id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.993 Rolnummer: A. 237307/XIV-39075 Zaak: Arrest 255993 - Tucht (openbaar ambt) - 09/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-14 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-10 08:35 Fiche Arrest nr 255.993 van 9 maart 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 255.993 van 9 maart 2023 in de zaak A. 237.307/XIV-39.075 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rob Trips kantoor houdend te 9990 Maldegem Mottedreef 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
(3)niet blijkt dat het aanvullend verhoor van drie getuigen bij de besluitvorming werd betrokken. Verzoeker meent dat de feiten niet bewezen zijn en niet als tuchtvergrijp gekwalificeerd kunnen worden en poogt dit te verduidelijken aan de hand van een aantal feitelijke gegevens die hij omstandig detailleert. Deze grief wordt in deze zin hierna beoordeeld. 24. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van XIV-39.075-26/72 eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 25. In zoverre verzoeker van oordeel is dat de bestreden beslissing steunt op een onzorgvuldige feitenvinding omdat ze louter steunt op de eenzijdige klacht van zijn ex-partner, die eveneens politieambtenaar is en die, naar verzoeker stelt, hem “absoluut wou benadelen omwille van diens initiatief tot het verbreken van de relatie”, wordt vastgesteld dat verzoeker dit louter poneert en dit argument ontwikkelt hierbij volledig abstractie makend van de nochtans zeer omstandige motivering van de bestreden beslissing. Niettegenstaande de omstandige formele motivering duidt verzoeker geen enkel element aan waaruit blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich bij zijn tuchtdossier enkel heeft gebaseerd op de eenzijdige klacht van de ex-partner. Zijn kritiek betreft aldus op het eerste gezicht enkel een eigen subjectieve appreciatie van de feitenvinding. Een dergelijke eigen aanname, veronderstelling en kritiek zonder enig begin van bewijs volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen. Overigens bemerkt de Raad van State, verwijzend naar zijn navolgende beoordeling van het vierde middel (zie infra, punt 53 e.v.), dat uit de bestreden beslissing en inzonderheid uit het onderdeel ervan betreffende het bewijs en de toerekening van de tuchtfeiten, het bewijs van de feiten mede is gesteund op de uitlezing van Whatsapp-gesprekken gevoerd tussen hemzelf en zijn ex-partner – en dus berichten betreft die hij zelf heeft gestuurd-, op het forensisch onderzoek van de smartphone van I.M., de analyse van dataverkeer en de technische identificatie omtrent de communicatiemiddelen, zodat dit alleen al lijkt tegen te spreken wat verzoeker thans zonder enig begin van bewijs aanvoert. 26. In zoverre verzoeker van oordeel is dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest door het door verzoeker gevraagde verhoor van I.M. te weigeren, past het deze grief te kaderen in de in artikel 38quinquies, eerste lid, van de tuchtwet voorziene mogelijkheid tot horen van getuigenverklaringen. Deze bepaling laat de hogere tuchtoverheid toe “de nuttige getuigenverklaringen XIV-39.075-27/72 die zij nodig acht” te horen, ambtshalve of op verzoek. Zij beslist daar discretionair over in functie van haar verplichting om een zorgvuldig feitenonderzoek te voeren en de feiten die zij aldus bewezen acht, gepast te beoordelen. Het is de hogere tuchtoverheid die te dien aanzien moet uitmaken of, in het kader van een correcte feitenvinding, het voorgestelde getuigenverhoor een meerwaarde aan het onderzoek kan verlenen en dat zij in functie daarvan een aangevraagd getuigenverhoor kan weigeren of toestaan. Te dezen wordt vastgesteld dat in de kennisgeving van de waarnemende directeur-generaal aan verzoeker inzake ‘de verlenging van de termijn met de noodzakelijke termijn, bedoeld in artikel 38sexies van de Tuchtwet, teneinde artikel 38quinquies van de Tuchtwet toe te passen’ van 6 januari 2022, het volgende is te lezen: “3. Opdracht. […] U motiveert uw verzoek tot het verhoren van hogergenoemde personen als volgt: […] o het verhoor van I.M. U motiveert uw verzoek tot haar verhoor omdat deze nuttige uitleg kan verschaffen over haar uitlatingen ten aanzien van u, die zijn ingegeven door haar onvrede voor het beëindigen van de relatie. […] 4. Beslissing […] Ik motiveer mijn beslissing om I.M. niet bijkomend te laten verhoren als volgt: De verhoren van I.M., voorhanden in het overgemaakte strafdossier, lijken mij te volstaan om de contextuele situatie te kunnen schetsen.” Verzoeker beperkt zich in zijn grief tot de blote kritiek dat het gevraagde herverhoor werd geweigerd, hierbij louter ponerend dat men zich klaarblijkelijk al een beeld had gevormd op basis van de verklaring van I.M. en op basis van de betrokkenheid van de gewone tuchtoverheid als slachtoffer, hierbij volledig abstractie makend van de voormelde redengeving waarom het verhoor werd geweigerd. Aldus geeft hij evenmin aan waarom de reden om verhoor te weigeren, niet deugdelijk zou zijn, derwijze dat het niet-ingaan op zijn vraag tot horen, tot gevolg heeft dat de tuchtstraf onregelmatig is omdat niet alle elementen van de zaak behoorlijk onderzocht werden en zodoende de zorgvuldige besluitvorming heeft geschonden. Zijn kritiek betreft aldus op het eerste gezicht XIV-39.075-28/72 enkel een eigen subjectieve appreciatie van de reden van de weigering van het verhoor. Een dergelijke eigen aanname, veronderstelling en kritiek zonder enig begin van bewijs volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen. Overigens bemerkt de Raad van State dat verzoeker, om redenen die hem eigen zijn, in zijn verweer niet doet blijken dat hij de Tuchtraad niet vroeg toepassing te maken van artikel 49 van de tuchtwet om alzo toch I.M. te kunnen laten horen, noch dat hij deze grief voorlegde aan de Tuchtraad ten einde die toe te laten deze grief op zijn merites te onderzoeken. Hij betrekt dit niet-uitputten van een procedurele mogelijkheid evenmin bij zijn kritiek. Deze grief mist derhalve de vereiste ernst. 27. In zoverre verzoeker doet gelden dat de hogere tuchtoverheid in het inleidend verslag, in het voorstel tot zware straf en in de bestreden beslissing de tenlastegelegde feiten strafrechtelijk kwalificeert en interpreteert, verzuimt verzoeker op het eerste gezicht om dit ook maar op enige wijze aannemelijk te maken. Aldus komt hij tekort aan zijn stelplicht die te dezen geldt. Ten overvloede bemerkt de Raad van State alvast, op het eerste gezicht, dat uit de kwalificatie van de tuchtvergrijpen (zie supra, pt 3.2) op geen enkele wijze blijkt dat deze strafrechtelijk gekwalificeerd werden. Voorts kan niet worden betwist dat het Openbaar Ministerie de lopende opsporingsonderzoeken niet geseponeerd heeft omdat de feiten die het voorwerp ervan zijn, niet bewezen zouden zijn, maar wel om andere redenen. De hogere tuchtoverheid kon derhalve op basis van een analyse van de strafdossiers de feiten voor bewezen houden zonder deze strafrechtelijk te kwalificeren. Deze grief mist derhalve de vereiste ernst. 28. In zoverre verzoeker doet gelden dat niet blijkt dat de positieve elementen uit de drie aanvullende verhoren betrokken werden bij de besluitvorming, blijkt prima facie uit de bestreden beslissing en inzonderheid uit de hierna geciteerde rubriek “bewijs en toerekening van de tuchtfeiten” (zie infra, punt 56) dat deze drie aanvullende verhoren in de besluitvorming wel betrokken werden. Zulks lijkt te volstaan, te meer dat verzoeker verzuimt dit gegeven bij XIV-39.075-29/72 zijn kritiek te betrekken en aldus tekort komt aan zijn stelplicht. Op de tuchtoverheid rust immers, vanuit het oogpunt van de zorgvuldige feitenvinding, slechts de plicht alle nuttige gegevens bij de besluitvorming te betrekken. De omstandigheid dat aan die (welwillendheids)getuigen niet het door verzoeker gewenste (positieve) gevolg wordt gekoppeld, toont op zich niet aan dat de tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest bij de feitenvinding, tenzij verzoeker het tegendeel aannemelijk maakt. Dat doet verzoeker niet, zodat hij te dezen tekort schiet in zijn stelplicht aangezien hij zich beperkt tot het zonder meer louter poneren dat niet blijkt dat de positieve elementen – hierbij de vraag openlatend dewelke dat te dezen zijn – bij de besluitvorming betrokken werden. Deze grief mist derhalve de vereiste ernst. 29. In zoverre verzoeker inzake de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel nog gewag maakt van het gebrek aan bewijs van de feiten en hun kwalificatie als tuchtvergrijp, en daarbij verwijst naar een aantal gegevens die volgens hem niet bij de besluitvorming betrokken werden, wordt vastgesteld dat deze kritieken ontwikkeld worden hierbij volledig abstractie makend van de (omstandige) motivering van de bestreden beslissing inzake het bewijs van de hem ten laste gelegde feiten. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid, zodat het voor een verzoeker niet volstaat om elementen aan te voeren die volgens verzoeker niet bij de besluitvorming werden betrokken, zonder hierbij aannemelijk te maken dat, door dit niet te doen, de besluitvorming op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden derwijze dat de bestreden beslissing hierdoor onwettig is. Dat doet verzoeker niet. Hij beperkt zich tot het opzij schuiven van de redenen waarom de feiten bewezen zijn en gekwalificeerd worden als tuchtvergrijp en tot te wijzen op een aantal andere feitelijkheden om aan te tonen dat, naar zijn overtuiging, de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In het licht hiervan gaat verzoeker, met de blote kritiek dat het te dezen om loutere vermoedens gaat die op geen enkele wijze bewezen zijn verklaard, en dat de hogere tuchtoverheid is voorbijgegaan aan het feit dat I.M. met het indienen van haar klacht wraak wilde nemen, op het eerste gezicht XIV-39.075-30/72 volkomen voorbij aan de motivering in de bestreden beslissing en inzonderheid aan het onderdeel ervan betreffende het bewijs en de toerekening van de tuchtfeiten. Daaruit blijkt op het eerste gezicht dat de feiten bewezen worden geacht op grond van niet louter de verklaring van zijn ex-partner, maar dat de feitenvinding mede is gesteund op de uitlezing van Whatsapp-gesprekken gevoerd tussen hemzelf en zijn ex-partner - en dus berichten betreft die hij zelf heeft gestuurd -, op het forensisch onderzoek van de smartphone van I.M., de analyse van dataverkeer en de technische identificatie omtrent de communicatiemiddelen. Overigens wordt bemerkt dat de omstandigheid dat een deel van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten zich in de privésfeer voordeden, op zich niet bepalend is voor de vraag of die feiten een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt. Dit alles lijkt tegen te spreken wat verzoeker thans zonder enig begin van bewijs aanvoert. In zoverre verzoeker aanneemt dat wegens het ontbreken van een voorafgaand onderzoek “de tuchtoverheid de feiten geïnterpreteerd heeft op een wijze die nefast is voor verzoeker” en dat door het ontbreken van dat onderzoek niet is uitgegaan van de juiste feiten, is vooreerst vast te stellen dat de in artikel 38 van de tuchtwet voorziene mogelijkheid om een voorafgaand onderzoek te bevelen wanneer de zaak voor de bevoegde tuchtoverheid onvoldoende duidelijk is om onmiddellijk een inleidend verslag op te stellen, geen verplichting is. Niets belet aldus dat de hogere tuchtoverheid ook zonder een dergelijk onderzoek onmiddellijk een inleidend verslag opstelt. De enkele omstandigheid dat geen vooronderzoek is gevoerd ter bepaling of de tuchtoverheid met kennis van zaken kan beslissen, doet derhalve op zich niet blijken dat de tuchtoverheid niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld bij de feitenvinding. Het komt aan verzoeker toe dat aannemelijk te maken. De enkele omstandigheid dat hij zelf nog “aanvullende onderzoeksdaden” - verzoeker doelt allicht op de getuigenverhoren waarom hij heeft verzocht - voorstelde, doet op zich hiervan niet blijken nu die mogelijkheid steeds aan verzoeker toekomt, ook in het geval dat een voorafgaand onderzoek zou zijn gevoerd. XIV-39.075-31/72 30. Het tweede middel is in die mate niet ernstig. De schending van het vermoeden van onschuld 31. Verzoeker voert in het middel ook aan dat het vermoeden van onschuld werd miskend doordat een tuchtoverheid zich voor het bewijs van de feiten slechts kan steunen op vermoedens indien deze gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn, hetgeen volgens hem hier “bezwaarlijk” het geval is. Waarom dit zo zou zijn verduidelijkt verzoeker niet, zodat hij op het eerste gezicht tekortschiet in zijn stelplicht. Het middel is derhalve wat deze grief betreft niet ernstig. De schending van het onpartijdigheidsbeginsel 32. Het onpartijdigheidsbeginsel, zoals van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen. Verzoeker voert in wezen de subjectieve partijdigheid aan van de hogere tuchtoverheid. Voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, houdt dat te dezen in dat de hogere tuchtoverheid zich moet onthouden van deelname aan het besluitvormingsproces in de voorliggende tuchtzaak indien zij een persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij die zaak. Dit kan ook een moreel belang zijn, onder meer wanneer de hogere tuchtoverheid reeds een duidelijk standpunt heeft ingenomen en niet zonder gezichtsverlies op dat standpunt zou kunnen terugkomen. Subjectieve partijdigheid wordt evenwel niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen. Een loutere subjectieve XIV-39.075-32/72 indruk van partijdigheid volstaat niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. Het komt aan verzoeker toe de daadwerkelijke vooringenomenheid van de hogere tuchtoverheid in de voorliggende tuchtzaak aan te tonen. 33. Verzoeker brengt verschillende aanwijzingen aan die volgens hem de partijdigheid van de hogere tuchtoverheid aantonen. Zij worden hierna op hun merites onderzocht. Vooreerst wijst verzoeker erop dat hij een wrakingsverzoek heeft ingediend tegen de hogere tuchtoverheid dat verworpen werd. Het enkele feit dat de bevoegde tuchtoverheid een wrakingsverzoek heeft verworpen volstaat op zich niet om aan te nemen dat de hogere tuchtoverheid niet meer in staat zou zijn om op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak van verzoeker, ook niet als verzoeker meent dat volgens hem hij “gegronde redenen” had om een verzoek tot wraking in te dienen. Het komt aan verzoeker toe om met bijkomende en specifieke objectieve gegevens aannemelijk te maken dat zulks te dezen wel het geval zou zijn. Verzoeker reikt die niet aan. De kritiek dat het wrakingsverzoek pas werd verworpen in het voorstel van zware tuchtstraf, waarbij volgens verzoeker dat antwoord “nietszeggend” was, doet zulks alvast niet blijken nu die kritiek niet meer lijkt te zijn dan een individuele overtuiging, die te dezen niet volstaat om aan te nemen dat de hogere tuchtoverheid niet met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid heeft besloten. Eenzelfde vaststelling geldt wat verzoekers mening betreft dat “reeds op basis van de overwegingen in het inleidend verslag” de hogere tuchtoverheid zich reeds publiekelijk een mening heeft gevormd over de tuchtzaak. Ook wat deze aanwijzing betreft, laat verzoeker na bijkomende en specifieke gegevens aan te reiken waaruit precies in het inleidend verslag de aangevoerde vooringenomenheid zou blijken. Hij komt aldus tekort aan zijn stelplicht. XIV-39.075-33/72 In zoverre dat verzoeker een aanwijzing van de vooringenomenheid ziet in het feit dat tijdens een nog lopende vorige tuchtprocedure een gesprek, dat verzoeker (eenzijdig) opnam, werd gevoerd en waarbij de gewone tuchtoverheid en de vroegere titularis van de functie van hogere tuchtoverheid aanwezig waren, en op grond waarvan volgens verzoeker kan worden getwijfeld aan de onpartijdigheid van de hogere tuchtoverheid, gaat verzoeker op het eerste gezicht voorbij aan het feit dat de titularis van de functie van hogere tuchtoverheid die de thans bestreden tuchtstraf oplegde, niet op dat gesprek aanwezig was. Anders dan hoe verzoeker het lijkt te zien, kleeft de aard van de subjectieve onpartijdigheid waarvan hij te dezen gewag maakt niet aan de functie maar aan de persoon die de functie uitoefent en zulks los van de vraag of een dergelijk gesprek in het kader van een voorgaande tuchtprocedure lastens verzoeker tussen andere gesprekspartners dan de hogere tuchtoverheid zelf, het vermoeden keert dat de hogere tuchtoverheid zijn leidend mandaat op een integere en onpartijdige manier vervult en zonder dat in deze stand van het geding moet worden onderzocht of het door verzoeker uitgeschreven, eenzijdig opgenomen audio-gesprek waaruit die vooringenomenheid zou blijken, rechtmatig als overtuigingsstuk mag worden aangewend. In zoverre verzoeker wijst op de uit dat gesprek blijkende vooringenomenheid van de gewone tuchtoverheid, die wel op dat gesprek aanwezig was, stelt de Raad van State vast dat uit niets blijkt dat de gewone tuchtoverheid de hogere tuchtoverheid heeft kunnen beïnvloeden nu niet blijkt dat hij heeft deelgenomen aan de besluitvorming. In zoverre verzoeker een aanwijzing ziet in het feit dat de gewone tuchtoverheid verzoeker, in afwachting van het verdere verloop van de tuchtprocedure, vrij van dienst stelde en waarbij volgens verzoeker die maatregel een bestraffend en willekeurig karakter vertoont, gaat verzoeker er aan voorbij dat deze maatregel definitief is, zodat de onregelmatigheid of onwettigheid ervan niet meer in vraag kan worden gesteld. Verzoekers kritiek dat die maatregel een bestraffend karakter vertoont behoeft bijgevolg geen verdere beoordeling. De enkele omstandigheid dat verzoeker een ordemaatregel, zoals de dienstvrijstelling XIV-39.075-34/72 er een lijkt te zijn, werd opgelegd in de loop van de voorliggende procedure, houdt op zich niet het bewijs van partijdigheid van de hogere tuchtoverheid in, te meer dat bij een ordemaatregel er geen uitspraak wordt gedaan over de schuld van verzoeker. Voorts blijkt niet dat die maatregel door de hogere tuchtoverheid werd opgelegd en uit niets blijkt dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert of veronderstelt, de hogere tuchtoverheid die maatregel heeft opgedragen. Ook wat deze aanwijzing betreft, laat verzoeker aldus op het eerste gezicht na bijkomende en specifieke gegevens aan te reiken die aantonen dat de hogere tuchtoverheid doet blijken van vooringenomenheid. Eenzelfde conclusie geldt wat de teruggave van het dienstwapen betreft, nadat dit eerder was ingetrokken. De enkele omstandigheid dat de directeur-generaal van de gerechtelijke politie een einde stelt aan de intrekking van het dienstwapen, houdt op zich niet het bewijs van partijdigheid van de hogere tuchtoverheid in wanneer die erna besluit de tuchtvordering in te stellen. Hetzelfde geldt wat verzoekers kritiek betreft dat de kennisgeving van dat inleidend verslag werd gevolgd door een voorstel tot schorsing bij ordemaatregel. Ook wat deze aanwijzingen betreft, laat verzoeker aldus op het eerste gezicht na bijkomende en specifieke gegevens aan te reiken die aantonen dat de hogere tuchtoverheid doet blijken van vooringenomenheid. In de mate dat verzoeker voorts vindt dat de intrekking van het dienstwapen een bestraffend karakter heeft, verliest verzoeker ook wat deze maatregel betreft, uit het oog dat die definitief is zodat de onregelmatigheid of onwettigheid ervan niet meer in vraag kan worden gesteld. Verzoekers kritiek dat die maatregel een bestraffend karakter vertoont behoeft bijgevolg geen verdere beoordeling en kan er niet toe leiden dat er vooringenomenheid is aangetoond. Voorts verzuimt verzoeker zijn overtuiging dat de hogere tuchtoverheid van buitenaf onder druk werd gezet – door hoofdcommissaris P. – om de bestreden beslissing te nemen, te ondersteunen met bijkomende en specifieke gegevens ter zake waaruit zou kunnen blijken dat de hogere tuchtoverheid niet meer in volle vrijheid zou hebben kunnen oordelen. De enkele XIV-39.075-35/72 omstandigheid dat hoofdcommissaris P. volgens verzoeker een persoonlijk belang heeft bij het voorliggende tuchtdossier volstaat geenszins ter zake. Verzoeker wijst er ten slotte nog op dat zelfs wanneer de Tuchtraad oordeelt dat bepaalde feiten niet bewezen zijn of als tuchtvergrijp gekwalificeerd kunnen worden, de hogere tuchtoverheid volgens hem zonder doorslaggevende argumenten afwijkt van dit advies. Deze stelling wordt louter geponeerd – volledig ² makend van de motivering voor die afwijking zoals die is vervat in de intentie tot afwijken van dat advies – zonder concreet te verduidelijken waarom zulks aantoont dat de hogere tuchtoverheid doet blijken van vooringenomenheid. Uit wat voorafgaat volgt dat op het eerste gezicht verzoeker het bewijs van subjectieve partijdigheid niet levert. De subjectieve onpartijdigheid die verzoeker in wezen aanvoert in de vorm van een individuele overtuiging, volstaat te dezen niet om aan te nemen dat de hogere tuchtoverheid niet met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid heeft besloten. Aangezien geen schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk is gemaakt, doet bijgevolg niet ter zake, de verwijzing door verzoeker, als alternatief om de schending van het onpartijdigheidsbeginsel te vermijden, naar de volgens hem bestaande mogelijkheid voor de hogere tuchtoverheid om zich te laten vervangen. 34. Het tweede middel is in die mate niet ernstig. De schending van artikel 32 tredecies, §§ 1 en 2 van de welzijnswet 35. De te dezen relevante bepalingen van de welzijnswet luiden: “Art. 32tredecies. § 1. De werkgever mag noch de arbeidsverhouding van de werknemers bedoeld in § 1/1 beëindigen noch een nadelige maatregel treffen ten aanzien van dezelfde werknemers na de beëindiging van de arbeidsverhoudingen, XIV-39.075-36/72 behalve om redenen die vreemd zijn aan het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring. […]. § 1/1. Genieten de bescherming bedoeld in paragraaf 1 : […]. 3° de werknemer die een klacht heeft ingediend bij de politiediensten, bij het openbaar ministerie of bij de onderzoeksrechter, waarbij hij hun tussenkomst verzoekt om één van de volgende redenen :
- a)de werkgever heeft geen preventieadviseur gespecialiseerd in de psychosociale aspecten van het werk aangeduid;
- b)de werkgever heeft niet voorzien in procedures die in overeenstemming zijn met afdeling 2 van dit hoofdstuk;
- c)volgens de werknemer heeft het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk er niet toe geleid dat een einde werd gesteld aan de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk;
- d)volgens de werknemer werden de procedures van afdeling 2 van dit hoofdstuk niet wettig toegepast;
- e)de interne procedure is niet geschikt, gelet op de ernst van de feiten waarvan hij het voorwerp is geweest; 4° […]. § 2. De bewijslast van de in § 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging berust bij de werkgever, wanneer de arbeidsverhouding werd beëindigd of de maatregelen werden getroffen binnen twaalf maanden volgend op het indienen van een verzoek tot interventie, het indienen van een klacht of het afleggen van een getuigenverklaring. Deze bewijslast berust eveneens bij de werkgever wanneer deze beëindiging plaatsvond of deze maatregel werd getroffen nadat een rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis. […].” Naar luid van artikel 32tredecies, § 1, eerste lid, van de welzijnswet mag de werkgever noch de arbeidsverhouding van de werknemers bedoeld in paragraaf 1/1 beëindigen, noch een nadelige maatregel treffen ten aanzien van dezelfde werknemers na de beëindiging van de arbeidsverhoudingen, behalve om redenen die vreemd zijn aan het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring. Op grond van artikel 32tredecies, § 2, van de welzijnswet berust de bewijslast van de in paragraaf 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging bij de werkgever, wanneer de arbeidsverhouding werd beëindigd of de maatregelen werden getroffen binnen twaalf maanden volgend op – onder meer – XIV-39.075-37/72 het indienen van een klacht. 36. De door artikel 32tredecies van de welzijnswet geboden bescherming heeft betrekking op represailles van de werkgever die het gevolg zijn van het indienen van het verzoek tot formele psychosociale interventie. Artikel 32tredecies van de welzijnswet wil de werknemer beschermen tegen represailles die geïnspireerd zijn door het feit zelf van het indienen van de klacht. De door artikel 32tredecies van de welzijnswet geboden bescherming sluit evenwel niet uit dat de nadelige maatregel – te dezen de zware tuchtstraf tot ontslag van ambtswege – wordt gerechtvaardigd door redenen die afgeleid zijn uit feiten die in het verzoek tot interventie als pesterijen worden aangemerkt. Dat er een verband bestaat met die feiten, verhindert niet het nemen van de maatregel. Alleen mag de maatregel niet het (rechtstreekse) gevolg zijn van het indienen van de klacht. 37. Voorafgaand bemerkt de Raad van State dat verzoeker zijn klacht niet overlegt, zodat niet kan worden nagegaan of die klacht, zoals hij stelt in het verzoekschrift, “bij uitbreiding” ook is gericht tegen de huidige titularis van de functie van hogere tuchtoverheid. Dit verzuim belet dat verzoekers bewering niet op haar merites kan worden getoetst. Ter terechtzitting stelt verzoeker in zijn pleitnota weliswaar dat het “logisch” is dat hij die klacht niet bijbrengt “gelet op het lopende opsporingsonderzoek,” maar los van de vraag of dit een wettige reden is om dit van hemzelf uitgaande stuk aan het wettigheidstoezicht van de Raad van State te onttrekken door het niet aan de Raad van State voor te leggen – desgevallend met toepassing van artikel 87, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak’ (hierna: algemene procedureregeling) – gaat thans dit argument niet (meer) op, nu verzoeker ter terechtzitting en in de voornoemde pleitnota erkent dat hij sinds 12 december 2022 inzage in het kwestieuze dossier heeft en overigens andere stukken uit dat dossier wel overlegt en voegt bij de pleitnota. Uit wat voorafgaat volgt aldus dat verzoeker aan de hand van de door verzoeker overgelegde stukken aldus niet XIV-39.075-38/72 aannemelijk maakt dat de titularis van het ambt van hogere tuchtoverheid op het ogenblik van het nemen van zijn bestreden beslissing kennis had of moest hebben van een pestklacht die lastens hem zou zijn ingediend. Het standpunt van de verwerende partij wordt prima facie daarom ter zake bijgevallen. Los van het voorgaande, maakt in elk geval in de huidige stand van het geding de verwerende partij aannemelijk dat, anders dan hoe verzoeker het in de voorliggende grief ziet, de verzoeker in de bestreden beslissing verweten feiten bewezen zijn, zoals blijkt uit de navolgende beoordeling van het vierde middel (zie infra, punt 53 e.v.). Er wordt naar verwezen. Niet blijkt aldus dat de verzoeker verweten feiten, zoals verzoeker aanvoert, terug te brengen zijn tot het indienen door verzoeker van zijn klacht bij de algemene inspectie van de Federale en de Lokale politie. In het licht van deze gegevens die een essentiële weerslag kunnen hebben op de beoordeling van het middel, toont verzoeker bijgevolg met zijn enkele beweringen in het verzoekschrift “dat het dossier en de inhoud van het voorstel zware tuchtstraf afdoende het bewijs levert dat het voorgestelde ontslag wel degelijk expliciet (mede) gegeven wordt omwille van de door verzoeker op 20 november 2014 neergelegde pestklacht”, dat het de pesterijen zijn “die een ketting van sancties aan het adres van verzoeker en verweermiddelen c.q. juridische acties hebben op gang gebracht” en dat het “van belang [is] vast te stellen dat alle ingestelde procedures en neergelegde klachten direct of indirect kaderen in of betrekking hebben op de feiten die ten grondslag liggen aan de initiële pestklacht of hier het verlengde van zijn en [...] hier alleszins een verweer tegen [vormen,]”, niet aan dat de verwerende partij niet in haar bewijslast dat de bestreden beslissing is ingegeven door redenen die vreemd zijn aan het indienen van een klacht wegens pesten, is geslaagd. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker niet aantoont dat de verwerende partij niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast dat de bestreden beslissing is ingegeven door redenen die vreemd zijn aan het indienen van een klacht wegens pesten. Verzoekers standpunt dat het indienen van de klacht wegens pesten reden is van zijn ontslag, wordt in de huidige stand van het geding niet bijgevallen. XIV-39.075-39/72 Het middel is in die mate niet ernstig. Conclusie 38. Het tweede middel is niet ernstig. XIV-39.075-40/72 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 39. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheids-, het proportionaliteits- en het evenredigheidsbeginsel. In wat hij als een eerste onderdeel beschouwt, voert hij de schending aan van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel. Verzoeker herhaalt vooreerst dat hij de verweten feiten niet heeft gepleegd en dat deze in geen geval tuchtinbreuken uitmaken. Hij stelt tevens dat de overheid geen enkele omstandigheid heeft opgeworpen in zijn voordeel, terwijl tuchtdossiers à charge en à décharge moeten worden gevoerd. Daarenboven wordt schijnbaar ook geen rekening gehouden met de aanwezigheid van een goede beoordeling in het persoonlijk dossier van verzoeker, noch met de aanwezige felicitaties die de kwaliteit van zijn werk aantonen, noch met het feit dat zijn terugkeer in zijn eenheid positief werd onthaald – wat maakt dat hij geen eerlijke kans kreeg om zijn integriteit te bewijzen en zijn blazoen op te poetsen. Dat maakt dat de elementen weerhouden in de bestreden beslissing bijgevolg onvoldoende zijn om een geschonden vertrouwensrelatie te rechtvaardigen. Voorts voert verzoeker in het middel ook de schending aan van de redelijke termijn in die zin dat op 1 juli 2021 kennis werd genomen van een kopie van het strafdossier, terwijl gewacht werd tot 21 november 2021 om het inleidend verslag te betekenen, hoewel er geen voorafgaand onderzoek werd gevoerd, noch onderzoeksdaden werden gesteld. Wat de aangevoerde schending betreft van het redelijkheidsbeginsel of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is, zet verzoeker tot slot het toepasselijke juridisch-theoretische kader uiteen. XIV-39.075-41/72 In wat als een tweede onderdeel kan worden beschouwd, voert verzoeker de schending van het evenredigheidsbeginsel aan, aansluitend bij zijn eerdere grieven. Volgens hem is de strafmaat buitenproportioneel. De individuele omstandigheden van verzoeker blijven volgens verzoeker onderbelicht, hij heeft zich “ten andere al genoegzaam dienen te verantwoorden voor deze feiten” en er werden reeds maatregelen opgelegd die als een bestraffing kunnen worden aanzien. Volgens hem miskent de straf het evenredigheidsbeginsel “aangezien de beslissing vooreerst niet berust op feitelijk juiste en op zich relevante motieven en er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing”. Hij stelt dat waar de tuchtoverheid aanvankelijk een blanco strafblad aan verzoeker koppelde en de strafmaat daarop baseerde, blijkt dat de hoge tuchtoverheid zich gedurende de procedure tot heroverweging zich alsnog beroept op twee voorgaande tuchtstraffen. Verzoeker stelt het er niet mee eens te zijn hieromtrent zijn verweer te hebben kunnen voeren in het debat voor de Tuchtraad. Tot slot betoogt verzoeker dat, anders dan wat de hogere tuchtoverheid in haar overwegingen stelt, in aansluiting op het advies van de Tuchtraad, dat "noch de leeftijd van verzoeker, noch de staat van dienst noch de familiale situatie van verzoeker noch zijn medische toestand van aard zijn afbreuk te doen aan deze voorgestelde tuchtstraf”, dit doorslaggevende factoren zijn om tot de huidige strafmaat te komen. Uit de formele motivering moet blijken met welke individuele beoordelingskenmerken rekening werd gehouden. Deze motivering blijft niet overeind nu verzoeker enerzijds de huidige feiten betwist en anderzijds die als tuchtfeiten kwalificeert en dat gelet op het feit dat verzoeker niet eerder negatief werd geëvalueerd. Indien de tuchtoverheid ongunstige antecedenten in de formele motivering opneemt om de tuchtstraf te motiveren, moeten deze antecedenten trouwens correct vastgesteld en worden gewaardeerd. Daarbij ziet verzoeker niet in op welke wijze de tuchtoverheid de bijkomende – en voor verzoeker gunstige – getuigenverklaringen bij haar beoordeling betrekt, hetgeen zij als zorgvuldige en onpartijdige overheid zou moeten doen. De overheid moet de aan verzoeker verweten feiten op een correcte wijze kwalificeren, waarbij de proportionaliteit van een tuchtstraf beoordeeld wordt in het licht van de ernst van de bestrafte tekortkomingen, rekening houdend met de concrete en individuele omstandigheden waarin deze werden begaan. XIV-39.075-42/72 Beoordeling Inzake de schending van het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel 40. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is), veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of proportionaliteitsbeginsel miskent. Aangezien het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de tuchtoverheid onredelijk heeft gehandeld, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van redelijkheid enkel aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten, die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel miskent. Op verzoeker rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de hogere tuchtoverheid. 41. Aangaande de strafmaat stelt de bestreden beslissing: XIV-39.075-43/72 “C. Betreffende de strafmaat Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Volgens de Tuchtraad is dit niet het geval ook niet rekening houdend met het gegeven dat volgens de Tuchtraad de straf enkel kan warden opgelegd uit hoofde van de bewezen feiten zijnde deze sub l en 3. De verzachtende omstandigheid, zoals aangehaald door de tuchtoverheid in het voorstel van zware straf van het blanco strafblad, blijkt na opvraging door de Tuchtraad ervan niet overeind te blijven staan nu op het ogenblik van de feiten sub 1 en sub 3 de verzoeker geenszins beschikte over een blanco tuchtstraffenblad maar integendeel reeds twee zware tuchtstraffen opliep. Dit feit werd aan een tegensprekelijk debat onderworpen nu per mail van 5 mei 2022 de tuchtoverheid het aangepaste tuchtstraffenblad overmaakte aan de Tuchtraad en er aldus op 18 mei 2022 door de verzoeker de mogelijkheid bestond zich des omtrent te verdedigen. Daarenboven komt het feit dat de opgelegde tuchtstraffen eveneens betrekking hadden op een inbreuk door verzoeker op zijn discretieplicht, die tevens vervat zit in het beroepsgeheim (waarvoor hem in mei 2020 ook een tuchtstraf werd opgelegd). Er is in se dus sprake van recidive. De Tuchtraad meent dot het gepast voorkomt tevens te wijzen op volgende elementen meer bepaald: - het feit dat de vertrouwensbreuk des te ernstiger is vermits verzoeker klaarblijkelijk niet heeft geleerd uit de eerder bijzonder ernstige vertrouwensbreuk maar naar aanleiding waarvan hem nog een kans geboden werd; dat de aanwezigheid van de verzoeker in strijd is met het belang van de dienst; - het gegeven dat de bewezen feiten een imagoschade veroorzaken aan de federale politie bij de gerechtelijke overheid; - noch de leeftijd van verzoeker, de staat van dienst noch de familiale situatie van verzoeker noch zijn medische toestand zijn van aard afbreuk te doen aan deze voorgestelde tuchtstraf. Daarenboven vertoont de verzoeker een wangedrag met repetitief karakter en moet de aanwezigheid van de verzoeker strijdig geacht worden met het belang van de dienst. Ik sluit mij op dit punt aan bij de overwegingen uit het advies van de Tuchtraad.” Gelet op de uitdrukkelijke verwijzing naar het advies van de Tuchtraad waarbij wordt aangesloten, moet derhalve ook de motivering van de Tuchtraad aangaande de strafmaat mee in overweging worden genomen. Die luidt: “De tuchtoverheid beschikt bij het bepalen van de aard en de ernst van de tuchtsanctie over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Bij het bepalen van de tuchtsanctie zal de tuchtoverheid rekening dienen te houden XIV-39.075-44/72 met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten gepleegd zijn, de goede werking van de dienst en de weerslag van de inbreuk en de bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de opgelegde tuchtsanctie moet de beleidsvrijheid waarover het bestuur in deze aangelegenheid beschikt, gerespecteerd warden en enkel een volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf kan als onwettig gekwalificeerd worden, dit is een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen. Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Volgens de Tuchtraad is dit niet het geval ook niet rekening houdend met het gegeven dat volgens de Tuchtraad de straf enkel kan worden opgelegd uit hoofde van de bewezen feiten zijnde deze sub 1 en 3. Bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing dient uitgegaan te worden van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. De tuchtoverheid heeft in concrete met motieven toegespitst op deze zaak uiteengezet waarom naar haar oordeel de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ dient opgelegd te worden. De tuchtoverheid heeft ander meer terecht de volgende elementen in rekening gebracht: - de voorbeeldfunctie van verzoeker waardoor de tuchtoverheid een streng verwachtingspatroon mag hanteren; - het gegeven dat de feiten te zwaarwichtig zijn om bestraft te worden met enkel een aanmaning of een formele afkeuring; - het gegeven dat de ten laste gelegde feiten afbreuk doen aan de voorbeeldfunctie, de integriteitplicht, de verplichting tot bescherming van de burgers, de plicht om de wetten en reglementen na te leven en de waardigheid van het ambt van politieambtenaar; - de onherroepelijke vertrouwensbreuk ten aanzien van verzoeker die door deze feiten worden veroorzaakt, zowel in hoofde van de overheden waarbij verzoeker tewerkgesteld is. In tegenstelling met de tuchtoverheid is de Tuchtraad van oordeel dat de bewezen feiten niet de afzetting als straf verantwoorden maar wel het ontslag van ambtswege. De verzachtende omstandigheid, zoals aangehaald door de tuchtoverheid in het voorstel van zware straf van het blanco strafblad, blijkt na opvraging door de Tuchtraad ervan niet overeind te blijven staan nu op het ogenblik van de feiten sub 1 en sub 3 de verzoeker geenszins beschikte over een blanco tuchtstraffenblad maar integendeel reeds twee zware tuchtstraffen opliep. Dit feit werd aan een tegensprekelijk debat onderworpen nu per mail van 5 mei 2022 de tuchtoverheid het aangepaste tuchtstraffenblad overmaakte aan de Tuchtraad en er aldus op 18 mei 2022 door de verzoeker de mogelijkheid bestond zich desomtrent te verdedigen. XIV-39.075-45/72 De verzachtende omstandigheid van de goede evaluatie is niet van aard om afbreuk te doen aan de voorgestelde straf van het ontslag van ambtswege nu dit niet opweegt tegen al het vorige. Daarenboven komt het feit dat de opgelegde tuchtstraffen eveneens betrekking hadden op een inbreuk door verzoeker op zijn discretieplicht, die tevens vervat zit in het beroepsgeheim (waarvoor hem in mei 2020 ook een tuchtstraf werd opgelegd). De Tuchtraad meent dat het gepast voorkomt tevens te wijzen op volgende elementen meer bepaald: - het feit dat de vertrouwensbreuk des te ernstiger is vermits verzoeker klaarblijkelijk niet heeft geleerd uit de eerder bijzonder ernstige vertrouwensbreuk maar naar aanleiding waarvan hem nog een kans geboden werd; - dat de aanwezigheid van de verzoeker in strijd is met het belang van de dienst; - het gegeven dat de bewezen feiten een imagoschade veroorzaken aan de federale politie bij de gerechtelijke overheid; - noch de leeftijd van verzoeker, de staat van dienst noch de familiale situatie van verzoeker noch zijn medische toestand zijn van aard afbreuk te doen aan deze voorgestelde tuchtstraf. Het kan niet worden ontkend dat de feiten die de tuchtoverheid als zeer ernstig aanziet een zwaardere tuchtstraf rechtvaardigen. Daarbij komt nog dat de feiten van die aard zijn dat verzoeker ermee de integriteit en de waardigheid die de tuchtoverheid van haar ambtenaren mag verwachten in het gedrang heeft gebracht. Aan dit element heeft de tuchtoverheid een belangrijk gewicht gegeven bij het bepalen van de strafmaat. Daarenboven vertoont de verzoeker een wangedrag met repetitief karakter en moet de aanwezigheid van de verzoeker strijdig geacht worden met het belang van de dienst. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat er geen deugdelijke redenen werden opgegeven voor het ontslag van ambtswege dat wordt voorgesteld door de tuchtoverheid.” 42. Ter staving van de schending van het redelijkheidsbeginsel verwijst verzoeker enkel naar het feit dat volgens hem de in de bestreden beslissing aangehouden elementen onvoldoende zijn om een geschonden vertrouwensrelatie met verzoeker te rechtvaardigen, waarbij hij opsomt: zo zou er geen rekening zijn gehouden met de aanwezigheid van een goede beoordeling in het persoonlijk dossier van verzoeker, noch met de aanwezige felicitaties, noch met een verklaring van commissaris van politie M. naar aanleiding van verzoekers terugkeer in zijn dienst. In de mate dat verzoeker meent dat de bestreden beslissing onredelijk is omdat, naar zijn mening, de in de bestreden beslissing in aanmerking genomen elementen onvoldoende zijn, geeft verzoeker op het eerste gezicht aan het redelijkheidsbeginsel een draagwijdte die dit beginsel niet heeft. Die kritiek betreft immers niet de redelijkheid van de bestreden beslissing die XIV-39.075-46/72 immers enkel betrekking heeft op het redelijk aanwenden van de beleidsvrijheid en niet op deugdelijkheid van de motieven van de strafmaat of de zorgvuldige vinding ervan. De schending van het redelijkheidsbeginsel is immers enkel aan de orde als vaststaat dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke (materiële) gronden, zodat kritiek op de deugdelijkheid van die grondslagen, niet kan worden ingepast in het redelijkheidsbeginsel. In die mate mist op het eerste gezicht verzoekers kritiek juridische grondslag. In de mate dat verzoeker opwerpt dat er geen rekening werd gehouden met voor hem positieve elementen in het dossier, toont het enkele gegeven dat de hogere tuchtoverheid een andere mening is toegedaan omtrent de afweging en het gewicht van de door verzoeker aangevoerde positieve elementen, op het eerste gezicht op zich niet aan dat de hogere tuchtoverheid inzake de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het redelijkheidsprincipe moet blijken. Dat er positieve elementen in verzoekers dossier zijn die in aanmerking kunnen worden genomen is een zaak, maar een andere zaak is of dat zulks – gelet op hiervoor aangehaalde motieven voor de strafmaat – inhoudt dat het ondenkbaar is dat een andere overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde besluitvorming zou zijn gekomen. De redenen waarom aan verzoeker voor de hem tenlaste gelegde feiten de bestreden tuchtstraf is opgelegd, blijken uit het hiervoor geciteerde uittreksel uit de bestreden beslissing en uit het advies van de Tuchtraad waarbij de hogere tuchtoverheid zich uitdrukkelijk heeft aangesloten. Er wordt naar verwezen. De argumenten die verzoeker aanvoert, doen weliswaar blijken van een andere appreciatie ter zake van verzoeker, maar die maken in de concrete omstandigheden van de feiten en verzoekers persoonlijkheid, niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. De omstandigheid dat verzoeker een andere mening is toegedaan, maakt op het eerste gezicht evenmin de keuze van de straf onredelijk. 43. Het middel is in die mate niet ernstig. XIV-39.075-47/72 XIV-39.075-48/72 Inzake de schending van het evenredigheidsbeginsel 44. Verzoeker voert in het middel de schending aan van het evenredigheidsbeginsel. Het middel wordt ook vanuit dat oogpunt onderzocht. 45. Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de (hogere) tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Het evenredigheidsbeginsel in tuchtzaken is geschonden wanneer tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie geen redelijk verband van evenredigheid zou bestaan. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de (hogere) tuchtoverheid bij haar beoordeling binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. Een schending van het evenredigheidsbeginsel veronderstelt derhalve dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat voorts bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond. Aangezien het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de opgelegde tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van evenredigheid enkel aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten, die volgens hem doen blijken XIV-39.075-49/72 dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoeker rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de hogere tuchtoverheid. 46. Wat die door verzoeker aangevoerde elementen betreft, beperkt verzoeker zich tot het opwerpen dat “de tuchtrechtelijke beslissing moet aantonen dat de keuze van de sanctie rekening houdt met de ernst van de lastens het personeelslid weerhouden feiten en de context waarbinnen die feiten werden gepleegd, alsook met de persoonlijkheid, de loopbaan en het ziektebeeld van het personeelslid” en tot het poneren dat “deze individuele omstandigheden van verzoeker […] onderbelicht [blijven],” maar hij verzuimt om op voldoende concrete wijze uiteen te zetten waarom dat zulks te dezen is derwijze dat aldus moet blijken dat er tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie geen redelijk verband van evenredigheid bestaan. Het komt, zoals hiervoor is gesteld, niet aan de Raad van State toe om deze beoordeling te maken. Voorts zet verzoeker niet uiteen in welke mate het in de loop van de procedure betrekken in de besluitvorming van voorgaande tuchtstraffen, terwijl initieel bij het inleiden van de tuchtvordering werd uitgegaan van een blanco tuchtblad, tot gevolg kan hebben dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie. Dat tegen die voorgaande tuchtstraffen een beroep tot nietigverklaring is ingediend, is in de context van de beoordeling van de geschonden bepaling, niet relevant. Hetzelfde geldt wat verzoekers kritiek betreft dat hij, naar zijn zeggen, geen verweer ter zake heeft kunnen voeren. 47. Het derde middel is in die mate niet ernstig. Inzake de schending van de redelijketermijneis 48. Hoewel niet uitdrukkelijk aangegeven in het kopje van het middel, voert verzoeker ook als grief de schending aan van de redelijketermijneis doordat, samengevat, de hogere tuchtoverheid er, na de ontvangst van de XIV-39.075-50/72 strafdossiers in beide opsporingsonderzoeken, vijf maanden over heeft gedaan om het inleidend verslag aan verzoeker te betekenen. 49. Deze kritiek wordt niet bijgevallen. Te dezen wordt immers niet betwist dat het inleidend verslag binnen de wettelijke verjaringstermijn van zes maanden is betekend aan verzoeker. Het feit dat, volgens verzoeker, ondanks het feit dat er geen voorafgaand onderzoek werd gevoerd en er geen enkele onderzoeksdaad diende te worden gesteld, vijf maanden werd gewacht om het inleidend verslag te betekenen, kan op zich geen schending van de redelijke termijn opleveren, aangezien verzoeker geen gebrek aan voortvarendheid verwijt met betrekking tot de fasen van de tuchtprocedure na de betekening van het inleidend verslag op 29 november 2021. 50. Het middel is in die mate niet ernstig. Conclusie 51. Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 52. In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en van de materiëlemotiveringsplicht, doordat de overheid er niet in slaagt het bewijs te leveren van de aangevoerde feitelijkheden die de proportionaliteit van de maatregel dienen te verantwoorden. Op basis van wat reeds werd uiteengezet, meent verzoeker dat niet werd voldaan aan de motiveringsplicht nopens de tenlastegelegde feiten. Volgens verzoeker is het te dezen duidelijk dat men zich XIV-39.075-51/72 lastens verzoeker enkel baseert op de verklaring van de ex-partner van verzoeker, die volgens hem haar subjectief relaas kracht bijzet door een selectie aan belastende berichten. Voorts doet verzoeker gelden dat uit de motivering dan ook moet blijken waarom de tuchtoverheid meende dat de waardigheid van het ambt in het gedrang werd gebracht. Verzoeker stelt dat hij zulks geenszins kan afleiden uit de motivering van de bestreden beslissing. Verzoeker erkent weliswaar dat de tuchtoverheid discretionair beoordeelt of de feiten een tuchtvergrijp uitmaken, maar in casu wordt er geen enkele relevante koppeling gemaakt tussen zijn privésituatie en waarom deze handelingen een concrete tekortkoming uitmaken aan de beroepsplichten. Ook met betrekking tot de motivering van de strafmaat blijft volgens verzoeker de tuchtoverheid in gebreke. Verzoeker stelt dat hij niet kan uitmaken waarom hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Het is uit de motivering dat de motieven voor de strafmaat duidelijk moeten blijken. De overweging dat verzoeker “een wangedrag met repetitief karakter vertoont” en dat de “aanwezigheid van verzoeker strijdig moet geacht worden met het belang van de dienst” is schijnbaar ingegeven door “het gegeven dat de bewezen feiten een imagoschade veroorzaken aan de federale politie bij de gerechtelijke overheid,” maar dat wordt nergens verduidelijkt, laat staan dat dit materieel wordt gemotiveerd. Daarenboven lijkt de enige overweging daartoe te zijn dat verzoeker reeds eerder een tuchtsanctie kreeg wegens “schending van de geheimhoudingsplicht”. Dat is wat hem betreft onvoldoende om het bestreden ontslag te rechtvaardigen. Verzoeker heeft zich voor wat betreft de overwegingen van de Tuchtraad dat het tenlastegelegde feit “sub 2 b” niet bewezen is en dat het tenlastegelegde feit “sub 2 a” geen tuchtinbreuk uitmaakt, aangesloten bij deze overwegingen van de Tuchtraad. De hogere tuchtoverheid motiveert niet afdoende waarom zij hieromtrent afwijkt van dit advies. Beoordeling XIV-39.075-52/72 53. Uit de uiteenzetting van verzoeker kunnen op het eerste gezicht de volgende wettigheidskritieken worden afgeleid: