id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.934 Rolnummer: A. 237807/IX-10170 Zaak: Arrest 255934 - Varia (justitie) - 02/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-06 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-19 11:36 Fiche Arrest nr 255.934 van 2 maart 2023 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.934 van 2 maart 2023 in de zaak A. 237.807/IX-10.170 In zake : 1. het EXECUTIEF VAN DE MOSLIMS VAN BELGIË 2. Mehmet ÜSTÜN 3. het BUREAU VAN HET EXECUTIEF VAN DE MOSLIMS VAN BELGIË 4. de VZW COLLÈGE DE L’EXÉCUTIF DES MUSULMANS DE BELGIQUE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist, Joris Claes en Charlotte Plottier kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aube Wirtgen en Bart Martel kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 30 november 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 29 september 2022 ‘tot intrekking van de erkenning van het Executief van de Moslims van België en tot opheffing van het koninklijk besluit van 15 februari 2016 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België’ (BS 5 oktober 2022). IX-10.170-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari 2023. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaten Bart Martel en Sietse Wils, loco advocaat Aube Wirtgen, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Artikel 19bis van de wet van 4 maart 1870 ‘op de temporaliën van de erediensten’ luidt als volgt: IX-10.170-2/15 “De besturen die eigen zijn aan de islamitische en orthodoxe erediensten worden op de door artikel 19 bepaalde wijze ingericht op het grondgebied van de provincies en van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. De betrekkingen met de burgerlijke overheid worden verzorgd door het representatief orgaan van de islamitische eredienst en door het representatief orgaan van de orthodoxe kerk. Het toezicht op die besturen wordt uitgeoefend door de Minister van Justitie op de wijze omschreven in de bepalingen van het hoofdstuk IIbis. Voor hun oprichting alsook voor de civielrechtelijke handelingen die zij verrichten en de aanneming van giften die aan hen gedaan worden, is evenwel de machtiging van de Koning vereist, na advies van de bestendige deputatie van de betrokken provincieraden. Daartoe worden de aanvragen tot oprichting van een bestuur overgezonden aan de Minister van Justitie door het representatief orgaan van de eredienst. De beslissingen betreffende de civielrechtelijke handelingen en giften worden toegezonden aan de bestendige deputaties van de provincieraad die hun advies uitbrengen binnen een maand na die mededeling. Een afschrift van die beslissingen wordt aan de Minister van Justitie medegedeeld. De adviezen worden geacht gunstig te zijn indien zij niet binnen die termijn zijn uitgebracht. De civielrechtelijke handelingen en de aanneming van giften waarvan het bedrag 10.000 [euro] niet overschrijdt, zijn echter onderworpen aan het algemeen toezicht. De lijst van die handelingen wordt door de besturen die eigen zijn aan de eredienst na afloop van elk kalenderjaar toegezonden aan de Minister van Justitie. De Koning kan het bedrag dat in het voorgaande lid wordt vastgesteld, aanpassen aan de monetaire ontwikkeling. De geldelijke tegemoetkomingen van de gemeenten ten voordele van de bedienaars en de besturen der erediensten bepaald in de vorige artikelen, komen ten laste van de provincies en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wat de islamitische en orthodoxe erediensten betreft.” 3.2. Ter uitvoering van artikel 19bis van de voornoemde wet van 4 maart 1870 is het koninklijk besluit van 15 februari 2016 ‘houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België’ (hierna: koninklijk besluit van 15 februari 2016) genomen. 3.3. Bij koninklijk besluit van 29 september 2022 ‘tot intrekking van de erkenning van het Executief van de Moslims van België en tot opheffing van het koninklijk besluit van 15 februari 2016 houdende erkenning van het Executief van IX-10.170-3/15 de Moslims van België’ wordt het koninklijk besluit van 15 februari 2016 opgeheven. Het koninklijk besluit van 29 september 2022 luidt als volgt: “Artikel 1. Het koninklijk besluit van 15 februari 2016 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 april 2017, wordt opgeheven. Art. 2. § 1. De betrekkingen met de burgerlijke overheden worden voorlopig waargenomen door het Bureau van het Executief van de Moslims van België. De secretarissen-generaal van het Executief van de Moslims van België, bedoeld in artikel 29bis van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten en van de bedienaars van de erediensten, verlenen hun medewerking aan het Bureau van het Executief van de Moslims van België bij de uitvoering van deze taak. § 2. Het Bureau van het Executief van de Moslims van België, ondersteund door de secretarissen-generaal van het Executief van de Moslims van België is, tijdens de periode vermeld in artikel 3, tweede lid, belast met het verzekeren van de continuïteit van de openbare dienst, in het bijzonder: 1° het beheer van de dossiers van de bedienaars van de islamitische eredienst; 2° het beheer van de dossiers van de erkende en te erkennen lokale islamitische geloofsgemeenschappen; 3° de aanstelling van leraren islamitische godsdienst in het onderwijs; 4° de aanstelling van islamitische consulenten bij Defensie, in de penitentiaire inrichtingen, in de ziekenhuizen, de rust- en verzorgingstehuizen; 5° de organisatie van religieuze uitzendingen op radio en televisie; 6° islamitische percelen op openbare begraafplaatsen. § 3. In uitvoering van de wet houdende algemene uitgavenbegroting wordt een facultatief krediet, dat de werkingskosten moet dekken en voorzien van het Bureau van het Executief van de Moslims van België ingeschreven, op programma 12, afdeling 59, artikel 33.00.02. De minister van Justitie legt de modaliteiten voor deze werkingskosten vast per trimester op basis van facturen die door het Executief van de Moslims van België overgemaakt zullen worden aan de FOD Justitie. De vzw ‘Collège de l’Exécutif des Musulmans de Belgique’ ontvangt dit bedrag en betaalt de schuldeisers binnen de 10 werkdagen na het ontvangen van de gelden. Indien de vzw dat niet doet, betaalt zij de ontvangen gelden onmiddellijk terug aan de FOD Justitie. De vzw ‘Collège de l’Exécutif des Musulmans de Belgique’ maakt de FOD Justitie binnen de 20 werkdagen na het ontvangen van de gelden de betalingsbewijzen over. IX-10.170-4/15 Alle stukken dienen te zijn ondertekend door alle daartoe statutair toegelaten personen. Indien de sociale bijdragen en de belastingen niet zouden worden betaald, is dit bedrag onmiddellijk terugvorderbaar. Art. 3. Dit besluit treedt in werking op de dag van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Artikel 2 houdt op uitwerking te hebben op 14 september 2023. Art. 4. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.” Dat is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van de vordering A. Exceptie wegens gebrek aan hoedanigheid van de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij Uiteenzetting 4. De verwerende partij betwist in haar nota de hoedanigheid van onder meer de tweede en de vierde verzoekende partij. Zij stelt vast, in essentie, dat deze partijen niet als een representatief orgaan van de temporaliën van de islamitische eredienst kunnen worden beschouwd. Geen van hen werd erkend op grond van het koninklijk besluit van 15 februari 2016, noch als representatief orgaan, noch anderszins. De tweede en de vierde verzoekende partij zijn niet de adressaat van het bestreden besluit en kunnen dan ook niet in eigen naam een vordering instellen die erop gericht is een aanspraak die hun niet toebehoort, alsnog gerealiseerd te zien worden. De verwerende partij benadrukt daarbij dat de Raad van State in zijn arrest nr. 254.919 van 27 oktober 2022, specifiek voor wat onder meer de tweede en de vierde verzoekende partij betreft, voor recht gezegd heeft dat zij niet over de vereiste hoedanigheid beschikken om een vordering tegen het bestreden besluit in te stellen aangezien zij niet de adressaat van het bestreden besluit zijn. 5. Wat de derde verzoekende partij betreft, namelijk het bureau van het Executief van de Moslims van België (hierna: het bureau van het EMB), IX-10.170-5/15 stelt de verwerende partij dat het loutere feit dat de derde verzoekende partij “thans het enige onderdeel van het EMB (
- is)dat voorlopig nog actief blijft en zijn opdracht gedeeltelijk vermag uit te oefenen overeenkomstig het bestreden besluit”, deze procespartij niet de hoedanigheid of, ruimer, de mogelijkheid verleent om tegen het bestreden besluit op te treden. Met het bestreden besluit wordt de erkenning van het EMB als representatief orgaan van de temporaliën van de islamitische eredienst opgeheven. Het is deze opheffing waartegen de verzoekende partijen in rechte wensen op te komen. Bovendien zet de derde verzoekende partij, die ervoor geopteerd heeft om haar belang zelf te omschrijven in het verzoekschrift, niet uiteen hoe zij nadelig geraakt zou kunnen worden door de overgangsregeling. Beoordeling 6. Onder meer de tweede en de vierde verzoekende partij hebben op 19 oktober 2022 een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingesteld strekkende tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. In zijn arrest nr. 254.919 van 27 oktober 2022 heeft de Raad van State voorlopig geoordeeld dat de tweede en de vierde verzoekende partij – niet de adressaat zijnde van het bestreden besluit – in eigen naam geen vordering kunnen instellen die erop gericht is een aanspraak die hun niet toebehoort, alsnog gerealiseerd te zien worden en derhalve niet over de vereiste hoedanigheid beschikken om dergelijke vordering tot schorsing in te stellen. Bijgevolg kunnen zij in afwachting van een behandeling ten gronde van de zaak niet zonder het gezag van gewijsde van voormeld arrest te schenden, opnieuw een vordering tot schorsing instellen. 7. De derde verzoekende partij is – volgens het verzoekschrift – “het enige onderdeel van de feitelijke vereniging, dat in ‘lopende zaken’ mag aanblijven”. De eerste verzoekende partij is de adressaat van het bestreden besluit. Het komt op het eerste gezicht niet toe aan een onderdeel van een feitelijke IX-10.170-6/15 vereniging – los van de vraag of deze over de vereiste rechtsbekwaamheid beschikt – om zelfstandig op te komen tegen een besluit waardoor die vereniging niet langer wordt erkend. De in het thans bestreden besluit opgenomen overgangsregeling waarbij verschillende opdrachten aan het bureau van het EMB worden opgedragen, verandert hier niets aan. 8. Uit wat voorafgaat volgt dat de exceptie van de verwerende partij wat de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij betreft, de vereiste ernst vertoont opdat ze in de huidige stand van de zaak kan worden aangenomen. B. Wat de andere door de verwerende partij opgeworpen excepties betreft 9. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de andere door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden 10. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting IX-10.170-7/15 11. De verzoekende partijen motiveren de spoedeisendheid van de vordering in hun verzoekschrift als volgt: “229. Verzoekende partijen vragen met huidig verzoekschrift Uw Raad tevens om de bestreden beslissing te schorsen. 230. De bestreden beslissing houdt immers onherroepelijke schadelijke gevolgen in die de schorsing van het bestreden besluit zouden verantwoorden. 231. Krachtens de bestreden beslissing wordt de erkenning van het Executief van de Moslims van België ingetrokken. Deze intrekking geldt vanaf de publicatie van het bestreden besluit in het Belgisch Staatsblad, met name 5 oktober 2022. Artikel 2 van het bestreden besluit, waarin in een zeer beperkte voorlopige overgangsregeling wordt voorzien, houdt op uitwerking te hebben op 14 september 2023. Dit betekent dat het EMB niet meer kan optreden als representatief orgaan van de temporaliën van de islamitische eredienst. Op heden is er geen representatief orgaan voor de islamitische geloofsgemeenschap in België. 232. Het doorlopen van een loutere annulatieprocedure zou de termijn van lopende zaken, zoals voorzien in het bestreden koninklijk besluit, zonder twijfel overschrijden, waardoor een schorsing zich thans eveneens opdringt. é. De verkiezingen, zoals gepland op 17 en 18 december 2022, kunnen in het licht van het bestreden besluit evenmin doorgang vinden. De datum voor deze verkiezingen werd eerder in het verleden al vastgelegd, maar diende te worden uitgesteld omwille van coronamaatregelen, zowel als het geven van een kans aan de gesprekken met de minister van Justitie. Het bestreden besluit wordt onder meer gemotiveerd op basis van het verstreken karakter van de mandaten van de leden van het Executief van de Moslims van België sinds 1 april 2020. In het jaar 2020 was de organisatie van deze verkiezingen evident onmogelijk, gelet op de heersende coronapandemie. In een later stadium, en kaderend binnen het vernieuwingsproject van het EMB, werden deze verkiezingen uitgesteld in het licht van de lopende gesprekken met de minister van Justitie. De minister van Justitie werd hiervan per brief op de hoogte gehouden en is zich derhalve bewust van de nakende verkiezingen. 234. Indien het EMB een louter vernietigingsarrest moet afwachten, kunnen zij de volledige werking niet meer – minstens bijzonder moeilijk – terug heropstarten. Onvermijdelijk is er een vacuüm ontstaan ten gevolge van het bestreden besluit. 235. Het EMB wordt verweten dat zij er niet in slagen om de moslims van België te vertegenwoordigen. De organisatie zou niet legitiem en/of representatief zijn. Het EMB zou niet meer als stabiele en volwaardige gesprekpartner kunnen functioneren. Welnu, zonder een tussenkomst van Uw Raad op korte termijn – met name met een schorsing – dreigen deze, op heden ongefundeerde, bezwaren ten aanzien van het EMB wel degelijk werkelijkheid te worden. Men riskeert met andere IX-10.170-8/15 woorden de verwijten aan het adres van het EMB alsnog te bewerkstelligen, indien de verstrekkende gevolgen van het [intrekken] van de erkenning niet worden gestuit. Immers, als het EMB niet meer mag optreden als het representatief orgaan van de Belgische moslims, dreigt de effectieve voeling met deze geloofsgemeenschap inderdaad teloor te gaan. Het EMB werd herleid tot het minimum, dat enkel en alleen in stand wordt gehouden om bijvoorbeeld het recht op onderwijs niet te schenden (door de aanstelling van leerkrachten islamitische godsdienst in het onderwijs nog toe te staan). Het is echter een foute veronderstelling van verwerende partij dat het zich met het huidige overgangsregime niet zou [be]zondigen aan de schending van fundamentele grondrechten en vrijheden. 236. Intussen ontstaat er in hoofde van het EMB ernstige imagoschade, gelet op de tussenkomst van het koninklijk besluit, maar niet in het minst gelet op de publiekelijke communicatie die inzake door de minister van Justitie gevoerd wordt (zelfs voor er sprake was van een koninklijk besluit). De verwijten van vermeende onbekwaamheid van het EMB worden zowel in het bestreden besluit, als via radio- en televisiekanalen systematisch verspreid. Zonder een tussenkomst door Uw Raad op korte termijn, draagt deze publiciteit bij aan de de facto ontmanteling van het EMB als representatief orgaan: zowel moreel, als materieel moet en zal er blijkbaar een einde komen aan deze organisatie door toedoen van verwerende partij. 237. In de tijd die intussen verstrijkt zal er mogelijk een nieuwe representatieve organisatie ontstaan, zoals de minister van Justitie openlijk verkiest en dat terwijl hij ter zake nochtans geen vereisten heeft te formuleren. Want dergelijke vereisten impliceren juist een schending van de godsdienstvrijheid, de vrijheid van vereniging en het principe van de scheiding van kerk en staat. Sinds de publicatie van het bestreden besluit in het Belgisch Staatsblad is er geen sprake meer van een representatief orgaan van de temporaliën van de islamitische eredienst. Dit vacuüm kan in tussentijd – bij gebreke aan een schorsing – worden ingevuld door een andere feitelijke organisatie die zou kunnen ontstaan. Vanaf dat ogenblik wordt het voor verzoekende partijen onmogelijk om de vorm en functie terug te kunnen aannemen, zoals die voor de publicatie van het koninklijk besluit bestond. Het afwachten van de annulatieprocedure zou er bijgevolg toe leiden dat het EMB intussen hoe dan ook langzaam ‘doodgeknepen’ wordt door verwerende partij. 238. Al deze elementen leiden ertoe dat het duidelijk is dat verzoekende partijen zeer ernstige nadelen zullen lijden, waardoor een schorsing van de bestreden beslissing zich eveneens opdringt.” Beoordeling 12. Gelet op wat sub 6 tot 8 is vastgesteld, zal de spoedeisendheid hierna enkel worden onderzocht in hoofde van de eerste verzoekende partij. IX-10.170-9/15 13. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. 14. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. Overigens moet die verzoekende partij zich er rekenschap van geven dat een vordering tot schorsing luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mag worden ingesteld “op elk moment”. IX-10.170-10/15 15.1. Wat de spoedeisendheid betreft, voert de eerste verzoekende partij vooreerst aan dat door de intrekking van de erkenning, zij niet meer zal kunnen optreden als representatief orgaan van de temporaliën van de islamitische eredienst en dat er dan in België “[o]p heden” geen representatief orgaan meer is voor de islamitische geloofsgemeenschap. 15.2. De spoedeisendheid moet bestaan in hoofde van de eerste verzoekende partij en moet aldus persoonlijk van aard zijn. Zij kan zich bijgevolg niet beroepen op het eventuele nadeel dat de islamitische geloofsgemeenschap door het bestreden besluit zou ondervinden. Gevolgen voor derden kunnen niet de spoedeisendheid aantonen. Daarnaast blijft de eerste verzoekende partij in gebreke aan te tonen welke precieze schade zij lijdt door het niet meer kunnen optreden als representatief orgaan van de temporaliën van de islamitische eredienst, laat staan dat die eventuele schade onherroepelijk is. 16. Ter staving van de spoedeisendheid wordt ook erop gewezen dat “[h]et doorlopen van een loutere annulatieprocedure […] de termijn van lopende zaken, zoals voorzien in het bestreden […] besluit” zonder twijfel zal overschrijden. In zoverre wordt aangevoerd dat de zogenaamde termijn voor lopende zaken zal worden overschreden, wijst de eerste verzoekende partij enkel op de duur van de procedure, maar laat zij na concreet aan te tonen dat zij zich dan in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen zal bevinden wanneer het resultaat van de procedure ten gronde moet worden afgewacht. 17.1. In de mate dat wordt aangevoerd dat door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit de verkiezingen zoals gepland op 17 en 18 december 2022 niet kunnen plaatsvinden, moet worden gewezen op wat volgt. IX-10.170-11/15 17.2. De organisatie van die verkiezingen valt onder de organisatorische autonomie van de geloofsgemeenschappen. Ze is trouwens voorgeschreven door het intern werkreglement van de eerste verzoekende partij. Het bestreden besluit verhindert geenszins dat de eerste verzoekende partij die verkiezingen zou organiseren. Bovendien blijkt uit het verslag aan de koning dat de mandaten van de leden van het EMB sedert 1 april 2020 zijn verstreken. Indien de leden hun functie verliezen, dan volgt dit niet uit het bestreden besluit maar uit artikel 14 van het intern werkreglement dat een tijdslimiet van zes jaar oplegt. Voorts moet erop worden gewezen dat, hoewel de verkiezingen waren gepland op 17 en 18 december 2022, de vordering tot schorsing pas is ingesteld op 30 november 2022. Overeenkomstig artikel 11, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ beschikt de verwerende partij dan na de kennisgeving van het verzoekschrift over een termijn van vijftien dagen om het volledige administratief dossier en een nota met opmerkingen toe te zenden aan de hoofdgriffier. Vervolgens beschikt de auditeur over een termijn van acht dagen na ontvangst van het dossier om een verslag op te stellen (artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit van 5 december 1991). In die omstandigheden moest het voor de eerste verzoekende partij duidelijk zijn dat een schorsingsarrest, dat enkel voor de toekomst geldt, onmogelijk kan helpen om de verkiezingen op de geplande data te laten plaatsvinden. 18. De eerste verzoekende partij lijkt in haar uiteenzetting van de gevolgen van het bestreden besluit ook te verwijzen naar een beweerde schending van de fundamentele grondrechten en vrijheden. Voor zover zij zich daarbij beroept op het onwettig handelen van de overheid, betreft dit een argument dat betrekking heeft op de schorsings- voorwaarde van de ernst van de middelen. Er dient in dit verband te worden benadrukt dat de voorwaarde van de spoedeisende aard van de vordering een schorsingsvoorwaarde is die afzonderlijk moet worden onderzocht. De onwettig- IX-10.170-12/15 heden van het bestreden besluit die worden aangevoerd, zijn op zich geen reden om het bestaan van de spoedeisendheid te aanvaarden. Dat die onwettigheid betrekking heeft op een fundamentele vrijheid, ontslaat een verzoekende partij er niet van de spoedeisendheid aan te tonen (RvS, alg. verg., nrs. 249.313 en 249.314 van 22 december 2020). 19. De eerste verzoekende partij voert ook aan dat een aantal ongefundeerde bezwaren die tegen haar worden geuit, zoals het feit dat zij er niet in slaagt om de moslims van België te vertegenwoordigen, dat zij niet legitiem of representatief is en niet meer als een stabiele en volwaardige gesprekspartner kan functioneren, zonder de schorsing van het bestreden besluit “wel degelijk werkelijkheid” kunnen worden. Dat voormelde bezwaren zonder de schorsing van het bestreden besluit bewaarheid zullen worden, wordt op geen enkele wijze onderbouwd en is louter hypothetisch. Die bezwaren vermogen de spoedeisendheid van een vordering tot schorsing niet te verantwoorden. Bovendien laat de eerste verzoekende partij opnieuw na om toe te lichten waarom zij een en ander niet voorlopig kan verdragen tot de uitspraak ten gronde. 20.1. In de mate dat de eerste verzoekende partij aanvoert dat er in haren hoofde ernstige imagoschade is ontstaan, gelet op “de tussenkomst” van het bestreden besluit en “niet in het minst gelet op de publiekelijke communicatie die inzake door de minister van Justitie gevoerd wordt (zelfs voor er sprake was van een koninklijk besluit)”, moet worden gewezen op wat volgt. 20.2. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de beweerde ernstige imagoschade in hoofdzaak niet het rechtstreekse gevolg is van het bestreden besluit, maar van berichtgeving in de media en zoals de eerste verzoekende partij zelf aangeeft, reeds vóór het nemen van dit besluit bestond. IX-10.170-13/15 Bovendien moet worden opgemerkt dat imagoschade in de regel wordt goedgemaakt door een vernietigingsarrest en dus niet onherstelbaar is. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van de imagoschade op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. De eerste verzoekende partij brengt geen enkel element aan dat erop wijst dat dit zo is. 21.1. Ten slotte voert de eerste verzoekende partij nog aan dat zonder de schorsing van het bestreden besluit er mogelijk in tussentijd een nieuwe representatieve organisatie zal ontstaan, waardoor het voor haar vanaf dat ogenblik “onmogelijk [wordt] om de vorm en functie terug te kunnen aannemen, zoals die voor de publicatie van het koninklijk besluit bestond”. 21.2. In zoverre wordt aangevoerd dat er mogelijk in tussentijd een nieuwe representatieve organisatie zal “ontstaan”, is dit op huidig ogenblik vaag en hypothetisch. De eerste verzoekende partij brengt geen enkel element aan dat erop wijst dat dit op korte termijn effectief zal gebeuren, zodat een vordering tot schorsing uit dat oogpunt minstens voorbarig is. In de mate dat de eerste verzoekende partij nog stelt dat zij in voorkomend geval niet meer opnieuw “de vorm en functie” terug zou kunnen aannemen, moet erop worden gewezen dat het bestreden besluit geen enkele invloed heeft op het voortbestaan van de eerste verzoekende partij. 22. Op de terechtzitting wordt ter staving van de spoedeisendheid nog door de eerste verzoekende partij bijkomend aangevoerd dat zij uit de door haar gehuurde lokalen dreigt te worden gezet en dat zij bepaalde betalingsproblemen ondervindt. De eerste verzoekende partij onderbouwt deze feiten niet met de nodige stukken. Bovendien mag met de argumentatie die een verzoekende partij voor het eerst tijdens de terechtzitting aanvoert in beginsel geen rekening worden IX-10.170-14/15 gehouden. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen. Er mag aldus door de Raad van State enkel rekening gehouden worden met hetgeen een verzoekende partij in haar verzoekschrift over de spoedeisendheid uiteenzet én staaft. 23. Uit wat voorafgaat volgt dat de spoedeisendheid niet genoegzaam is aangetoond. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.170-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.934 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.007 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.013 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div