij de tellingen van de interventies evenwel rekening gehouden met de gemiddelde tijd van elk type interventie en niet met de tijd van elke concrete interventie. Het eindresultaat van de raming bedraagt 22,60 %N en 77,40%F. Dit eindresultaat garandeert echter niet dat de interventieteams van wacht op elk ogenblik alle slachtoffers in hun taal kunnen helpen ongeacht of deze zich in het Nederlands of het Frans uitdrukken. Om deze reden wordt er voorgesteld om het eindresultaat aan te passen aan hand van een analyse op basis waarvan de tweetalige dienstverlening wel gegarandeerd zou worden. De aanpassing van het eindresultaat werd op de volgende wijze berekend: - aantal VTE’s die nodig zijn om de dossiers te behandelen die wettelijk noodzakelijk in het Nederlands moeten worden behandeld door de DBDMH is 46,44; - er moeten minimaal 58 personeelsleden van elke taalrol tegelijkertijd van wacht zijn aangezien elke interventie enerzijds V-2003-12/19 moet kunnen plaatsvinden in de ene en/of de andere van de twee talen, en anderzijds door het optellen van het aantal interventievoertuigen of -konvooien; - het is noodzakelijk om te beschikken over 372 (58 x 6,4) ambtenaren van de Nederlandse taalrol om het mogelijk te maken dat de interventieteams van wacht op elk ogenblik, in hun taal, alle slachtoffers kunnen helpen, ongeacht of deze zich in het Nederlands of in het Frans uitdrukken; - op het niveau van de DBDMH zou de DBDMH over ten minste 419 (afronding van het totaal van 372 + 46,44) ambtenaren van de Nederlandse taalrol of Franstaligen van het tweetalig kader [moeten] beschikken om zijn opdrachten te kunnen vervullen en de activiteiten waarmee hij belast is te kunnen behandelen met inachtneming van de [bestuurstaalwet]; - de verdeling van de betrekkingen die de DBDMH in staat stelt te beschikken over het aantal personeelsleden dat strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn opdrachten met inachtneming van de [bestuurstaalwet] kan worden bepaald door het totale aantal personeelsleden van de Nederlandse taalrol die nodig zijn voor de tweetalige werking van de DBDMH (419 - 4 = 415) over te brengen op het totale aantal betrekkingen van de DBDMH die kunnen worden ingevuld (1.411); - rekening houdend met het feit dat de betrekkingen van trap 1 en 2 paritair moeten worden verdeeld, is op de lagere trappen van de hiërarchie bijgevolg de volgende verhouding van toepassing: 29,34%N en 70,66 FR. Aangezien de verdeling 29,34 %N en 70,66%FR overeenkomstig de adviespraktijk van de VCT en de beginselen vastgelegd in de jurisprudentie van de Raad van State werd bepaald, geeft de VCT een gunstig advies over het ontwerp van besluit. De VCT wenst echter erop te wijzen dat bij het aantal VTE’s administratieve ambtenaren er enkel rekening wordt gehouden met ambtenaren die dossiers type I behandelen.”
  32. De beoordeling of de belangen van de twee taalgemeenschappen niet in het gedrang komen en of geen afbreuk wordt gedaan aan de eerbied voor één van de beide landstalen houdt een feitelijke appreciatie in, waarvoor de Raad van State zich niet in de plaats mag stellen van de bevoegde overheid. Om wettig te zijn, moet die appreciatie ervan wel steunen op objectieve en aanneembare criteria. De Raad van State vermag na te gaan of de verwerende partij zodanige criteria hanteert en of ze op een redelijke wijze zijn toegepast.
  33. De verwerende partij stelt vast dat een regelmatige toepassing van de bestuurstaalwet, gelet op de aard van de opdrachten van de dienst, vereist V-2003-13/19 om af te wijken van de loutere toepassing van het reële werkvolume. De verzoekers betwisten vanzelfsprekend niet dat uitgangspunt.
  34. De verzoekers weerleggen evenmin de berekeningswijze die de verwerende partij ertoe brengt om, aldus de nota aan de VCT, “de vaststelling van taalkaders in strikte verhouding tot het volume van zaken die behandeld worden in de 5e en de 6e trap van de hiërarchie [te verenigen] met de noodzaak om een correcte toepassing van de wetten op het gebruik van de talen binnen de DBDMH te garanderen” – namelijk dat het noodzakelijk is te beschikken over 372 operationele ambtenaren van de Nederlandse taalrol of wettelijk tweetalige Franstaligen om een “tweetalig vertrek” te garanderen.
  35. Tot zover weerleggen de verzoekers bijgevolg niet dat de verwerende partij steunt op objectieve en aanneembare criteria en deze op een redelijke wijze toepast. De gehanteerde criteria die een correctie van de taalkaders op basis van het werkvolume vereisen worden door de verzoekers niet in vraag gesteld, doch enkel de toepassing ervan wordt gehekeld en enkel wat betreft de interventies en wachtdiensten. De verzoekers nemen met name wel aanstoot eraan, dat het aldus becijferde totale aantal personeelsleden van de Nederlandse taalrol dat nodig is voor de tweetalige werking van de DBDMH wordt “overgebracht” op het totale aantal betrekkingen dat ingevuld kan worden, dus ook op betrekkingen die geen operationele functie hebben.
  36. De Raad van State kan begrijpen dat het voor de verzoekers, die behoren tot de vijfde en de zesde trap van de hiërarchie, zuur smaakt dat de operationele noodzaak om “tweetalig vertrek” te waarborgen ten goede komt aan alle trappen van de hiërarchie en dus ook aan betrekkingen die met dat “tweetalig vertrek” geen uitstaans hebben. V-2003-14/19 Wat de verzoekers wensen, is evenwel wettelijk onmogelijk. Zo verliezen zij uit het oog dat de bestuurstaalwet ertoe verplicht de taalkaders vast te stellen voor elke trap van de hiërarchie. De verzoekers rekenen voor dat er in de vijfde en de zesde trap, die samen in totaal 1267 personeelsleden omvatten, 1114 operationele personeelsleden zijn. Zij claimen 372 Nederlandstalige personeelsleden op dat totaal van
  37. Dat is 33,39%. De taalkaders gelden evenwel voor de trap in haar geheel, er is met andere woorden uit oogpunt van de taalkaders geen onderscheid tussen de zogenaamde operationele personeelsleden en de zogenaamde administratieve personeelsleden. Het percentage dat wordt vastgesteld voor een trap van de hiërarchie moet dus noodzakelijk worden toegepast op het totaal aantal personeelsleden van die trap – niet dus op 1114, maar op
  38. Op het totaal van 1267 personeelsleden voor de vijfde en de zesde trap, zou dat betekenen dat er (1267*33,39%=) 423 Nederlandstaligen zijn op de genoemde trappen. Er zou dan geen ruimte meer zijn om nog Nederlandstaligen te benoemen in de derde en de vierde trap, want het totale quotum van 419 zou reeds zijn overschreden. In nog een ander onderdeel van hun toelichting stellen de verzoekers dat er volgens hen in totaal 437 Nederlandstalige personeelsleden moeten zijn. Op het totale personeelsplan van 1411 personeelsleden betekent dat een verhouding 30,97% NL / 69,03% F. Op geen enkele wijze komen de verzoekers ertoe een dergelijke afwijking van de reële taakbelasting van de Nederlandstaligen te verantwoorden. Allicht verliezen verzoekers uit het oog dat de criteria gehanteerd door de verwerende partij om de belangen van de beide landstalen te waarborgen slechts temperingen zijn op de voornaamste parameter bij de vaststelling van de taalkaders, namelijk het werkvolume dat voor de personeelsleden van de vijfde en zesde trap respectievelijk is vastgesteld op 20,77% en 23%.
  39. De verwerende partij heeft in haar nota aan de VCT ten slotte opgemerkt dat de voorgestelde gelijke verdeling overheen alle lagere trappen toelaat dat: V-2003-15/19 “[…] de ambtenaren die voor [de zesde] trap van de hiërarchie worden aangeworven geen onterechte beperkingen op het vlak van promotie zullen ondervinden. Belemmeringen voor de loopbaan van ambtenaren die zouden kunnen ontstaan door het beperkte aantal beschikbare betrekkingen in de hogere hiërarchische trappen van het taalkader waartoe zij behoren, moeten immers zoveel mogelijk worden vermeden.” De verzoekers laten deze overweging geheel onbesproken.
  40. Samengevat moet de Raad van State vaststellen dat de verwerende partij terecht rekening heeft gehouden met de drie aandachtspunten die de bestuurstaalwet aan haar opdringt; dat zij inzonderheid oog heeft gehad voor de nood om de inwoners van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest middels een “tweetalig vertrek” een passende dienstverlening in hun taal te waarborgen; dat zij middels niet bekritiseerde tellingen heeft uitgewerkt op welke wijze daartoe afgeweken moet worden van het enkele criterium van werkvolume en dat zij het vastgestelde minimum aan Nederlandstalige personeelsleden heeft omgeslagen overheen alle lagere trappen, onder meer om rekening te houden met de promotiemogelijkheden van het personeel. De verzoekers stellen wel dat zij méér wachten moeten lopen dan hun Franstalige collega’s, maar zij beweren niet dat de aldus aangenomen taalkaders het uitgangspunt van een “tweetalig vertrek” niet kunnen realiseren. In die omstandigheden kan niet worden volgehouden dat de verwerende partij de verdeling van de bedoelde betrekkingen onder de Nederlandse taalgroep en de Franse taalgroep en onder de lagere trappen onderling, op een onredelijke appreciatie heeft gegrond. Aangezien de bevoegdheid van de Raad van State tot een toetsing van de redelijkheid is beperkt, kan een schending van de bestuurstaalwet niet worden aanvaard.
  41. Op basis van de in het verzoekschrift ontwikkelde argumenten tonen verzoekers aldus niet aan dat de verwerende partij met het bestreden besluit buiten de grenzen van de redelijkheid is getreden door naar een evenwicht te V-2003-16/19 streven tussen het vastgestelde werkvolume en de wachtdiensten, interventies en dossiers te behandelen in het Nederlands. Ten overvloede bedenkt de Raad van State dat hetgeen de verzoekers wezenlijk nastreven slechts te realiseren valt mits voor de operationele diensten inzake brandbestrijding en dringende medische hulp afzonderlijke taalkaders worden opgesteld. De verzoekers voeren evenwel niet aan, noch tonen zij aan, dat de beleidskeuze om de taalkaders vast te stellen voor alle afdelingen van de DBDMH samen, zodat ze alle betrekkingen omvatten inclusief die van de operationele diensten, wettig niet te verantwoorden is.
  42. Wat de verzoekers blijkens de uiteenzetting van hun verzoekschrift voornamelijk dwars zit, is de scheeftrekking in het aantal wachten. Hiervóór is reeds tot het besluit gekomen dat zij niet duidelijk maken hoe de verdeling van het aantal wachten de bestuurstaalwet kan schenden, nu eenmaal is vastgesteld dat de taalkaders zijn vastgesteld in functie van de reële interventies volgens een niet aan kritiek onderworpen methodologie en niet aan kritiek onderworpen tellingen en vervolgens aangepast ten gunste van de Nederlandstaligen wegens de erkende noodzaak om een tweetalige interventie te garanderen. De verzoekers betrekken hierbij ook een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het gaat dan inderdaad niet meer om een bestuurstaalkwestie, maar om een verschil in behandeling van de personeelsleden bij de regeling van de wachtdienst. De bestuurstaalwet buiten beschouwing gelaten, slagen verzoekers echter evenmin erin een schending van het gelijkheidsbeginsel aan te tonen, nu zij in hun betoog nalaten rekening te houden met het feit dat de verwerende partij de carrièremogelijkheden voor de vijfde en vooral de zesde trap niet wou hypothekeren, met het feit dat tegenover het gegeven dat de Nederlandstalige operationele personeelsleden meer wachtdiensten dienen te presteren staat dat hun Franstalige collega’s meer dossiers moeten behandelen aangezien het percentage Franstaligen lager is bepaald dan het werkvolume en V-2003-17/19 ten slotte met het feit dat de wachtdienst ook aanleiding geeft tot compensaties in de vorm van overuren en wachtpremies, thans de premie voor operationaliteit. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet- discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling wordt ingesteld voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld ten aanzien van het doel en de gevolgen van de overwogen maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel. In het licht van wat hiervóór is vastgesteld, acht de Raad van State het evenwicht dat door het bestreden besluit is nagestreefd tussen alle in het geding zijnde belangen in redelijkheid verantwoord – minstens tonen de verzoekers niet het tegendeel aan – en is een schending van het gelijkheidsbeginsel evenmin gestaafd.
  43. De schending van de andere in het middel aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur is niet afzonderlijk door de verzoekers toegelicht. Wat hiervóór is overwogen, volstaat bijgevolg om het middel ook in die mate te verwerpen.
  44. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
  45. De Raad van State verleent akte van de afstand van Eddy Vandervorst.
  46. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  47. De verzoekende partijen worden, elk voor een vierde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 V-2003-18/19 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Frédéric Gosselin, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren V-2003-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.932 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.