id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.030 Rolnummer: A. 234420/IX-10082 Zaak: Arrest 256030 - Wapens - 15/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-10 08:38 Fiche Arrest nr 256.030 van 15 maart 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.030 van 15 maart 2023 in de zaak A. 234.420/IX-10.082 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 30 juni 2021 waarbij het beroep van XXXX gericht tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 26 juni 2020 houdende intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben, wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.082-1/19 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker heeft als sportschutter een aantal vuurwapens voorhanden. 3.
- Op 3 augustus 2017 beslist de gouverneur van de provincie Limburg om de wapenvergunningen en het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens van verzoeker in te trekken. 3.
- Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 14 september 2018 door de minister van Justitie ingewilligd. IX-10.082-2/19 3.
- Op 15 oktober 2018 trekt de minister van Justitie zijn beslissing van 14 september 2018 in. 3.
- Op 31 oktober 2018 verwerpt de minister van Justitie in een nieuwe beslissing verzoekers administratief beroep tegen de voornoemde beslissing van de gouverneur van 3 augustus
- 3.
- Bij arrest nr. 246.627 van 15 januari 2020 vernietigt de Raad van State de voornoemde beslissingen van de minister van Justitie van 15 oktober 2018 en 31 oktober
- 3.
- Op 26 juni 2020 trekt de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben in. 3.
- Verzoeker stelt op 6 juli 2020 administratief beroep in tegen die beslissing. 3.
- De procureur des Konings te Limburg, afdeling Tongeren, handhaaft op 27 augustus 2020 zijn eerder negatief advies van 28 april
- Hij voegt daarbij een uittreksel uit het strafregister waaruit onder meer blijkt dat verzoeker op 20 juni 2018 is veroordeeld door het Amtsgericht Heinsberg wegens “[o]bstructie of verstoring van de rechtsgang, tijdens strafrechtelijke of gerechtelijke procedures valse beschuldigingen uiten, meineed” tot een dag- geldboete van 25 euro (x 30). 3.
- De lokale politie geeft op 17 september 2020 eveneens een ongunstig advies. 3.
- Op 30 juni 2021 verwerpt de minister van Justitie verzoekers administratief beroep. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering letterlijk luidt: IX-10.082-3/19 “Zoals reeds aangehaald kan de gouverneur overeenkomstig artikel 11, §1, 2e lid en/of artikel 13, 1e lid van de wapenwet een vergunning en/of het recht om een vuurwapen voorhanden te houden beperken, schorsen of intrekken indien blijkt dat het voorhanden hebben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren. Of er al dan niet gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete elementen. Bovendien moet rekening gehouden worden met het principe van de proportionaliteit; zo moeten de aangehaalde elementen voldoende ernstig zijn om een beperking, schorsing of intrekking van een vergunning te rechtvaardigen. Overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dient elke overheidsbeslissing met individuele strekking zowel materieel als formeel gemotiveerd te worden. Artikel 3 van voornoemde wet bepaalt dat de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de grondslag liggen van de beslissing. Bovendien moeten de motieven die in de beslissing vermeld worden afdoende zijn. In de bestendige rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt het begrip openbare orde omschreven als de waarden welke de essentiële belangen van de staat raken en die in het privaatrecht de juridische grondslag van de economische orde van de maatschappij bepalen (Cass. 9 december 1948, Arr. Verbr. 1948, 615; Pas. 1948, I, 699; RCJB 1954 251-252; Cass. 15 maart 1968, Arr.Cass.1968,936; Cass. 28 september 1979, Pas. 1980, I, 131; Cass. 10 maart 1994, Arr.Cass. 1994, 236; Cass. 19 maart 2007, RW 2007-08, 533). Het begrip openbare orde moet hier in ruime zin worden geïnterpreteerd, namelijk met inbegrip van de openbare veiligheid, de openbare rust en de openbare gezondheid. De wapenwet heeft een principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens, met uitzondering van een gemotiveerde vergunning. De wapenvergunning (of de toelating tot het voorhanden hebben van vuurwapens) is dus de uitzondering. De wapenwet laat de overheid toe om preventieve maatregelen te nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermijden (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. arrest R.v.St. nr. 216.296 van 17 november 2011; arrest R.v.St. nr. 218.251 van 1 maart 2012; arrest R.v.St. nr. 218.710 van 29 maart 2012). Opdat een vergunning of het recht tot het voorhanden hebben van een vuurwapen kan worden ingetrokken, is het niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. arrest R.v.St. nr. 213.889 van 16 juni 2011; arrest R.v.St. nr. 218.251 van 1 maart 2012; arrest R.v.St. nr. 218.252 van 1 maart 2012). Op basis van de stukken aanwezig in het administratieve dossier kan worden besloten dat het voorhanden hebben van vuurwapens in uw hoofde IX-10.082-4/19 een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden aangezien er zich problemen stellen in verband met uw moraliteit. Daarvoor kan verwezen worden naar de pv’s wegens bedreigingen (en pesterijen), de conflictsituatie die zich voordeed met de ex van uw partner en waarbij een aantal pv’s werden opgesteld, de veroordelingen vermeld op u[w] strafregister waarbij opvalt dat u op 20 juni 2018 nogmaals een veroordeling opliep wegens obstructie of verstoring van de rechtsgang, tijdens strafrechtelijke of gerechtelijke procedures valse beschuldigingen uiten, meineed. Ingevolge de wetswijzing van 7 januari 2018 dienen aanvragen van personen die zijn veroordeeld tot een correctionele geldboete van meer dan vijfhonderd euro, een correctionele hoofdstraf onder elektronisch toezicht of een correctionele hoofdgevangenisstraf of een criminele straf wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, §4, 2°, onontvankelijk verklaard [te] worden. Meineed betreft een misdrijf dat is opgenomen in artikel 5, §4, 2° van de wapenwet. Het feit dat dergelijke veroordelingen werden opgenomen in artikel 5, §4 van de wapenwet onderstreept bijgevolg het belang dat hieraan moet worden gehecht, en toont de zwaarwichtigheid aan van dergelijke inbreuken in het kader van de wapenwet en dus ook voor het voorhanden hebben van vuurwapens. De minister van Justitie is van oordeel dat het hier misdrijven betreft die in de wapenwetgeving zijn opgenomen omdat het – in combinatie met wapenbezit – een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Dergelijke feiten maken dat het noodzakelijk vertrouwen dat moet gesteld kunnen worden in hoofde van een wapenbezitter wordt ondermijnd. De procureur des Konings en de lokale politie adviseerden dan ook terecht ongunstig ten aanzien van uw wapenbezit. Het veelvuldig in aanraking komen met gerecht en/of justitie met daarbij de laatste buitenlandse veroordeling tonen duidelijk aan dat er zich problemen stellen omtrent uw moraliteit en maken dat het noodzakelijk vertrouwen dat moet gesteld kunnen worden in hoofde van een wapenbezitter wordt ondermijnd.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende IX-10.082-5/19 regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: de Wapenwet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet), het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en de hoorplicht, minstens het recht om zijn standpunt te doen kennen. Verzoeker voert aan dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar een nieuw feit, namelijk de Duitse veroordeling van 20 juni 2018, dat oudere feiten waarvan vaststaat dat ze op zich geen preventieve maatregel kunnen rechtvaardigen, alsnog terug relevant maakt. Over dat nieuwe feit wordt gemotiveerd dat meineed een misdrijf is dat opgenomen is in artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet en derhalve van aard om een aanvraag van een wapenvergunning onontvankelijk te maken voor zover de aanvrager zou zijn veroordeeld tot een correctionele geldboete van meer dan 500 euro, een correctionele hoofdstraf onder elektronisch toezicht of een correctionele hoofdgevangenisstraf of een criminele straf, wat het belang onderstreept dat daaraan gehecht moet worden en de zwaarwichtigheid aantoont in het kader van de beoordeling van het recht om wapens voorhanden te hebben. Vervolgens leidt de verwerende partij daaruit af dat er een vermoeden zou bestaan van een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid telkens wanneer een wapenbezitter hiertoe is veroordeeld. Volgens verzoeker is de overweging in de bestreden beslissing dat de procureur des Konings en de lokale politie terecht ongunstig hebben geadviseerd ten aanzien van zijn wapenbezit in strijd met de in het middel aangevoerde bepalingen, minstens met de materiëlemotiveringsplicht, aangezien de procureur des Konings en de lokale politie in hun adviezen met geen woord reppen over de Duitse veroordeling van 20 juni 2018 en er derhalve geen acht op hebben geslagen. In het advies van de politie wordt zelfs bevestigd dat er geen belastende feiten zoals bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet zijn gekend, hetgeen het tegenovergestelde is van wat de verwerende partij in de IX-10.082-6/19 bestreden beslissing beweert. In elk geval is de verwijzing naar de Duitse veroordeling van 20 juni 2018 – een determinerend motief om verzoekers recht om wapens voorhanden te hebben in te trekken – niet draagkrachtig en alleszins onredelijk aangezien het Amtsgericht Heinsberg bij vonnis van 20 juni 2018 een dag-geldboete van 25 euro heeft opgelegd, hetgeen lager is dan een correctionele geldboete van meer dan 500 euro zoals vermeld in artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet. Aangezien zelfs een correctionele veroordeling tot een geldboete van 500 euro en minder de ontvankelijkheid van een aanvraag tot het verkrijgen van een wapenvergunning niet in de weg staat, kan het motief in de bestreden beslissing dat er een vermoeden zou bestaan van een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid telkens wanneer een wapenbezitter hiertoe is veroordeeld, niet in redelijkheid worden aangenomen. Dit in overweging nemende en in acht genomen de onwettigheid van de adviezen van politie en parket die uitsluitend steunen op feiten die niet genoegzaam vaststaan en gedateerd zijn, moet worden vastgesteld dat de verwerende partij onredelijk en met miskenning van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht heeft geoordeeld dat er problemen rijzen omtrent verzoekers moraliteit en dat het noodzakelijk vertrouwen dat in iedere wapenbezitter moet worden gesteld, is ondermijnd. 4.
- In zoverre de verwerende partij stelt dat verzoekers banalisering van zijn laakbaar gedrag en zijn opgelopen veroordelingen zijn kleine persoonlijkheid en zijn gering normbesef benadrukt en aldus het potentieel gevaar dat hij inhoudt voor de openbare orde en veiligheid, repliceert verzoeker in de memorie van wederantwoord dat alleen maar rekening kan worden gehouden met de motieven die in de bestreden beslissing worden vermeld. Voor zover de verwerende partij verwijst naar het strafrechtelijk vermoeden van onschuld dat geen preventieve maatregel in de weg staat, stelt verzoeker dat dit verweer niet pertinent is aangezien hij zich nergens op het vermoeden van onschuld beroept. IX-10.082-7/19 Verzoeker is ook van oordeel dat, anders dan de verwerende partij beweert, de procureur des Konings in zijn advies van 27 augustus 2020 niet verwijst naar de veroordeling van 20 juni 2018 in Duitsland, ook niet door de eenvoudige verwijzing naar het uittreksel van het strafregister dat als bijlage bij het advies is gevoegd. Verzoeker volhardt ten slotte in het middel, behoudens wat de aangevoerde schending van de hoorplicht betreft. 4.
- In zijn laatste memorie betwist verzoeker dat de minister van Justitie niet onredelijk en binnen de marge van zijn discretionaire bevoegdheid heeft kunnen oordelen dat er uit de voormelde veroordeling van 20 juni 2018 een vermoeden van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan worden afgeleid. Hij onderstreept dat meineed, ingevolge de wijziging van artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet door de wet van 7 januari 2018 ‘tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en van het Burgerlijk Wetboek’ (“de wet van 7 januari 2018”), slechts van aard is om een aanvraag van een wapenvergunning onontvankelijk te maken voor zover de aanvrager zou zijn veroordeeld tot een correctionele geldboete van meer dan 500 euro, een correctionele hoofdstraf onder elektronisch toezicht of een correctionele hoofdgevangenisstraf of een criminele straf. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat de wet van 7 januari 2018 is geworden, wordt hieromtrent overwogen dat de onontvankelijkheidsgrond te streng lijkt te zijn wanneer de rechter slechts een geldboete van 500 euro heeft uitgesproken en dat het onevenredig lijkt dat een veroordeling tot een dergelijke straf ertoe leidt dat de overtreder van rechtswege en voor altijd wordt belet om wapenhandelaar, verzamelaar of tussenpersoon te zijn. Verzoeker betoogt dat de intrekking van zijn recht om wapens voorhanden te hebben te streng en onevenredig is, in acht genomen het feit dat hem slechts een geldboete van 25 euro werd opgelegd. Zelfs verhoogd met opdeciemen gaat het over een bedrag van 750 euro, wat ruim onder het bedrag blijft van 500 euro – IX-10.082-8/19 met opdeciemen verhoogd is dit 4000 euro – bedoeld in artikel 5, § 4, van de Wapenwet. IX-10.082-9/19 Beoordeling a. Ontvankelijkheid van het middel
- Verzoeker doet in de memorie van wederantwoord afstand van het middel voor zover de schending van de hoorplicht wordt aangevoerd. Er kan worden aangenomen dat die afstand ook geldt voor wat betreft de aangevoerde schending van het recht om zijn standpunt te doen kennen. Voor zover dit niet het geval zou zijn, moet worden vastgesteld dat verzoeker niet toelicht op welke wijze zijn recht om zijn standpunt te doen kennen, zou zijn geschonden, zodat deze grief hoe dan ook onontvankelijk is.
- Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeker ook geenszins verduidelijkt op welke wijze, naar zijn oordeel, de bestreden beslissing in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het middel is in die mate eveneens onontvankelijk.
- In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat de intrekking van zijn recht om wapens voorhanden te hebben te streng en onevenredig is, voert hij de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Voor het eerst aangevoerd in de laatste memorie is dit een laattijdige uitbreiding van het middel. Ook in die mate is het middel niet ontvankelijk. b. Gegrondheid van het middel 8.
- Artikel 11, § 1, tweede lid, van de Wapenwet luidt als volgt: “Indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of de wettige reden ingeroepen om de vergunning te bekomen, niet meer bestaat, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene de vergunning volgens een door de Koning bepaalde procedure bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings bevoegd voor deze verblijfplaats.” IX-10.082-10/19 Artikel 13, eerste lid, van de Wapenwet luidt als volgt: “Indien blijkt dat het voorhanden hebben van de in artikel 12 bedoelde wapens de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene en de Minister van Justitie indien het een persoon zonder verblijfplaats in België betreft, het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken. Dit doet hij na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar de betrokkene zijn verblijfplaats heeft en volgens een procedure bepaald door de Koning.” 8.
- De formelemotiveringswet verplicht de administratieve overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangevoerde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de formelemotiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 8.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. IX-10.082-11/19 8.
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 9.
- Bij de beoordeling van de aangevoerde schending van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de Wapenwet en de materiëlemotiveringsplicht, moet ook worden gewezen op artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet, dat luidt: “Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen.” Dit voorschrift organiseert een administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het stilzitten en tegen de in de voormelde bepaling opgesomde beslissingen van de gouverneur (vergelijk GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Aangezien op grond van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de Wapenwet, de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene, de vergunning of het recht om een wapen voorhanden te hebben, kan beperken, schorsen of intrekken, indien blijkt dat dit voorhanden hebben de openbare orde kan verstoren, beschikt de minister of zijn gemachtigde aldus op IX-10.082-12/19 grond van de devolutieve werking van het beroep, over dezelfde beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. 9.
- Toegepast op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde materiëlemotiveringsbeginsel aldus dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. 9.
- De Wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De beroepsinstantie beschikt te dezen over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State niet toe, binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 9.
- De verwerende partij is van oordeel dat het voorhanden hebben van vuurwapens door verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden omdat er problemen rijzen met betrekking tot zijn moraliteit. Zij verwijst daarbij naar het gegeven dat verzoeker in het verleden reeds herhaaldelijk in aanraking is gekomen met het gerecht en justitie en in het bijzonder naar het feit dat verzoeker op 20 juni 2018 nogmaals is veroordeeld, deze keer door het Amtsgericht Heinsberg voor “[o]bstructie of verstoring van de rechtsgang, tijdens strafrechtelijke of gerechtelijke procedures valse beschuldigingen uiten, meineed”. Op grond van het feit dat meineed een misdrijf is dat is opgenomen in artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet, hetgeen het belang onderstreept dat hieraan moet worden gehecht en de zwaarwichtigheid aantoont IX-10.082-13/19 van een dergelijke inbreuk in het kader van de Wapenwet, oordeelt de verwerende partij dat verzoekers veroordeling in combinatie met wapenbezit “een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid” en “dat het noodzakelijk vertrouwen dat moet gesteld kunnen worden in hoofde van een wapenbezitter wordt ondermijnd”. 9.
- Het feit dat verzoeker op 20 juni 2018 door het Amtsgericht Heinsberg is veroordeeld, is een determinerend motief voor de bestreden beslissing. De vraag rijst of dit motief stand houdt. Verzoeker argumenteert dat de verwerende partij ten onrechte verwijst naar het feit dat meineed een misdrijf betreft dat is opgenomen in artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet en daarbij overweegt dat dit het belang onderstreept dat hieraan moet worden gehecht en de zwaarwichtigheid aantoont van een dergelijke inbreuk in het kader van de Wapenwet. Overeenkomstig artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet leidt meineed tot de onontvankelijkheid van een aanvraag van een wapenvergunning voor zover de aanvrager is veroordeeld tot een correctionele geldboete van meer dan 500 euro, een correctionele hoofdstraf onder elektronisch toezicht of een correctionele hoofdgevangenisstraf of een criminele straf. Te dezen is een dag-geldboete van slechts 25 euro opgelegd, wat aanzienlijk minder is dan de 500 euro waarvan sprake in artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet. Het motief dat er een potentieel gevaar zou bestaan voor de openbare orde en veiligheid als een wapenbezitter hiertoe is veroordeeld, kan dan ook volgens verzoeker in redelijkheid niet worden aangenomen. Voorts meent verzoeker ook dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt overwogen dat “[d]e procureur des Konings en de lokale politie […] dan ook terecht ongunstig [adviseerden] ten aanzien van [zijn] wapenbezit”. In die adviezen wordt geen melding gemaakt van voormelde veroordeling van 20 juni 2018; ze steunen louter op gedateerde en niet-pertinente feiten. In het advies van de politie wordt zelfs uitdrukkelijk gesteld dat er geen belastende feiten in de zin van artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet zijn gekend. IX-10.082-14/19 10.
- Vóór de wijziging van artikel 5, § 4, van de Wapenwet bij artikel 4 van de wet van 7 januari 2018 was er in het geval van een veroordeling wegens valse getuigenis en meineed sprake van een zogenaamde interdicerende veroordeling waardoor een vergunningsaanvraag verplicht – gebonden bevoegdheid – onontvankelijk diende te worden bevonden door de overheid. In arrest nr. 22/2013 van 28 februari 2013 heeft het Grondwettelijk Hof hierover overwogen: “Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de maatregel waardoor een wapenvergunning wordt geweigerd aan de persoon die is veroordeeld wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet, waaronder, zoals te dezen, het misdrijf van valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken, tegemoetkomt aan de zorg van de wetgever om te voorkomen dat een vergunning wordt verleend aan personen die zijn veroordeeld voor feiten die de dader of medeplichtige als onbetrouwbaar doen overkomen voor het bezit van een wapenvergunning.” Ondertussen is artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet gewijzigd bij de wet van 7 januari 2018 waardoor de aanvraag voor het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen enkel onontvankelijk moet worden bevonden voor personen die als dader of medeplichtige veroordeeld zijn tot een andere correctionele hoofdstraf dan een geldboete van ten hoogste 500 euro wegens een van de misdrijven bepaald in de opgesomde wetten en wetsbepalingen. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat de voormelde wet van 7 januari 2018 is geworden, wordt in dat verband het volgende vermeld (Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 2709/1, 9-10): “De grond van onontvankelijkheid lijkt daarentegen te streng te zijn in gevallen waarbij de rechter slechts een geldboete – die krachtens artikel 7 van het Strafwetboek de minst zware hoofdstraf is – van ten hoogste 500 euro heeft uitgesproken (ongeacht welk deel van die boete effectief of met uitstel is opgelegd en zonder rekening te houden met de opdeciemen). Het lijkt dan ook onevenredig dat een veroordeling tot een dergelijke straf ertoe leidt dat de overtreder van rechtswege en voor altijd – behoudens eerherstel – wordt belet wapenhandelaar, verzamelaar of tussenpersoon te zijn. De rechter die zich vandaag moet uitspreken over een strafbaar feit uit de lijst van artikel 5, § 4, 2°, gepleegd door een wapenhandelaar, waarbij IX-10.082-15/19 veel verzachtende omstandigheden gelden, ziet zich geconfronteerd met een moeilijke keuze: ofwel een opschorting uitspreken, ofwel een loutere schuldigverklaring of lichte sanctie opleggen die echter voor de beklaagde verstrekkende gevolgen heeft, gezien deze veroordeling tot gevolg heeft dat hij zijn beroep van wapenhandelaar niet meer mag uitoefenen. Tot 2006 was trouwens enkel in een dergelijke onontvankelijkheid voorzien bij een veroordeling tot een vrijheidsstraf van ten minste drie maanden (art. 1, § 2, 2°, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van den handel in en het dragen van wapenen en op den handel in munitie), en de memorie van toelichting bij de wet van 2006 biedt geen verantwoording voor de aanzienlijke verstrenging die de wet van 2006 met zich meebrengt. De veroordeling tot een of meer geldboetes van ten hoogste 500 euro zal daarom voortaan niet meer leiden tot onontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning, maar zal evenwel nog worden onderzocht door de gouverneur die krachtens artikel 5, § 3, de erkenning steeds kan weigeren ‘om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde’. De hierboven beschreven nieuwe regeling geldt niet voor de allerzwaarste misdaden in het Belgisch strafrecht, opgenomen in titels Ibis en Iter van boek II van het Strafwetboek (misdrijven als genocide, misdaden tegen de mensheid, terrorisme,…). Wie voor een dergelijk misdrijf veroordeeld wordt, ongeacht de eraan verbonden straf, verwerpt op fundamentele wijze de principes van de democratische rechtsstaat. Een dergelijke persoon kan in geen enkel geval nog worden vertrouwd met de uitoefening van een activiteit als wapenhandelaar, -verzamelaar of tussenpersoon, gezien deze activiteiten uit hun aard een rechtstreeks risico inhouden voor de openbare orde. Voor de genoemde misdrijven blijft daarom de huidige regel van automatische onontvankelijkheid van de aanvraag van kracht.” 10.
- Op 20 juni 2018 is verzoeker door het Amtsgericht Heinsberg veroordeeld tot een geldboete van 25 euro wegens “[o]bstructie of verstoring van de rechtsgang, tijdens strafrechtelijke of gerechtelijke procedures valse beschuldigingen uiten, meineed”. Het is niet onredelijk dat de verwerende partij oordeelt dat dit vaststaand gegeven in combinatie met wapenbezit een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid en dat een dergelijk feit maakt dat het noodzakelijk vertrouwen dat in verzoeker gesteld moet kunnen worden om zijn wapenbezit onaangetast te laten, is ondermijnd, gelet op het feit dat het een misdrijf betreft dat is opgenomen in de Wapenwet. IX-10.082-16/19 De omstandigheid dat de veroordeling is beperkt tot een geldboete van 25 euro, doet daaraan geen afbreuk. Hoewel een dergelijke veroordeling niet de onontvankelijkheid van een aanvraag voor een wapenvergunning impliceert, belet niets dat de verwerende partij het potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid dat wapenbezit in hoofde van verzoeker inhoudt, beoordeelt buiten het kader van een aanvraag voor een wapenvergunning en tot het besluit komt dat er wel degelijk een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid bestaat gelet op verzoekers veroordeling. Dat in de adviezen van de procureur des Konings en de lokale politie niet wordt verwezen naar de veroordeling door het Amtsgericht Heinsberg, belet niet dat de verwerende partij dit gegeven wel bij haar beoordeling kon betrekken en in redelijkheid kon oordelen dat dit feit in combinatie met wapenbezit een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Anders dan verzoeker stelt, getuigt het net van zorgvuldigheid dat de verwerende partij dit relevante gegeven bij haar beoordeling heeft betrokken, hoewel er in de voornoemde adviezen niet naar wordt verwezen. Dat in de adviezen van de procureur des Konings en de lokale politie niet wordt verwezen naar de veroordeling door het Amtsgericht Heinsberg neemt niet weg dat die adviezen ongunstig waren, zodat de verwerende partij in de bestreden beslissing kon overwegen dat “[d]e procureur des Konings en de lokale politie […] dan ook terecht ongunstig [adviseerden] ten aanzien van [verzoekers] wapenbezit”. Er valt niet in te zien hoe die adviezen plots gunstig zouden kunnen zijn voor verzoeker als de procureur des Konings of de lokale politie ook de jongste veroordeling in ogenschouw zou nemen.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. B. Tweede middel IX-10.082-17/19
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de Wapenwet, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. In het middel betwist verzoeker de pertinentie van de feiten die dateren van vóór de veroordeling door het Duitse rechtscollege op 20 juni 2018, waaraan eveneens wordt gerefereerd in de bestreden beslissing.
- Uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat verzoekers veroordeling door het Amtsgericht Heinsberg op 20 juni 2018 wegens meineed een dragend motief is van de bestreden beslissing en dat dit motief ook overeind blijft. In die omstandigheden zijn de kritieken die in het tweede middel worden ontwikkeld op de andere feiten die in de motivering van de bestreden beslissing worden vermeld, niet dienstig omdat ze niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen leiden.
- Het tweede middel is onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.082-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.082-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div