id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.991 Rolnummer: A. 232929/VII-41021 Zaak: Arrest 255991 - Natuurbehoud - Vergunningen - 09/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-14 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 08:35 Fiche Arrest nr 255.991 van 9 maart 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 255.991 van 9 maart 2023 in de zaak A. 232.929/VII-41.021 In zake : de VZW BESCHERM BOMEN EN NATUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(2015). De aangevraagde dunningen geven uitvoering aan de doelstellingen opgenomen in beide beheerplannen. - De bestanden zijn momenteel hoofdzakelijk bedekt met naaldbos bestaande uit lork, grove den, Corsicaanse den en Douglasspar. Er is een bijmenging met Amerikaanse eik. De beheerdoelstelling voor de bosbestanden is een gemengd loofbos van het Europees habitattype 9120-9190 (eiken-beukenbos). Deze beheerdoelstelling kadert binnen de instandhoudingsdoelstellingen die door de Vlaamse Regering via het besluit VII-41.021-4/25 van 23 april 2014 werden vastgelegd voor de betreffende speciale beschermingszone. - In de aanvraag van 14 juli 2020 wordt gesteld dat voor de beheerplanpercelen 7b, 12a, 13a, 23b, 28a, 28d, 31a, 32a, 33a, 34a, 34b, 34c, 35a, 36a, 36b, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b en 54a geen kapmachtiging nodig is omdat de dunningen voorzien zijn in het beheerplan. De dunningen werden echter uitgesteld door een juridische procedure bij de Raad van State waardoor de voorgenomen dunningen niet overeenstemmen met de timing voorzien in de kaptabel. - Wat de bovenstaande alinea betreft: het principe van flexibele uitvoering van de bosbeheerplannen, nl. dunningen die afwijken van de timing voorzien in de kaptabel van het bosbeheerplan, is decretaal verankerd in artikel 16novies, §1 van het Natuurdecreet. Voor de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving houdende de natuurbeheerplannen, waaronder artikel 16novies, §1 Natuurdecreet, werd voor de beoordelingen houdende de flexibele uitvoering van de natuurbeheerplannen beroep gedaan op de afspraken vermeld in een intern document, nl. de Handleiding bosbeheerplannen, kapmachtigingen en andere machtigingen voor beheerwerken in bos. Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving is deze handleiding echter niet meer van toepassing op bosbeheerplannen en geldt artikel 16novies, §1 van het Natuurdecreet. - Voor de dunningen voorzien op de beheerplanpercelen 7b, 12a, 13a, 23b, 28a, 28d, 31a, 32a, 33a, 34a, 34b, 34c, 35a, 36a, 36b, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b en 54a is overeenkomstig de bovenstaande uiteenzetting artikel 16 novies §1 van het Natuurdecreet van toepassing. In dit kader werd een bijkomende toetsing gevraagd van de voorziene dunning aan de beheerdoelstellingen uit het beheerplan. Uit deze toetsing blijkt dat er niet afgeweken wordt van de beheerdoelstelling zodat de flexibiliteit in de uitvoering van beheermaatregelen zoals voorzien in artikel 16novies §1 van het Natuurdecreet toegepast mag worden. Er dient bijgevolg voor deze percelen geen bijkomende kapmachtiging te worden verleend. - Bij het beheer van de bospercelen wordt gestreefd naar ongelijkjarigheid en ongelijkvormigheid met open plekken en verhoogd percentage dood hout om de structuurdiversiteit in het bos te verhogen. Dit komt de biodiversiteit ten goede. Een verhoging van de biodiversiteit verhoogt bovendien ook de weerstand tegen de klimaatverandering. - De percelen zijn gelegen in de speciale beschermingszone BE2500004 (Bossen, heiden en valleigebieden van zandig Vlaanderen: westelijk deel). De instandhoudingsdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit van 23 april 2014 tot aanwijzing van de Speciale beschermingszone ‘BE2500004 Bossen, heiden en valleigebieden van zandig Vlaanderen: westelijk deel’ en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten’ geven de volgende bosdoelen aan voor het gebied: Atlantisch zuurminnend beukenbos (habitat 9120), wintereiken en E haagbeuken-eikenbossen (habitat 9160) en alluviale bossen (habitat 91 0). De betreffende percelen bevinden zich in een zoekzone voor habitat 9120 (zuurminnend beukenbos). De kapping betreft geen ontbossing maar een weloverwogen dunning om het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen te faciliteren. Door de dunning verhogen de mogelijkheden voor natuurlijke verjonging. De inheemse soorten worden VII-41.021-5/25 vrijgesteld waardoor deze meer kansen krijgen. Om te vermijden dat de invasieve uitheemse soort Amerikaanse eik de inheemse soorten verdringt, wordt deze soort verwijderd. De dunning heeft dan ook geen impact op het bereiken van de habitatdoelen, noch wat betreft de aanwezige of tot doel gestelde soorten, noch wat betreft het foerageergebied van de aanwezige of tot doel gestelde soorten. Er kan mogelijk een tijdelijk effect zijn op de broed- of rustplaatsen van de tot doel gestelde beschermde soorten. Dit effect wordt als niet-significant beschouwd indien de milderende maatregelen opgenomen als voorwaarden in dit besluit worden opgevolgd. De aangevraagde kapmachtiging zal geen betekenisvolle aantasting veroorzaken van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone. Voorgaande conclusie is gebaseerd op de voor dit dossier beschikbare informatie, een verdere detaillering of uitwerking van de passende beoordeling is niet nodig. - De percelen zijn gelegen in het VEN-gebied ‘Valleien, bossen en heiderelicten van de oostelijke Brugse Veldzone’. De kapping betreft geen ontbossing maar een weloverwogen dunning om het bereiken van de natuurdoelstellingen en het verhogen van de klimaatrobuustheid te bespoedigen. De kapping heeft geen impact op het foerageergebied van de aanwezige beschermde soorten. Als er al een effect is, dan zal dit zichzelf op korte termijn herstellen. Er kan mogelijk een tijdelijk effect zijn op de broed- of rustplaatsen van de tot doel gestelde beschermde soorten. Dit effect wordt als beperkt/herstelbaar beschouwd indien de milderende maatregelen opgenomen in dit besluit worden opgevolgd. De activiteit zal geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in VEN veroorzaken. - Alle bossen in beheer bij Agentschap voor Natuur en Bos worden beheerd volgens de criteria Geïntegreerd Natuurbeheer zoals vervat in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli
- - Het Agentschap voor Natuur en Bos concludeert op basis van een screening dat het project geen aanzienlijke milieueffecten op een bijzonder beschermd gebied kan hebben en dat er bijgevolg geen MER moet worden opgemaakt. - De aanvraag werd getoetst aan de kenmerken van het watersysteem, aan de relevante doelstellingen en beginselen van artikel 5, 6, en 7 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, en aan de bindende bepalingen van het (deel)bekkenbeheerplan. - Het voorliggende plan veroorzaakt geen schadelijk effect, in de zin van artikel 3, §2, 17° van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, aan het milieu doordat het geen maatregelen bevat die een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het grond- of oppervlaktewater, van de infiltratie van hemelwater naar het grondwater, van de grondwatervoorraden, het grondwaterstromingspatroon, van de hoeveelheid en snelheid van het afstromend hemelwater, van het overstromingsregime of van de afvoercapaciteit of de structuur van waterlopen of grachten. - De normale geldigheidsduur van een kapmachtiging bedraagt 3 jaar. DE ADJUNCT-DIRECTEUR ADVIEZEN & VERGUNNINGEN VAN HET AGENTSCHAP VOOR NATUUR EN BOS IN WEST-VLAANDEREN BESLUIT: Artikel
- §
- Aan het Agentschap voor Natuur en Bos, entiteit terreinbeheer, regio Zandig Vlaanderen, Koning Albert I-laan ½ bus 74, 8200 Brugge VII-41.021-6/25 wordt machtiging verleend om dunningen uit te voeren in de percelen gelegen te Wingene, 1ste afdeling, sectie C, kadasternummers 48a, 48b, 49a, 50a en 52a (zie bijlage 1); §
- Het aantal bomen en de boomsoort die gevat zijn door deze dunning wordt samengevat in bijlage
- Art.
- De machtiging is geldig vanaf de datum van ondertekening tot en met 31/10/
- Art.
- De machtiging kan worden uitgeoefend onder de volgende voorwaarden: 1° tijdens het uitvoeren van de kapping moet de exploitant een kopie van deze machtiging bij zich hebben; 2° om verstoring van broedgevallen te vermijden, mag niet worden geveld of geruimd tijdens de standaard schoontijd van 1 april tot en met 30 juni; 3° tijdens het vellen en ruimen moet het overige loofhout, de onderetage en de natuurlijke verjonging maximaal gespaard blijven; 4° het ruimen van de bomen dient te gebeuren tijdens een langere vorst- of droogteperiode. Er mag niet geruimd worden wanneer de bodem te nat is om de gebruikte ruimingsmachines te dragen zonder schade aan de bosbodem. Verharding kan niet worden aangebracht op het uitsleeptracé. Om impact op de bodem te beperken, dient verplicht gebruik gemaakt te worden van de door de beheerder voorziene exploitatiepistes; 5° de kapping mag in geen geval leiden tot een vermindering van de huidige bosoppervlakte; 6° het is verboden om ingrijpende wijzigingen en beschadigingen aan de bodem, de strooisel- en kruidlaag toe te brengen; 7° om herstel van de bosbodem en kruidvegetatie mogelijk te maken, mag er geen nieuwe ingrijpende kapping plaats vinden binnen 8 jaar na de uitvoering van deze machtiging; 8° indien de gekapte bomen zouden verkocht worden dan moeten de bepalingen gevolgd worden van het Bosdecreet (oa. artikel 55). Buiten verkoop is het ook mogelijk dat het hout wordt bestemd voor eigen gebruik (artikel 53). Art.
- Deze machtiging kan, mits motivering, te allen tijde worden ingetrokken. De machtiging moet worden getoond op elk verzoek van de officieren van gerechtelijke politie en van de toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de naleving van de natuur- en bosregelgeving. Deze personen moeten door de begunstigde van de machtiging in staat worden gesteld om de uitvoering van de machtiging op het terrein te controleren. Art.
- Het niet naleven van de bepalingen van deze machtiging kan aanleiding geven tot een bestuurlijke en/of strafrechtelijke sanctionering volgens titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”. VII-41.021-7/25 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert de schending aan van de motiveringsplicht, artikel 26bis van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: natuurbehouddecreet) en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Zij zet uiteen dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de betrokken percelen gelegen zijn in een VEN-gebied en aldus het voorwerp dienen uit te maken van een VEN-toets. Luidens artikel 26bis, § 1, eerste lid, van het natuurbehouddecreet mag de overheid geen toestemming of vergunning verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken. Uit de parlementaire voorbereiding van deze decretale bepaling blijkt dat met “vermijdbare schade” wordt bedoeld, die schade die kan vermeden worden door de activiteit op een andere wijze uit te voeren (bijvoorbeeld met andere materialen, op een andere plaats...). Onvermijdbare schade is “die schade die men hoe dan ook zal veroorzaken, op welke wijze men de activiteit ook uitvoert”. Is deze onvermijdbare schade “herstelbaar” dan mag zij wel worden veroorzaakt. Dit herstel moet worden opgevat als “een herstel van schade op de plaats van beschadiging met een kwantitatief en kwalitatief gelijkaardige habitat als deze die er voor de beschadiging aanwezig was”. Te dezen wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat er tijdelijke effecten zullen zijn op de broed- en rustplaatsen van de aanwezige beschermde soorten. De verzoekende partij wordt niet verondersteld te weten over welke beschermde soorten het gaat. Zij dient ervan uit te gaan dat het gaat om de beschermde soorten, die aanwezig zijn binnen het bestaande VEN-gebied. Er wordt weliswaar erkend dat er effecten zullen zijn, die tijdelijk, beperkt en herstelbaar zijn, indien de milderende maatregelen opgenomen in het besluit worden gevolgd. Deze milderende maatregelen zijn echter uiterst beperkt, in algemene bewoordingen en geenszins aangepast aan de concrete situatie, rekening houdende met de in de omgeving aanwezige beschermde soorten naar fauna en flora. Het betreft standaardformuleringen, die ook in andere VII-41.021-8/25 kapmachtigingen op dezelfde wijze worden opgenomen. Er kan niet besloten worden, zonder onderzoek in concreto, tot een beperkte en herstelbare aantasting, zeker wanneer er geen duidelijke VEN-toets is gebeurd. Het ANB stelt, op basis van een screening, dat bij gebrek aan aanzienlijke milieueffecten geen milieueffectenrapport (hierna: MER) moet worden opgesteld. Een screening, het is onduidelijk wat hiermee bedoeld wordt, kan niet gelijkgesteld worden met een verscherpte natuurtoets, met toepassing van artikel 26bis van het natuurbehouddecreet. Het is evenmin duidelijk wat met “bijzonder beschermd gebied” wordt bedoeld, betreft dit het habitatgebied, dan wel het VEN-gebied? Evenmin is duidelijk wat wordt bedoeld met het “bereiken van natuurdoelstellingen”. In de motivering van de bestreden beslissing worden alle begrippen door elkaar gebruikt. Ook inzake de VEN-toets is het voorzorgsbeginsel van toepassing. Er kan in geval van onvermijdbare en onherstelbare schade toch een vergunning worden verleend, in geval van afwijking voorzien in artikel 26bis, § 3, van het natuurbehouddecreet, wanneer een ontheffing wordt verleend door het ANB, doch de afwezigheid van een alternatief dient te worden bewezen. De gebeurlijke vaststelling dat er geen sprake is van onvermijdbare en onherstelbare schade, dient te gebeuren op basis van de VEN-toets, of verscherpte natuurtoets, die echter niet heeft plaatsgevonden, zodat artikel 26bis van het natuurbehouddecreet geschonden is. Gelet op de ligging in een habitatrichtlijngebied of speciale beschermingszone, zowel als in een VEN-gebied, dient er zowel een passende beoordeling als een verscherpte natuurtoets uitgevoerd te worden. De bescherming van het VEN beoogt een algehele doelstelling van natuurbehoud, dit is “het instandhouden, herstellen en ontwikkelen van de natuur en het natuurlijk milieu door natuurbescherming, natuurontwikkeling en natuurbeheer en het streven naar een zo groot mogelijke biologische diversiteit in de natuur en naar een gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten”. Met de natuur wordt bedoeld “de levende organismen, hun habitats, de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken en de daarmee verbonden uit zichzelf functionerende ecologische processen, ongeacht of deze al dan niet voorkomen in aansluiting op menselijk handelen, met uitsluiting van cultuurgewassen, de landbouwdieren en de huisdieren”. In de VEN-toets is er sprake van het criterium van onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur. In geval van de habtitattoets is er sprake van het criterium van betekenisvolle aantasting van de VII-41.021-9/25 natuurlijke kenmerken. Beide toetsen hebben een verschillende finaliteit, draagwijdte en doelstelling en dienen derhalve elk afzonderlijk te worden doorgevoerd. Bij een VEN-toets wordt er gesteld dat een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken, toch kan worden toegestaan, bij afwezigheid van een alternatief of uitgevoerd “om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard”. In dat geval dienen “alle schadebeperkende en compenserende maatregelen te worden genomen”. De speciale beschermingszones daarentegen, zoals reeds hierboven gesteld, zijn meer specifiek gericht op de instandhouding van in het wild levende vogelsoorten en van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten, in respectieve uitvoering van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn. Zij hebben derhalve een specifieke doelstelling die niet volledig samenvalt met de bescherming van het VEN. Anders dan voor het VEN, gelden voor de speciale beschermingszones bijzondere instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van de betrokken soorten of habitats. De mogelijke gevolgen van een activiteit moeten worden beoordeeld “in het licht van de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het beschermde gebied waarop de activiteit betrekking heeft, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen”. De verzoekende partij stelt vast dat het ANB niet spreekt van een VEN-toets en een onderzoek in concreto, doch wel spreekt van een screening en dat er bijgevolg geen MER moet worden opgemaakt en spreekt ook van natuurdoelstellingen, doch specifieert niet of het gaat om de natuurdoelstellingen in het kader van de VEN-toets. Er wordt ook niet specifiek onderzocht welke onvermijdbare en onherstelbare schade er zou kunnen zijn. Alle begrippen worden door elkaar gehaspeld. Dit kan niet worden beschouwd als een afdoende verscherpte natuurtoets. Uit de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen blijkt dat de verscherpte natuurtoets en de habitattoets in één document kunnen gebeuren, maar dat dan uit de bestreden beslissing moet blijken dat er geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN zal worden veroorzaakt. Dit zal in ieder geval uit een onderzoek moeten blijken, wat thans niet het geval is. Uit artikel 26bis van het natuurbehouddecreet kan worden afgeleid dat de kans op onvermijdbare en onherstelbare schade volstaat om een vergunning, te dezen kapmachtiging voor de desbetreffende activiteit te weigeren. Het is echter wel vereist dat er genoeg VII-41.021-10/25 objectieve redenen aanwezig zijn om aan te tonen dat de onvermijdbare en onherstelbare schade in alle waarschijnlijkheid niet zal plaatsvinden, hoewel dit nog niet met zekerheid bewezen is. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat er mogelijks een tijdelijk effect kan zijn op de broed- of rustplaatsen van de aanwezige beschermde soorten, zonder dat er gespecifieerd wordt over welke beschermde soorten het gaat. Het feit dat er een standaardformulering gebruikt wordt, die voorkomt in bijna alle kapmachtigingen die behoren tot de Openbare Houtverkoop van 22 oktober 2020, doet vermoeden dat er geen concreet onderzoek en toepassing van de VEN-toets is gebeurd, temeer er zelfs gesproken wordt over beschermde soorten en er enkel sprake kan zijn van beschermde soorten wanneer het gaat over vogel- en habitatrichtlijngebied. De bestreden beslissing gebruikt derhalve een standaardformulering als motivering en misschien zelfs knip- en plakwerk, wat een schending van de motiveringsplicht inhoudt. Bovendien is de bestreden beslissing ook niet feitelijk juist en onvoldoende gemotiveerd, gelet op het ontbreken van het aantal bomen, met telkens een onderscheid tussen het VEN-gebied en de bijzondere beschermingszone. Het getuigt zelfs van verregaande onduidelijkheid en slordigheid.
- De verwerende partij antwoordt dat, volgens artikel 26bis van het natuurbehouddecreet, de overheid geen toestemming of vergunning mag verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken. Dit dient door de kennisgever te worden aangetoond of door de betrokken overheid zelf te worden onderzocht. Dit moet blijken uit de beslissing die wordt genomen zelf, minstens uit de stukken van het dossier. Te dezen werd bij de aanvraag deze verscherpte natuurtoets door de aanvrager ingediend. Hierin wordt verwezen naar de algemene natuurwaarden beschermd in het VEN. De kappingen hebben tot doel om monotone soortenarme bosbestanden om te zetten tot soortenrijke bostypes. Verder wordt vermeld dat er een mogelijke impact is van verstoring op vogels, door de exploitatie tijdens het broedseizoen. Daarom wordt met een schoontijd gewerkt zodat er geen werken plaatsvinden tijdens het broedseizoen. De bosvorming zal op termijn voor meer voedselaanbod en nestgelegenheid zorgen in het bos zodat er netto ook op de broedvogels een positief effect zal zijn. Wat de overige aanwezige fauna en flora betreft, wordt er vanuit gegaan dat deze plaatselijk beschadigd kan geraken tijdens VII-41.021-11/25 de werken. Om deze impact te minimaliseren, wordt er gewerkt met afgebakende ruimingspistes. De beschadiging die ontstaat aan de aanwezige planten, insecten, enz.… zal zich op korte termijn volledig herstellen na afloop van de dunning. De termijn tussen 2 dunningen bedraagt normaal 8 jaar. Op die manier ontstaat de garantie dat er voldoende herstel optreedt van deze fauna en flora. Verder wordt er ook op gewezen dat tijdens de uitvoering van de exploitatie er tijdelijk geluidshinder zal zijn, wat bepaalde diersoorten kan verstoren. Er wordt niet gewerkt tijdens het broedseizoen en daarnaast werd vastgesteld dat er voldoende uitwijkmogelijkheden in het Vagevuurbos zelf en in de omringende boscomplexen zijn voor soorten die hiervan hinder ondervinden. Er wordt ook op gewezen dat bij het aanduiden van de bomen steeds rekening werd gehouden met habitatwaardige bomen om deze maximaal te behouden. Uit de gecombineerde verscherpte natuurtoets en voortoets passende beoordeling blijkt dat de aanvrager zeer uitvoerig en zorgvuldig de verscherpte natuurtoets heeft uitgevoerd. Terecht kon de verwerende partij oordelen dat de bedoelde activiteiten geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN zullen veroorzaken. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, kan niet worden besloten dat de voorwaarden die zijn opgelegd in de bestreden beslissing geen verband zouden houden met de bevindingen van de verscherpte natuurtoets en om hieraan tegemoet te komen. Dat deze dikwijls ook terug te vinden zijn in andere kapvergunningen lijkt nogal vanzelfsprekend, gezien de nadelen voor bepaalde soorten grotendeels dezelfde zijn, waar er ook wordt gekapt. Dit alles staat los van de screening die wordt gemaakt in het kader van een eventuele MER-plicht. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de verscherpte natuurtoets en de beoordeling ervan op onzorgvuldige wijze tot stand zouden zijn gekomen of kennelijk onredelijk zouden zijn. Er is geen schending van artikel 26bis van het natuurbehouddecreet. Er is ook geen sprake van enige standaardmotivering in het licht van de verscherpte natuurtoets. Een schending van de motiveringsplicht wordt niet aangetoond. Het is hierbij duidelijk dat de verzoekende partij geen kennis heeft van de verscherpte natuurtoets die bij de aanvraag was gevoegd. Zij had nochtans ruim de tijd om deze op te vragen, te meer daar zij er kennis van had, gezien deze vermeld staat in de bestreden beslissing. Het middel mist duidelijk feitelijke grondslag. Uit de stukken van het aanvraagdossier blijkt wel om hoeveel bomen het gaat. De motiveringsplicht vereist niet dat dit ook wordt overgenomen in de bestreden VII-41.021-12/25 beslissing. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, kan niet worden ingezien waarom de bestreden beslissing onduidelijk en slordig zou zijn opgesteld. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is niet in het minste aangetoond.
- De verzoekende partij wederantwoordt dat de bosbeheerplannen reeds 14 jaar oud zijn en dat de betrokken vijf percelen gelegen zijn in VEN-gebied, buiten de omschrijving van de bosbeheerplannen, zodat niet kan worden verwezen naar de beheerdoelstellingen en -maatregelen die erin opgenomen zijn. Uit de memorie van antwoord kan nog steeds niet worden opgemaakt of er in casu sprake is van dunningen dan wel van een eindkap. Dit is van belang, want in geval van eindkap, op een perceel, waar een beschermde diersoort leeft, zoals bijvoorbeeld de levendbarende hagedis, dan zal een eindkap een significant negatief effect hebben op de leef- en broedplaats van deze beschermde soort. De verzoekende partij wenst in de huidige procedure de discussie niet te voeren over de beweerde flexibiliteit inzake beheermaatregelen in een bosbeheerplan op grond van artikel 16novies van het natuurbehouddecreet. Op de zitting inzake de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid legde de verwerende partij een document “gecombineerde verscherpte natuurtoets en voortoets passende beoordeling kappingen Vagevuurbos” met betrekking tot de betrokken 5 bospercelen voor. Bij het lezen van dit document blijkt dat er gesteld wordt dat “beide zaken worden gecombineerd bekeken in deze nota”. Tevens wordt verwezen naar een tabel 1 die betrekking heeft op “tot doel gestelde habitats en soorten”, waarbij met betrekking tot vleermuizen gesteld wordt: “behoud huidige populatie en waar mogelijk uitbreiding. Behoud van bomen (ook exoten) met holtes, verbeteren connectiviteit tussen bossen”. In de beheermaatregelen van het Vagevuurbos en onder de voortoets, korte beschrijving van het aandachtsgebied wordt er gesteld: “het verwijderen van exoten”. De verwerende partij bewijst niet dat er enkel exoten worden gekapt en zelfs dan nog, exoten hebben een bijzondere waarde, zeker wanneer het oude bomen zijn, voor wat de nest- en leefplaats betreft voor de beschermde vleermuizen. De verzoekende partij legt de perceelsbestanden voor van het Vagevuurbos, met aanduiding over welk soort perceel met bebossing het gaat. Zelfs wanneer de te kappen percelen niet aangeduid zijn, dan zullen ze nauw aansluiten bij de bestaande wel vermelde percelen en dan blijkt dat in de buurt van de aangeduide percelen, er geen VII-41.021-13/25 naaldbestanden, of andere aangeduid worden. In de korte beschrijving van het aandachtsgebied, wordt er gesteld: “bij het dunnen of kappen van bosbestanden dient voldoende aandacht te gaan naar oude of dode bomen die mogelijks vleermuiskolonies huisvesten”. Uit de kapintenties blijkt niet dat hiermee rekening zal worden gehouden, bovendien is die doelstelling een niet-bindende betrachting. Uit de evaluatie van de effecten en beoordeling blijkt dat het de bedoeling is van snelgroeiende boomsoorten zoals lork, grove en Corsicaanse den, douglasspar en Amerikaanse eik te kappen en te liquideren. In de voortoets wordt er ook gesproken over het perceel 43a, met een populierenbestand, dit perceel staat niet vermeld in de kapmachtiging en evaluatie hierover is dan ook niet aan de orde. Tevens wordt vermeld dat oude bomen maximaal dienen behouden te worden, aangezien deze worden gebruikt door boombewonende vleermuissoorten. Door de kap hiervan, inclusief Amerikaanse eiken, wordt de leef- en broedplaats van de vleermuis in het gedrang gebracht. Als de kap tot doel heeft exoten te verwijderen, dan zullen hieronder ook oude bomen zitten en zelfs in geval van dunningen, kan de functie van bestaande oude bomen, niet zomaar worden overgenomen. Het betreft derhalve een tegenstrijdigheid in de motivering, zelfs een onjuistheid in de voortoets en het blijkt op geen enkele manier dat oude bomen, al dan niet exoten niet zullen worden gekapt. Met betrekking tot de natuurwaarden in het VEN wordt gesteld dat “in eerste instantie wordt verwezen naar de hierboven vermelde analyse m.b.t. de instandhoudingsdoelstellingen m.b.t. bostype en vleermuizen. De kappingen hebben tot doel om monotone soortenarme bosbestanden om te zetten tot soortenrijke bostypes”. Dit is een niet-afdoende VEN-toets, in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, dat een duidelijk onderscheid maakt tussen de VEN-toets en de habitattoets. De ene toets kan niet naar de andere verwijzen, aangezien in elk van de toetsen een afzonderlijk onderzoek en aftoetsing dient te gebeuren. Het Vagevuurbos is een hotspot in West-Europa voor de vleermuizen. Trouwens dit staat duidelijk vermeld in de studie van Natuurpunt “vleermuizenstudie voor het natuurinrichtingsproject Biscopveld”, die als referentie werd vermeld in de “voortoets” van de verwerende partij. Er dient dan ook te worden geconcludeerd dat de VEN-toets onvolledig, niet afdoende en niet correct is. De voortoets/VEN-toets gaat zelfs in tegen het Soortenbesluit van
- VII-41.021-14/25 Beoordeling
- In zoverre de verzoekende partij de schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht, dient opgemerkt te worden dat deze verplichting geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is en dat de verzoekende partij niet de schending aanvoert van enige wettelijke bepaling die erin voorziet dat de bestuurlijke beslissing formeel moet worden gemotiveerd. Het middel in zoverre het de schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht door het aanwenden van standaardformulering, is niet ontvankelijk.
- Luidens artikel 26bis, § 1, eerste lid, van het natuurbehouddecreet mag “de overheid […] geen toestemming of vergunning verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken”. Uit de parlementaire voorbereiding van deze decretale bepaling (Parl.St. Vl. Parl. 2001-02, nr. 967/1, p. 17, 20) blijkt dat met “vermijdbare schade” wordt bedoeld: “die schade die kan vermeden worden door de activiteit op een andere wijze uit te voeren (bvb. met andere materialen, op een andere plaats, …)”. Onvermijdbare schade is “de schade die men hoe dan ook zal veroorzaken, op welke wijze men de activiteit ook uitvoert”. Is deze onvermijdbare schade “herstelbaar”, dan mag zij wel worden veroorzaakt. Dit herstel moet worden opgevat als “een herstel van de schade […] op de plaats van beschadiging met een kwantitatief en kwalitatief gelijkaardige habitat als deze die er voor de beschadiging aanwezig was”. Overeenkomstig het tweede lid van dezelfde bepaling moet de kennisgever in principe aantonen dat de activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken, en dient, wanneer de kennisgever dit heeft nagelaten, de betrokken overheid zelf te onderzoeken of de activiteit al dan niet onvermijdbare en onherstelbare schade kan veroorzaken. In ieder geval is het niet aan verzoeker om aan te tonen dat er onvermijdbare en onherstelbare schade zou zijn. VII-41.021-15/25
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat de bestreden beslissing wordt gedragen door rechtens aanvaardbare motieven die kunnen blijken, hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een beslissing schendt de materiëlemotiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen.
- Het valt de Raad van State als rechter van de wettigheid niet toe om het feitenonderzoek over te doen of om zich, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van het bestuur. Het behoort daarbij wel tot de bevoegdheid van de Raad van State desgevraagd na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan indien ze worden betwist en na te gaan of de overheid naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is gekomen, meer bepaald met inachtneming van de algemene beginselen van de bewijsvoering. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, kan de verzoekende partij evenwel niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Immers is het zaak van de verzoekende partij om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
- Uit de aangehaalde motieven blijkt dat in de bestreden beslissing zelf is ingegaan op de beschermingsproblematiek die eigen is aan een VEN-gebied en een speciale beschermingszone, in het kader van de vogel- en VII-41.021-16/25 habitatrichtlijngebieden. Er wordt daarin verwezen naar de informatie die zich bij de aanvraag van de kapmachtiging bevindt. Deze aanvraag bevat meerdere bijlagen, waarvan bijlage 6 een gecombineerde verscherpte natuurtoets en voortoets passende beoordeling kappingen Vagevuurbos omvat. Uit deze bijlage 6, die eveneens door de verwerende partij in de bestreden beslissing wordt aangehaald, blijkt dat een toetsing van de aangevraagde effecten van de kapping op de beschermde natuurwaarden werd uitgevoerd. Hierin werd besloten dat er geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur gelegen in het VEN verwacht wordt door de aangevraagde kapmachtiging. Integendeel zullen de ingrepen de natuurwaarden verhogen en bijdragen aan de realisatie van de voorziene natuurdoelen voor het habitatrichtlijngebied “Zandig Vlaanderen West”. In de bestreden beslissing zelf wordt overigens ook op deze problematiek ingegaan en wordt eveneens geconcludeerd dat geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN-gebied zal worden veroorzaakt. De stelling van de verzoekende partij dat er geen “VEN-toets, of verscherpte natuurtoets” heeft plaatsgevonden, mist feitelijke grondslag. De verzoekende partij toont niet aan dat deze toetsing gebrekkig is in het licht van de vereisten gesteld in artikel 26bis van het natuurbehouddecreet.
- Het loutere feit dat in de bestreden beslissing milderende maatregelen worden opgelegd die eveneens in andere kapmachtigingen voorkomen doet op zich niet besluiten dat er sprake is van een standaardmotivering waardoor niet zou worden voldaan aan de ingeroepen zorgvuldigheid en materiëlemotiveringsplichten. Het opleggen van voor de hand liggende voorzorgsmaatregelen om beschadigingen aan de natuurlijke omgeving te voorkomen kunnen op zich niet tot die conclusie leiden. Dit geldt eveneens voor de aangenomen tijdelijke effecten van een activiteit. Deze moeten worden beschouwd van tijdelijke aard te zijn, zonder dat hierbij een expliciete duur dient te worden aangegeven. Het natuurlijk herstel hangt af van meerdere factoren waardoor een preciezere tijdsbepaling niet mogelijk is.
- Met betrekking tot de omvang van de kapmachtiging blijkt dat een eenvoudige raadpleging van het administratief dossier volstaat om de precieze gegevens te achterhalen. De verzoekende partij die stelt dat de bestreden beslissing VII-41.021-17/25 op dat punt “getuigt […] van verregaande onduidelijkheid en slordigheid”, kan niet worden gevolgd.
- In zoverre de verzoekende partij eerst in de memorie van wederantwoord kritiek uit met betrekking tot de beoordeling inzake de kap van exoten en oude bomen, en de invloed hiervan op de aanwezige vleermuisbestanden is deze kritiek laattijdig geformuleerd. Nog daargelaten de onontvankelijkheid van deze nieuwe kritiek, stelt de Raad van State vast dat in de verscherpte natuurtoets/voortoets passende beoordeling op deze problematiek wordt ingegaan.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert de schending aan van de motiveringsplicht, artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zet uiteen dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de percelen gelegen zijn in de speciale beschermingszone BE 2500004, waarvoor het Aanwijzingsbesluit van 23 april 2014 geldt. Er zou geen sprake zijn van een betekenisvolle aantasting, waarbij de voorgaande conclusie is gebaseerd op de voor dit dossier beschikbare informatie, waarbij een verdere detaillering of uitwerking van de passende beoordeling niet nodig is. Er kan slechts beoordeeld worden of er al dan niet sprake is van niet-significante schade, wanneer er ook effectief een onderzoek in concreto gebeurt. Voor wat de in het “dossier beschikbare informatie” betreft, kan er niet verwezen worden naar het bosbeheerplan, aangezien de kwestieuze percelen die onder de kapmachtiging vallen niet voorkomen in het bosbeheerplan. Uit de motivering van de bestreden beslissing dient te worden afgeleid dat de beoordeling door het ANB steunt op een dossier zonder passende beoordeling. Uit de bijlage 2, gevoegd bij de bestreden beslissing, blijkt dat er niet alleen naaldbomen of lorken worden gekapt, maar ook berken en tamme kastanje, waarbij er als uitgangssituatie wordt gesteld dat het gaat om “Homogeen Lork”, wat evenmin blijkbaar juist is. De motivering is VII-41.021-18/25 onduidelijk, bovendien tegenstrijdig en hieruit blijkt ook meteen dat er geen concrete habitattoets is gebeurd, wat een schending impliceert van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat uit de weergegeven motieven moet blijken dat een kapmachtiging is genomen op basis van een concreet, op de respectieve percelen betrokken onderzoek naar vermijdbare schade als vereist in artikel 26bis, § 1, eerste lid, van het natuurbehouddecreet en de passende beoordeling, zoals voorzien door artikel 36ter van het natuurbehouddecreet. Een passende beoordeling, voorzien in artikel 36ter van het natuurbehouddecreet, is geen loutere vormvereiste voor sommige vergunningsaanvragen, maar vergt een specifiek onderzoek dat moet worden gevoerd vooraleer vergunningen kunnen worden verleend. Een kapmachtiging dient als een vergunning voor het kappen van bomen te worden beschouwd en zit hierin begrepen. Deze habitattoets dient niet alleen te gebeuren in het habitatrichtlijngebied of het vogelrichtlijngebied zelf, maar ook in de onmiddellijke omgeving ervan. Ondanks het feit dat het perceel gelegen is binnen een speciale beschermingszone, blijkt uit de bestreden beslissing niet dat een passende beoordeling is gebeurd, integendeel wordt er gesteld dat “een uitwerking van de passende beoordeling niet nodig is”. Minstens bestaat er twijfel over het feit dat deze passende beoordeling heeft plaatsgevonden. Deze beoordeling heeft niet plaatsgevonden in het beheerplan aangezien de betrokken percelen niet binnen het beheerplan vallen. Er wordt in algemene termen gesteld “dat het gaat om een weloverwogen dunning die kadert binnen een omvormingsbeheer om het tot doel gestelde habitat te ontwikkelen. De kapping zou geen negatieve impact hebben op het bereiken van de habitatdoelen, noch wat het de aanwezige of tot doel gestelde soorten, noch wat betreft het foerageergebied van de aanwezige of tot doel gestelde soorten. Er kan mogelijks wel een tijdelijk effect zijn dat als niet-significant beschouwd [moet] worden indien de milderende maatregelen opgenomen als voorwaarden in dit besluit worden opgevolgd”. In de bestreden beslissing wordt echter niet gespecifieerd over welke habitatdoelen het gaat, welke de tot doel gestelde soorten en aanwezige soorten zijn, noch wat met een tijdelijk effect wordt bedoeld. De gegeven motivering betreft een standaardmotivering, waarbij dan nog erkend wordt dat er wel degelijk effecten kunnen zijn die weliswaar volgens de bestreden beslissing “als niet-significant” beschouwd dienen te worden, op voorwaarde dat de milderende maatregelen opgenomen in de beslissing worden VII-41.021-19/25 opgevolgd. Deze milderende maatregelen zijn echter uiterst beperkt, in algemene bewoordingen en geenszins aangepast aan de concrete situatie, rekening houdende met de in de omgeving aanwezige beschermde soorten naar fauna en flora, die in ieder geval niet terug te vinden zijn in het bosbeheerplan. Het betreft een standaardmotivering die ook terug te vinden is in andere kapmachtigingen. Er is duidelijk een schending van de motiveringsplicht en artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet. Zoals reeds vermeld in het eerste middel bestaat er een duidelijk onderscheid tussen de verscherpte natuurtoets en de passende beoordeling qua finaliteit en aard van de toetsing. De toets in het kader van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet is gericht op de instandhoudingsdoelstellingen van het habitat- en vogelrichtlijngebied en dient op concrete wijze te gebeuren door middel van een passende beoordeling, wat niet is gebeurd. Evenmin wordt ter zake een afdoende motivering gegeven in de bestreden beslissing.
- De verwerende partij antwoordt dat dit middel vooral het gebrek aan kennis van het aanvraagdossier aantoont, waarin de gecombineerde verscherpte natuurtoets en voortoets passende beoordeling heeft plaatsgevonden. De dringendheid van de procedure, kan bezwaarlijk als excuus worden aangevoerd, nu men sinds het kennis krijgen van het dossier ruimschoots de tijd heeft gehad deze stukken op te vragen. De vraag werd evenwel nooit gesteld. De assumpties in het middel strijden met het administratief dossier waaruit het kennelijk gebrek aan feitelijke grondslag van het middel blijkt. De verzoekende partij had de antwoorden op haar vragen kunnen vinden in het aanvraagdossier, met name in de gecombineerde verscherpte natuurtoets en voortoets passende beoordeling. Dan wist zij dat de vaststellingen in de bestreden beslissing terecht waren en had zij geweten om welke habitats en soorten het gaat en van welke effecten er tijdelijk sprake kan zijn. De verzoekende partij wenst zich te gedragen als de verwerende partij of de vergunningverlenende overheid zelf, maar vergeet hierbij kennis te nemen van het administratief dossier. Niettegenstaande het gebrek aan kennis hiervan, meent zij gerechtigd te blijven om aan de hand van niet-geordende aantijgingen, slordige argumenten en onjuiste feitenvinding haar middelen te kunnen formuleren. Er kan worden vastgesteld dat de bestreden beslissing de speciale beschermingszone benoemt, verwijst naar de VII-41.021-20/25 instandhoudingsdoelstellingen en de habitats vermeldt. Er wordt vastgesteld dat het geen ontbossing maar een weloverwogen dunning betreft (wat ook eindkap kan inhouden) om het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen te faciliteren. Er wordt vastgesteld dat de aangevraagde kapmachtiging geen betekenisvolle aantasting zal veroorzaken van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone. Terecht werd vermeld dat de voorgaande conclusie gebaseerd is op de voor dit dossier beschikbare informatie en dat een verdere detaillering of uitwerking van de passende beoordeling niet nodig is. Deze aannames in de bestreden beslissing vinden steun in het administratief dossier. Van een gebrek in de motiveringsplicht kan bezwaarlijk sprake zijn. Eenieder vindt in de bestreden beslissing de redenen waarom deze werd genomen, zodat in elk geval aan de formele verplichting werd voldaan. Wanneer daarbij de bestreden beslissing wordt getoetst aan het administratief dossier blijkt dat er evenmin sprake kan zijn van een materieel motiveringsgebrek. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, vond de feitenvinding en de beoordeling zorgvuldig plaats. In elk geval wordt niets anders aangetoond. Tot slot dient te worden vastgesteld dat overeenkomstig artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet een plan of programma of een combinatie ervan een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, zonder dat die vergunningsplichtige activiteit of dat plan of programma direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied in de speciale beschermingszone in kwestie dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. In de bestreden beslissing kon op basis van de voortoets in alle redelijkheid worden aangenomen dat de gevraagde dunning wordt aangevraagd om het bereiken van de instandhoudingsdoestelling te faciliteren, met andere woorden direct verband houdt of nodig is voor het beheer van het gebied in de speciale beschermingszone zelf. Terecht werd derhalve aangenomen dat geen verdere uitwerking of detaillering van de passende beoordeling nodig is.
- De verzoekende partij wederantwoordt dat de habitattoets evenmin op een afdoende en correcte manier werd uitgevoerd. Met betrekking tot het behoud van de oude bomen en exoten, in het licht van de VII-41.021-21/25 instandhoudingsdoelstellingen, verwijst zij naar hetgeen werd uiteengezet in het eerste middel. Beoordeling
- In zoverre de verzoekende partij de schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht, dient opgemerkt te worden dat deze verplichting geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is en dat de verzoekende partij niet de schending aanvoert van enige wettelijke bepaling die erin voorziet dat de bestuurlijke beslissing formeel moet worden gemotiveerd. Het middel in zoverre het de schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht door het aanwenden van “standaardmotivering” en door onduidelijke en tegenstrijdige motivering, is niet ontvankelijk.
- Uit artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet volgt dat vergunningsplichtige activiteiten die een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kunnen veroorzaken, onderworpen dienen te worden aan een “passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone”. Artikel 2, 30°, van het natuurbehouddecreet definieert een “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als: “een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone”. Hiermee stelt het natuurbehouddecreet de instandhouding voorop van de “natuurlijke kenmerken” van de speciale beschermingszone. Een dergelijke beoordeling houdt in dat, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Rekening houdend met de conclusies VII-41.021-22/25 van de beoordeling van de gevolgen van het plan of project voor het betrokken gebied, mag de overheid dergelijk plan of project pas goedkeuren nadat zij zekerheid heeft verkregen omtrent het feit dat het geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Die zekerheid is voorhanden “wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn”. Een passende beoordeling is geen loutere vormvereiste voor sommige vergunningsaanvragen, maar een specifiek onderzoek dat moet worden gevoerd vooraleer sommige vergunningen kunnen worden verleend. De natuurtoets van artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet vergt een stapsgewijze benadering, waarvan een screening de eerste stap vormt: tijdens een eerste fase wordt nagegaan of voor de desbetreffende vergunningsplichtige activiteit, plan of programma al dan niet een passende beoordeling is vereist. Deze screening focust op de vraag naar eventuele schadelijke effecten voor de betrokken speciale beschermingszone. Wanneer uit de screening blijkt dat het plaatsvinden van schadelijke effecten niet met zekerheid kan worden uitgesloten, moet het verdere beoordelingstraject, de eigenlijke passende beoordeling, worden doorlopen. In het licht van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet moet de vergunnende overheid nagaan of de vergunningsplichtige activiteit al dan niet kan leiden tot een significante aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone. Uit de motivering van de bestreden beslissing moet blijken of de overheid zich afdoende vergewist heeft van de mogelijke risico’s die het project met zich meebrengt. Dit zorgvuldig onderzoek naar de noodzaak van een passende beoordeling dient zich te weerspiegelen in de motivering, die naar rechte en feite afdoende moet zijn.
- Zoals reeds bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken, wordt in dezelfde bijlage 6 van de kapmachtigingsaanvraag ook uitvoerig stilgestaan bij de effecten van de aangevraagde kapping op de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszone. Er wordt hierbij geconcludeerd dat deze activiteiten geen betekenisvolle aantasting ervan zullen veroorzaken en bijgevolg geen passende beoordeling dient te worden opgesteld. Ook hier treedt de bestreden beslissing deze visie bij in haar motivering. De VII-41.021-23/25 stelling van de verzoekende partij dat de bestreden beslissing werd genomen “zonder passende beoordeling”, mist feitelijke grondslag. Voorts toont de verzoekende partij niet aan dat deze toetsing gebrekkig is in het licht van de vereisten gesteld in artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet.
- Hierbij dient nog te worden opgemerkt dat de verzoekende partij pas naar aanleiding van haar memorie van wederantwoord kritiek heeft geuit met betrekking tot de beoordeling inzake de kap van exoten. Voor zover deze kritiek nog tijdig wordt aangevoerd, dient te worden vastgesteld dat in de verscherpte natuurtoets/voortoets passende beoordeling op deze problematiek wordt ingegaan. Een verder onderzoek hiervan zou de Raad van State dwingen zich uit te spreken over de feiten die ten grondslag van de bestreden beslissing liggen, waartoe hij niet bevoegd is.
- In zoverre de verzoekende partij eerst in de memorie van wederantwoord kritiek uit met betrekking tot de beoordeling inzake de kap van exoten en oude bomen, en de invloed hiervan op de aanwezige vleermuisbestanden, is deze kritiek laattijdig geformuleerd. Nog daargelaten de onontvankelijkheid van deze nieuwe kritiek, stelt de Raad van State vast dat in de verscherpte natuurtoets/voortoets passende beoordeling op deze problematiek wordt ingegaan.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.021-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.021-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.991 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.895 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div