id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.043 Rolnummer: A. 228847/XIV-38124 Zaak: Arrest 256043 - Politie - 16/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 08:38 Fiche Arrest nr 256.043 van 16 maart 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 256.043 van 16 maart 2023 in de zaak A. 228.847/XIV-38.124 In zake : Stanny DE VLIEGER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordig door advocaten David D’Hooghe en Lieselotte Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van “het ministerieel besluit tot bepaling van hoofdcommissaris [J.F.] als de meest geschikte kandidaat om te worden aangewezen voor de betrekking van verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in Spanje (Lobees), van ongekende datum” en van “de (impliciete) beslissing om verzoeker niet aan te wijzen als de meest geschikte kandidaat voor voormelde betrekking, van ongekende datum.” XIV-38.124-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest 246.802 van 23 januari 2020 werd het verzoek tot tussenkomst van de Jean Fontaine als niet verricht beschouwd en wordt ten aanzien van de overige partijen de procedure voortgezet. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2022. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Swerts, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor verzoeker en advocaat David D’Hooghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-38.124-2/14 III. Feiten 3.1. Verzoeker is hoofdcommissaris van politie bij de Federale politie. 3.2. Op 6 december 2018 publiceert de Federale Politie een oproep tot kandidaatstelling in de cyclus 2018-05 voor de functie van 7165 – CG/CGI – Externe representatie - Hoofdcommissaris – met opdracht belast in het buitenland (Spanje), met plaats van tewerkstelling de Belgische ambassade te Madrid. Er melden zich drie kandidaten waaronder verzoeker en J.F. 3.3. Op een niet nader bepaalde datum beslist de minister van Binnenlandse Zaken dat J.F. de meest geschikte kandidaat is om te worden aangewezen in de betrekking van verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in Spanje. Dit is de eerste bestreden beslissing. Verzoeker is niet aangewezen voor de voormelde betrekking. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.4. Op 6 december 2019 beslist de minister van Binnenlandse zaken dat verzoeker de meest geschikte kandidaat is om te worden aangewezen in de betrekking van verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in het Verenigd Koninkrijk. Op 19 december 2019 wijst de directeur-generaal DGR a.i. verzoeker aan voor de betrekking van hoofdcommissaris van politie belast met opdracht in het buitenland (verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in het Verenigd Koninkrijk) bij de eenheid 7165 – CGI – Externe representatie. XIV-38.124-3/14 Op 23 december 2019 wordt van deze beslissing kennis gegeven aan verzoeker. In die kennisgeving is te lezen: “In het raam van de mobiliteit 2019/03 hebt u zich kandidaat gesteld voor de betrekking van hoofdcommissaris van politie belast met opdracht in het buitenland (Verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in het Verenigd Koninkrijk) bij de Eenheid 7165 - CGI - EXTERNE REPRESENTAT1E (reeksnummer 0105 - bedieningsnr 100252). Na selectie werd u weerhouden voor de bovenvermelde betrekking. Door middel van de nota met referentie DGR/DRP.P/DPPI-A/2019/30712 van 19/12/2019,in bijlage, heeft DGR u aangewezen in deze betrekking. Overeenkomstig Art.VI.II.24 van het KB van 30-03-2001 en gewijzigd door het Art. 12 van het KB van 20-12-2005 dient u uw beslissing om deze betrekking al dan niet op te nemen mee te delen binnen de 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag volgend op de datum van de poststempel van deze brief of de datum van de ontvangstmelding : - aan […] […] Indien u niet reageert, wordt u geacht in te stemmen met deze mobiliteit en kan deze achteraf niet meer ongedaan worden gemaakt. Het aanvaarden van deze betrekking heeft tot gevolg dat u niet meer geselecteerd kan worden voor (een) eventuele andere betrekking(
- en)waarvoor u zou gepostuleerd hebben in het kader van de mobiliteit. De beslissingstermijn van 14 dagen zal beginnen vanaf de datum van de poststempel. Tenzij anders beslist, zal uw mobiliteit plaatsvinden op 01-02-2020.” Op dezelfde dag verklaart verzoeker uitdrukkelijk die betrekking te aanvaarden. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie wegens gebrek aan een actueel belang Standpunt van de partijen 4. In de brief van 19 februari 2020 waarmee de verwerende partij de nieuwe aanwijzing vermeld in punt 3.4 mededeelt aan de Raad van State, stelt de verwerende partij dat verzoeker als gevolg van zijn aanwijzing als verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in het Verenigd Koninkrijk, geen belang meer heeft bij het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Verzoeker XIV-38.124-4/14 heeft immers op 23 december 2019 de betrekking van verbindingsofficier in het Verenigd Koninkrijk aanvaard waardoor hij niet meer kan worden aangewezen als verbindingsofficier in Spanje. 5. In het verzoekschrift zet verzoeker, wat zijn belang betreft, uiteen dat de beoogde vernietiging hem in principe de kans oplevert om zijn oorspronkelijke concurrentiële positie te herstellen en om alsnog gunstig te worden gerangschikt. Voorts wijst hij erop dat daarenboven beide bestreden beslissingen inhouden dat hij de aan de geambieerde functie verbonden verloningsaspecten verliest, hetgeen maakt dat hij een aanzienlijk financieel nadeel lijdt. In antwoord op de voormelde brief van 19 februari 2020, antwoordt verzoeker bij brief van 28 februari 2020 dat niet wordt betwist dat hij een andere functie van verbindingsofficier heeft aanvaard, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat hij geen belang meer zou hebben bij het voorliggende beroep. Hij stelt dat wanneer zou worden besloten tot de vernietiging van de thans bestreden beslissingen, hij nog de kans heeft benoemd te worden in de functie van verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in Spanje. Hij voegt er aan toe: “Het mededingen naar een andere functie in afwachting van de resultaten van onderhavige vernietigingsprocedure doet in geen geval het belang van verzoeker teniet. Immers komt het onredelijk over te verwachten van verzoekende partij dat hij zijn carrière on hold zet gedurende het verloop van de vernietigingsprocedure, waardoor hij carrièrekansen zou laten schieten. In die zin zou het instellen van een vernietigingsberoep voor Uw Raad als het ware een opschortende werking hebben op het carrièreverloop van verzoekende partij, zonder dat diezelfde opschortende werking wordt geschonken aan de bestreden beslissing zelf. Daarom wenst verzoekende partij dan ook te benadrukken dat hij op geen enkele manier (heeft) berust in de thans lopende procedure. Dit allerminst in het licht van de vordering tot schadevergoeding tot herstel conform artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarvoor verzoeker zich alle rechten voorbehoudt. Ten overvloede wenst verzoekende partij te benadrukken dat haar aanstelling als verbindingsofficier te Londen bovendien nog geen ongenaakbaar en derhalve definitief karakter heeft verkregen, nu op heden de termijn voor derden om Uw Raad te vatten nog niet is verstreken.” XIV-38.124-5/14 In zijn laatste memorie voegt verzoeker aan deze argumentatie het volgende toe. Vooreerst is er geen onmogelijkheid om nog geselecteerd te worden in de betrekking van verbindingsofficier in Spanje. De regel dat men niet meer zou geselecteerd worden in een andere betrekking waarvoor men zou hebben gepostuleerd in het kader van de mobiliteit, is niet opgenomen in het aanwijzingsbesluit noch in de wet en meer bepaald niet in de regels met betrekking tot de mobiliteitsprocedure vervat in de artikelen VI.I.8-VI.II.68quater RPPol. Nergens is in die bepaling te lezen dat de mogelijkheid om nog te worden geselecteerd in een betrekking waarvoor men heeft gepostuleerd in het kader van de mobiliteit, automatisch vervalt wanneer men is aangewezen voor een andere betrekking. Evenmin blijkt die regel uit artikel VI.II.24 RPPol waarin de antwoordtermijn van veertien dagen is opgenomen om de betrekking op te nemen. Bovendien blijkt het behoud van het belang evenzeer uit het feit dat hij na de kennisgeving van de aanwijzingsbeslissing niet uitdrukkelijk overging tot het betekenen van een beslissing tot opneming van de betrekking als verbindingsofficier in het Verenigd Koninkrijk, in de zin van artikel VI.II.24, tweede lid, RPPol. Aldus heeft verzoeker alleszins zijn “opties” opengehouden. Ondergeschikt houdt de onmogelijkheid om nog geselecteerd te worden in de betrekking van verbindingsofficier in Spanje niet in dat verzoeker zijn belang verliest. Vooreerst bestaat er geen verplichting om actief te procederen ten einde zijn belang te behouden. Bovendien mag er geen te restrictieve interpretatie aan de vereiste van het actueel belang te worden gegeven wanneer de vereiste van een actueel belang impliceert dat een verzoeker louter ingevolge de doorlooptijd van de procedure niet langer in de mogelijkheid verkeert de benoeming te ambiëren met betrekking tot dewelke het initieel annulatieberoep – tegen de benoeming van een derde – werd ingesteld. XIV-38.124-6/14 Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel XIV-38.124-7/14 getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 7. De te Madrid geambieerde functie betreft die van verbindingsofficier, zijnde “de titularis van een als dusdanig op de personeelsformatie van de federale politie voorziene betrekking die als hoofdtaak heeft om de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, te vertegenwoordigen in één of meerdere landen, op basis van een bilateraal of multilateraal akkoord tussen België en één of meerdere andere landen.” (artikel 1.1.1., 10bis RPPol). De verbindingsofficier wordt aangewezen overeenkomstig een bijzondere procedure betreffende de mobiliteit naar de functie van verbindingsofficier, vervat in artikel VI.II.68bis RPPol, dewelke volkomen te onderscheiden is van de gewone mobiliteitsprocedure voor de leden van het XIV-38.124-8/14 officierskader, hetgeen verzoeker overigens in zijn memorie van wederantwoord ook erkent. Artikel VI.II.68bis, § 1, RPPol luidt: “Art. VI.II.68bis.§ 1. Indien een betrekking van verbindingsofficier wordt begeven, komt uitsluitend het personeelslid in aanmerking dat nog ten minste zes volle dienstjaren kan vervullen voor de verplichte leeftijd van opruststelling. De laureaat van de selectieprocedure voor een betrekking van verbindingsofficier wordt aangewezen voor een periode van zes jaar, zonder dat het mogelijk is om opnieuw voor een dergelijke betrekking of voor een betrekking van contactambtenaar te worden aangewezen binnen de twee jaar na het verstrijken van die periode van zes jaar. In afwijking van het tweede lid kan het personeelslid zich geldig kandidaat stellen en deelnemen aan de selectie voor een betrekking van verbindingsofficier of voor een betrekking van contactambtenaar vooraleer de bedoelde periode van twee jaar is verstreken, met dien verstande dat zijn kandidaatstelling slechts wordt onderzocht indien geen enkele andere kandidaat geschikt wordt bevonden voor de betrokken betrekking door de selectiecommissie.” Uit deze bepaling volgt dat degene die wordt aangewezen voor de betrekking van verbindingsofficier, een aanwezigheidstermijn van zes jaar moet volbrengen, zonder dat het mogelijk is om opnieuw voor een dergelijke betrekking te worden aangewezen binnen, in principe, de twee jaar na het verstrijken van die periode van zes jaar. Hieruit volgt dat een personeelslid dat geen zes jaar aanwezig is in de betrekking van verbindingsofficier – te vermeerderen met twee jaar behoudens wanneer toepassing wordt gemaakt van het derde lid van § 1 – niet in aanmerking kan komen voor eventuele andere betrekkingen van verbindingsofficier. Uit de bijgebrachte stukken blijkt dat verzoeker op 19 december 2019 is aangewezen voor de betrekking van hoofdcommissaris van politie belast met opdracht in het buitenland (verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in het Verenigd Koninkrijk) bij de eenheid 7165 – CGI – Externe representatie. Het betreft een functie van verbindingsofficier in de zin als hiervoor is gesteld. Voorts blijkt uit de stukken dat verzoeker op 23 december 2019 deze betrekking uitdrukkelijk (schriftelijk) aanvaardde en dat de mobiliteit plaatsvond op 1 februari 2020. De tussengekomen wijziging in de functie-uitoefening is XIV-38.124-9/14 derhalve het gevolg van een eigen vrijwillig handelen van verzoeker en niet het gevolg van de doorlooptijd van de procedure voor de Raad van State. De aanvaarding van deze betrekking impliceert derhalve ook de aanwijzing voor een periode van zes jaar in de betrokken betrekking van verbindingsofficier en dus ook de verzaking om tijdens die aanwezigheidstermijn en de erop volgende (maximaal) twee jaren, een andere betrekking van verbindingsofficier te bekleden. Voorts is deze aanwijzing definitief geworden zodat het voorbehoud dat verzoeker ter zake maakt in zijn brief van 19 februari 2020 geen grond meer heeft. Aangezien verzoeker op het ogenblik van het sluiten van het debat in zijn nieuwe betrekking duidelijk niet voldoet aan de minimale termijn om in een andere betrekking van verbindingsofficier te worden aangewezen, volgt hieruit dat hij niet kan worden aangewezen voor de geambieerde betrekking te Madrid waarin een andere kandidaat, met name J.F. is aangewezen. Hieruit volgt dat verzoeker geen voordeel heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handelingen wegens een handeling die hijzelf heeft gesteld en die hem persoonlijk moet worden toegerekend, zodat hij geen belang heeft bij de nietigverklaring. Zelfs na vernietiging van de bestreden beslissingen, zou de tot aanwijzing van de verbindingsambtenaar te Madrid bevoegde overheid – die bij vernietiging in beginsel een nieuwe beslissing zou moeten nemen – immers verzoeker niet kunnen aanwijzen voor die betrekking, omdat die overheid, op het ogenblik van die te nemen beslissing, rekening moet houden met de elementen die bestaan op de datum van die beslissing en, derhalve, zou moeten vaststellen dat verzoeker voor het betrokken ambt niet kan worden aangewezen omdat deze nog niet heeft voldaan aan de aanwezigheidstermijn om via mobiliteit te worden aangewezen voor de geambieerde betrekking. In die mate doet verzoeker derhalve niet langer blijken van een voordeel bij de gevorderde vernietiging nu de bevoegde overheid bij een eventueel onwettig bevinden van de bestreden beslissingen, verzoeker niet zou kunnen aanwijzen. Aldus is verzoekers kans waarop hij doelt in het verzoekschrift, door zijn vrijwillig handelen teloorgegaan. Aangezien het in het verzoekschrift XIV-38.124-10/14 aangevoerde financieel nadeel is verbonden aan het verlies van de kans om te worden aangewezen voor de geambieerde betrekking van verbindingsofficier te Madrid en die kans is teloorgegaan, zijn ook de geambieerde verloningsaspecten definitief teloorgegaan. 8. Verzoeker verliest evenwel in dat geval niet noodzakelijk ingevolge deze gewijzigde feitelijke omstandigheden zijn belang bij de nietigverklaring. Zoals hiervoor is aangenomen, kan de aard van het belang immers evolueren, maar verzoeker moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring hem nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Verzoeker doet zulks niet. In de mate dat verzoeker zich in zijn laatste memorie op het standpunt plaatst dat geen rechtsregel uitsluit dat er sprake is van een onmogelijkheid om hem nog te selecteren voor de geambieerde betrekking, blijkt uit wat voorafgaat dat zulks niet de reden vormt voor het ontzeggen van het actueel belang, maar wel het feit dat de verplichte aanwezigheidstermijn in de thans bekleedde betrekking waarvoor hij op vrijwillige grondslag is aangewezen, in rechte belet dat hij wordt aangewezen in een andere betrekking van verbindingsofficier en dus ook in de geambieerde betrekking. In de mate dat verzoeker uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die naar recht. Inzake het argument dat het onredelijk is om te verwachten dat hij zijn loopbaan on hold zet gedurende het verloop van de vernietigingsprocedure, betekent zulks op zich niet dat verzoeker bij de voorliggende vrijwillige carrièreswitch zijn actueel belang bij een eerdere gewenste carrièreswitch moet behouden, indien, zoals te dezen het geval is, die vrijwillige loopbaanwending inhoudt dat hij niet langer meer voldoet aan de vereisten om in de geambieerde betrekking te worden aangewezen. Te dezen voert verzoeker aan dat hij “redelijkerwijze in de onmogelijkheid verkeerde intussen geen verdere XIV-38.124-11/14 carrièrekansen op te zoeken en desgevallend te benutten”, maar niet alleen beperkt hij zich ter zake tot een blote bewering, maar vooral zet hij niet uiteen waarom die “redelijke onmogelijkheid” inhoudt dat het hem niet persoonlijk verwijtbaar is om vrijwillig een betrekking te ambiëren en op te nemen waarvan hij wist of moest weten dat de aanvaarding van die betrekking – in rechte – hem elke kans op aanwijzing in het geambieerde betrekking te Madrid ontneemt gedurende – redelijkerwijze – maximaal acht jaren. Het komt aan verzoeker toe om dit te verduidelijken, hetgeen hij niet doet. In de mate dat verzoeker in de laatste memorie opwerpt dat door de Raad van State geen al te restrictieve interpretatie van de vereiste van een actueel belang mag worden gehanteerd, in die zin dat er geen bijkomende voorwaarde tot actief procederen mag worden gesteld, is dit argument niet ter zake nu de Raad van State dit in het voorliggende geval niet in rekening brengt bij het onderzoek van het behoud van het actuele belang. In de mate dat verzoeker wijst op het feit dat hij niet heeft berust in de lopende procedure en zulks allerminst in het licht van een vordering tot schadevergoeding tot herstel, blijkt dat bij het sluiten van het debat geen dergelijke vordering is ingediend. In het licht hiervan moet met deze hypothese geen rekening worden gehouden. Voorts houdt het enkele gegeven dat verzoeker niet heeft berust in de lopende procedure en actief eraan heeft meegewerkt, niet in dat hij noodzakelijkerwijze zijn actueel belang behoudt. De verwijzing tot slot in de laatste memorie naar de leer van het arrest Ghysels, nr. 26.271 van 18 maart 1986, leidt niet tot een andere conclusie. Los van de vaststelling dat verzoeker niet ingaat op het eveneens in dat arrest ontwikkelde aspect dat “het uiteindelijk verkregene inhoudelijk verschilt van het oorspronkelijk gevraagde,” gaat de in dat arrest vervatte leer niet in tegen de in de voorliggende zaak wel relevant zijnde eis dat de beoogde nietigverklaring een voordeel voor verzoeker moet opleveren, wat te dezen niet blijkt noch aannemelijk is gemaakt door verzoeker. XIV-38.124-12/14 9. Uit wat voorafgaat blijkt niet dat verzoeker nog enig belang behouden heeft bij de vernietiging erga omnes van de bestreden beslissingen nu niet blijkt dat de nietigverklaring ervan nog tot een andere besluitvorming kan leiden cq. hem nog een direct en persoonlijk voordeel, moreel of materieel, kan verschaffen, hoe miniem ook. 10. De exceptie wegens gebrek aan actueel belang is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter XIV-38.124-13/14 Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.124-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.043 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.802 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div