id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.029 Rolnummer: A. 234373/IX-10083 Zaak: Arrest 256029 - Wapens - 15/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-10 08:38 Fiche Arrest nr 256.029 van 15 maart 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.029 van 15 maart 2023 in de zaak A. 234.373/IX-10.083 In zake : Nele VAN HEUGTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Mallien kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bus 8 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nico Demeyere kantoor houdend te 8531 Bavikhove Ter Coutere 7 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 23 juni 2021 waarbij het beroep van Nele Van Heugten, gericht tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 2 maart 2020, wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging IX-10.083-1/20
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Werner Vandenbruwaene, die loco advocaat Pascal Mallien verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is als sportschutter in het bezit van vuurwapens. 3.
- Naar aanleiding van een opsporingsonderzoek worden haar wapenvergunningen en het recht tot het voorhanden houden van vuurwapens op 15 mei 2017 geschorst. IX-10.083-2/20 3.
- Bij vonnis van 22 oktober 2018 van de correctionele rechtbank te Antwerpen, afdeling Mechelen, krijgt verzoekster de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, voor een periode van drie jaar, wegens overtredingen op de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: de Wapenwet), namelijk het niet reglementair vervoeren van het dienstwapen en het bezit van munitie zonder vergunning. 3.
- De procureur des Konings meldt bij brief van 16 januari 2020 aan de gouverneur van de provincie Antwerpen dat hij voorstander is van een intrekking van de wapenvergunningen en van het recht tot het voorhanden houden van vuurwapens. 3.
- Op 2 maart 2020 beslist de gouverneur van de provincie Antwerpen om de schorsing van verzoeksters wapenvergunningen en het recht tot het voorhanden houden van vuurwapens om te zetten in een intrekking. Die beslissing wordt in essentie gemotiveerd door het gegeven dat uit het vonnis kan worden afgeleid dat verzoekster op een onverantwoorde, onzorgvuldige en zelfs gevaarlijke wijze omgaat met vuurwapens. 3.
- Tegen die beslissing stelt verzoekster op 27 maart 2020 administratief beroep in. 3.
- De lokale politie geeft op 18 mei 2020 een gunstig advies, waarvan de motivering luidt: “Van Heugten heeft een blanco strafregister. De feiten welke hiervoor vermeld zijn, werden door de Rechtbank behandeld en hebben er niet toe geleid dat er een vermelding is bij het strafregister. Ik ben dan ook van mening dat ik voor mijn advies hiermee geen rekening mag houden. Het feit dat Van Heugten werkzaam is bij een wapenhandel tot tevredenheid van de uitbaters is een overweging die mee heeft geleid tot mijn advies.” IX-10.083-3/20 3.
- De procureur des Konings meldt op 9 juli 2020 dat hij zijn ongunstig advies van 16 januari 2020 handhaaft. 3.
- Op 23 april 2021 wordt verzoekster, bijgestaan door haar raadsman, mondeling gehoord. 3.
- Op 23 juni 2021 verwerpt de minister van Justitie het door verzoekster ingestelde administratief beroep. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering letterlijk luidt: “Of er al dan niet gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete elementen. Bovendien moet rekening gehouden worden met het principe van de proportionaliteit; zo moeten de aangehaalde elementen voldoende ernstig zijn om een beperking, schorsing of intrekking van een vergunning te rechtvaardigen. Overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dient elke overheidsbeslissing met individuele strekking zowel materieel als formeel gemotiveerd te worden. Art. 3 van voornoemde wet bepaalt dat de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de grondslag liggen van de beslissing. Bovendien moeten de motieven die in de beslissing vermeld worden afdoende zijn. In een bestendige rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt het begrip openbare orde omschreven als de waarden welke de essentiële belangen van de staat raken en die in het privaatrecht de juridische grondslag van de economische orde van de maatschappij bepalen. Het begrip openbare orde moet hier in ruime zin worden geïnterpreteerd, namelijk met inbegrip van de openbare veiligheid, de openbare rust en de openbare gezondheid. De wapenwet heeft een principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens, met uitzondering van een gemotiveerde vergunning. De wapenvergunning (of de toelating tot het voorhanden hebben van vuurwapens) is dus de uitzondering. De wapenwet laat de overheid toe om preventieve maatregelen te nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermijden (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. arrest R.v.St. nr. 216.296 van 17 november 2011; arrest R.v.St. nr. 218.251 van 1 maart 2012; arrest R.v.St. nr. 218.710 van 29 maart 2012). Opdat een vergunning of het recht tot het voorhanden hebben van een IX-10.083-4/20 vuurwapen kan worden ingetrokken, is het niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. arrest R.v.St. nr. 213.889 van 16 juni 2011; arrest R.v.St. nr. 218.251 van 1 maart 2012; arrest R.v.St. nr. 218.252 van 1 maart 2012). Op basis van de stukken aanwezig in het administratieve dossier kan worden besloten dat het voorhanden hebben van vuurwapens in uw hoofde een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden aangezien er zich problemen stellen in verband met uw moraliteit. Concreet kan worden verwezen naar het vonnis van de correctionele rechtbank van 2018 hetgeen toch wel ernstige feiten betreffen aangezien het gaat om inbreuken op de wapenwetgeving, meer bepaald het in bezit zijn van verboden munitie en het niet correct dragen en vervoeren van het dienstwapen. Een veroordeling wegens inbreuk op de wapenwetgeving is bovendien opgenomen in artikel 5, §4 van de wapenwet waardoor een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen onontvankelijk moet worden verklaard. Uw raadsman haalt wel aan dat het geen veroordeling betreft maar een opschorting van uitspraak voor 3 jaar waarbij toch nog kan opgemerkt worden dat zelfs die termijn van 3 jaar nog niet verstreken is. Voorts herhaalt uw raadsman nog (onder meer bij de uitoefening van het mondelinge hoorrecht) dat u respectvol met wapens omgaat, dat u nog steeds in Duitsland gaat jagen met een Duits jachtverlof er dat u jarenlange ervaring hebt. Het louter feit dat u voor deze inbreuk de gunst van de opschorting van de uitspraak heeft verkregen, betekent nog niet dat de feiten als dusdanig niet weerhouden kunnen worden om aan te tonen dat uw gedrag een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Ook de Raad van State in zijn arrest nr. 193.442 d.d. 19 mei 2009 uitdrukkelijk bepaald dat een bestuur bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, ook rekening gehouden mag worden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. De tenlastelegging werd door de strafrechter als bewezen beschouwd en is dan ook niet betwistbaar. Een veroordeling wegens inbreuken op de wapenwetgeving is bovendien opgenomen in art. 5, §4, 2°, b) van de wapenwet waardoor een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen onontvankelijk moet worden verklaard. U werd dan niet strafrechtelijk veroordeeld wegens dergelijke inbreuken, doch rekening houdend met de bedoeling van de wetgever om geen vergunningen af te leveren aan personen die werden veroordeeld wegens voornoemde inbreuken, kan worden aangenomen dat wanneer onomstotelijk vaststaat dat iemand dergelijke inbreuken heeft gepleegd, ook voldoende reden is om de vergunning en/of het recht om vuurwapens voorhanden te houden te weigeren en/of in te trekken. IX-10.083-5/20 De minister van Justitie is dan ook van oordeel dat dergelijke feiten misdrijven betreft die in de wapenwetgeving zijn opgenomen omdat het – in combinatie met wapenbezit – een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Dergelijke feiten maken dat het noodzakelijk vertrouwen dat moet gesteld kunnen worden in hoofde van een wapenbezitter wordt ondermijnd. Ook de rechtbank is hierover duidelijk en stelt in het vonnis dat zij (de beklaagden) zich als inspecteurs van politie niet in onwetendheid, noch over deze wetgeving noch over het voorhanden hebben van de munitie in de woning. En voorts: de feiten zijn zeer ernstig en getuigen van in hoofde van beide beklaagden van een gebrek aan normbesef en een absoluut gebrek aan voor de in onze maatschappij geldende wetten en normen. Beide beklaagden hebben als inspecteur van politie een voorbeeldfunctie doch springen bijzonder lichtzinnig om met de regelgeving rond wapenbezit en -gebruik. Uiteraard kan dit op geen enkele wijze worden getolereerd.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In het eerste middel voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing niet is genomen en ondertekend door een bevoegde gemachtigde van de minister van Justitie en dat zij niet door een bevoegde gemachtigde persoonlijk is gehoord. Zij argumenteert dat de hoorzitting is georganiseerd door een attaché van de federale wapendienst, namelijk V.V., die ook de bestreden beslissing heeft verzonden. De bestreden beslissing zelf is ondertekend door adviseur-diensthoofd van de federale wapendienst C.G. Uit de bevoegdheden van de federale wapendienst – artikel 36 en volgende van de Wapenwet – blijkt echter geenszins dat deze dienst kan optreden als gemachtigde van de minister van Justitie. In casu is ook het machtigingsbesluit niet bij de bestreden beslissing gevoegd. Er moet dan ook worden besloten dat de bestreden beslissing niet is IX-10.083-6/20 ondertekend door de bevoegde gemachtigde van de minister van Justitie en dat zij niet door de bevoegde gemachtigde persoonlijk is gehoord. Verzoekster merkt nog op dat indien dit middel leidt tot de vernietiging van de bestreden beslissing, het past te preciseren dat hoe dan ook een nieuwe hoorzitting moet plaatsvinden, in aanwezigheid van de gemachtigde van de minister van Justitie. 4.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster dat de zaak volledig is behandeld door V.V., die ook de bestreden beslissing heeft genomen. Ter staving van haar stelling verwijst zij naar het feit dat de uitnodiging voor de hoorzitting door V.V. is ondertekend en dat V.V. wordt vermeld als contactpersoon. Het is ook V.V. die heeft beslist dat verzoeksters vader niet zal worden gehoord tijdens de hoorzitting op 23 april 2021 en die haar dat per e-mail heeft meegedeeld op 22 april
- Voorts is het ook V.V. die schriftelijke notities van de hoorzitting heeft opgesteld. Ten slotte is het schrijven van haar raadsman om een proces-verbaal van de hoorzitting te ontvangen, beantwoord door V.V. die in plaats daarvan haar de bestreden beslissing heeft toegestuurd. Volgens verzoekster is het “derhalve overduidelijk dat de ganse hoorzitting, de voorbereiding ervan en het opstellen van de beslissing integraal en alleen is gebeurd door [V.V.]”. Verzoekster stelt vast dat de verwerende partij niet betwist dat V.V. “geenszins de hoedanigheid en bevoegdheid heeft, zoals weergegeven in het besluit van de minister van Justitie van 21 september 2012, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2012”. Wat C.G. betreft, merkt verzoekster op dat zijn naam enkel wordt vermeld bij de benoeming van de leden van de adviesraad voor wapens, in het ministerieel besluit van 6 juli 2018, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juli
- 4.
- In haar laatste memorie laat verzoekster gelden dat C.G. de bestreden beslissing heeft genomen zonder haar persoonlijk te horen en zonder daadwerkelijk kennis te hebben genomen van wat tijdens de mondelinge hoorzitting is uiteengezet. Zij stelt dat indien er naast het schriftelijk betoog ook een mondelinge hoorzitting wordt georganiseerd, dit correct moet worden IX-10.083-7/20 samengevat en worden voorgelegd aan diegene die de bestreden beslissing neemt, hetgeen in casu niet is gebeurd. Ter staving van haar stelling verwijst verzoekster naar het verslag van de hoorzitting dat door V.V. is opgesteld. Volgens haar betreft het “persoonlijke notities, als een aide-mémoire voor diegene die [haar] heeft gehoord, vervolgens uit te schrijven in een ontwerp van beslissing met daaropvolgend antwoorden overeenkomstig de vereiste motiveringswet”. Die notities kunnen, aldus verzoekster, ook niet worden beschouwd als wat in de oproepingsbrief is vermeld, namelijk de mondeling toegelichte argumenten die worden genoteerd en toegevoegd aan het schriftelijk dossier. Verzoekster merkt op dat in de door C.G. ondertekende bestreden beslissing niets valt te lezen met betrekking tot deze persoonlijke notities. Er wordt in een alinea wel verwezen naar de argumentatie van haar raadsman, maar dit steunt volledig op een e-mail die haar raadsman aan V.V. heeft gestuurd. In de notities van V.V. wordt echter veel meer vermeld, dat in de bestreden beslissing niet aan bod komt. Volgens verzoekster is het overduidelijk dat C.G. geenszins de persoonlijke notities van V.V. heeft doorgenomen en dat hij derhalve geen beslissing heeft genomen met kennis van zaken van wat tijdens de mondelinge hoorzitting is gezegd. Beoordeling 5.
- Artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet luidt: “Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen.” In het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2012 is het volgende ministerieel besluit van 21 september 2012 bekendgemaakt: “De Minister van Justitie, Gelet op artikel 30 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, Besluit : IX-10.083-8/20 Om te beslissen over de beroepen die op basis van artikel 30 van de Wapenwet worden ingesteld, wordt delegatie van bevoegdheid verleend aan de houders van de volgende functies : - de directeur-generaal van het directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden; - de adviseur-generaal die de directie strafrecht binnen dit directoraat- generaal leidt; - de adviseur die de federale wapendienst of de feitelijke voorloper daarvan leidt; - in geval van verhindering van de voornoemde personen, elke agent van niveau A behorend tot de federale wapendienst of de feitelijke voorloper daarvan.” 5.
- De bestreden beslissing is ondertekend door C.G. Daaruit volgt dat het C.G. is die de bestreden beslissing heeft genomen. Dat het dossier is voorbereid door V.V. die ook de hoorzitting heeft georganiseerd, doet niet anders besluiten. Uit niets blijkt dat V.V. de bestreden beslissing “integraal en alleen” zou hebben opgesteld, zoals verzoekster in de memorie van wederantwoord betoogt. In haar laatste memorie erkent verzoekster overigens dat het C.G. is die de bestreden beslissing heeft genomen. 5.
- C.G. is de adviseur die de federale wapendienst leidt. Bijgevolg is de bestreden beslissing genomen door een daartoe bevoegde gemachtigde van de minister van Justitie. Dat het ministerieel besluit van 21 september 2012 – dat is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en dus tegenstelbaar is – niet bij de bestreden beslissing is gevoegd, doet daaraan geen afbreuk. Voorts heeft de Raad van State in arrest nr. 239.839 van 10 november 2017 overwogen, dat aangezien artikel 30 van de Wapenwet niet vereist dat de delegatie nominatim aan een bepaalde ambtenaar wordt verleend, de aanwijzing of benoeming van de individuele ambtenaar “die de federale wapendienst of de feitelijke voorloper daarvan leidt”, niet moet worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Raad van State valt dit in deze zaak bij. IX-10.083-9/20 5.
- Geen bepaling of beginsel schrijft voor dat verzoekster door de bevoegde gemachtigde van de minister van Justitie persoonlijk moet worden gehoord. Verzoekster is zowel schriftelijk als mondeling gehoord, waarbij zij haar standpunt heeft kunnen doen gelden over alle essentiële gegevens die hebben geleid tot de bestreden beslissing. Dat de hoorzitting is georganiseerd door een attaché van de federale wapendienst, doet daaraan geen afbreuk. Verzoekster beweert wel dat C.G. geen kennis heeft genomen van de notities van de hoorzitting opgesteld door de attaché van de federale wapendienst en aldus niet met kennis van zaken heeft beslist, maar zij staaft die stelling niet. Uit de bestreden beslissing blijkt het tegendeel aangezien uitdrukkelijk wordt verwezen naar hetgeen tijdens de hoorzitting is uiteengezet. Dat in de bestreden beslissing niet elk punt dat in het verslag van de hoorzitting wordt vermeld opnieuw aan bod komt, noopt niet tot een ander besluit.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 7.
- In het tweede middel voert verzoekster aan dat de minimale vormvereisten van een hoorzitting niet zijn geëerbiedigd. 7.2.
- Een eerste minimale vereiste die volgens verzoekster is miskend, betreft het recht van verdediging, waarbij een beroep kan worden gedaan op getuigen à décharge die desgevallend een verklaring kunnen opstellen. Verzoekster betoogt dat zij met een e-mail van 21 april 2021 heeft gevraagd om haar vader te horen als getuige. Om aan te tonen dat deze getuigenis relevant kan zijn, is bij die e-mail een verklaring van haar vader gevoegd. Tijdens de IX-10.083-10/20 hoorzitting heeft attaché V.V. echter duidelijk gemaakt dat enkel verzoekster, in aanwezigheid van haar raadsman, zou worden gehoord en dat haar vader in de wachtzaal diende te blijven. Dit is haar ook zo meegedeeld in een e-mail van 22 april
- In de bestreden beslissing wordt niet vermeld dat zij haar vader wenste op te roepen als getuige en al evenmin wordt de reden vermeld waarom dit niet werd toegestaan. Er wordt ook niet verwezen naar de verklaring van haar vader. 7.2.
- Een tweede vereiste die volgens verzoekster niet is gerespecteerd, is het opstellen van een proces-verbaal van de hoorzitting dat ter ondertekening wordt aangeboden en waarbij de mogelijkheid wordt verleend om aanvullend te reageren op het mondelinge relaas en de gestelde vragen en de antwoorden. Verzoekster betoogt dat hoewel de hoorzitting niet verplicht is, niettemin bij het organiseren ervan een aantal minimale vormvereisten moeten worden gerespecteerd. Het betreft het notuleren of samenvatten van het mondelinge relaas van de verdediging, het vermelden van de gestelde vragen en de verschafte antwoorden, het laten nalezen van dit schriftelijk relaas door de verdediging waarbij de mogelijkheid wordt geboden om verbeteringen aan te brengen en het laten ondertekenen van het verslag door de betrokkene. In casu is dit niet gebeurd. Op 14 juni 2021 heeft verzoeksters raadsman nogmaals erop aangedrongen om een proces-verbaal van de hoorzitting te krijgen, maar daarop is geantwoord dat op korte termijn een beslissing van de minister van Justitie zou worden meegedeeld. Bij gebrek aan een schriftelijk relaas wordt haar het recht ontnomen om aan te tonen dat de bestreden beslissing niet afdoende in rechte en in feite is gemotiveerd en er een schending is van de materiëlemotiveringsplicht. 7.2.
- Een derde vereiste die volgens verzoekster is miskend, betreft het principe dat diegene die de betrokkene hoort ook daadwerkelijk de beslissing neemt en deze motiveert. Met verwijzing naar het eerste middel stelt verzoekster dat de beslissing is ondertekend door C.G. die niet aanwezig was tijdens de hoorzitting. IX-10.083-11/20 7.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster dat uit de lezing van de oproepingsbrief van 1 april 2021 en het verslag van de hoorzitting van 23 april 2021 blijkt dat er geen sprake is van een voorafgaande mededeling van de feiten, de overwogen maatregel en de juridische grondslag ervan. Voorts benadrukt zij dat het horen niet correct is verlopen doordat de verwerende partij haar vader niet heeft gehoord en doordat haar geen proces- verbaal van de hoorzitting ter beschikking is gesteld dat zij kon aanvullen, onder andere met haar betrachting tot sollicitatie en het niet slagen ervan. Verzoekster klaagt ook aan dat het handgeschreven verslag van de hoorzitting van V.V. niet is ondertekend, niet is meegedeeld aan C.G. die de bestreden beslissing heeft ondertekend en niet voorafgaandelijk aan haar is meegedeeld. Indien dit wel was gebeurd, had zij dit kunnen aanvullen met tal van argumenten die tijdens de hoorzitting zijn geformuleerd evenals met het blijvend problematisch niet kunnen worden tewerkgesteld. 7.
- In haar laatste memorie betoogt verzoekster dat, opdat de hoorplicht zinvol zou zijn, het bestuur de argumenten van de betrokkene bij de besluitvorming dient te betrekken. Indien de betrokkene niet persoonlijk wordt gehoord door diegene die de bestreden beslissing neemt, moet een gedegen en voldragen proces-verbaal worden opgesteld zodat kennis kan worden genomen van het standpunt van de betrokkene. In casu is het proces-verbaal niet onderworpen aan tegenspraak en bovendien uiterst gebrekkig en minimalistisch vormgegeven. Het is geen waarheidsgetrouwe weergave van wat tijdens de hoorzitting is gesteld maar een louter schriftelijke samenvatting door de attaché, in eigen stijl, die diegene die de bestreden beslissing heeft opgesteld en ondertekend niet toelaat om werkelijk te weten wat er tijdens de mondelinge hoorzitting is gezegd. Voorts stelt verzoekster dat het duidelijk is dat de zaak met enige vooringenomenheid is behandeld door de attaché en dat het onwaarschijnlijk is dat de bevoegde ambtenaar de beslissing op zorgvuldige wijze heeft genomen. Uit het dossier blijkt immers dat de verwerende partij louter heeft uitgevoerd wat door de attaché is voorgesteld, zonder zich een eigen oordeel te vormen over de feiten en de op grond daarvan te nemen maatregel. IX-10.083-12/20 Beoordeling
- In haar memorie van wederantwoord voert verzoekster aan dat er geen sprake is van een voorafgaande mededeling van de feiten, de overwogen maatregel en de juridische grondslag ervan. In haar laatste memorie argumenteert zij dat de attaché van de federale wapendienst haar zaak met vooringenomenheid heeft behandeld en dat de adviseur die de federale wapendienst leidt louter heeft uitgevoerd wat door de attaché is voorgesteld, zonder zich een eigen oordeel te vormen over de feiten en de op grond daarvan te nemen maatregel. Verzoekster kon deze grieven reeds eerder in de procedure doen gelden. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie, is deze argumentatie laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. 9.
- Bij de beoordeling van het eerste middel is reeds uiteengezet dat niet is vereist dat verzoekster persoonlijk wordt gehoord door diegene die de beslissing neemt. In het licht van de hoorplicht volstaat het dat diegene die de bestreden beslissing neemt dan kennis krijgt van het standpunt van verzoekster. Zoals hierna zal blijken is dit in casu het geval. 9.
- Van de hoorzitting is een verslag opgesteld door een attaché van de federale wapendienst waarin wordt vermeld wat er tijdens de hoorzitting is gezegd. Noch de hoorplicht, noch de zorgvuldigheidsplicht vereist dat in het verslag verzoeksters argumentatie woordelijk wordt genotuleerd en al evenmin dat verzoekster in de mogelijkheid wordt gesteld om dit verslag na te lezen, te verbeteren, aan te vullen en te ondertekenen. Evenmin is een handtekening van de opsteller van het verslag vereist. Verzoekster stelt wel dat zij het verslag zou hebben aangevuld met tal van argumenten die tijdens de hoorzitting zijn geformuleerd – waarmee zij te kennen lijkt te geven dat het verslag onvolledig is IX-10.083-13/20 en dat C.G. geen kennis heeft kunnen nemen van haar volledige argumentatie – maar zij laat na te verduidelijken welke van haar tijdens de hoorzitting naar voren gebrachte argumenten niet in het verslag zijn vermeld. Verzoekster beweert ook dat het verslag niet aan C.G. zou zijn bezorgd, maar zij levert hiervan geen bewijs. Uit de bestreden beslissing blijkt integendeel dat er uitdrukkelijk wordt verwezen naar de mondelinge uiteenzetting van verzoekster. Uit niets blijkt dat C.G. zich geen zorgvuldig oordeel zou hebben gevormd over verzoeksters argumentatie in het kader van de te nemen beslissing. 9.
- Wat betreft het betoog dat de getuige à décharge – de vader van verzoekster – niet is gehoord waardoor het recht van verdediging is miskend, moet worden opgemerkt dat het recht van verdediging, behoudens andersluidend voorschrift, alleen van toepassing is in straf- en tuchtzaken. Aangezien het in casu niet gaat om een straf- of tuchtzaak en geen wettelijke of reglementaire bepaling het recht van verdediging uitbreidt tot beslissingen zoals de thans voorliggende bestreden beslissing, is het recht van verdediging als zodanig niet van toepassing. 9.
- Voor zover verzoekster aanvoert dat het niet-horen van de getuige à décharge een schending inhoudt van de hoorplicht, moet worden opgemerkt dat de hoorplicht in casu niet vereist dat een getuigenverhoor plaatsvindt. Bovendien is de schriftelijke verklaring van de getuige à décharge aan de federale wapendienst bezorgd met een e-mail van 21 april 2021, waarvan in de notulen van het mondelinge horen uitdrukkelijk melding wordt gemaakt, waardoor niet aannemelijk wordt gemaakt dat die verklaring niet werd meegenomen in de beoordeling door de verwerende partij.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. C. Derde en vierde middel IX-10.083-14/20
- In haar laatste memorie stelt verzoekster dat zij niet meer aandringt op het derde en het vierde middel. De Raad van State begrijpt deze verklaring als een afstand van deze middelen. IX-10.083-15/20 D. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 12.
- Het vijfde middel is genomen uit de schending van de zorgvuldigheidsplicht en de materiëlemotiveringsplicht. Verzoekster verwijst vooreerst naar hetgeen zij in het tweede, derde en vierde middel heeft uiteengezet en waaruit ook een schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel moet blijken. Voorts argumenteert zij dat haar verweer hoofdzakelijk steunde op het gunstig advies dat de lokale politie heeft verstrekt, met verwijzing naar haar blanco strafregister. Daarbij is een vragenlijst gevoegd, waarbij uit de antwoorden op twaalf vragen duidelijk blijkt dat er geen vermoeden is van een gevaar voor de openbare veiligheid. In de bestreden beslissing wordt vervolgens louter verwezen naar arresten van de Raad van State, maar er wordt niet concreet gemotiveerd waarom het advies van de lokale politie niet wordt bijgevallen. Daarnaast is er het pro forma ongunstig advies van het openbaar ministerie waarin het ongunstig advies van 16 januari 2020 wordt gehandhaafd, hoewel er wordt beklemtoond dat er geen nieuwe feiten of elementen bekend zijn. Daarbij is het vonnis van de correctionele rechtbank gevoegd waarbij aan verzoekster de opschorting van de uitspraak is verleend. Ondertussen staat het vast dat er geen enkel nieuw feit meer is gepleegd. Voorts heeft verzoekster beklemtoond hoe belangrijk de schietsport is voor haar en hoe zij hierin van kleins af aan is begeleid. Ook hierover wordt met geen woord gerept, hoewel dit het hoofdbetoog was tijdens de hoorzitting – waarvan geen enkel verslag is opgesteld. Verzoekster is van oordeel dat haar zaak opnieuw moet worden behandeld, met eerbiediging van de minimale vormvereisten van een hoorzitting, in aanwezigheid van de persoon die de beslissing zal nemen als gemachtigde van de minister en met weergave van het machtigingsbesluit. IX-10.083-16/20 12.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat de verwerende partij ten onrechte verwijst naar een intern document uit het centraal strafregister van 16 januari 2020 waarin het vonnis van 22 oktober 2018 wordt vermeld. Dit is geen wettig uittreksel uit het strafregister dat in casu als motivering of als argument kan dienen en het bewijst de onzorgvuldigheid waarmee de verwerende partij te werk gaat. Verzoekster benadrukt dat zij wel over een blanco strafregister beschikt gelet op de opschorting van de uitspraak en zij voegt een uittreksel uit het strafregister toe dat haar stelling moet staven. Voorts voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd is omdat ze steunt op feiten die niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld en niet relevant zijn om te beoordelen of wapenbezit een actueel gevaar voor de openbare orde kan betekenen. Zij argumenteert dat de bestreden beslissing steunt op een selectieve lezing van het vonnis van 22 oktober 2018 en dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de feiten kaderden binnen haar tewerkstelling bij de politie, waar zij thans niet meer werkt. Bij het nemen van zijn beslissing moet het bestuur aantonen dat de feiten nog relevant zijn in die zin dat er enige waarschijnlijkheid is dat ze zich zouden herhalen waardoor aannemelijk wordt gemaakt dat ze nog relevant zijn om het risico van wapenbezit voor de openbare orde te beoordelen. In casu steunt de verwerende partij op niet-actuele feiten die niet meer relevant zijn omdat ze in een specifieke context kaderen. Dit is onvoldoende om de bestreden beslissing te dragen. Minstens zou in de bestreden beslissing moeten worden verduidelijkt op grond van welke elementen redelijkerwijze kan worden aangenomen dat wapenbezit een actueel risico voor de openbare orde inhoudt. 12.
- In haar laatste memorie voegt verzoekster daar nog aan toe dat voor de beoordeling van het middel ook rekening moet worden gehouden met het betoog in het tweede middel dat er geen deugdelijk en volledig verslag van de hoorzitting is opgesteld, dat vervolgens naar haar is gestuurd voor goedkeuring of verbetering en met het betoog in het eerste middel dat C.G. niets wist over de hoorzitting en hierover niets kon weten, gelet op de manier waarop notities IX-10.083-17/20 werden genomen tijdens de hoorzitting, die vervolgens niet in een deugdelijke vorm zijn uitgewerkt. Beoordeling 13.
- Voor zover verzoekster in het middel argumenten herhaalt die zij reeds in de vorige middelen heeft aangevoerd, kan worden verwezen naar de beoordeling van deze middelen waaruit blijkt dat deze argumenten ongegrond zijn. 13.
- Pas in de memorie van wederantwoord voert verzoekster aan dat de feiten niet actueel zijn en dus niet meer relevant omdat ze kaderen in de specifieke context van haar tewerkstelling bij de politie, waar zij thans niet meer werkt. Verzoekster kon deze grief reeds in het verzoekschrift hebben doen gelden. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord is deze grief laattijdig en dus onontvankelijk. 13.
- Voor het overige verwijst verzoekster nog naar het gunstig advies van de lokale politie, haar antwoorden op een vragenlijst waaruit moet blijken dat er geen vermoeden is van gevaar voor de openbare veiligheid, haar blanco strafregister gelet op de opschorting van de uitspraak, het feit dat zij ondertussen geen enkel nieuw feit meer heeft gepleegd en haar betoog dat de schietsport voor haar belangrijk is en zij er van kleins af aan in is begeleid. Die gegevens beletten evenwel niet dat de verwerende partij, zonder schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht, uit het vonnis van de correctionele rechtbank mocht afleiden – zoals gemotiveerd in de bestreden beslissing – dat wapenbezit in hoofde van verzoekster op het moment van het nemen van de bestreden beslissing een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt. De IX-10.083-18/20 correctionele rechtbank heeft in het vonnis van 22 oktober 2018 immers overwogen dat “het geladen en schietklaar vervoeren van een dienstwapen in een rugzak” in strijd is met artikel 21, eerste lid, van de Wapenwet, dat verzoekster geen “MEN PEP-munitie” voor privédoeleinden in bezit mocht hebben en dat zij zich als inspecteur van politie niet kon wentelen in onwetendheid. Dat verzoekster vervolgens de opschorting van de uitspraak is verleend, doet daaraan geen afbreuk. Het valt toe aan de verwerende partij om zich in het licht van alle gegevens van de zaak – al dan niet weergegeven in het centraal strafregister – een oordeel te vormen over het gevaar voor de openbare orde en veiligheid dat wapenbezit in hoofde van verzoekster zou kunnen inhouden. Er wordt niet aangetoond dat de verwerende partij daarbij onwettig zou hebben gehandeld, ook al heeft verzoekster voor wie de schietsport belangrijk zou zijn, na de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, geen nieuwe feiten meer gepleegd. In het gunstig advies van de lokale politie wordt bovendien uitdrukkelijk vermeld dat er geen rekening is gehouden met de feiten die door de correctionele rechtbank zijn behandeld.
- Het vijfde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.083-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.083-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.029 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div