id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.943 Rolnummer: A. 231649/XIV-38467 Zaak: Arrest 255943 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 02/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-10 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-19 11:36 Fiche Arrest nr 255.943 van 2 maart 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.943 van 2 maart 2023 in de zaak A. 231.649/XIV-38.467 In zake : de BVBA FEESTARCHITECT Christ Schepens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ludo Haeseryn kantoor houdend te 9050 Ledeberg Jacques Eggermontstraat 11B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 31 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van: “het Ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken in zijn geheel, zoals gewijzigd door het Ministerieel besluit van 28.07.2020 en 22.08.2020, - in ondergeschikte orde artikel 11 van het Ministerieel Besluit van 30.06.2020 - in ondergeschikte orde artikel 8 van het Ministerieel Besluit van 28.07.2020 - in ondergeschikte orde artikel 7 van het Ministerieel Besluit van 22.08.2020.” XIV-38.467-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 249.074 van 27 november 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2022, om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ludo Haeseryn verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. XIV-38.467-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De feiten zijn weergegeven in het tussenarrest nr. 249.074 van 27 november
- Er wordt naar verwezen. Het past eraan te herinneren dat het in punt 1 genoemde (artikel 11 van het) ministerieel besluit van 30 juni 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’, het eerste bestreden besluit betreft. Dat ministerieel besluit werd gewijzigd bij artikel 8 van het ministerieel besluit van 28 juli 2020 ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ (hierna: het tweede bestreden besluit) en, vervolgens, bij artikel 7 van het ministerieel besluit van 22 augustus 2020 ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ (hierna: het derde bestreden besluit). Verder dient het hiervoor genoemde feitenrelaas aangevuld met wat hierna onder de punten 3.2 tot 3.5 wordt uiteengezet. 3.
- Zoals reeds uit het feitenrelaas uiteengezet in het tussenarrest nr. 249.074 van 27 november 2020 is gebleken, is het eerste bestreden besluit, zoals gewijzigd door het tweede en het derde bestreden besluit, ook nog na het indienen van het voorliggende beroep meermaals gewijzigd en, vervolgens, vervangen door het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ (hierna: het ministerieel besluit van 18 oktober 2020). Laatstgenoemd besluit reageert op de zogenaamde “tweede golf” van de epidemische situatie met een duidelijke stijging XIV-38.467-3/14 van het aantal besmettingen en hospitalisaties, een stijging van het aantal sterftecijfers net als de positiviteitsratio van de afgenomen testen, die opnieuw zorgen baarden. Het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 wordt op zijn beurt vervangen door het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ (hierna : het ministerieel besluit van 28 oktober 2020) dat, nadien, nog achtereenvolgens wordt gewijzigd met versoepelingen en dan weer verstrengingen in functie van de evolutie van de pandemie waarbij telkens een evenwicht wordt gezocht tussen de noden vereist voor het in stand houden van de zorg en anderzijds de mogelijkheden om een (volledige) stilstand van het maatschappelijk leven te vermijden (zie punt 3.5 van het tussenarrest nr. 249.
- van 27 november 2020). Concreet, werden vanaf 18 oktober 2020 de regels inzake samenscholingen en de mogelijkheid om personen te ontvangen opnieuw in belangrijke mate teruggedraaid zowel wat het aantal toegelaten personen als wat de voorwaarden en toegelaten activiteiten betreft. Met het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 dat het eerste bestreden besluit van 30 juni 2020, zoals nadien gewijzigd, opheft, en het enkele dagen nadien daarop volgende ministerieel besluit van 28 oktober 2020 worden de evenementen sterk beperkt. Op 1 november 2020 neemt de minister een nieuw ministerieel besluit ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’. Met dit laatste besluit wordt een zogenaamde ‘lockdown light’ ingevoerd. Zo vielen “feest- en receptiezalen” onder het sluitingsverbod voor inrichtingen of onderdelen van inrichtingen die behoren tot de culturele, feestelijke, sportieve, recreatieve en evenementensector, zoals bepaald in artikel 8, § 1, eerste lid, van het ministerieel besluit van 28 oktober
- Ook de horeca wordt opnieuw gesloten. Die striktere noodmaatregelen gelden tot het voorjaar 2021 met dien verstande dat met een ministerieel besluit van 7 mei 2021 ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ de XIV-38.467-4/14 open terrassen van de feest- en receptiezalen (vanaf 8 mei 2021) niet langer vielen onder het sluitingsgebod. Met “open terras” wordt bedoeld “een onderdeel van een inrichting die behoort tot de horecasector of van een professionele traiteur- of cateringonderneming dat gelegen is buiten de besloten ruimte daarvan, waar de open lucht vrij kan circuleren, waar men zitgelegenheid biedt en waar dranken en spijzen voor directe consumptie worden aangeboden” (cfr. de artikelen 1 en 4, eerste lid, 3° en 4°, van het genoemde wijzigingsbesluit van 7 mei 2021). 3.3 Vervolgens, door de verbetering van de epidemiologische toestand mede als gevolg van de omvangrijke vaccinatiecampagne, kon ingevolge het ministerieel besluit van 4 juni 2021 ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ de culturele, feestelijke, sportieve, recreatieve en evenementensector mits naleving van de sanitaire voorzorgsmaatregelen weer openen. 3.
- Uiteindelijk wordt ook het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 dat in de plaats van het eerste bestreden besluit was gekomen (zie punt 3.2 hiervoor), met ingang van 29 oktober 2021 opgeheven bij het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 ‘houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken’ (hierna: het koninklijk besluit van 28 oktober 2021). Laatstvermeld besluit van 28 oktober 2021 wordt genomen in uitvoering van de (nieuwe) wet van 14 augustus 2021 ‘betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie’ die aan de concrete (voortaan in beginsel door de Koning te nemen) noodmaatregelen gedurende een epidemische noodsituatie een nieuw wettelijk kader en rechtsgrond biedt. Het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 bevat, gegeven de epidemische evolutie op dat ogenblik, in essentie nog (slechts) (1.) een aantal sterke aanbevelingen zonder strafrechtelijke sancties, (2.) minimumvoorschriften die op verschillende plaatsen of in verschillende activiteitensectoren moeten worden nageleefd (of preventieve maatregelen die op XIV-38.467-5/14 elke betrokken onderneming, vereniging of dienst zijn afgestemd) en (3.) bepaalde dwingende, maar noodzakelijke maatregelen in een beperkt aantal domeinen (gebruik van een luchtkwaliteitsmeter op bepaalde plaatsen, het internationaal reizen of het dragen van een masker op een beperkt aantal plaatsen of in een beperkt aantal inrichtingen). 3.
- De wet van 11 maart 2022 ‘tot opheffing van de instandhouding van de epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie’, tot slot, luidt het einde van de epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie in waaraan met artikel 2 ervan een einde wordt gemaakt. Bij artikel 3 van diezelfde wet wordt ook het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 opgeheven dat aldus buiten werking is getreden op diezelfde 11 maart 2022 (artikel 4). IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie wegens gebrek aan (actueel) belang Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de verzoekende partij geen enkele grief formuleert ten aanzien van het eerste bestreden besluit, dat het initiële door haar bestreden besluit is. Daarenboven is het voorwerp van het beroep integraal opgeheven met het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 zodat de door de verzoekende partij bestreden besluiten niet langer van kracht zijn en het beroep derhalve zonder voorwerp is. De verzoekende partij heeft ook geen uitbreiding van het voorwerp van het beroep gevraagd. Een partij heeft in beginsel geen actueel belang meer om de nietigverklaring te vorderen van een (bepaling van een) reglementair besluit dat in de loop van het geding werd opgeheven en vervangen door een ander besluit, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij een actueel belang bij het beroep heeft behouden. XIV-38.467-6/14 In haar laatste memorie wijst de verwerende partij er nog op dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord erkent dat haar beroep doelloos is geworden. De verzoekende partij verwijst verder naar nadelen die zij in het verleden zou hebben ondergaan maar die de vernietiging van de bestreden besluiten niet ongedaan kan maken noch, gelet op de opheffing ervan, voor de toekomst kan verhelpen. De verzoekende partij toont aldus niet aan welk concreet voordeel zij nog uit de vernietiging kan halen. In zoverre de verzoekende partij verwijst naar financiële nadelen die zij zou hebben geleden, geldt dat deze op zich niet hersteld kunnen worden door de inwilliging van het vernietigingsberoep en haar dus evenmin het vereiste actuele belang kunnen verschaffen. Ook een vermeend moreel voordeel, waarnaar de verzoekende partij geenszins verwijst, kan niet leiden tot het besluit dat zij nog over het vereiste actuele belang beschikt. Het gegeven dat de wetgever de bestuurshandelingen met beperkte geldingsduur niet heeft willen uitsluiten van het vernietigingscontentieux, kan de verzoekende partij niet vrijstellen van de vereiste om blijk te geven van een actueel belang.
- De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord dat zij wel (actueel) belang heeft bij het beroep. Zij benadrukt dat, in hoofdorde, niet het eerste bestreden besluit zoals het oorspronkelijk luidde wordt geviseerd maar wel zoals het is gewijzigd door het tweede en het derde ministerieel besluit. De verzoekende partij stelt dat zij “als cateraar actief is in de sector van de recepties en banketten met een privékarakter en uiteraard belang heeft bij het beroep nu zij ongelijk wordt behandeld”. Zij werd geconfronteerd met een enorme hoeveelheid annuleringen en verplaatsingen van geplande feesten. Dit betekent dat de feesten die gepland waren in 2020 allen verplaatst zijn naar 2021 dan wel 2022 of werden afgelast en zij derhalve een jaar aan inkomsten zal hebben misgelopen. Door de grote onduidelijkheid die de communicatie met zich meebracht, is het ook duidelijk dat meer en meer mensen afstappen van het idee om een trouwfeest of een babyborrel te geven nu zij vooruitzichten wensen. De verzoekende partij zet nog uiteen dat zij op geen enkele wijze aan haar cliënteel of werknemers kan duiden waarom de feesten die zij organiseert niet meer kunnen plaatsvinden, maar bijvoorbeeld wel een evenement buiten mag georganiseerd XIV-38.467-7/14 worden als dit toegankelijk is voor het publiek. Er is sprake van een ongelijkheid die in het voordeel speelt van bedrijven die een vaste locatie hebben waar zij events kunnen organiseren en in het nadeel van cateraars die niet over een vaste locatie beschikken. Zij stelt nog dat zij “op het ogenblik van neerlegging verzoekschrift, een actueel belang [had] bij de vernietiging van de bestreden ministeriële besluiten aangezien deze hebben geleid tot verliezen. Aangezien de bestreden ministeriële besluiten zijn ingetrokken [lees: opgeheven] dan wel gewijzigd, kan men het verzoek als doelloos beschouwen, maar blijven de bestreden ministeriële besluiten, minstens de door [de verzoekende partij] aangehaalde bepalingen onwettig”. De verzoekende partij stelt een actueel belang te hebben aangezien de geleden verliezen tot op vandaag een impact hebben : “[d]e MB’s zijn ingetrokken [lees: opgeheven] en hebben aldus momenteel geen uitwerking meer in de rechtsorde. Dit betekent echter niet dat de impact die deze gehad hebben gedurende de termijn dat ze golden, geen negatieve impact kan geressorteerd hebben.”. In haar laatste memorie repliceert ze nog dat haar belang nog steeds actueel is en zal blijven omdat “door het tijdsverloop van de bestreden ministeriële besluiten op geen enkele wijze duiding is gekomen bij het gemaakte onderscheid en de ongelijkheid die door [de verzoekende partij] wordt aangevochten en aangekaart”. Zij stelt nog dat het actueel belang erin is gelegen om zekerheid te krijgen dat het gemaakte onderscheid inderdaad niet correct gebeurde en moet vernietigd worden opdat zowel de verzoekende partij vooraleer ze haar verdere toekomst plant, haar personeel dat een carrièreswitch overweegt maar voornamelijk ook voor haar cliënteel, duidelijk zal zijn dat indien er opnieuw strengere maatregelen nodig zouden zijn, rekening zal moeten worden gehouden met het gegeven dat een dergelijk onderscheid niet opnieuw kan worden gemaakt. Beoordeling
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden XIV-38.467-8/14 gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.
- en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.).
- Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. XIV-38.467-9/14 Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen.
- Uit de voorgaande feitelijke context blijkt dat het bestreden besluit is opgeheven (cfr. supra, punt 3.4) en, meer nog, dat de epidemische noodsituatie sedert 11 maart 2022 bij wet is beëindigd (cfr. supra, punt 3.5). Het kan te dezen niet worden betwist dat de verzoekende partij met navolgende besluiten reeds heeft verkregen wat zij met het beroep tot nietigverklaring trachtte te bekomen (zie supra, de punten 3.3 tot 3.5). Bezien vanuit dat oogpunt kan een vernietiging van de bestreden beslissing de verzoekende partij niet tot voordeel strekken.
- De verzoekende partij verliest evenwel in dat geval niet noodzakelijk ingevolge deze gewijzigde feitelijke omstandigheden haar belang bij de nietigverklaring. Zoals hiervoor is aangenomen, kan de aard van het belang immers evolueren, maar de verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. XIV-38.467-10/14
- In haar memorie van wederantwoord in repliek op de aangevoerde exceptie situeert de verzoekende partij haar belang bij de vernietiging van de bestreden beslissingen in het gegeven dat zij ongelijk werd behandeld, dat geplande feesten werden verplaatst of afgelast en zij daardoor een jaar aan inkomsten zal zijn mislopen, dat feesten niet worden gepland omwille van de onduidelijkheid terwijl het cliënteel vooruitzichten wenst, dat zij het aangeklaagde verschil in behandeling op geen enkele wijze aan haar cliënteel of werknemers kan duiden en dat zij – niettegenstaande de opheffing ervan – een actueel belang behoudt “aangezien de geleden verliezen tot op vandaag een impact hebben”. Ze benadrukt in haar laatste memorie dat haar belang nog actueel is omdat “door het tijdsverloop van de bestreden ministeriële besluiten” op geen enkele wijze duiding is gekomen bij het gemaakte onderscheid en de ongelijkheid die door haar wordt aangevochten en aangekaart”. De door haar nagestreefde vernietiging beoogt zekerheid te krijgen dat het gemaakte onderscheid inderdaad niet correct gebeurde, moet worden vernietigd en (in de toekomst) indien er opnieuw strengere maatregelen nodig zouden zijn, dergelijk onderscheid niet opnieuw kan worden gemaakt. De verzoekende partij heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd afgebakend. Zij heeft het haar door de bestreden besluiten veroorzaakte nadeel in essentie opgevat als een financieel nadeel. De bestreden maatregelen – waarvan zij erkent dat deze inmiddels zijn “ingetrokken” [lees : opgeheven] en derhalve bij het sluiten van het debat niet langer gelden –, hebben haar een (financieel) nadeel berokkend aangezien feesten werden verplaatst, afgezegd of niet langer meer werden gepland waardoor zij een jaar inkomsten zou hebben misgelopen. Daarnaast situeert ze de actualiteit van haar belang bij een vernietiging van de inmiddels opgeheven maatregelen in de erkenning door een tussen te komen arrest dat het door de verwerende partij gemaakte onderscheid ondeugdelijk was, wat er volgens de verzoekende partij toe leidt dat het “in de toekomst” niet meer zou kunnen worden ingevoerd wanneer opnieuw strengere maatregelen zouden moeten worden genomen. XIV-38.467-11/14
- In de mate dat de verzoekende partij haar belang bij de vernietiging van de bestreden beslissingen ziet in het gegeven dat zij ongelijk werd behandeld, houdt de opheffing van de bestreden besluiten ook in dat het door haar gewraakte onderscheid inmiddels werd verlaten. Het gegeven dat kortlopende maatregelen zoals de bestreden bepalingen niet uit het annulatiecontentieux zijn uitgesloten, doet daaraan te dezen niet af. In de mate dat de verzoekende partij haar belang ziet in het beletten dat (in de toekomst) indien er opnieuw strengere maatregelen nodig zouden zijn, dergelijk onderscheid opnieuw kan worden gemaakt, kan de Raad van State er niet omheen dat met een wet van 11 maart 2022 ‘tot opheffing van de instandhouding van de epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie’, met uitwerking diezelfde dag, een einde is gekomen aan de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie (punt 3.5). De door de verzoekende partij gemaakte veronderstelling dat dergelijke noodmaatregelen met het daarin begrepen onderscheid opnieuw zou worden ingevoerd wanneer “opnieuw strengere maatregelen zouden moeten worden genomen” is dan ook louter hypothetisch, althans wat de coronavirus COVID-19 pandemie betreft ter bestrijding waarvan de bestreden maatregelen werden genomen, zodat haar belang in ieder geval niet langer actueel is. Overigens zal elke (toekomstige) epidemische noodsituatie wanneer die wordt afgekondigd, een eigen beoordeling vergen, onder meer wat de wijze van overdracht van de betrokken ziekte betreft, zodat onmogelijk kan worden vooruitgelopen op in de toekomst te nemen maatregelen en daarin te maken onderscheiden onder meer wat de sectoren betreft waarvoor maatregelen zich opdringen; net zomin als in het algemeen geldende gevolgtrekkingen zouden kunnen worden afgeleid uit eerder gemaakte onderscheiden tijdens een voorbije epidemische noodsituatie. Voorts, hoewel het enkele feit dat de bestreden maatregelen uitgewerkt en definitief opgeheven zijn niet noodzakelijk inhoudt dat het beroep XIV-38.467-12/14 zonder voorwerp is – de opheffing van het eerste bestreden besluit zoals het werd gewijzigd door het tweede en het derde bestreden besluit geldt immers enkel voor de toekomst en houdt niet in dat zij ab initio werden ingetrokken –, dient vastgesteld dat de verzoekende partij evenmin nog belang heeft bij het door haar ingestelde beroep in de mate de bestreden beslissingen in het verleden toepassing hebben gevonden waardoor zij een financieel nadeel heeft geleden. Zulks impliceert op zich niet dat de verzoekende partij haar actueel belang behoudt. In dat geval is het gebeurlijk belang bij het voortzetten van de procedure immers niet te onderscheiden van het belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissingen om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Zoals hiervoor is gesteld (supra, punt 7), is een dergelijk belang onvoldoende. Tot slot, in zoverre de verzoekende partij in haar laatste memorie nog stelt dat zij “door het tijdsverloop van de bestreden ministeriële besluiten” op geen enkele wijze zekerheid heeft gekregen omtrent het gemaakte onderscheid en de ongelijkheid die door haar wordt aangeklaagd”, is wat zij aldus met de gevraagde nietigverklaring nog zegt na te streven niet méér dan het voordeel om derden te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft evenmin een karakter dat valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij geen nuttige gegevens ter beoordeling aanvoert die kunnen aantonen dat zij in de concrete omstandigheden van de zaak nog een belang bij de nietigverklaring heeft. De exceptie is gegrond.
- Het beroep tot nietigverklaring is niet-ontvankelijk. XIV-38.467-13/14 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.467-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.943 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div