← België

Arrest 255960 - Niet begeleide minderjarigen - 06/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.960 Rolnummer: A. 234805/VII-41486 Zaak: Arrest 255960 - Niet begeleide minderjarigen - 06/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-09 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-19 11:37 Fiche Arrest nr 255.960 van 6 maart 2023 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 255.960 van 6 maart 2023 in de zaak A. 234.805/VII-41.486 In zake: Hematullah IBRAHIMKHEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Louise Zwart kantoor houdend te 1060 Brussel Roemeniëstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 14 oktober 2021 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 19 augustus 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. VII-41.486-1/9 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 5 december 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 9 februari
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker komt België binnen en hij dient op 3 augustus 2021 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 31 augustus
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. VII-41.486-2/9 De dienst Vreemdelingenzaken deelt de dienst Voogdij op 16 augustus 2021 informatie mee volgens welke verzoeker reeds internationale bescherming heeft gevraagd in Griekenland en Oostenrijk en verzoeker in Oostenrijk heeft verklaard geboren te zijn op 1 januari
  7. Op vraag van de dienst Voogdij ondergaat verzoeker op 17 augustus 2021 in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker meer dan 18 jaar is. Op 19 augustus 2021 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker werpt in een enig middel een schending op van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van de artikelen 2, 3 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind, van “het algemeen beginsel van voorzichtigheid” en van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van redelijkheid en zorgvuldigheid”. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat naar luid van artikel 7, § 3, van de voogdijwet in geval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, rekening wordt gehouden met de jongste leeftijd. Volgens verzoeker zijn de op hem uitgevoerde onderzoeken, te weten een radiografie van de tanden, een radiografie van de sleutelbeenderen en een hand-polsradiografie, VII-41.486-3/9 “zowel wetenschappelijk als politiek gezien twijfelachtig en dubieus” om een leeftijd te schatten. Hij citeert daartoe een bijdrage uit een juridisch tijdschrift en een rapport van de Raad van Europa. Verzoeker laat gelden dat inhoudelijk twijfel bestaat over de uitgevoerde medische tests waar te dezen de hand-polsradiografie aangeeft dat “de skelettale leeftijd geschat kan worden met een redelijke zekerheid op 19 jaar of ouder” en dat “een standaard deviatie van 1.5 jaar […] hierbij [dient] gerespecteerd te worden”, de radiografie van de sleutelbeenderen een leeftijd aangeeft van “28.5 jaar met een standaarddeviatie van 1.5 jaar” en het tandheelkundig onderzoek een leeftijd aangeeft van “22.5 jaar met een standaarddeviatie van 1.7 jaar”. Volgens verzoeker geeft de verwerende partij niet aan waarom zij van mening is dat verzoeker een minimumleeftijd heeft van 28,5 jaar met een standaarddeviatie van 1,5 jaar, terwijl de medische tests aantonen dat het niet zo is. De bestreden beslissing is gesteund op een medisch rapport dat twee van de drie tests buiten beschouwing laat, zodat verzoeker de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, artikel 7, § 3, van de voogdijwet en de aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur geschonden acht. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 zijn geschonden omdat het medisch verslag hem niet tegelijk met de bestreden beslissing ter kennis werd gesteld. In een derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat hij geen Nederlands, Frans of Engels doch enkel Pashtoe verstaat en dat noch een voogd noch een tolk aanwezig was toen de medische tests werden uitgevoerd. In die omstandigheden kan geen sprake zijn van toestemming voor een bepaald klinisch onderzoek vermits verzoeker hierover niet uitgebreid werd geïnformeerd in een taal die hij begrijpt. Zodoende acht verzoeker de motivering van de bestreden beslissing onwettig. In een vierde middelonderdeel voert verzoeker aan dat hij ten onrechte als een meerderjarige wordt behandeld, ook tijdens de procedure van zijn VII-41.486-4/9 asielaanvraag, dat geen voogd wordt aangesteld om hem bij te staan en dat de rechten van de minderjarige dus niet als doorslaggevende leidraad hebben gediend bij het nemen van de bestreden beslissing. Verzoeker acht derhalve artikel 2, § 2, van de voogdijwet en artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind geschonden. In een vijfde middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing voor hem moeilijk te begrijpen is. Hij kan moeilijk vatten dat de Belgische Staat twijfelt aan zijn leeftijd en volgens hem past het de bestreden beslissing te vernietigen. Beoordeling
  9. Naar luid van artikel 7, §1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de (on)betrouwbaarheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling en verwijst in het bijzonder naar een standpunt in de rechtsleer en een rapport van de Raad van Europa. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Het medisch verslag bevat een uitgebreide uiteenzetting betreffende de gebruikte methodologie. VII-41.486-5/9 Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Uit het verslag van het medisch onderzoek blijkt dat de arts zich steunt op een drieledig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen wordt in de eindconclusie van het medisch onderzoek besloten tot “een leeftijd […] van ouder dan 18 jaar waarbij 28.5 jaar met een standaarddeviatie van 1.5 jaar een goede schatting is”. Anders dan verzoeker voorhoudt, valt niet in te zien waarom deze conclusie in strijd zou zijn met de resultaten van de afzonderlijke onderzoeken. Zo wordt met betrekking tot de handpols-radiografie aangegeven dat er “een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet”, dat “de skelettale leeftijd geschat [kan] worden met een redelijke zekerheid op 19 jaar of ouder”, dat “een standaard deviatie van ongeveer 1.5 jaar […] hierbij [dient] gerespecteerd te worden, althans voor de beneden grens” doch dat “voor de bovengrens […] deze veel hoger [kan] liggen, aangezien met toenemende leeftijd er geen veranderingen meer optreden in het polsgewricht. Uit de beide andere onderzoeken blijkt geen leeftijd, jonger dan 18 jaar. Verzoeker beperkt zich tot het in vraag stellen van de eindconclusie doch hij brengt geen concrete en wetenschappelijk onderbouwde elementen aan waaruit kan blijken dat die eindconclusie, na een weging van de verschillende onderzoeksresultaten, willekeurig, foutief of onbetrouwbaar zou zijn. VII-41.486-6/9 Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
  10. Verzoeker blijkt kennis te hebben van het medisch verslag vermits hij een kopie bij het verzoekschrift tot nietigverklaring voegt en hij gedetailleerde kritiek geeft op de inhoud ervan. Hij heeft wat dat betreft derhalve geen belang bij het inroepen van een mogelijke schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
  11. Hoe dan ook is de bestreden beslissing, wat het medisch onderzoek betreft, formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
  12. Noch de voogdijwet noch het uitvoeringsbesluit voorziet de verplichte aanwezigheid van een tolk bij de uitvoering van de medische onderzoeken. Uit de fiche niet-begeleide minderjarige, die deel uitmaakt van het administratief dossier, blijkt dat verzoeker op de hoogte werd gesteld van de twijfel van de dienst Vreemdelingenzaken aan verzoekers voorgehouden leeftijd, dat verzoeker documenten heeft ontvangen over het verloop van de leeftijdstest en dat verzoeker zich niet verzette tegen de uitvoering van de leeftijdstest. Verder blijkt uit het medisch verslag dat verzoeker zijn medewerking heeft verleend aan de uitvoering van de onderzoeken. Het derde middelonderdeel is ongegrond. VII-41.486-7/9
  13. Daargelaten de vraag naar de directe werking van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind in het Belgische recht, blijkt uit de bestreden beslissing dat verzoeker meer dan 18 jaar is. Verzoeker toont de onwettigheid van deze vaststelling niet aan, zodat hij zich niet op die verdragsbepaling kan beroepen, noch op artikel 2, § 2 van de voogdijwet. Het vierde middelonderdeel is niet-ontvankelijk.
  14. Enkel met de kritiek dat de bestreden beslissing “moeilijk te begrijpen” is, toont verzoeker geen onwettigheid ervan aan, a fortiori niet nu zijn overige kritiek in het middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is bevonden, in het bijzonder wat de formele motivering van de bestreden beslissing betreft. Het vijfde middelonderdeel is niet-ontvankelijk, minstens ongegrond. VI. Over de vordering tot schorsing
  15. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  17. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. VII-41.486-8/9
  18. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.486-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.960 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.