← België

Arrest 255959 - Varia (economische zaken) - 06/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.959 Rolnummer: A. 231828/XIV-38491 Zaak: Arrest 255959 - Varia (economische zaken) - 06/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-19 11:37 Fiche Arrest nr 255.959 van 6 maart 2023 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.959 van 6 maart 2023 in de zaak A. 231.828/XIV-38.491 In zake : de BV GPS LINE (voorheen: de NV GPS LINE) woonplaats kiezend te 2900 Schoten Heidebloemlei 48 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 18 september 2020, strekt tot de nietigverklaring van de “totaal verkeerde dossierbehandeling”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij tussenarrest nr. 250.895 van 14 juni 2021 wordt de zaak verwezen naar de gewone rechtspleging. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederik Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-38.491-1/6 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december 2022 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marc De Decker en zaakvoerder Stephaan De Roeck, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Nina Baeten, die loco advocaat Steven Van Geerteruyen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. In het kader van het pilootproject “Estuaire vaart” (medio 2005), beschreven in het bestek 16EP-HS-3/2005 onder de benaming ‘verzekeren van estuaire vaart met container binnenvaartschepen van en naar Zeebrugge en de container binnenvaartverbinding van en naar de Vlaamse kusthavens’, dient de verzoekende partij een offerte in. In die offerte wordt opgegeven hoe zij de estuaire verbinding zou realiseren, met een gedetailleerde opgave van de daaraan verbonden kosten en de gevraagde exploitatietoelage per equivalente TEU eenheidsvergoeding. XIV-38.491-2/6 Kandidaat-dienstverleners konden in dat kader eenmalig een beroep doen op een in het bestek beschreven investeringstoelage om estuaire schepen te laten bouwen en/of bestaande schepen om te bouwen. Daarnaast konden deze kandidaat-dienstverleners gedurende de opstartperiode van drie jaar een variabele steun per werkelijk vervoerde containers krijgen. Conform de bepalingen van het bestek 16EP-HS-3/2005 dienden een aantal kandidaat-dienstverleners, waaronder de verzoekende partij, hun kandidatuur in om als dienstverlener te opereren in het estuaire project. Drie dienstverleners waaronder de verzoekende partij werden geselecteerd en met deze dienstverleners is “eind 2007” op basis van de door hun ingediende offerte “een Overeenkomst betoelaging estuaire vaart” onderhandeld en afgesloten. 3.
  5. Binnen het raam van die overeenkomst ontstaat een juridisch dispuut tussen de verzoekende partij over de uitbetaling van exploitatiesubsidies met het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Waterwegen en Zeekanaal nv, rechtsvoorganger van De Vlaamse Waterweg nv omdat “[a]an de verplichting tot betaling van de subsidies […] niet [werd] voldaan”. Dit conflict werd gebracht voor de justitiële rechtscolleges waarbij Waterwegen en Zeekanaal nv (thans: De Vlaamse Waterweg) in het gelijk werd gesteld bij een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 september
  6. Het door de verzoekende partij tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep werd door het Hof van Cassatie verworpen bij zijn arrest nr. C.14.0132.N van 23 maart
  7. 3.
  8. Nadien vindt nog briefwisseling plaats tussen de verzoekende partij en Waterwegen en Zeekanaal nv (thans: De Vlaamse Waterweg) waarbij deze door de verzoekende partij in gebreke wordt gesteld omdat zij “nog geen 10% van de exploitatiesubsidie” heeft ontvangen en waarin zij gewag maakt van een fout in de zin van artikel 1382 van het (oud) Burgerlijk Wetboek. Deze laatste XIV-38.491-3/6 antwoordt in een brief van 13 november 2017 dat van enige ((pre)contractuele) aansprakelijkheid geen sprake is. De verzoekende partij schrijft tot slot ook de verwerende partij aan die in een e-mail van 17 december 2019 verwijst naar het eerder tussengekomen vonnis en de daaropvolgende arresten en waarin zij de verzoekende partij vraagt te berusten. Deze reageert met een e-mail van 2 februari 2020 waarin zij stelt dat in die procedures berusten een “schending van de rechtsstaat” zou zijn. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie wegens gebrek aan procesbevoegdheid in hoofde van de verzoekende partij
  9. In zijn tussenarrest nr. 250.895 van 14 juni 2021 heeft de Raad van State geoordeeld dat alvorens zich over het ingediende beroep tot nietigverklaring uit te spreken, de vraag moest worden uitgeklaard of het voorliggende beroep tot nietigverklaring werd ingesteld door een persoon – te dezen, niet door een advocaat maar door Stephaan De Roeck – die daartoe over de vereiste kwaliteit of hoedanigheid beschikt en derhalve of de verzoekende partij die een rechtspersoon is, regelmatig in rechte is getreden.
  10. In haar memorie van antwoord, wat zij herneemt in haar laatste memorie, roept de verwerende partij meerdere excepties in – met name geen aanvechting van een concrete administratieve rechtshandeling in de zin van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, laattijdigheid van het ingediende beroep, afwezigheid van rechtsmacht – evenals een exceptie wegens gebrek aan procesbevoegdheid. Zij stelt dat het voorliggende beroep niet ontvankelijk is omdat geen enkel bewijs voorligt dat de beslissing om het verzoekschrift in te dienen, werd genomen door het daartoe bevoegd orgaan van de verzoekende partij. XIV-38.491-4/6
  11. De verzoekende partij verzuimt daarop te repliceren in haar memorie van wederantwoord. Zij neemt evenmin de gelegenheid te baat om, na het voor haar ongunstige auditoraatsverslag, nog een laatste memorie in te dienen. Beoordeling
  12. Krachtens artikel 19, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt “behoudens bewijs van het tegendeel, de advocaat verondersteld gemandateerd te zijn door de handelingsbekwame persoon die hij beweert te vertegenwoordigen”.
  13. Te dezen is het beroep niet ingesteld door een advocaat doch door Stephaan De Roeck. Indien namens een rechtspersoon een verzoekschrift wordt ingediend dat, zoals te dezen, niet door een advocaat wordt ondertekend, is vereist dat het verzoekschrift wordt ondertekend door de organen die bevoegd zijn om de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen, minstens moet dat wettelijk of statutair daarvoor bevoegd orgaan van de rechtspersoon tijdig de beslissing genomen hebben om in rechte te treden. Overeenkomstig artikel 3, 4°, van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de algemene procedureregeling) moet een verzoekende partij, wanneer zij een rechtspersoon is, bij haar verzoekschrift een afschrift van de geldende statuten en van de akte van aanstelling van haar organen voegen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan heeft beslist om in rechte te treden. De verzoekende partij heeft nagelaten om de noodzakelijke stukken bij te brengen waaruit blijkt dat Stephaan De Roeck de bv GPS Line regelmatig kon vertegenwoordigen.
  14. De exceptie is gegrond. XIV-38.491-5/6 Het beroep is niet-ontvankelijk BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het beroep.
  16. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.491-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.959 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.895 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.