← België

Arrest 255972 - Sluitingen van vestigingen - 07/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.972 Rolnummer: A. 232875/X-17895 Zaak: Arrest 255972 - Sluitingen van vestigingen - 07/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-14 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 08:34 Fiche Arrest nr 255.972 van 7 maart 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 255.972 van 7 maart 2023 in de zaak A. 232.875/X-17.895 In zake : GCV CHAUDHRY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Annelies Uytterhaegen kantoor houdend te 9550 Hillegem Provincieweg 477 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ROESELARE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp

  1. Het beroep, ingesteld op 9 februari 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Roeselare van 13 januari 2021 tot sluiting van de nachtwinkel Chaudhry, Meensesteenweg 189, Roeselare, voor een duur van twee maanden, tot en met 7 maart
  2. Tevens vraagt verzoekster op 14 december 2021 de toekenning van een schadevergoeding tot herstel “begroot op twee maanden gederfde inkomsten”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 251.265 van 15 juli 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-17.895-1/7 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 oktober
  4. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bo Denis, die loco advocaat Annelies Uytterhaegen verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Matthias Boydens, die loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Om de besmettingen met het coronavirus COVID-19 en de exponentiële groei van de betrokken epidemie tegen te gaan, voorziet het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken” (hierna: het ministerieel X-17.895-2/7 besluit van 28 oktober 2020) onder meer in het verbod – in artikel 11 – om in alle inrichtingen alcoholische dranken te verkopen vanaf 20.00 u tot 05.00 u. Artikel 27, § 1, eerste lid, schrijft voor dat de lokale overheden en de overheden van bestuurlijke politie belast zijn met de uitvoering van het ministerieel besluit.
  7. Verzoekster baat te Roeselare, Meensesteenweg 189, een nachtwinkel uit. Op 8 januari 2021, om 21.04 u, stelt de politie vast dat in de winkel bierbakken, -flessen en -blikken “vrij” staan. Volgens het proces-verbaal, waarbij foto’s gevoegd zijn, dacht de verantwoordelijke “dat zijn winkel in orde was”. De burgemeester van Roeselare beslist op 13 januari 2021 “tot het sluiten van de nachtwinkel Chaudry, Meensesteenweg 189, Roeselare omdat de geformuleerde voorzorgsmaatregelen in het M.B. van 28 oktober 2020 (houdende de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken) niet gerespecteerd worden”. De burgemeester legt een sluitingsduur op van twee maanden, tot en met 7 maart
  8. Onder meer overweegt hij: “Een duurtijd van 2 maanden is proportioneel. De uitbater haalde immers aan dat hij dacht dat zijn winkel in orde was terwijl hij reeds eerder op zijn tekortkomingen was ge[wezen] en er zelfs voor gesanctioneerd werd.” IV. Beroep tot nietigverklaring Uiteenzetting van verzoekster
  9. Verzoekster leidt in het verzoekschrift een enig middel af uit “de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 28 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”. X-17.895-3/7 In de eerste plaats wordt toegelicht dat het evenredigheidsbeginsel geschonden is. De maatregel is niet aangepast aan de ernst van de bedreiging en er bestaat een onevenredigheid tussen de beperking van de vrijheid en de ordeverstoring die moet worden tegengegaan. De verwerende partij brengt geen gegevens bij die aantonen dat de openbare orde daadwerkelijk verstoord werd. Zij liet, volgens verzoekster, na te onderzoeken of de maatregel wel nuttig, noodzakelijk en de minst ingrijpende is. Verzoekster heeft geen aanmaning of schrijven ontvangen over de schending van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 en mocht geen poging ondervinden “om haar zogenaamd ongepaste gedrag te corrigeren”. Bovendien is, aldus verzoekster, het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden en heeft de verwerende partij zich op incorrecte gegevens gebaseerd: de alcoholische dranken waren niet bestemd voor verkoop; het ging om een stock “welke overduidelijk werd afgeschermd van de klanten door een gordijn”. Dat blijkt uit het beeldmateriaal bij het verzoekschrift.
  10. In de memorie van wederantwoord heet het dat het enige middel gegrond is “gelet op de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, het redelijkheidsbeginsel en de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 28 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, of […] de materiële motiveringsplicht”. Verzoekster benadrukt dat de alcohol in haar bezit, als stock opgeslagen stond achter gordijnen. Dit impliceert niet dat verzoekster de dranken ook aanbood of verkocht. Zij trachtte zo goed als mogelijk haar stock onbereikbaar te maken voor het publiek, wat niet gemakkelijk was “daar de winkel van verzoekende partij niet zo groot is en zij zich moest redden met de middelen die zij had”. De foto’s bij het proces-verbaal van vaststelling zijn onduidelijk. De motieven komen niet overeen met de werkelijkheid, ze maken ten onrechte geen melding van de gordijnen die verzoekster aanbracht. Voorts herhaalt verzoekster dat er een onevenredigheid bestaat tussen de beperking van de vrijheid en de COVID-19-epidemie die moet worden X-17.895-4/7 bestreden. Het kan niet bewezen worden dat met de sluiting gewaarborgd wordt dat de COVID-19-maatregelen gevolgd worden. De bestreden beslissing is aldus de meest ingrijpende maatregel en moet als onevenredig worden beschouwd in verhouding tot de ernst van de overtreding. Beoordeling
  11. Voor de juridische grond van de bestreden beslissing beroept de burgemeester zich op artikel 133 juncto artikel 135 van de nieuwe gemeentewet. Meer bepaald wil hij, in het kader van de bevoegdheid die dit artikel 135 de gemeente opdraagt om (onder meer) passende maatregelen te nemen om ertoe bij te dragen dat epidemieën ophouden, met de bestreden beslissing de strikte naleving verzekeren van de maatregelen in het ministerieel besluit van 28 oktober
  12. Met andere woorden beoogt de bestreden beslissing de openbare gezondheid te beschermen, zijnde één van de componenten van de openbare orde. Verzoekster toont niet aan dat deze rechtsgrond ondeugdelijk zou zijn.
  13. Volgens het proces-verbaal van de politie stonden op 8 januari 2021, om 21.04 u, bierbakken, - flessen en -blikken “vrij in de winkel”. Er is in het proces-verbaal geen sprake van gordijnen waardoor de drank zou zijn afgesloten of onbereikbaar gemaakt voor het publiek. Evenmin laten de foto’s die bij het proces-verbaal gevoegd zijn, gordijnen zien. Met de verwerende partij, in de memorie van antwoord, wordt aangenomen dat de beelden van verzoekster “waarvan niet kan worden vastgesteld wanneer deze gemaakt zijn, […] kennelijk geen afbreuk [doen] aan de vaststellingen van het proces-verbaal van 8 januari 2021”.
  14. In zoverre, voorts, verzoekster beweert dat zij geen verwittiging ontving of poging tot correctie mocht ondervinden, gaat zij er kennelijk aan voorbij dat de burgemeester haar op 1 november 2020 al een eerdere sluiting (gedurende X-17.895-5/7 één maand) oplegde wegens overtreding van het ministerieel besluit van 28 oktober
  15. Niet onterecht, dan ook, gewaagt de burgemeester in de bestreden beslissing van “een zekere onwil of hardnekkigheid” in hoofde van de uitbater.
  16. Het blijkt niet dat de in het middel aangevoerde rechtsregels geschonden zijn. Het enige middel wordt integraal verworpen. V. Schadevergoeding tot herstel
  17. Vermits geen onwettigheid wordt vastgesteld, is er reden om de vordering van een schadevergoeding tot herstel af te wijzen overeenkomstig artikel 25/3, § 3, van het algemeen procedurereglement. De voor die vordering gekweten kosten dienen, gelet op het bepaalde in artikel 70, § 1, vijfde lid, van het algemeen procedurereglement, aan verzoekster te worden terugbetaald. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. De Raad van State verwerpt de vordering tot schadevergoeding tot herstel.
  20. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro ten behoeve van de verwerende partij.
  21. De kosten in verband met het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro, worden aan verzoeker terugbetaald. X-17.895-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.895-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.972 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.265 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.