← België

Arrest 256004 - Kansspelen - 10/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.004 Rolnummer: A. 238565/VII-41943 Zaak: Arrest 256004 - Kansspelen - 10/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-14 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-10 08:36 Fiche Arrest nr 256.004 van 10 maart 2023 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 256.004 van 10 maart 2023 in de zaak A. 238.565/VII-41.943 In zake: de BV KENTPLAY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Van Damme en Dries Pattyn kantoor houdend te 8200 Brugge Rijselstraat 274 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Henry Van Burm kantoor houdend te 9830 Sint-Martens-Latem K. L. Maenhoutstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 3 maart 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent van 9 februari 2023 om geen convenant af te sluiten met de bv Kentplay voor het exploiteren van een kansspelinrichting klasse IV, gelegen aan de Vierweegsestraat 47 te Gent (Wondelgem). Tevens vraagt de verzoekende partij als voorlopige maatregel de verwerende partij “te bevelen om uiterlijk 14 dagen na de kennisgeving van [het] arrest, ter heroverweging van de bestreden beslissing een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag [...] tot het afsluiten van een convenant”. II. Verloop van de rechtspleging VII-41.943-1/9
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2023, om 14 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dries Pattyn, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Kevin Poelman, die loco advocaat Henry Van Burm verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verzoekende partij huurde een handelspand aan de Vierweegsestraat 48 te Gent (Wondelgem) waar zij een kansspelinrichting klasse IV exploiteerde. Met ingang van 1 juni 2022 huurt zij een handelspand op het adres Vierweegsestraat 47 te Gent. 3.
  5. Naar luid van artikel 4, § 1, van de wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ (hierna: kansspelwet) is het verboden om een kansspelinrichting te exploiteren zonder voorafgaande vergunning van de Kansspelcommissie die overeenkomstig deze wet is toegestaan en behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald. VII-41.943-2/9 Overeenkomstig artikel 25, punt 7, van de kansspelwet, is voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse IV een vergunning klasse F2 vereist, die telkens voor hernieuwbare periodes van drie jaar kan worden aangevraagd. Volgens artikel 43/4, § 1, vierde lid, van de kansspelwet moet de uitbating van een (vaste) kansspelinrichting klasse IV geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. 3.
  6. Op 26 september 2022 vraagt de verzoekende partij aan de stad Gent om een convenant af te sluiten met betrekking tot het nieuwe vestigingsadres van haar kansspelinrichting. 3.
  7. Met een besluit van 9 februari 2023 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent om het convenant af te sluiten. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Uiterst dringende noodzakelijkheid VII-41.943-3/9 Uiteenzetting van de verzoekende partij
  9. Tot staving van het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid voert de verzoekende partij aan dat zij “door de bestreden beslissing haar enige ondernemingsactiviteit niet [kan] uitoefenen, waardoor haar continuïteit ernstig wordt bedreigd en [zij] hierdoor een onherstelbaar financieel nadeel [lijdt]”. In ondergeschikte orde voert zij aan dat de bestreden beslissing “een onrechtmatige inbreuk [vormt] op haar economische rechten en vrijheden [...], zodat [zij] op grond van het Unierecht recht heeft op rechtsherstel”. Zij tracht de ernstige impact van de bestreden beslissing aan te tonen door te verwijzen naar de resultaten van de “voorlopige interne jaarrekening” voor het boekjaar
  10. Daaruit blijkt volgens haar, samengevat, dat “[d]e boekhoudkundige waardering in discontinuïteit van deze activa [...] de kredietwaardigheid [...] onherstelbaar [zal] aantasten” en dat op korte termijn “de liquiditeit (d.i. het vermogen om kortlopende schulden te betalen) en de continuïteit” ernstig worden bedreigd als het wedkantoor niet snel kan worden heropend. Beoordeling
  11. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de VII-41.943-4/9 Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moeten feitelijke gegevens bijgebracht worden die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  12. In wezen beroept de verzoekende partij zich op de financiële gevolgen die door de bestreden beslissing worden teweeggebracht. Een financieel nadeel volstaat in beginsel niet om de behandeling van een zaak bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf door de bestreden beslissing ernstig in gevaar wordt gebracht.
  13. Gewis kan aangenomen worden dat de onmogelijkheid om het wedkantoor meteen te openen belangrijke repercussies heeft op de VII-41.943-5/9 bedrijfsactiviteit van de verzoekende partij. Die enkele vaststelling volstaat evenwel niet om het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid aan te nemen. In het kader van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet de verzoekende partij immers aannemelijk maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing die pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden bevolen, onherroepelijk te laat zou komen om het beweerde nadeel op te vangen of haar belangen veilig te stellen.
  14. In zoverre de verzoekende partij in haar verzoekschrift wijst op de boekhoudkundige waardering in discontinuïteit van de activa van het wedkantoor waardoor haar kredietwaardigheid onherstelbaar zal worden aangetast, moet ervan worden uitgegaan dat die boekhoudkundige waardering slechts zal plaatsvinden na het afsluiten van het boekjaar waarin de exploitatie van het wedkantoor werd stopgezet. Volgens de door de verzoekende partij verstrekte gegevens eindigt dat boekjaar op 31 december
  15. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat tegen voormelde datum geen arrest over een gewone vordering tot schorsing verwacht kan worden. Daarnaast maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat er bij gebrek aan inkomsten uit het wedkantoor “na de vierde maand een staking van betaling van de (minimale) vaste kosten is” waardoor de liquiditeit en de continuïteit van haar onderneming ernstig in het gedrang komen. In de eerste plaats blijkt uit de gegevens van de zaak dat de huurovereenkomst voor het pand op de nieuwe locatie van het wedkantoor op 1 juni 2022 is ingegaan. Het wekt verbazing dat het verzoek tot het afsluiten van een convenant, dat noodzakelijk is om het wedkantoor te kunnen openen, pas op 26 september 2022 bij de verwerende partij werd ingediend, verzoek dat vervolgens nog op 13 oktober 2022 werd vervolledigd. De verzoekende partij heeft met andere woorden bijna vier maanden getalmd om zelf de eerste noodzakelijke stap te zetten om de continuïteit van haar wedkantoor te verzekeren. Het stilzitten van de VII-41.943-6/9 verzoekende partij valt nog minder te begrijpen nu zij in haar verzoekschrift aanvoert dat de bestreden beslissing belet dat de exploitatie van het wedkantoor kan worden aangevat waardoor er precies “na de vierde maand een staking van betaling van de (minimale) vaste kosten” dreigt. Deze vaststelling wettigt de conclusie dat de verzoekende partij zich in voorliggend geding beroept op een uiterst dringende noodzakelijkheid die ze per slot van rekening zelf in het leven heeft geroepen. Bovendien wordt ter terechtzitting bevestigd dat de inkomsten van de verzoekende partij reeds sinds juni 2022 volledig zijn weggevallen. Rekening houdend met dit gegeven, is het weinig geloofwaardig dat het voortbestaan van de verzoekende partij plots wordt bedreigd en dat die dreiging enkel kan worden afgeweerd door een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  16. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij door de bestreden beslissing in haar voortbestaan wordt bedreigd en dat het doorlopen van een gewone schorsingsprocedure niet volstaat om haar belangen veilig te stellen.
  17. In zoverre de verzoekende partij zich beroept op het “voorrangsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte”, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die er zich tegen zouden verzetten dat “een nationale regeling, zoals artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-wet, waarbij een vordering tot schorsing of een vergelijkbare vordering in kort geding, kan worden verworpen wegens een gebrek aan spoedeisendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid, indien een ernstige en voortdurende aantasting van de rechten en vrijheden van het Unierecht vaststaat”, wordt - daargelaten de uitleg die gegeven moet worden aan de aangehaalde Europeesrechtelijke bepalingen en de directe werking ervan - vooralsnog niet aangenomen dat een gewone vordering tot VII-41.943-7/9 schorsing bij de Raad van State niet als een ‘doeltreffende voorziening’ kan worden beschouwd die ‘daadwerkelijke rechtsbescherming’ biedt en dat die predicaten enkel voorbehouden zouden zijn aan een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  18. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. V. Voorlopige maatregel
  19. De verwerping van de hoofdvordering brengt de verwerping mee van de bijkomstige vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-41.943-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.943-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.004 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.735 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.