← België

Arrest 256042 - Politie - 16/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.042 Rolnummer: A. 230292/XIV-38284 Zaak: Arrest 256042 - Politie - 16/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-17 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 08:39 Fiche Arrest nr 256.042 van 16 maart 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 256.042 van 16 maart 2023 in de zaak A. 230.292/XIV-38.284 In zake : Pieter Hendrik LAMPAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van 1) de beslissing van de directeur-diensthoofd SSGPI van 11 september 2019 waarbij verzoeker tijdelijk wordt gedetacheerd naar het Coördinatiecentrum en 2) de beslissing van de directeur-diensthoofd SSGPI van 30 december 2019 waarbij verzoeker wordt herplaatst naar het Coördinatiecentrum met ingang van 15 januari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.284-1/14 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober
  4. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Cynthia Petroons, die loco advocaat Marlies De Raeve verschijnt voor verzoeker en advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker is assistent binnen het administratief en logistiek kader van de politiediensten. Hij was voor de bestreden beslissingen tewerkgesteld bij de Federale politie, Secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus (SSGPI), Satelliet Noord te Hasselt. 3.
  7. Op 11 september 2019 om 11u03 zendt de directeur-diensthoofd SSGPI het volgende e-mailbericht aan verzoeker: XIV-38.284-2/14 “Zoals zonet besproken, verwacht ik dat je vanaf maandag 16/10/2019 u aanbiedt in Brussel om daar uw prestaties te doen. Tot en met vrijdag heeft u tijd om uw bureau in de sat Noord op te ruimen. Tot een definitieve regeling wordt uitgewerkt, wordt uw extra verplaatsingstijd in rekening gebracht als gepresteerd, en kan u via 022 een terugbetaling van gemaakte kosten in het kader van uw verplaatsing vragen, of kan u een abonnement openbaar vervoer aanvragen. Ik heb deze beslissing genomen na lang nadenken, en overleg met onder meer CGWB, stressteam en de arbeidsgeneesheer, die zaken aanreikte waaruit blijkt dat uw aanwezigheid binnen de satelliet een negatieve impact heeft (of heeft gehad) op meerdere collega’s binnen de satelliet. Het is altijd jammer om zulk een beslissing te moeten nemen, zeker ten opzichte van iemand die zich jarenlang volledig heeft gegeven voor het SSGPI, en een enorme kennis met betrekking tot het vakdomein heeft opgebouwd.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
  8. Op dezelfde dag om 11u54 e-mailt verzoeker in replay op de voornoemde e-mail naar de directeur met verzoek “de redenen die u daarstraks mondeling heeft aangehaald ook op papier [te] krijgen.” Voorts stelt hij dat “iedereen […] natuurlijk [kan] zeggen dat deze diensten dit als oplossing geven, maar ik zou dan ook dit graag op papier hebben van deze diensten.” Op dezelfde datum om 12u12 antwoordt de directeur in replay op de voormelde e-mail, dat de argumenten die hij verzoeker op papier wilde meedelen, per e-mail heeft bezorgd, er aan toevoegend dat hij “hier […] niet verder [gaat] op ingaan op dit moment.” 3.
  9. Met een brief van 29 oktober 2019 vraagt de raadsvrouw van verzoeker om haar “spoedig het administratief dossier over te maken waarin de verantwoordingsstukken voor [de eerste bestreden beslissing] zijn opgenomen.” Met een brief van 20 november 2019 rappelleert de raadsvrouw aan de voormelde brief. Deze brieven bleven onbeantwoord. XIV-38.284-3/14 3.
  10. Met een nota van 3 december 2019 wordt aan verzoeker het volgende voorstel tot herplaatsing in het kader van een ordemaatregel gedaan: “Met deze nota stel ik u in kennis van de ordemaatregel, een herplaatsing van de satelliet Noord

(7294)SSGPI naar het Coördinatiecentrum (eenheidscode 6973) SSGPI, die ik genomen heb. In eerste instantie werd u tijdelijk gedetacheerd naar het coördinatiecentrum, maar een definitieve herplaatsing dringt zich op. Deze beslissing neem ik na overleg met een aantal diensten die mij conform de wetgeving inzake psychosociale risico’s hun adviezen hebben geformuleerd (zie ref. 2.). Het betreft een maatregel die ik neem ten einde een problematische situatie in de satelliet Noord adequaat aan te pakken. De moeilijke omstandigheden in deze satelliet werden mij ter attentie gebracht bij mijn start als waarnemend directeur van het SSGPI eind
  1. Naar aanleiding van mijn aanstelling heb ik in de periode januari tem juni 2018 alle satellieten aangedaan voor een contactmoment met hun directeur en een algemene voorstelling. Extra bezoeken aan de satelliet Noord drongen zich echter op omwille van de signalen die ik ontvangen heb vanuit Hasselt. Om die reden ben ik op 15/03/2018 langs geweest met als doel elk personeelslid individueel te spreken in verband met de slechte sfeer op de werkvloer. Op 16/07/2018 heb ik mij om dezelfde reden opnieuw aangemeld in Hasselt. Deze gesprekken zijn o.m. de aanleiding geweest tot het inroepen van de hulp van CGWB. Deze dienst heeft van april t.e.m. mei 2019 werkgroepen georganiseerd met het volledige team Sat. Noord zonder de leidinggevende. De interventie van de CGWB zou tot doel moeten hebben de werksfeer significant te verbeteren. Op 09/08/2019 werd er in navolging hiervan een overleg vastgelegd tussen de arbeidsgeneesheer, CGWB (stressteam en dienst preventie), en de directeur CGWB ([…]). In het overleg werd echter duidelijk aangegeven dat er een aantal klachten over u waren binnengekomen die een verdere samenwerking in de satelliet Noord moeilijk maken. Bovendien heb ik een vertrouwensbreuk vastgesteld tussen u en uw leidinggevende, ik refereer hier o.a. naar uw laatste functioneringsgesprek. Deze lijkt niet hersteld te kunnen worden op korte of middellange termijn. Op basis van al deze elementen ben ik daarom genoodzaakt u naar Brussel (Coördinatiecentrum) te herplaatsen. Als bijlage kan u een voorstel terugvinden voor een nieuw takenpakket. Ten einde de herplaatsing te kunnen laten doorgaan op 1 januari 2020, vraag ik u uw bemerkingen over te maken voor 13/12/2019.” 3.
  2. Op 13 december 2019 dient de raadsvrouw van verzoeker met een aangetekende brief een omstandig bezwaarschrift in tegen dat voorstel. XIV-38.284-4/14 3.
  3. Bij brief van 30 december 2019, aangetekend verzonden op 8 januari 2020, antwoordt de directeur-diensthoofd SSGPI aan de raadsvrouw van verzoeker: “Uw aangetekend schrijven van 13 december 2019 heeft mijn volle aandacht genoten. De bemerkingen heb ik grondig doorgenomen en ik neem bij deze nota dat uw cliënt, [verzoeker], niet akkoord gaat met zijn herplaatsing. Desondanks het aantal elementen dat aangedragen worden als verweer, blijf ik bij mijn eerder standpunt dat een herplaatsing naar Brussel de beste oplossing is. De herplaatsing zal bijgevolg ingaan op 15/1/2020, ten einde het dossier administratief tijdig in orde te brengen.” Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  4. Verzoeker voert in het verzoekschrift in het eerste middel de schending aan van inzonderheid de formele- en materiëlemotiveringsplicht. Wat de eerste bestreden beslissing betreft, verwijst verzoeker naar de motivering ervan en stelt vast dat hem geen administratief dossier werd bezorgd wat de formele- en materiëlemotiveringsplicht schendt aangezien hij niet in staat is de beslissing op haar juistheid te controleren. Hij citeert het motief in de eerste bestreden beslissing en doet gelden dat in de bestreden beslissing geen enkele uitleg wordt gegeven over welke zaken dan juist aangereikt worden door de verschillende diensten aangehaald in de eerste bestreden beslissing, of wat er precies wordt bedoeld met negatieve impact op meerdere collega’s. Hij wijst erop dat hem geen stavingsstukken zijn bezorgd hoewel hij bij monde van zijn raadsvrouw daartoe heeft verzocht. Voorts wijst hij erop dat uit de aan de groep voorgestelde conclusie van de gesprekken met het CGWB er bovendien geen enkel probleem met verzoeker naar voren kwam in de groep, terwijl er destijds door de groep wel werd geopperd dat er daarentegen een probleem was met de leidinggevende. Voorts stelt hij dat hij naar aanleiding van de eerste bestreden XIV-38.284-5/14 beslissing zelf contact opnam met het CGWB en met het stressteam en dat beide instanties formeel hebben ontkend dat zijn herplaatsing door hen als oplossing naar voren werd geschoven. Wat de tweede bestreden beslissing betreft, voert verzoeker inzonderheid aan dat de directeur-diensthoofd SSGPI helemaal niet ingaat op de argumenten in zijn verweerschrift. De directeur-diensthoofd houdt helemaal geen rekening met alle verweerelementen die hij in zijn brief van 13 december 2019 heeft uiteengezet.
  5. In de memorie van wederantwoord antwoordt verzoeker op de exceptie van de verwerende partij in de memorie van antwoord dat het eerste middel niet ontvankelijk is omdat verzoeker enerzijds zou vragen aan de Raad van State om te fungeren als beroepsrechter en anderzijds omdat dit middel omvangrijk wordt toegelicht door verzoeker zodat het niet geschonden kan zijn. Voorts beklemtoont hij 1) dat uit zijn e-mail van 11 september 2019 aan de directeur-diensthoofd overduidelijk blijkt dat hij niet op de hoogte is van de stukken waarop de directeur zich baseerde om de eerste bestreden beslissing te nemen en dat tot op heden verzoeker die nog niet heeft ontvangen en 2) dat de verwerende partij thans in de memorie van antwoord laat weten waarop zij zich heeft gesteund, maar in geen enkele van de bestreden beslissingen is melding gemaakt van een van de nu aangehaalde documenten. In de laatste memorie beklemtoont verzoeker dat de verwerende partij in de laatste memorie ten onrechte beweert dat het feitelijk bestaan van de motieven die de herplaatsing verantwoorden blijken uit de door de verwerende partij aangehaalde e-mailberichten, alsook uit een weergave van het functioneringsgesprek van 7 augustus
  6. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord vooreerst de ontvankelijkheid van het middel. XIV-38.284-6/14 In een eerste exceptie werpt de verwerende partij op dat onder het mom van een schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht en van de zorgvuldigheidsplicht, het middel ertoe strekt de Raad van State opnieuw ten gronde te laten oordelen over de redenen waarom de verwerende partij is overgegaan tot het nemen van de ordemaatregel in kwestie. Volgens haar laat verzoeker na om in concreto aan te halen in welke mate de materiëlemotiveringsplicht werd geschonden en is het middel er enkel en alleen op gericht om de Raad van State opnieuw ten gronde te laten oordelen over de grond van de door de verwerende partij genomen ordemaatregel. In een tweede exceptie werpt de verwerende partij op dat verzoeker zijn middel op een uitgebreide en gedetailleerde wijze uiteenzet, zodat verzoeker bijgevolg bezwaarlijk kan voorhouden niet in kennis te zijn van de formele en materiële motivering van de bestreden beslissingen. Wat de grond van het middel betreft en meer bepaald wat de materiëlemotiveringsplicht betreft, doet de verwerende partij gelden dat beide bestreden beslissingen steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan is bewezen en die in rechte ter verantwoording kunnen worden genomen. Zo wordt het door beide partijen niet betwist dat er een vertrouwensbreuk was tussen verzoeker en diens diensthoofd en zijn de aanvaringen met het diensthoofd allerminst alleenstaande gevallen. De verwerende partij verwijst ter zake naar in het functioneringsgesprek van 7 augustus 2018 aangehaalde verschillende conflictsituaties tussen verzoeker en verschillende collega’s en naar het feit dat verzoeker zelf in een e-mailbericht van 27 april 2018 aangaf dat de groep dermate is verdeeld dat het werk eronder begint te leiden. De verwerende partij stelt dat zowel de algemene sfeer binnen de satelliet Noord als de (professionele) relatie tussen verzoeker en het diensthoofd ernstig verstoord zijn en dat zulks de reden is waarom de verwerende partij de beide bestreden beslissingen heeft genomen. Wat de schending van de formelemotiveringsplicht betreft, stelt de verwerende partij dat zij haar eerste beslissing mondeling heeft meegedeeld en XIV-38.284-7/14 gemotiveerd aan verzoeker. Die verwijst immers zelf expliciet naar deze mondelinge motivering in zijn e-mailbericht van 11 september
  7. Aldus is de formelemotiveringsplicht geenszins geschonden wat deze beslissing betreft. Wat de tweede bestreden beslissing betreft, citeert de verwerende partij het voorstel tot herplaatsing en stelt dat “de slechte sfeer op de werkvloer en de vertrouwensbreuk tussen [verzoeker] en het diensthoofd werden opgenomen in de bestreden beslissing en [verzoeker] heeft zowel deze slechte sfeer als deze vertrouwensbreuk reeds letterlijk toegegeven in verschillende mailberichten.” Voorts zet de verwerende partij onder haar repliek wat de schending van de zorgvuldigheidsplicht betreft uiteen dat verzoeker wel degelijk over alle relevante documenten beschikt waarop de bestreden beslissingen zijn gesteund. De meeste documenten betreffen trouwens e-mailberichten van de hand van verzoeker. Zij stelt dat verzoeker dus goed op de hoogte was van de stukken waarop zij zich heeft gebaseerd om over te gaan tot de bestreden beslissingen, te weten het evaluatieverslag van 27 maart 2015, het planningsgesprek van 11 oktober 2017, het functioneringsgesprek van 7 augustus 2018 en de schriftelijke reactie hierop van verzoeker van 27 december 2018 en het e-mailverkeer van verzoeker met zijn leidinggevende van 26 juni 2017, 6 maart 2018 en 27 april
  8. Verzoeker was in het bezit van deze stukken, temeer daar hij ze voor akkoord heeft ondertekend of de e-mailberichten zelf heeft verzonden of ontvangen. Hij was dan ook genoegzaam op de hoogte van de inhoud van het administratief dossier. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij erop dat in de tweede bestreden beslissing duidelijk wordt aangegeven dat de individuele gesprekken dewelke de directeur-diensthoofd heeft gehad met elk personeelslid de aanleiding waren tot het inroepen van de hulp van de directie voor preventie en bescherming op het werk (CGWB). Zij vindt het niet meer dan logisch dat zij geen verslag heeft bijgehouden van de afzonderlijke gesprekken die zij voerde met elk personeelslid. Het is omdat het te dezen informele, vertrouwelijke gesprekken betroffen dat de personeelsleden alzo vrijuit konden spreken. De herplaatsing van XIV-38.284-8/14 verzoeker was voorts geen plotse beslissing: de neergelegde e-mailberichten tonen overduidelijk aan dat de problemen met betrekking tot verzoeker binnen de satelliet Noord reeds lange tijd – minstens sinds juni 2017 – aan het sluimeren waren, hetgeen zij detailleert. Het feitelijk bestaan van de motieven voor de herplaatsing blijken dan ook alleen al uit de aangehaalde e-mailberichten alsmede uit een weergave van het functioneringsgesprek van 7 augustus
  9. Haar motivering heeft zij aldus niet alleen beperkt tot de mededeling dat zij bij haar standpunt bleef na kennisname van het verweerschrift van verzoeker: de motieven van de tweede bestreden beslissing waren immers reeds opgenomen in het voorstel van 3 december
  10. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  11. Anders dan hoe de verwerende partij het middel leest, strekt het middel er niet toe de Raad van State uit te nodigen om de feitelijke beoordeling over te doen van de redenen waarom is besloten tot de bestreden ordemaatregelen maar wel om, zoals verzoeker terecht benadrukt in de memorie van wederantwoord, na te gaan of de verwerende partij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. De eerste exceptie wordt afgewezen.
  12. Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, blijkt uit de navolgende beoordeling niet dat verzoeker kennis heeft of (impliciet) moest hebben van de redenen waarom zijn verweer tegen de bestreden beslissing niet wordt bijgevallen. Alvast blijkt minstens niet dat wat deze kritiek betreft, verzoeker ter zake enige argumentatie op basis van die motieven heeft opgebouwd. De tweede exceptie wordt in de aangegeven mate afgewezen. XIV-38.284-9/14 De grond van de zaak wat de eerste bestreden beslissing betreft: de schending van de materiëlemotiveringsplicht
  13. Het navolgende onderzoek van de wettigheid van de eerste bestreden beslissing is beperkt tot de beoordeling van de schending van de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
  14. De formele motivering van de eerste bestreden beslissing wordt hiervoor weergegeven (supra, punt 3.2.). Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt dat ze wordt verantwoord op grond van de negatieve impact die verzoekers aanwezigheid binnen de satelliet heeft (of heeft gehad) op meerdere collega’s binnen de satelliet, zijnde zaken die werden aangereikt tijdens het overleg (op 9 augustus 2019 luidens de tweede bestreden beslissing) van de directeur-diensthoofd met onder meer CGWB, stressteam en de arbeidsgeneesheer. Met verzoeker dient vastgesteld dat er geen administratief dossier werd samengesteld waarin de verantwoordingsstukken voor het formeel uitgedrukte motief van de eerste bestreden beslissing zijn opgenomen. Het XIV-38.284-10/14 administratief dossier dat de verwerende partij naar aanleiding van het voorliggende beroep tot nietigverklaring heeft neergelegd bevat evenmin een dergelijk stuk, zodat tot op heden verzoeker, zoals hij terecht stelt, niet in staat is die beslissing op haar juistheid te controleren. Ook dit gebrek plaatst de Raad van State in de onmogelijkheid het formeel uitgedrukte motief op zijn merites te beoordelen. De afwezigheid in het overgelegde administratief dossier van de stukken die het motief dragen, wordt gelijkgesteld met de afwezigheid van deugdelijke materiële motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund, zodat de materiëlemotiveringsplicht geschonden is. De omstandigheden dat, naar de verwerende partij stelt, het bestaan van een vertrouwensbreuk tussen verzoeker en diens diensthoofd niet wordt betwist en dat de aanvaringen met het diensthoofd allerminst alleenstaande gevallen zijn wat zou moeten blijken uit een functioneringsgesprek van 7 augustus 2018, - wat zou moeten blijken uit de wel in het administratief dossier gevoegde stukken - zijn niet uiteengezet in de eerste bestreden beslissing. Er wordt derhalve geen rekening mee gehouden. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht mag immers enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden en zou het beoordelen of die nieuwe motieven deugdelijk zijn, de Raad van State uitnodigen tot een eigen beoordeling. Evenmin leidt het door de verwerende partij in de laatste memorie aangebrachte argument dat het meer dan logisch is dat de directeur-diensthoofd geen verslag heeft bijgehouden van de afzonderlijk gevoerde gesprekken met elk personeelslid, tot een ander besluit. Dit argument is eveneens vreemd aan het (enige) motief van de eerste bestreden beslissing dat is uitgedrukt in de bestreden beslissing.
  15. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. XIV-38.284-11/14 De grond van de zaak wat de tweede bestreden beslissing betreft: de schending van de formelemotiveringsplicht
  16. Het onderzoek van de wettigheid van de tweede bestreden beslissing is beperkt tot de beoordeling van de schending van de formelemotiveringsplicht. Uit het middel blijkt dat verzoeker de formelemotiveringsplicht bedoelt zoals die is bepaald in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991). De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Hoewel de formelemotiveringsplicht de administratieve overheid er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle door het personeelslid tijdens de administratieve procedure opgeworpen argumenten, moet uit haar beslissing wel kunnen worden opgemaakt dat het verweer van het personeelslid daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken. Hieruit volgt dat de overheid niet uitvoerig moet antwoorden op elk van deze argumenten. Wel moet XIV-38.284-12/14 impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard.
  17. Uit de feitenanalyse blijkt dat verzoeker een verweerschrift heeft ingediend tegen het voorstel tot herplaatsing (supra, punt 3.6). Voorts blijkt uit de tweede bestreden beslissing dat de directeur-diensthoofd zich ter zake beperkt tot de mededeling dat het verweerschrift zijn “volle aandacht” heeft genoten en dat hij de bemerkingen grondig heeft doorgenomen, maar dat “desondanks het aantal elementen dat aangedragen worden als verweer,” hij bij zijn standpunt blijft dat “een herplaatsing naar Brussel de beste oplossing is.” Uit de tweede bestreden beslissing kan expliciet noch impliciet worden opgemaakt dat de verweermiddelen van verzoeker daadwerkelijk in de besluitvorming werden betrokken, noch kan uit de erin vervatte formele motivering, al dan niet samen gelezen met de motieven vervat in het voorstel tot herplaatsing, minstens impliciet, worden afgeleid waarom de verweermiddelen van verzoeker in het algemeen niet werden aanvaard. De gegeven motivering is derhalve minstens op dat punt niet afdoende.
  18. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. Conclusie
  19. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. XIV-38.284-13/14 BESLISSING
  20. De Raad van State vernietigt 1) de beslissing van de directeur-diensthoofd SSGPI van 11 september 2019 waarbij verzoeker tijdelijk wordt gedetacheerd naar het Coördinatiecentrum en 2) de beslissing van de directeur-diensthoofd SSGPI van 30 december 2019 waarbij verzoeker wordt herplaatst naar het Coördinatiecentrum met ingang van 15 januari
  21. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.284-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.