← België

Arrest 255957 - Kansspelen - 06/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.957 Rolnummer: A. 238494/VII-41929 Zaak: Arrest 255957 - Kansspelen - 06/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-09 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-19 11:37 Fiche Arrest nr 255.957 van 6 maart 2023 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.957 van 6 maart 2023 in de zaak A. 238.494/VII-41.929 In zake: de BV MIROSTIEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Van Damme en Dries Pattyn kantoor houdend te 8200 Brugge Rijselstraat 274 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Henry Van Burm kantoor houdend te 9830 Sint-Martens-Latem K. L. Maenhoutstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 22 februari 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent van 2 februari 2023 om geen convenant af te sluiten met de bv Mirostien voor het exploiteren van een kansspelinrichting klasse IV, gelegen aan de Kunstenaarstraat 2 te Gent (Sint-Amandsberg). Tevens vraagt de verzoekende partij als voorlopige maatregel de verwerende partij “te bevelen om uiterlijk 14 dagen na de kennisgeving van [het] arrest, ter heroverweging van de bestreden beslissing een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag […] tot het afsluiten van een convenant”. VII-41.929-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 maart 2023, om 14 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dries Pattyn, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Kevin Poelman, die loco advocaat Henry Van Burm verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verzoekende partij exploiteert een kansspelinrichting klasse IV aan de Kunstenaarstraat 2 te Gent (Sint-Amandsberg). Op dat adres baat zij ook een dagbladhandel en een wassalon uit. 3.
  5. Naar luid van artikel 4, § 1, van de wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ (hierna: kansspelwet) is het verboden om een kansspelinrichting te exploiteren zonder voorafgaande vergunning van de Kansspelcommissie die overeenkomstig deze wet is toegestaan en behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald. VII-41.929-2/8 Overeenkomstig artikel 25, punt 7, van de kansspelwet, is voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse IV een vergunning klasse F2 vereist, die telkens voor hernieuwbare periodes van drie jaar kan worden aangevraagd. Volgens 43/4, § 1, vierde lid, van de kansspelwet moet de uitbating van een (vaste) kansspelinrichting klasse IV geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. 3.
  6. Voor haar kansspelinrichting beschikt de verzoekende partij over een kansspelvergunning klasse F
  7. Deze vergunning werd verleend voor de periode van 19 februari 2020 tot 19 februari
  8. 3.
  9. In het kader van de hernieuwing van de kansspelvergunning vraagt zij op 1 december 2022 aan de stad Gent om een convenant af te sluiten. 3.
  10. Met een besluit van 2 februari 2023 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent om het convenant af te sluiten. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  11. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-41.929-3/8 Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de verzoekende partij
  12. Ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid betoogt de verzoekende partij dat zij “door de bestreden beslissing haar belangrijkste ondernemingsactiviteit [moet] staken, waardoor haar continuïteit ernstig wordt bedreigd”. In ondergeschikte orde voert zij aan dat de bestreden beslissing “een onrechtmatige inbreuk [vormt] op haar economische rechten en vrijheden […], zodat [zij] op grond van het Unierecht recht heeft op rechtsherstel”. Volgens de verzoekende partij leidt de gedwongen stopzetting van het wedkantoor met ingang van 20 februari 2023 tot een “onherstelbaar financieel nadeel”. Zij tracht dat nadeel de staven door te verwijzen naar de resultaten van de jaarrekening over het boekjaar 2021 en de “voorlopige interne jaarrekening” voor het boekjaar
  13. Daaruit blijkt volgens haar, samengevat, dat “[d]e boekhoudkundige waardering in discontinuïteit van deze activa [...] de kredietwaardigheid […] onherstelbaar [zal] aantasten”, dat er “[z]onder opbrengsten uit het wedkantoor [...] een ernstig boekhoudkundig bedrijfsverlies [is]”, dat “[d]e sluiting van het wedkantoor [...] op korte termijn de solvabiliteit en de rentabiliteit [bedreigt]” en eveneens “op korte termijn tot de staking van betaling en de bedreiging van de continuïteit [leidt]”. Beoordeling
  14. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. VII-41.929-4/8 Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moeten feitelijke gegevens bijgebracht worden die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  15. In wezen beroept de verzoekende partij zich op de financiële gevolgen die door de bestreden beslissing worden teweeggebracht. Een financieel nadeel volstaat in beginsel niet om de behandeling van een zaak bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf door de bestreden beslissing ernstig in gevaar wordt gebracht. VII-41.929-5/8
  16. Gewis kan aangenomen worden dat de onmiddellijke sluiting van het wedkantoor belangrijke repercussies heeft op de bedrijfsactiviteiten die de verzoekende partij heeft ontwikkeld. Die enkele vaststelling volstaat evenwel niet om het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid aan te nemen. In het kader van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet de verzoekende partij immers aannemelijk maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing die pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden bevolen, onherroepelijk te laat zou komen om het beweerde nadeel op te vangen of haar belangen veilig te stellen.
  17. In zoverre de verzoekende partij in haar verzoekschrift wijst op de boekhoudkundige waardering in discontinuïteit van de activa van het wedkantoor waardoor haar kredietwaardigheid onherstelbaar zal worden aangetast, moet ervan worden uitgegaan dat die boekhoudkundige waardering slechts zal plaatsvinden na het afsluiten van het boekjaar waarin de exploitatie van de kansspelinrichting werd stopgezet. Volgens de door de verzoekende partij verstrekte gegevens eindigt dat boekjaar op 31 december
  18. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat tegen voormelde datum geen arrest over een gewone vordering tot schorsing verwacht kan worden. Dezelfde bedenkingen gelden voor het “ernstig boekhoudkundig bedrijfsverlies” waarvan de verzoekende partij gewag maakt. Voorts maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de sluiting van het wedkantoor gedurende enkele maanden onherroepelijk leidt tot een “staking van betaling” en een discontinuïteit van alle bedrijfsactiviteiten. In dit verband wordt in de eerste plaats vastgesteld dat de kansspelinrichting niet haar enige noch belangrijkste bedrijfsactiviteit is. Zij stelt uit die activiteit in 2021 78.416,05 euro commissielonen te hebben ontvangen, met een uiteindelijke brutomarge van 35.255,88 euro. Voor het boekjaar 2022 berekent zij die commissielonen op 159.094,98 euro en een brutomarge van 104.373,78 euro. Daartegenover staat echter dat zij uit haar dagbladhandel (en wassalon) een jaarlijkse omzet van ongeveer 1,2 miljoen euro haalt, met brutomarges van 119.041,34 euro in 2021 en 186.245,38 euro in
  19. Dat de exploitatie van de VII-41.929-6/8 dagbladhandel wel degelijk haar hoofdactiviteit vormt blijkt tevens uit het uittreksel van de Kruispuntbank van Ondernemingen waarin haar RSZ-activiteit wordt omschreven als “detailhandel in kranten en kantoorbehoeften in gespecialiseerde winkels” (Nacebelcode RSZ2008 47.620). Tot slot baseert de verzoekende partij haar uiteenzetting op “vaste kosten”, waaronder personeelskosten, die ongewijzigd zouden blijven in geval van een stopzetting van een gedeelte van haar bedrijfsactiviteiten. Allerminst kan aangenomen worden dat de verzoekende partij gedwongen zou zijn om de kosten die specifiek verbonden zijn aan de exploitatie van het wedkantoor verder te dragen, terwijl die kosten in beginsel afsplitsbaar zijn van de andere handelsactiviteiten die voortgezet kunnen worden.
  20. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij door de bestreden beslissing in haar voortbestaan wordt bedreigd en dat het doorlopen van een gewone schorsingsprocedure niet volstaat om haar belangen veilig te stellen.
  21. In zoverre de verzoekende partij zich beroept op het “voorrangsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte”, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die er zich tegen zouden verzetten dat “een nationale regeling, zoals artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-wet, waarbij een vordering tot schorsing of een vergelijkbare vordering in kort geding, kan worden verworpen wegens een gebrek aan spoedeisendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid, indien een ernstige en voortdurende aantasting van de rechten en vrijheden van het Unierecht vaststaat”, wordt - daargelaten de uitlegging die gegeven moet worden aan de aangehaalde Europeesrechtelijke bepalingen en de directe werking ervan - vooralsnog niet aangenomen dat een gewone vordering tot schorsing bij de Raad van State niet als een ‘doeltreffende voorziening’ kan worden beschouwd die ‘daadwerkelijke rechtsbescherming’ biedt en dat die VII-41.929-7/8 predicaten enkel voorbehouden zouden zijn aan een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  22. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. V. Voorlopige maatregel
  23. De verwerping van de hoofdvordering brengt de verwerping mee van de bijkomstige vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.929-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.957 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.739 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.419 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.