← België

Arrest 255970 - Sluitingen van vestigingen - 07/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.970 Rolnummer: A. 238506/X-18348 Zaak: Arrest 255970 - Sluitingen van vestigingen - 07/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-09 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-19 11:37 Fiche Arrest nr 255.970 van 7 maart 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 255.970 van 7 maart 2023 in de zaak A. 238.506/X-18.348 In zake: de BV SAAD CONSULTING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chris Schijns kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Philippe Dreesen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 23 februari 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de burgemeester van de Stad Genk van 17 februari 2023 dat de tijdelijke en voorwaardelijke vergunning van 19 september 2022 voor de uitbating van een handcarwash te 3600 Genk, Maaseikerbaan 16, vervallen is. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 maart 2023, om 11.00 uur. X-18.348-1/7 Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Philippe Dreesen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoekster baat een handcarwash uit te Genk, Maaseikerbaan
  5. Nadat de gemeenteraad op 1 juli 2021 een ‘reglement op de handcarwashes’ invoerde, vraagt verzoekster op 22 februari 2022 een uitbatingsvergunning voor een handcarwash aan. Gelet op de melding door het arbeidsauditoraat Antwerpen, afdeling Hasselt, van 9 maart 2022 van sociaalrechtelijke inbreuken door verzoekster, deelt de verwerende partij haar op 11 maart 2022 mee dat geen uitbatingsvergunning kan worden verleend. Na verzoeker op 5 april 2022 gehoord te hebben, geeft de burgemeester op 9 mei 2022 alsnog een uitbatingsvergunning onder voorwaarden. Op 4 juli 2022 wordt verzoekster ingelicht over het verval van de vergunning van 9 mei 2022 omdat de voorwaarden ervan niet werden nageleefd. X-18.348-2/7
  6. Verzoekster vraagt op 19 juli 2022 opnieuw een uitbatingsvergunning voor een handcarwash aan. Volgens een verslag van het arbeidsauditoraat Antwerpen, afdeling Hasselt, van 25 augustus 2022 blijft verzoekster zich niet aan de sociaal- en arbeidsrechtelijke verplichtingen houden. Gevolg gevend aan de vraag van verzoekster, tijdens het verhoor van 8 september 2022, om haar “een laatste kans” te gunnen, verleent de burgemeester haar op 19 september 2022 een tijdelijke uitbatingsvergunning voor zes maanden, onder voorwaarden. Door de politiezone Carma wordt in een bestuurlijk verslag van 17 januari 2023 aan de burgemeester meegedeeld dat verzoekster zich niet houdt aan de voorwaarden in de uitbatingsvergunning van 19 september
  7. Verzoekster wordt hierover op 6 februari 2023 gehoord en op 17 februari 2023 besluit de burgemeester, met de bestreden beslissing, tot het verval van de uitbatingsvergunning van 19 september
  8. IV. Schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. X-18.348-3/7 V. Voorwaarde van een ernstig middel Uiteenzetting van verzoekster
  10. Verzoekster leidt een enig middel af uit de schending van “de artikelen 2 en 3 van de Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van 29 juli 1991 […]; de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; de hoorplicht, de rechten van verdediging”. Tevens wordt machtsafwending aangevoerd. Concreet betoogt verzoekster in zeven punten dat de motieven van de bestreden beslissing niet bewezen en niet draagkrachtig zijn: 1) uit niets blijkt dat er sprake is van inbreuken op de arbeidswetgeving; 2) ten tijde van de bestreden beslissing blijkt niet dat er enig proces-verbaal tegen verzoekster is opgesteld waaruit een inbreuk op de arbeidswetgeving zou blijken; 3) de “historiek van het dossier inzake structureel verzaken aan de sociaalrechtelijke verplichtingen” kan op zich niet volstaan om de bestreden beslissing te schragen; 4) verzoekster heeft een zeer aannemelijke verklaring gedaan inzake de vermeende feiten die in het bestuurlijk verslag worden beschreven; 5) aan verzoekster ontgaat de relevantie van de vermelding dat er slechts twee controleacties zouden zijn uitgevoerd door de politiezone Carma; 6) uit niets blijkt welke uitbatingsvoorwaarden geschonden zijn, minstens ontbreekt elke motivering ter zake; 7) in zoverre in de bestreden beslissing wordt overwogen dat besloten is tot het verval van de uitbatingsvergunning en dat nochtans verzoekster meerdere kansen kreeg om zich in regel te stellen, is de motivering vaag en betreft ze een loutere stijlformule. X-18.348-4/7 Beoordeling
  11. De directe aanleiding tot het bestreden verval is het bestuurlijk verslag van de politie van 17 januari 2023, en meer bepaald de vaststelling daarin dat verzoekster een voertuig reinigde en daar betaling voor ontving, zonder er een BTW-bon voor uit te reiken en zonder er melding van te maken in het logboek met betrekking tot de gewassen voertuigen. Het bijhouden van dat logboek was één van de voorwaarden waaronder de burgemeester verzoekster op 19 september 2022 een voorwaardelijke uitbatingsvergunning voor haar handcarwash uitreikte. Volgens de uitbatingsvergunning vervalt de vergunning automatisch wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd. Verwijzend naar onder meer de feiten in het bestuurlijk verslag en naar dat automatische verval, besluit de burgemeester in de bestreden beslissing “dat de tijdelijke en voorwaardelijke vergunning d.d. 19 september 2022 ten verval komt”. Gelet op de antecedenten van de zaak voegt hij er aan toe dat niettemin verschillende kansen aan verzoekster zijn geboden om zich aan de regels te conformeren.
  12. Op het eerste gezicht mist het grond dat nergens uit zou blijken aan welke uitbatingsvoorwaarden tekort is gekomen en kan, gelet op de voorgaanden te dezen (zie sub 3 en 4) niet worden bijgevallen dat de verwijzing naar de geboden kansen onbegrijpelijk zou zijn voor verzoekster.
  13. Naar de mening van verzoekster heeft zij “een zeer aannemelijke verklaring gedaan inzake de vermeende feiten zoals beschreven in het kwestieus bestuurlijk verslag”. Volgens die verklaring is er sprake van diefstal door een werknemer, die daarom is ontslagen. Het gaat op het eerste gezicht niet om “vermeende” feiten. Het lijkt voorts niet onterecht ze aan verzoekster toe te rekenen. In dit verband verwijst X-18.348-5/7 de verwerende partij er in de nota op dat geen aangifte bij de politie wegens diefstal wordt bijgebracht, noch het bewijs van een ontslag om die reden.
  14. Wat het gebrek aan bewijs van inbreuken op de arbeidswetgeving betreft, begrijpt de Raad van State vooralsnog uit de bestreden beslissing dat ze ook niet op zulke inbreuken steunt. Zoals de beslissing immers aangeeft, is uit navraag bij de sociale inspectiediensten gebleken dat omtrent die inbreuken verder onderzoek noodzakelijk is. Het verval lijkt wezenlijk ingegeven door “de feiten beschreven in het bestuurlijk verslag” en dus de niet-naleving van de uitbatingsvoorwaarde in de vergunning van 19 september 2022 van het correct bijhouden van een logboek. Het doet bijgevolg niet ter zake dat er jegens verzoekster noch door de sociaal inspecteur noch door de RSZ een proces-verbaal zou zijn opgesteld met betrekking tot een inbreuk op de arbeidswetgeving. Ook is het op het eerste gezicht niet pertinent te doen gelden dat de omstandigheid “dat er zich in het verleden mogelijks onzorgvuldigheden hebben gemanifesteerd omtrent de sociaalrechtelijke verplichtingen” niet “op zich” volstaat om de bestreden beslissing te schragen. Zoals gezien, is het dragende motief voor het bestreden verval niet deze omstandigheid, maar de niet-naleving van de voorwaarden in de uitbatingsvergunning van 19 september
  15. De overweging in de bestreden beslissing “dat PZ Carma slechts 2 controleacties meldt tijdens de vergunningsperiode: met de sociale inspectiediensten op 15 oktober 2022 en op 16 december 2022” is geen decisief motief. De gebeurlijke onjuistheid ervan lijkt hoe dan ook niet van aard om de onwettigheid van de bestreden beslissing te doen aannemen.
  16. Uit wat voorafgaat, volgt dat het enige middel niet ernstig is en dat bijgevolg aan minstens één van de cumulatieve voorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet is voldaan. Deze vaststelling volstaat om de vordering in haar geheel te verwerpen. X-18.348-6/7 BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  18. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-18.348-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.