← België

Arrest 255937 - Natuurbehoud - Vergunningen - 02/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.937 Rolnummer: A. 235484/VII-41283 Zaak: Arrest 255937 - Natuurbehoud - Vergunningen - 02/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-09 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-19 11:36 Fiche Arrest nr 255.937 van 2 maart 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.937 van 2 maart 2023 in de zaak A. 235.484/VII-41.283 In zake : Willy RIVIÈRE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Goethals kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151 B, bus 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 18 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 11 november 2021 dat: - het beroep van verzoeker tegen het onderdeel van het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 21 augustus 2017, waarbij de OVAM beslist dat verzoeker niet cumulatief voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden vermeld in artikel 23, § 2, van het decreet van 27 oktober 2006 ‘betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: bodemdecreet) voor zijn aandeel in de grond verworven in 2000 en aldus in zijn hoedanigheid van eigenaar, voor zijn aandeel in de grond verworven in 2000, niet wordt vrijgesteld van de verplichting om bodemsanering uit te voeren voor de historische bodemverontreiniging met minerale olie, BTEX, VOCl’s en zware metalen in het vaste deel van de aarde en in het grondwater die tot stand gekomen is op de grond, ongegrond verklaart; VII-41.283-1/22 - het voormelde besluit van de OVAM van 21 augustus 2017 bevestigt voor wat betreft perceel 1376F voor het gedeelte dat verzoeker heeft verworven in 2000; - het voormelde besluit van de OVAM van 21 augustus 2017 opheft voor wat betreft perceel 1375C; - besluit dat verzoeker niet cumulatief voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden vermeld in artikel 23, § 2, van het bodemdecreet en dat hij aldus in zijn hoedanigheid van eigenaar moet overgaan tot bodemsanering voor de historische bodemverontreiniging met minerale olie, BTEX, VOCl’s en zware metalen in het vaste deel van de aarde en in het grondwater die tot stand gekomen is op perceel 1376F voor het gedeelte dat hij heeft verworven in 2000; - besluit dat verzoeker niet cumulatief voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden vermeld in artikel 23, § 2, van het bodemdecreet en dat hij aldus in zijn hoedanigheid van eigenaar moet overgaan tot bodemsanering voor de historische bodemverontreiniging met minerale olie, BTEX, VOCl’s en zware metalen in het vaste deel van de aarde en in het grondwater die tot stand gekomen is op perceel 1375C. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 17 augustus 2022 een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. VII-41.283-2/22 Advocaat Michiel Deweirdt, die loco advocaat Jo Goethals verschijnt voor verzoeker en advocaat Bart Bronders, die loco advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Tussen 1964 en 2005 baat de bvba Renove een metaalbewerkingsplaats uit in een loods op een stuk grond gelegen aan de Ardooisesteenweg 432 - 434 te Roeselare. De grond staat kadastraal gekend als afdeling 2, sectie B, nrs. 1376F en 1375C. Tot 1971 wordt in de inrichting metaal geanodiseerd, gekathodiseerd, chemisch gezwart en gechromeerd. Vanaf 1971 beperken de activiteiten zich tot het draaien en frezen van metalen. De spuitcabine bleef evenwel in gebruik tot aan het eind van de activiteiten van voormelde vennootschap in
  6. Perceel nr. 1376F was eigendom van de ouders van verzoeker. Ingevolge de aanvaarding van de nalatenschap van zijn vader, wordt verzoeker in 1989 mede-eigenaar, in blote eigendom, van dit perceel. In 2000 verwerft hij, door de aanvaarding van de nalatenschap van zijn moeder, het overige gedeelte van de blote eigendom, alsook het vruchtgebruik op het perceel. Perceel nr. 1375C wordt door verzoeker aangekocht op 24 januari
  7. VII-41.283-3/22
  8. Op 23 maart 2005 wordt in opdracht van de bvba Renove een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de voormelde percelen (hierna: de grond).
  9. Op 26 januari 2017 wordt in opdracht van verzoeker een beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd op de grond. De OVAM verklaart het beschrijvend bodemonderzoek op 27 maart 2017 conform aan de bepalingen van het bodemdecreet. Uit het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek blijkt dat de grond is aangetast door een historische bodemverontreiniging met minerale olie, BTEX, VOCl’s en zware metalen in het vaste deel van de aarde en in het grondwater. De OVAM is van oordeel dat de historische bodemverontreiniging een ernstige bodemverontreiniging vormt.
  10. Met een schrijven van 27 maart 2017 maant de OVAM verzoeker, in zijn hoedanigheid van eigenaar van de grond, aan om prioritair over te gaan tot bodemsanering voor de vastgestelde historische verontreiniging.
  11. Bij brief van 20 juni 2017 vraagt verzoeker om vrijstelling van de saneringsplicht.
  12. Op 21 augustus 2017 beslist de OVAM dat verzoeker slechts deels in aanmerking komt voor een vrijstelling. Enerzijds oordeelt de OVAM dat verzoeker voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden vermeld in artikel 23, § 2, van het bodemdecreet voor zijn aandeel in de grond verworven in 1989 en dat hij aldus in zijn hoedanigheid van eigenaar, voor zijn aandeel in de grond verworven in 1989, wordt vrijgesteld van de verplichting om de bodemsanering uit te voeren. VII-41.283-4/22 Anderzijds oordeelt de OVAM dat verzoeker niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden vermeld in artikel 23, § 2, van het bodemdecreet voor zijn aandeel in de grond verworven in 2000 en hij aldus in zijn hoedanigheid van eigenaar, voor zijn aandeel in de grond verworven in 2000, niet wordt vrijgesteld van de verplichting om de bodemsanering uit te voeren. In deze beslissing, zo blijkt, gaat de OVAM ervan uit dat verzoeker ook voor wat betreft perceel nr. 1375C deels in 1989 en deels in 2000 eigenaar werd.
  13. Verzoeker stelt bij de bevoegde Vlaamse minister administratief beroep in tegen het onderdeel van de voormelde beslissing van de OVAM van 21 augustus 2017 waarbij de OVAM oordeelt dat hij niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 23, § 2, van het bodemdecreet en hij aldus in zijn hoedanigheid van eigenaar niet wordt vrijgesteld van de verplichting om de bodemsanering van de betrokken historische bodemverontreiniging uit te voeren.
  14. Bij besluit van 11 november 2021 verklaart de minister het beroep ongegrond. Zij bevestigt het besluit van de OVAM voor wat betreft perceel nr. 1376F voor het gedeelte dat verzoeker heeft verworven in 2000 en heft het besluit op voor wat betreft perceel nr. 1375C, in de mate dat de OVAM beslist dat verzoeker niet cumulatief voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden voor zijn aandeel verworven in
  15. Daarnaast beslist de minister dat verzoeker niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 23, § 2, van het bodemdecreet en dus in zijn hoedanigheid van eigenaar moet overgaan tot bodemsanering voor de historische bodemverontreiniging met minerale olie, BTEX, VOCl’s en zware metalen in het vaste deel van de aarde en in het grondwater die tot stand is gekomen op perceel nr. 1376F, voor het gedeelte dat hij heeft verworven in 2000, en op perceel nr. 1375C. VII-41.283-5/22 Dit is de bestreden beslissing die onder meer steunt op de volgende overwegingen: “De beroeper verwierf de helft van het perceel 1376 F in blote eigendom ingevolge het overlijden van zijn vader op 20 mei
  16. Deze eigendomsverwerving en bijhorende beoordeling van de voorwaarden van artikel 23, §2 Bodemdecreet van [27] oktober 2006 maken niet het voorwerp uit van voorliggend administratief beroep. De beroeper verwierf de andere helft van het perceel 1376 F in blote eigendom ingevolge het overlijden van zijn moeder, mevrouw MAGDALENA CARREWYN, op 2 december
  17. De beroeper verkeerde op het ogenblik van de verwerving van de grond dus in een bijzondere hoedanigheid, met name deze van erfgenaam. Bij de overdracht van een grond naar aanleiding van een overlijden is de bijzondere overdrachtsregeling, die wordt voorzien in artikel 102 en volgende Bodemdecreet van 27 oktober 2006, niet van toepassing en de erfgerechtigden kunnen bijgevolg niet genieten van die beschermingsregeling. Met toepassing van artikel 50, 3° VLAREBO-besluit van 14 december 2007 rechtvaardigt de bijzondere hoedanigheid van erfgenaam een specifieke invulling van de kennisvoorwaarde. De positie van de erflater/erflaatster wordt bij de beoordeling betrokken. Op hypothetische wijze wordt nagegaan of de erflater/erflaatster, indien deze de vrijstelling van de saneringsplicht zou aanvragen, hiervoor in aanmerking zou komen. Indien dit het geval is, worden diens erfgenamen geacht te voldoen aan de kennisvoorwaarde en worden zij dus vrijgesteld van de saneringsplicht, indien zij tevens kunnen aantonen dat zij de bodemverontreiniging niet zelf hebben veroorzaakt en dat de bodemverontreiniging is tot stand gekomen vóór het tijdstip waarop zij eigenaar werden van de grond. Indien de erflater/erflaatster niet aan de cumulatieve voorwaarden voor de vrijstelling van de saneringsplicht voldoet, wordt de kennisvoorwaarde in concreto beoordeeld in hoofde van de erfgenamen. De bodemverontreiniging op perceel 1376 F is ontstaan ten tijde dat mevrouw MAGDALENA CARREWYN (mede-)eigenaar was van de grond. Mevrouw CARREWYN werd immers mede-eigenaar op 19 oktober 1959 en de verontreiniging ontstond in de periode 1964-
  18. Bijgevolg is duidelijk dat de erflaatster niet zou voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 23, §2 Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en aldus niet zou voldoen aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 23, §2 Bodemdecreet van 27 oktober
  19. Aangezien de erflaatster niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, dient de kennisvoorwaarde in hoofde van de beroeper in concreto beoordeeld te worden voor wat betreft perceel 1376 F. Het al dan niet kennis hebben of behoren te hebben van de verontreiniging dient te worden beoordeeld op het tijdstip van de verwerving van de grond. De beroeper heeft de grond verworven op 2 december 2000 ingevolge het overlijden van zijn moeder, mevrouw MAGDALENA CARREWYN. De beoordeling van de kennisvoorwaarde dient aldus te gebeuren op dit tijdstip. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad van State dient de VII-41.283-6/22 kennisvoorwaarde te worden gekoppeld aan de zorgvuldigheidsplicht. Een eigenaar moet met andere woorden worden geacht de verontreiniging te kennen, indien kan worden aangenomen dat een zorgvuldig optredend eigenaar het nodige zou hebben gedaan om zich op de hoogte te stellen betreffende de verontreiniging. Deze zorgvuldigheidsplicht moet bovendien worden gekaderd in de tijdsgeest. Opdat van een eigenaar van een grond kan worden verwacht dat hij op het tijdstip van de verwerving kennis had en behoorde te hebben van de verontreiniging, zijn er aanwijzingen nodig zijn die de eigenaar er konden op wijzen dat er mogelijk verontreiniging aanwezig is op de grond. Artikel 50 VLAREBO-besluit van 14 december 2007 geeft een niet-limitatieve opsomming van elementen waarmee rekening dient gehouden te worden bij de beoordeling van de kennisvoorwaarde. In 2000 is de zorg voor het milieu reeds een algemeen gegeven. De regelgeving rond bodemverontreiniging was op het ogenblik van de verwerving van de grond door de eigenaar reeds jaren in werking. Van een zorgvuldig erfgerechtigde kan eind 2000 worden verwacht dat hij vóór het uitoefenen van zijn erfkeuze het nodige doet om zich over de bodemkwaliteit van de gronden die het voorwerp uitmaken van de nalatenschap te informeren bij de bevoegde instanties en eventueel verder onderzoek doet naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Voor nalatenschappen die zijn open gevallen vanaf 25 juli 2000, dat is de datum waarop de gemeenten de verplichting hadden om een gemeentelijke inventaris van risicogronden op te bouwen en om op verzoek informatie te geven uit de gemeentelijke inventaris, is dat zeker het geval want kon men dus informatie verkrijgen over het feit of op een grond activiteiten worden of werden uitgevoerd waarvoor een verhoogd risico op bodemverontreiniging bestaat/bestond. Op het ogenblik dat de beroeper de grond verworven heeft ingevolge het overlijden van zijn moeder, mevrouw MAGDALENA CARREWYN, op 2 december 2000, was de bodemverontreiniging nog niet gekend. Het oriënterend bodemonderzoek werd pas opgesteld op 23 maart
  20. Uit voormeld oriënterend bodemonderzoek werd duidelijk dat er voor perceel 1376 F een ernstige aanwijzing voor een ernstige bedreiging was als gevolg van de historische bodemverontreiniging met cadmium, chroom, koper, lood, nikkel, zink en EOX en de historische grondwaterverontreiniging met arseen, cadmium, chroom, nikkel, benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,1,2, trichloorethaan, minerale olie, 1,1,1 trichloorethaan en 1,2-dichlooretheen. De uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek was noodzakelijk. In voormeld oriënterend bodemonderzoek werd gesteld dat deze verontreiniging hoogstwaarschijnlijk te wijten is aan de voormalige activiteiten waarbij de metalen behandeld werden met chemische producten. Aangezien deze metalen slechts tussen 1964 en 1971 chemisch behandeld werden (voor het anodiseren, kathodiseren, chemisch zwarten, chromeren), werden deze verontreinigingen als historisch beschouwd. Het grondwater werd vermoedelijk verontreinigd met VOCl’s door het gebruik van ontvetters. Het ontstaan van de verontreinigingen in de periode 1964-1971 wordt bevestigd in het conformverklaarde beschrijvend bodemonderzoek. VII-41.283-7/22 Artikel 50 Vlarebo-besluit van 14 december 2007 vermeldt ook de hoedanigheid van de eigenaar, de ervaring of beroepskennis van de eigenaar, de toestand van en de voorkennis over de verontreinigde grond en beschikbare documenten met betrekking tot de verontreinigde grond als elementen die meespelen bij de beoordeling. In dat opzicht kan worden gewezen op het feit dat de beroeper al op 23 maart 1970 samen met zijn vader JEROOM RIVIERE zaakvoerder werd van de voormalige exploitant op de grond ‘RENOVE-JEROOM RIVIERE EN ZOON’, die later werd omgedoopt tot de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RENOVE. De eerste vergunning met betrekking tot de grond werd bovendien reeds verleend in 1963 aan BVBA RENOVE voor het exploiteren van een werkplaats voor het vervaardigen van automatische weegtoestellen en materiaal voor de voedingsnijverheid en dit voor een periode van dertig jaar. Aan de BVBA RENOVE werd verder op 19 juni 1995 een milieuvergunning verleend voor het verder exploiteren van een werkplaats voor metaalbewerking en voor een termijn van 1 jaar op proef voor wat betreft de verfspuitinrichting. Er kan dus van worden uitgegaan dat de beroeper een goed zicht had op de activiteiten van de exploitant in de periode dat hij zaakvoerder werd en in de periode kort daarvoor, en dat dit op het moment van het openvallen van de nalatenschap zeker het geval was. Door het in werking treden van het Bodemsaneringsdecreet in de periode 1995-1996, de aandacht voor risico’s op bodemverontreiniging de daaropvolgende jaren en de zorg voor het milieu in het algemeen zou een zorgvuldig persoon eind 2000 wel degelijk gealarmeerd worden in tegenstelling tot wat de beroeper beweert. De beroeper had immers kennis van de uitgevoerde activiteiten op de grond. In 2000 was er al heel wat meer kennis van het feit dat bepaalde risico-activiteiten bodemverontreiniging konden veroorzaken dan in
  21. In het kader van dit administratief beroep kan voor perceel 1376 F enkel gekeken worden of de beroeper in 2000 kennis behoorde te hebben. Uit het voorgaande volgt dat de beroeper wellicht niet op de hoogte was van de aangetroffen historische verontreiniging maar wel degelijk op de hoogte behoorde te zijn van de historische verontreiniging die tot stand is gekomen op perceel 1376 F voor het gedeelte dat hij heeft verworven sinds 22 december
  22. De beroeper werd eigenaar van perceel 1375 C op 24 januari 1998, zoals blijkt uit de notariële akte. De beoordeling van de kennisvoorwaarde dient voor dit perceel dan ook op dit tijdstip te gebeuren en niet op 2 december 2000, zoals voor het perceel 1376 F het geval was. De beroeper verwierf dit perceel niet via erfenis zodat er ook geen beoordeling dient plaats te vinden in hoofde van een erflater. Ook in 1998 was het Bodemsaneringsdecreet - dat dateert van 1995 - al enkele jaren in werking. Er was in die periode al een voldoende ontwikkeld milieubewustzijn. Net zoals bij de beoordeling van de kennisvoorwaarde voor perceel 1376 F, dient ook voor perceel 1375 C in acht te worden genomen dat de beroeper reeds in 1970 samen met zijn vader zaakvoerder werd van de onderneming die de activiteiten uitoefende waardoor de verontreiniging tot stand is gekomen. Daarnaast waren er twee milieuvergunningen beschikbaar. De passage hieromtrent in de notariële akte van 24 januari 1998 is weliswaar tegenstrijdig op dat vlak. Toch is het, gelet op de hoedanigheid en de beroepservaring van de beroeper, niet aannemelijk dat de beroeper niet op de hoogte was van de exacte VII-41.283-8/22 activiteiten op de grond, waarvoor milieuvergunningen beschikbaar waren, en dat deze de betrokken verontreiniging konden hebben veroorzaakt. De beroeper had meer onderzoek moeten doen naar de verontreinigingssituatie van de grond, bijvoorbeeld door het laten uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek. Uit het voorgaande volgt dat de beroeper op 24 januari 1998 wellicht niet op de hoogte was van de aangetroffen historische verontreiniging maar wel degelijk op de hoogte behoorde te zijn van de historische verontreiniging die tot stand is gekomen op perceel 1375 C. 5.6 Eindbeoordeling De beroeper moet om zich te kunnen beroepen op artikel 23, §2 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 voldoen aan drie cumulatieve voorwaarden. Er moet geconcludeerd worden dat de beroeper niet cumulatief voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 23, §2, eerste lid van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 aangezien hij niet aantoont dat hij voldoet aan de derde voorwaarde van artikel 23, §2, eerste lid Bodemdecreet van 27 oktober
  23. De beroeper moet daarom overgaan tot bodemsanering voor de historische bodemverontreiniging met minerale olie, BTEX, VOCl’s en zware metalen in het vaste deel van de aarde en in het grondwater die tot stand gekomen is op perceel 1375 C en die tot stand gekomen is op perceel 1376 F voor het gedeelte dat hij heeft verworven bij het overlijden van zijn moeder in
  24. Bijgevolg bestaat er aanleiding toe het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen voor wat betreft perceel 1376 F voor het gedeelte dat hij heeft verworven in 2000 en op te heffen voor wat betreft perceel 1375 C. Daarbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een duidelijk onderscheid maakt tussen de saneringsplichtige en de saneringsaansprakelijke. Voor een historische bodemverontreiniging moet de saneringsplichtige overeenkomstig artikel 24 Bodemdecreet van 27 oktober 2006 op eigen kosten de bodemsanering uitvoeren, maar desgevallend kan hij deze kosten verhalen op de persoon die overeenkomstig artikel 25 Bodemdecreet van 27 oktober 2006 aansprakelijk is, en van deze saneringsaansprakelijke een voorschot kan vorderen of eisen dat hij een financiële zekerheid stelt. In casu werd de beroeper als saneringsplichtige aangeduid en dient de beroeper derhalve op eigen kosten de bodemsanering uit te voeren. Het vaststellen van de saneringsplicht overeenkomstig het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 staat los van het finaal dragen van de kosten van de bodemsanering”. VII-41.283-9/22 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  25. Verzoeker voert de schending aan van artikel 23, § 2, van het bodemdecreet, “al dan niet na deze bepaling door het [Grondwettelijk Hof] getoetst te zien aan [de artikelen] 10 en 11 [van de Grondwet]” en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), het materiële motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker merkt vooreerst op dat het onderscheid tussen saneringsplichtige en saneringsaansprakelijke in dit dossier theoretisch is, aangezien de veroorzaker van de verontreiniging, de bvba Renove, inmiddels failliet is. De saneringsplichtige kan zich in dit geval dus niet tot een saneringsaansprakelijke richten. Hij betoogt vervolgens dat de decretale vrijstellingsvoorwaarden uitgaan van een wetens en willens gemaakte keuze om een bepaald onroerend goed al dan niet te verwerven. Verder zegt het gegeven dat de saneringsplicht en het statuut van de onschuldige bezitter met betrekking tot een mede-eigendom deelbaar zijn, niets over het geval waarbij een rechtssubject “meer eigenaar” wordt. In eerste instantie is verzoeker de mening toegedaan dat “op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd” gelezen moet worden als “op het ogenblik dat hij eigenaar werd van een eerste, niet afsplitsbaar deel van de grond”, of anders, “op het ogenblik dat hij tot de mede-eigendom toetreedt”. Die interpretatie heeft voor gevolg dat hij volledig moest worden vrijgesteld, aangezien er geen discussie over bestaat dat hij in 1989 geen kennis had, noch behoorde te hebben, van de verontreiniging. VII-41.283-10/22 Verzoeker argumenteert voorts dat hij ertoe verplicht was de erfenis (van zijn moeder) in 2000 te aanvaarden, omdat hij in 1989 reeds een eerste deel van de erfenis (van zijn vader) had aanvaard. Hij onderbouwt die stelling met een verwijzing naar de rechtspraak van het hof van beroep te Gent van 28 mei
  26. Hij besluit dat het onredelijk is hem een saneringsplicht op te leggen terwijl hij zich in een overmachtssituatie bevond waar hij niet tot het onmogelijke kon zijn gehouden. In zoverre het bodemdecreet zo moet worden gelezen dat elke eigendomsoverdracht, vrij of niet, geldt als een ogenblik waarop de saneringsplichtige eigenaar wordt, suggereert verzoeker de volgende prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt art. 23,§2,3° BD de artt. 10 en 11 GW zo gelezen dat ‘het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd’ ook ‘elke gedwongen eigendomsoverdracht’ betekent ‘nadat een eerste, niet van het naderhand verkregen afsplitsbaar deel, is verkregen’”. Immers worden alsdan ongelijke situaties, bij gebrek aan een decretale regeling, gelijk behandeld, hoewel in het licht van het doel van de regeling het duidelijk is dat alleen wie “wetens en willens” de keuze heeft, de gevolgen van de keuze moet dragen. Er wordt met andere woorden nagelaten een pertinent onderscheid te creëren tussen deze beide categorieën die niet gelijk zijn, maar dus ten onrechte wel gelijk worden behandeld. Tot slot wijst verzoeker erop dat hij in het administratief beroepschrift melding heeft gemaakt van dit argument, zij het onder de noemer “overmacht”, en dat de verwerende partij nagelaten heeft ook maar een begin van formeel motief naar voor te brengen waaruit hij zou kunnen afleiden waarom zij het niet eens was met deze beroepsgrief.
  27. De verwerende partij repliceert dat het middel duidelijk is gericht tegen het oordeel dat verzoeker niet voldeed aan de kennisvoorwaarde in artikel 23, § 2, van het bodemdecreet voor wat betreft het perceel nr. 1376F, voor het gedeelte dat hij heeft verworven in het jaar
  28. De betrokken bepaling is VII-41.283-11/22 overduidelijk en behoeft geen verdere uitleg of interpretatie. Er moet worden nagegaan of op het ogenblik van de eigendomsverwerving de eigenaar al dan niet wist of behoorde te weten dat er sprake was van een bodemverontreiniging. Vermits verzoeker deels eigenaar is geworden van het desbetreffende perceel in 1989 en deels in 2000, vermocht de overheid dan ook rekening te houden met de eigendomsverwerving in het jaar 2000 en de kennisvereiste op dat ogenblik beoordelen. De interpretatie van verzoeker komt in strijd met de duidelijke bewoordingen van artikel 23, § 2, van het bodemdecreet. Ook in de parlementaire voorbereidingen wijst niets erop dat die bepaling moet worden geïnterpreteerd zoals verzoeker vooropstelt. Voorts merkt de verwerende partij op dat verzoeker op geen enkele manier aantoont waarom het loutere feit dat hij in 1989 de nalatenschap van wijlen zijn vader heeft aanvaard, de verplichting met zich meebracht om in 2000 ook de nalatenschap van wijlen zijn moeder te aanvaarden. De verwerende partij verwijst naar artikel 775 van het (oud) Burgerlijk Wetboek, dat uitdrukkelijk stipuleert dat niemand is gehouden een hem opgekomen nalatenschap te aanvaarden. In de voorgestelde prejudiciële vraag gaat verzoeker, net zoals in het middel, uit van het foutief juridisch uitgangspunt dat hij geen andere keuze had dan de nalatenschap van zijn moeder in het jaar 2000 te aanvaarden. De prejudiciële vraag heeft derhalve geen voorwerp, minstens ontbreekt elke relevantie om de vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen.
  29. Verzoeker dupliceert dat artikel 23, § 2, van het bodemdecreet doelt op de overgang tussen het “niet-eigenaar” zijn van de grond naar “eigenaar” zijn. Verzoeker werd voor het eerst eigenaar van (een onderdeel van) de grond op het moment van de eerste verwerving, en niet wanneer hij “meer” eigenaar werd van de grond. De decreetgever heeft geen expliciete aandacht besteed aan het geval waarbij het eigendomsrecht in verschillende fasen wordt overgedragen. Er kan derhalve niet zomaar worden gesteld dat de decreetgever bedoeld heeft dat elke VII-41.283-12/22 overdracht van (een deel van) het eigendomsrecht afzonderlijk moet worden beschouwd. Daarnaast moet de verwijzing naar artikel 775 van het (oud) Burgerlijk Wetboek ten zeerste worden genuanceerd, gelet op de rechtspraak van het hof van beroep te Gent. Ook hier geldt dat wordt uitgegaan van een “geheel” en niet van een verwerving in onderdelen. In geen geval mag de erfenis worden opgesplitst in een “goed” deel en een “slecht” deel. De aangehaalde rechtspraak toont duidelijk aan dat een erfenis niet gedeeltelijk kan worden verworpen om aan excessieve kosten te ontsnappen. Verzoeker besluit dat hij in de concrete omstandigheden dan ook wel degelijk ertoe verplicht was het aandeel van zijn moeder over te nemen. Het weigeren van de erfenis om te ontkomen aan de saneringsplicht werd door het hof van beroep immers als bedrieglijk beschouwd. Tot slot merkt verzoeker nog op dat de verwerende partij niet ingaat op het middelonderdeel dat de schending van de formelemotiveringsplicht aanvoert, waar in het bestreden besluit niet wordt geantwoord op de argumentatie omtrent de verplichte aanvaarding van de erfenis van verzoekers moeder gezien hij reeds een deel geërfd had van zijn vader.
  30. Verzoeker zet in de laatste memorie uiteen dat de rechtspraak van de Raad van State waarin wordt aangenomen “dat het begrip ‘grond’ zo moet gelezen worden dat ook verschillende fases waarin de eigendom wordt verworven als telkens verwerving van ‘grond’ moet beschouwd worden […] moeilijk kan standhouden” omdat “grond” wordt gedefinieerd als “bodem” die ook gedefinieerd wordt en die definitie “uit[gaat] van ‘aarde’ zijnde een fysieke toestand die zintuiglijk waarneembaar is”. Er “moet een onderscheid gemaakt worden tussen ‘het eigenaar worden’ enerzijds en het verwerven van ‘grond’ anderzijds. Het gradueel meer verwerven van het eigendomsrecht betekent niet dat er gradueel meer ‘grond’ wordt verworven. […] Het is ook niet zo dat er gefaseerd grond kan verworven worden […]. Dit zou enkel het geval zijn geweest wanneer er een fysieke uitbreiding van een bepaald grondaandeel gebeurt. Te deze was dit evenwel niet het geval. Verzoeker zat, van meet af aan, in de volledige grond, de aarde als eigenaar. […] Hij was dus eigenaar van de grond in
  31. […] Precies VII-41.283-13/22 omwille van het feit dat de grond in zich niet opsplitsbaar is. Het is het eigendomsrecht dat, bij juridische fictie, wordt opgedeeld. Het is dus niet de grond die wordt opgedeeld. Te dezen werd evenwel de ‘juridische fictie’ verward met kennis die men moet [hebben] over de fysieke toestand over ‘de grond’. […] had verzoeker, wetende wat hij dus nu weet (en waarvan dus beweerd wordt dat hij dit moest geweten hebben), de erfenis van zijn moeder verworpen, dan zou hij er (per definitie overigens wetens en willens) beter van af geweest zijn, of anders gezegd zou ‘de maatschappij’ er slechter aan toe geweest zijn terwijl verzoeker alsdan, wetens en willens dus, zichzelf zou ‘verrijkt’ hebben in vergelijking tot de situatie waarin hij nu is verzeild. Verzoeker vindt dus wel degelijk dat de situatie die voorligt vergelijkbaar is met situatie die behandeld werd door het hof van beroep te Gent. In de beide gevallen zou het dus zo zijn dat een erfenis wordt verworpen met het uitsluitende, bedrieglijke, voornemen om de gigantische saneringskosten niet te moeten betalen en er, op het einde van de rit, het actief uit te vrijwaren. Vandaar dat verzoeker vindt dat zijn situatie wel degelijk er een is waarin er moet vanuit gegaan worden dat hij verplicht was om het erfdeel van zijn moeder te aanvaarden. Nu hij gedwongen dit erfdeel moest aanvaarden wordt hij dus […] niet vrijgesteld van sanering omwille van het feit dat hij geacht werd te weten dat hij geconfronteerd zou worden met een deficitaire bodemsanering. Op deze manier wordt hij dus gelijk behandeld als elke andere verwerver van het eigendomsrecht op grond die wel degelijk van bij aanvang heel goed weet of moet weten waaraan hij begint. […] Verzoeker blijft erbij dat, in het licht van het doel van de reglementering, met name mensen die niet onzorgvuldig waren te behoeden van extreme saneringskosten, dit een schending van het gelijkheidsbeginsel is. […] Het loutere feit dat […] verzoeker de vrije keuze had om de erfenis te verwerpen volstaat […] niet. […] Het gaat er over dat verzoeker uit het bestreden besluit moet kunnen afleiden waarom hij te dezen een vrije keuze zou gehad hebben om zijn erfenis te aanvaarden. Dit hangt immers samen met de vraag of hij in een situatie van overmacht verkeerde. […] wanneer er overmacht wordt ingeroepen volstaat het niet dat de verwerende partij boudweg antwoordt dat er geen overmacht is. Het gaat dus over de motivering waarom er geen overmacht is”. VII-41.283-14/22 Beoordeling
  32. Artikel 23, § 2, eerste lid, van het bodemdecreet luidt: “§
  33. De eigenaar is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is, dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt; 2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij eigenaar van de grond werd; 3° hij was niet op de hoogte en behoorde niet op de hoogte te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of de eigenaar niet op de hoogte was of niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving”.
  34. In de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat verzoeker niet voldoet aan de cumulatieve vrijstellingsvoorwaarden in artikel 23, § 2, eerste lid, van het bodemdecreet omdat hij op de hoogte behoorde te zijn van de historische verontreiniging die tot stand is gekomen op perceel nr. 1376F voor het gedeelte dat hij heeft verworven sinds 22 december 2000 en hij tevens op de hoogte behoorde te zijn van de historische verontreiniging die tot stand is gekomen op perceel nr. 1375C.
  35. Artikel 23, § 2, eerste lid, 3°, van het bodemdecreet hanteert voor de beoordeling van het op de hoogte behoren te zijn van de bodemverontreiniging het ogenblik waarop men eigenaar van de grond wordt als referentiepunt. Die bepaling sluit niet uit dat de eigendomsverwerving van de grond in verschillende fases gebeurt die mede bepalend zijn voor het vaststellen van de uiteindelijke saneringsplicht. Illustratief voor de opdeelbaarheid van de saneringsplicht is artikel 23, § 2, derde lid, van het bodemdecreet dat de OVAM toelaat om, als zij op basis van het dossier of het standpunt van oordeel is dat de eigenaar voor “een deel” van de bodemverontreiniging cumulatief aan de vrijstellingsvoorwaarden voldoet, de eigenaar voor dat deel van de bodemverontreiniging vrij te stellen van de saneringsplicht. Anders dan verzoeker dit ziet, verhindert derhalve niets dat voor de saneringsplicht wordt gekeken naar VII-41.283-15/22 het gedeelte van de (blote) eigendom dat in 1989 verworven werd en het resterende gedeelte van de (blote) eigendom dat, samen met het vruchtgebruik, werd verkregen in
  36. De interpretatie die verzoeker geeft aan voormelde bepaling, vindt geen steun in de bewoordingen van het desbetreffende artikel. Bovendien laat verzoeker na zijn “mening” over de wijze waarop de kennisvoorwaarde moet worden geïnterpreteerd, concreet te onderbouwen.
  37. Verder gaat verzoeker er ten onrechte van uit dat hij ertoe verplicht was het erfdeel van zijn overleden moeder in 2000 te aanvaarden omdat hij eerder, in 1989, ook reeds dat van zijn toen overleden vader had aanvaard. Anders dan verzoeker dit ziet, had hij nog steeds de mogelijkheid om de erfenis van zijn moeder in 2000 te verwerpen. Het gegeven dat het hof van beroep te Gent in een concreet geval heeft besloten tot de niet-tegenwerpelijkheid van de verwerping van een nalatenschap jegens de curator van de onbeheerde nalatenschap, staat daaraan niet in de weg. Terzijde gelaten dat de Raad van State zich niet mag uitspreken over betwistingen inzake burgerlijke rechten en niet zou kunnen vooruitlopen op de beoordeling van een gebeurlijke betwisting in dat verband, wordt overigens opgemerkt dat de feitelijke omstandigheden in het voorliggende geval niet dezelfde zijn als deze in de aangehaalde uitspraak van het hof van beroep te Gent. Daarin was met name sprake van een “manifest te kwader trouw en bedrieglijk” handelen “in samenspraak met de erflater”, waarbij sinds begin 2006, voorafgaand aan het overlijden van de erflater, problemen met vervuilde gronden gerezen waren. In dit dossier daarentegen dateert het oriënterend bodemonderzoek van na het overlijden van de (tweede) erflater. Zelfs zonder zich erover te moeten uitspreken of thans derhalve sprake zou kunnen zijn van een “manifest te kwader trouw en bedrieglijk” handelen, kan erop worden gewezen dat een bevestigend antwoord op de vraag of verzoeker behoorde te weten of er sprake was van bodemverontreiniging op zich nog geen dergelijk, manifest bedrieglijk handelen impliceert. Het aangehaalde arrest spreekt zich ten andere niet uit over een geval waarin een eerste erfenis (van een deel van de grond) werd aanvaard en vervolgens jaren later de erfenis van het “resterende” deel van de grond werd verworpen. Uit dit arrest kan bijgevolg in geen geval zonder meer VII-41.283-16/22 worden afgeleid dat de “eerste” aanvaarding van de erfenis van een deel van de grond verzoeker er tevens toe verplichtte jaren later ook de erfenis van het andere deel van de grond te aanvaarden.
  38. De prejudiciële vraag van verzoeker gaat uit van de foutieve premisse dat er te dezen sprake zou zijn van een “gedwongen eigendomsoverdracht”. Bovendien blijkt uit artikel 23, § 2, eerste lid, 3°, van het bodemdecreet niet dat de kennisvoorwaarde enkel betrekking heeft op de eigendom die is verworven middels een “wetens en willens gemaakte keuze”, minstens overtuigt verzoeker niet van die stelling, zodat ook die premisse faalt. Er bestaat bijgevolg geen aanleiding om de voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen.
  39. Voorts wordt in de bestreden beslissing overwogen dat van een zorgvuldig erfgerechtigde eind 2000 kan worden verwacht dat hij “vóór het uitoefenen van zijn erfkeuze” het nodige doet om zich over de bodemkwaliteit van de gronden die het voorwerp uitmaken van de nalatenschap te informeren bij de bevoegde instanties. Aldus geeft de minister in de bestreden beslissing aan dat verzoeker de vrije keuze had om de nalatenschap al dan niet te aanvaarden en is zijn grief daaromtrent afdoende beantwoord. Waar verzoeker meent uit de bestreden beslissing te moeten kunnen afleiden waarom de minister het niet eens was met zijn beroepsgrief, komt zulks neer op een vraag naar het reveleren van de motieven van de motieven. De formelemotiveringsplicht reikt niet zover.
  40. Wat betreft de opmerking van verzoeker dat het onderscheid tussen saneringsplichtige en saneringsaansprakelijke in dit geval theoretisch is, wordt nog opgemerkt dat de omstandigheid dat de saneringsplichtige zich niet tot een saneringsaansprakelijke kan richten, de saneringsplichtige niet vrijstelt van de op hem rustende verplichting.
  41. Verzoeker maakt een schending van de aangehaalde bepalingen en beginselen niet aannemelijk. Het eerste middel wordt verworpen. VII-41.283-17/22 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  42. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 153 tot en met 155 van het bodemdecreet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker zet uiteen: “
  43. Uit het bestreden besluit blijkt duidelijk dat verzoeker een beperkt beroep heeft aangetekend, namelijk tegen die beslissing van de [OVAM] die aan verzoeker geen vrijstelling van sanering bezorgde. Dat staat met zoveel woorden in de hoofding.
  44. Het mag dan wel over een ‘vol’ beroep gaan, maar uiteraard gaat dit ‘vol’ beroep enkel over datgene waartegen beroep is aangetekend. Welnu, verzoeker heeft geen administratief beroep aangetekend tegen dat onderdeel van het perceel 1375C waarvoor verzoeker een vrijstelling bekwam.
  45. In die zin schond de verwerende partij het principe van het beroep zoals uiteengezet in artt. 153-155 BD. Er ligt ook geen formele motivering voor waarom spijts het feit dat er geen beroep was aangetekend er toch een wijzigende beslissing is genomen. Allerminstens is er geen materiële motivering en was de verwerende partij ter zake onzorgvuldig”.
  46. De verwerende partij repliceert dat uit het administratief beroepschrift blijkt dat verzoeker niet akkoord kon gaan met het niet-verlenen van de vrijstelling van de saneringsplicht voor zijn aandeel in de grond verworven in het jaar
  47. Zowel in de rechtsleer als in de rechtspraak van de Raad van State wordt bevestigd dat in het geval van een administratief beroep met devolutieve werking de beroepsinstantie zich niet moet beperken tot de argumenten van de beroepsindiener en geenszins gebonden is door de uitspraak in eerste aanleg of de motieven ervan. VII-41.283-18/22 De OVAM is er bij het nemen van haar beslissing omtrent het verlenen van de vrijstelling van de saneringsverplichting verkeerdelijk vanuit gegaan dat verzoeker ook van perceel nr. 1375C deels in 1989 en deels in 2000 de eigendom had verworven. Tijdens de behandeling van het administratief beroep werd evenwel vastgesteld dat verzoeker op 24 januari 1998 eigenaar is geworden van dit perceel. Nu zij ingevolge het administratief beroep de zaak opnieuw in haar geheel beoordeelt, kon de overheid in graad van beroep hiermee rekening houden en kon zij in de bestreden beslissing oordelen dat verzoeker niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden voor wat betreft dit perceel. Gezien haar bevoegdheid om de zaak opnieuw in haar geheel te beoordelen, diende zij in de bestreden beslissing evenmin te motiveren waarom er ondanks het feit dat het beroep niet gericht was tegen de (deels) verleende vrijstelling voor perceel nr. 1375C, toch een wijzigende beslissing met betrekking tot deze vrijstelling werd genomen.
  48. Verzoeker dupliceert dat hij zich bewust is van de devolutieve werking van het administratief beroep. Dit betekent evenwel niet dat wanneer, zoals in dit geval, een beslissing diverse, van elkaar losstaande onderdelen bevat, het beroep tegen één onderdeel met zich meebrengt dat de volledige beslissing opnieuw kan worden beoordeeld. Concreet had het verzoek tot vrijstelling betrekking op diverse percelen. Elk perceel moet uiteraard afzonderlijk beoordeeld worden. Wanneer een administratief beroep is aangetekend tegen de beoordeling van een vrijstellingsaanvraag omtrent twee wel bepaald omschreven percelen, is er tegen een derde perceel, dat niet ter discussie is gesteld, geen nieuwe hervormende beslissing mogelijk, gelet op het feit dat er tegen de beslissing omtrent dat afzonderlijk perceel geen administratief beroep was aangetekend waardoor de beslissing omtrent dat perceel definitief is. Immers, het is niet omdat drie beslissingen in één “brief” worden verwerkt, dat het daarom “één beslissing” betreft.
  49. In de laatste memorie voegt verzoeker toe dat de bodemsanering dan wel betrekking mag hebben op “grond”, “de identificatie van wat ‘grond’ is, de aflijning dus, gebeurt aan de hand van kadastrale percelen”. Het opleggen van een bodemsanering gebeurt op perceelsniveau. “Het is dan ook zo dat verzoeker de beslissing omtrent een onderdeel van het dossier dat betrekking heeft op het VII-41.283-19/22 kadastraal perceel 1375C niet in vraag heeft gesteld en dus ook niet aan een beroep heeft onderworpen. Het betrof dus een fysiek afsplitsbaar onderdeel van het dossier dat geen voorwerp uitmaakte van het beroep”. Beoordeling
  50. Artikel 155, § 1, eerste lid, van het bodemdecreet luidt: “§
  51. Het administratief beroep, vermeld in artikel 153, is een vol beroep als het beroep betrekking heeft op een beslissing van de OVAM over de aanduiding van de saneringsplichtige, de vrijstelling van de saneringsplicht of de exoneratie van de verplichting om een site-onderzoek uit te voeren, met uitzondering van die onderdelen van voormelde beslissingen waarbij de OVAM als bodemsaneringsdeskundige uitspraak heeft gedaan”. De devolutieve werking van het administratief beroep heeft voor gevolg dat de overheid die zich in graad van administratief beroep moet uitspreken, de haar voorgelegde kwestie opnieuw onderzoekt en op grond van een eigen beoordeling van het dossier een beslissing neemt op basis van onder meer de in het administratief beroep aangevoerde argumenten.
  52. In het administratief beroepschrift dat verzoeker bij de minister heeft ingediend, blijkt dat het administratief beroep wordt ingesteld tegen “de beslissing van de OVAM” van 21 augustus
  53. In het beroepschrift parafraseert verzoeker de overwegingen waarmee hij “niet akkoord kan gaan”: “OVERWEGINGEN WAARTEGEN BEROEP De OVAM overweegt: ‘Op basis van het dossier van de grond, in het bijzonder het verslag van [beschrijvend] bodemonderzoek en het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van 20 juni 2017 besliste OVAM dat de eigenaar niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 23, paragraaf twee van het bodemdecreet zoals hierboven aangehaald met betrekking tot het aandeel [van] de grond verworven in
  54. Het OVAM argumenteer als volgt: […] Om aan de derde [voorwaarde] van artikel 23, §2 van het bodemdecreet te voldoen moet de eigenaar aantonen dat hij niet op de hoogte was en niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar werd van de grond. Op het moment van het overlijden van zijn moeder in 2000 [bekwam] de eigenaar de volledige eigendom van de VII-41.283-20/22 grond dat voordien voor de helft [in blote] eigendom toekwam aan zijn moeder die tevens het vruchtgebruik bezat. In 2000 [bestond] de bodemwetgeving reeds meerdere jaren en wist de eigenaar dat er risico-activiteiten waren geweest op de grond. Hij was zelfs zaakvoerder geweest van de voormalige exploitant. Eigenaar[s] wisten dat de [grond een risicogrond] betrof en kon vermoeden dat de grond ingevolge de voormalige risico-activiteiten mogelijks verontreinigd was. De eigenaar [toont] dan ook niet aan [noch] maakt hij aannemelijk dat hij niet op de hoogte was [of] behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het moment van zijn [verwerving in]
  55. […]’”. Uit de beroepen beslissing van de OVAM van 21 augustus 2017 over de vrijstelling van saneringsplicht blijkt dat die beslissing handelt over “de grond” gelegen aan de Ardooisesteenweg +434 in Roeselare, kadastraal gekend als afdeling 2, sectie B, perceel nr. 1375C en nr. 1376F. Verzoeker wordt vrijgesteld voor zijn aandeel in “de grond” verworven in 1989, maar hij krijgt geen vrijstelling voor zijn aandeel in “de grond” verworven in
  56. In de beroepen beslissing van de OVAM wordt met “de grond” ontegenzeglijk zowel het perceel nr. 1375C als het perceel nr. 1376F bedoeld. De overwegingen van de OVAM waarmee verzoeker niet akkoord kan gaan, hebben betrekking op “de grond”, dus op beide voornoemde percelen. Het voorwerp van het administratief beroep omhelst bijgevolg ook perceel nr. 1375C. In haar beslissing van 21 augustus 2017 gaat de OVAM er ten onrechte vanuit dat verzoeker ook de eigendom van dit perceel nr. 1375C deels in 1989, deels in 2000 heeft verworven. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep, was de minister bij haar beoordeling niet gebonden door het foutieve uitgangspunt met betrekking tot de eigendomsverwerving van perceel nr. 1375C waarvan de administratieve overheid in eerste aanleg was uitgegaan. De minister mocht bij de beoordeling van het administratief beroep dan ook rekening houden met de correcte feitelijke toedracht van het dossier, meer bepaald met het gegeven dat verzoeker het perceel nr. 1375C pas heeft verworven middels de aankoop ervan op 24 januari
  57. Een schending van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen wordt niet aannemelijk gemaakt. VII-41.283-21/22 Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  58. De Raad van State verwerpt het beroep.
  59. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.283-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.937 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.