id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.057 Rolnummer: A. 231981/IX-10084 Zaak: Arrest 256057 - Wapens - 17/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-10 08:39 Fiche Arrest nr 256.057 van 17 maart 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.057 van 17 maart 2023 in de zaak A. 231.981/IX-10.084 In zake : Piet LAVRIJSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 Turnhout Collegestraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 30 september 2020 inzake het beroep van Piet Lavrijsen tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 12 december 2019. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 248.617 van 15 oktober 2020 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. IX-10.084-1/26 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 maart 2023. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Niels Vansimpsen, die loco advocaat Jan Surmont verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker heeft op grond van zijn jachtverlof drie vuurwapens voorhanden. IX-10.084-2/26 3.2. Na een uittreksel uit het strafregister te hebben ontvangen waaruit blijkt dat verzoeker in 1997 en in 2015 is veroordeeld tot een correctionele straf, vraagt de dienst Wapens van de provincie Limburg aan de procureur des Konings te Limburg, afdeling Hasselt, om advies of het wenselijk is dat de gouverneur het recht om wapens voorhanden te houden schorst, intrekt of beperkt. 3.3. De procureur des Konings verstrekt daarop het volgende advies: “Betrokkene werd op 19.11.2015 door de correctionele rechtbank te Tongeren veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand en een geldboete van 1000 euro wegens valsheid in geschriften met gebruik, inbreuken inzake de milieuvergunning en inbreuk inzake meststoffen. Door de correctionele rechtbank te Hasselt werd hem op 19.12.1997 een geldboete van 1000 Fr. opgelegd wegens inbreuk inzake werkloosheidsuitkeringen door de werkgever en inbreuk inzake het bijhouden van het personeelsregister. Op 10.01.1995 verkreeg hij van dezelfde rechtbank de gunst van de opschorting wegens inbreuk inzake de handel in landbouw-; tuinbouw en zeevisserijproducten. Op 09.01.2019 werd hij opnieuw te Hasselt veroordeeld wegens overbemesting, verontreiniging van oppervlaktewateren tot een gevangenisstraf van 2 maanden en een geldboete van 5000 euro. De rechter overwoog ‘De bewezen verklaarde misdrijven zijn maatschappelijk onaanvaardbaar en geven blijk van een verregaande normvervaging en een zucht naar gemakkelijk geldgewin en persoonlijk profijt ten koste van het leefmilieu.’ Er werd evenwel hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De feiten van valsheid in geschriften waarvoor hij op 19.11.2015 veroordeeld werd, leiden volgens art. 5, § 4, 2°,
- b)van de wapenwet tot een interdicerende veroordeling, waardoor enige aanvraag onontvankelijk wordt. Betrokkene is ook nog gekend in de notitiën van mijn ambt wegens een hele reeks gelijkaardige inbreuken die wegens diverse redenen zonder gevolg werden geklasseerd of waarin een minnelijke schikking werd opgelegd. In ieder geval blijkt dat betrokkene een aanhoudende neiging tot wetsinbreuk heeft en verregaande normvervaging vertoont. Hierdoor is hij het vertrouwen van de vergunningverlenende overheid mijns inziens niet waardig en vormt vergund wapenbezit in zijn hoofde een gevaar voor de openbare orde, tevens dient de veiligheid verzekerd te worden van de diverse overheidsdiensten die vaststellingen dienen te verrichten op de percelen waarop betrokkene zijn bedrijf uitoefent. Het advies van mijn ambt is dan ook: ongunstig.” IX-10.084-3/26 3.4. Op 12 december 2019 trekt de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers recht tot het voorhanden houden van vuurwapens in omdat “uit de voorliggende elementen van het dossier kan besloten worden dat het bezit van vuurwapens door Petrus Lavrijsen een gevaar kan doen ontstaan voor de openbare orde en veiligheid”. 3.5. Verzoeker stelt tegen die beslissing op 7 januari 2020 administratief beroep in bij de minister van Justitie. 3.6. De lokale politie geeft op 11 februari 2020 een ongunstig advies waarvan de motivering luidt: “Betrokkene heeft meerdere correctionele veroordelingen opgelopen. De laatste veroordeling door de correctionele rechtbank Limburg afdeling Tongeren d.d. 19/11/2015 betreft - valsheid in geschriften door een particulier: gebruikmaking - Milieuvergunning - Inbreuk inzake meststoffen. Hierbij werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand, geldboete van 1.000 euro (x5,5) (vervangende gevangenisstraf van 90 dagen) en bijzondere verbeurdverklaring. Dit zijn belastend feiten cfr. Art. 5, §4, 2°, b. Verder zijn onze diensten ervan op de hoogte dat er nog onderzoeken lopende zijn, die nadelig voor hem kunnen uitvallen. De feiten kaderen in de uitoefening van zijn beroepsactiviteit, waarbij hij de bestaande regelgeving ter zake flagrant met de voeten treedt. Wij zijn dan ook van mening dat wapenbezit, in hoofde van betrokkene een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou kunnen doen ontstaan. Wij adviseren zijn wapenbezit dan ook negatief.” 3.7. Op 19 mei 2020 handhaaft de procureur des Konings zijn eerder ongunstig advies. 3.8. Op 30 september 2020 verwerpt de minister van Justitie het beroep en beslist dat verzoekers recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens wordt ingetrokken ter vrijwaring van openbare orde en veiligheid zodat het hem niet is toegestaan om vuurwapens voorhanden te hebben. IX-10.084-4/26 Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering letterlijk luidt: “Zoals reeds gesteld kan de gouverneur op basis van artikel 11, §1, tweede lid en artikel 13, eerste lid van de wapenwet – indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren – respectievelijk de vergunning of het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een met reden omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken, na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar men zijn verblijfplaats heeft en volgens een procedure bepaald door de Koning. Of er al dan niet gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete elementen. Bovendien moet rekening gehouden worden met het principe van de proportionaliteit; zo moeten de aangehaalde elementen voldoende ernstig zijn om een beperking, schorsing of intrekking van een vergunning te rechtvaardigen. Op basis van de stukken aanwezig in het administratieve dossier kan worden vastgesteld dat er zich problemen hebben voorgedaan die zouden kunnen wijzen op een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Uit uw dossier blijkt dat u op 19 november 2015 door de correctionele rechtbank te Tongeren werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand en een geldboete van 1000 euro wegens valsheid in geschriften met gebruik, inbreuken inzake de milieuvergunning en een inbreuk inzake meststoffen. Daarnaast werd u op 19 december 1997 veroordeeld tot een geldboete van 1000 BEF wegens een inbreuk inzake werkloosheidsuitkeringen door de werkgever en een inbreuk inzake het bijhouden van het personeelsregister. Op 10 januari 1995 verkreeg u de gunst van de opschorting wegens een inbreuk inzake de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten. Tot slot werd u op 9 januari 2019 opnieuw veroordeeld wegens overbemesting, verontreiniging van oppervlaktewateren, tot een gevangenisstraf van 2 maanden en een geldboete van 5000 euro. Er werd evenwel hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De procureur des Konings stelde dat u voorts nog gekend bent wegens een reeks gelijkaardige inbreuken die vanwege diverse redenen zonder gevolg werden geklasseerd of waarin een minnelijke schikking werd opgelegd. Hij stelde dat de door u gepleegde feiten blijk hebben gegeven van een aanhoudende neiging tot wetsinbreuk en verregaande normvervaging. Overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dient elke overheidsbeslissing met individuele strekking zowel materieel als formeel gemotiveerd te worden. Artikel 3 van voornoemde wet bepaalt dat de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de grondslag liggen van de beslissing. Bovendien moeten de motieven die in de beslissing vermeld worden afdoende zijn. In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel IX-10.084-5/26 voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de mogelijkheid om vuurwapens verder voorhanden te kunnen houden anderzijds. Meer bepaald moet overwogen worden of vuurwapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren. Daarbij dient een inschatting te worden gemaakt van de ernst en de actuele relevantie van de feiten die zich hebben voorgedaan. Wat is immers het risico op misbruik van of ongelukken met vuurwapens indien men u hiervan het bezit toestaat. Het uitgangspunt van de wapenwet van 8 juni 2006 is onder andere om de samenleving te beschermen en het aantal ongelukken met wapens te verminderen. Het is dus de bedoeling om preventief op te treden ten aanzien van personen en situaties die een potentieel gevaar inhouden. Vanuit dit uitgangspunt van preventie dient wapenbezit dan ook alleen te worden toegestaan aan personen die geen tegenindicatie vertonen. Het is om deze reden dat artikel 11, §3, laatste lid van de wapenwet voorziet dat vergunningsaanvragen die worden ingediend door personen die niet voldoen aan artikel 11, §3, 2° en 3° van de wapenwet, onontvankelijk zijn. Artikel 11, §3, 2° van de wapenwet stelt dat men niet in aanmerking komt voor een vergunning voor het voorhanden hebben van een vuurwapen indien men als dader of medeplichtige veroordeeld werd tot een correctionele geldboete van meer dan 500 euro, een correctionele hoofdstraf onder elektronisch toezicht of een correctionele hoofdgevangenisstraf of een criminele straf wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, §4, 2°. Artikel 11, §3, 3° stelt dat dit ook geldt ingeval men is veroordeeld tot één van de straffen of het voorwerp is geweest van één van de beslissingen bedoeld in artikel 5, §, 1°, 1°/1 en 4°. Een veroordeling wegens valsheid in geschriften op grond van artikel 196 van het strafwetboek behoort tot voornoemde lijst van misdrijven, met name deze voorzien in artikel 5, §4, 2°,
- b)van de wapenwet. Volgens het vonnis van de correctionele rechtbank te Limburg, afdeling Tongeren d.d. 19 november 2015 werd u bovendien veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand en een geldboete van 1.000,00 euro, verhoogd met 5,5 opdeciemen tot 5.500,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen en een bijzondere verbeurdverklaring, zodat u onder voormelde uitsluitingsgrond voor een bezitsvergunning voor een vuurwapen valt. In casu vraagt u geen nieuwe vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen (model 4) aan, doch beschikte u over het recht tot het voorhanden hebben van drie vuurwapens op grond van uw jachtverlof. Dit jachtverlof maakt het voor u mogelijk om welbepaalde vuurwapens aan te schaffen zonder daartoe vooreerst een vergunning model 4 te moeten aanvragen. Het is inderdaad zo dat u als jager en tevens houder van een geldig jachtverlof kon genieten van een uitzonderingsregime op de algemene voorafgaandelijke vergunningsplicht voor vuurwapens. Artikel 12, eerste lid, 1° van de wapenwet stelt immers dat artikel 11 niet van toepassing is op houders van een jachtverlof voor wat betreft lange wapens daar toegelaten waar het jachtverlof geldig is. IX-10.084-6/26 Artikel 11, §1 van de wapenwet stelt dat het particulieren verboden is om vergunningsplichtige vuurwapens of de daarbij horende munitie voorhanden te hebben zonder een voorafgaande vergunning. De wapenwet vertrekt dus van een principieel verbod op particulier vuurwapenbezit. De voorafgaande bezitsvergunning is de uitzondering. Het voorhanden hebben van vuurwapens zonder deze vergunning op basis van het statuut van jager is bijgevolg een uiterst uitzonderlijk gunstregime waarbij de wapenwet strikt dient te worden geïnterpreteerd. U werd onder meer veroordeeld wegens een misdrijf dat werd opgenomen in de lijst van artikel 5, §4, 2°,
- b)van de wapenwet. Conform artikel 11, §3, laatste lid zijn nieuwe vergunningsaanvragen van personen die veroordeeld zijn als dader wegens één van de misdrijven opgenomen in voornoemd artikel van de wapenwet onontvankelijk. De wapenwet creëert als het ware een vermoeden van gevaar voor de openbare orde in hoofde van personen die dergelijke misdrijven hebben gepleegd. Aangezien de wetgever het niet wenselijk vond om een wapenvergunning toe te kennen aan veroordeelden voor de misdrijven bedoeld in artikel 5, §4, 1°, 1°/1, 2° en 4° van de wapenwet, kan men aannemen dat hij tevens geen wapenbezit wenste toe te staan aan zij die gebruik maken van voormeld uitzonderingsregime op de algemene vergunningsplicht (waaronder jagers). Mocht men a contrario immers aannemen dat men als veroordeelde voor één van voormelde misdrijven toch kan beschikken over vergunningsplichtige vuurwapens op basis van zijn statuut als jager, dan kan men de bedoeling van de wetgever omzeilen door wapens te verwerven op model 9 en geen vergunningsaanvragen (model 4) in te dienen. Het is echter onwaarschijnlijk dat de wetgever de bedoeling had om een bepaling te voorzien in de wapenwet die er op gericht is om één van haar belangrijkste basisprincipes te omzeilen. Het is om deze reden zeker niet onredelijk om op basis van een veroordeling voor valsheid in geschrifte te beslissen tot de intrekking van uw vergunningen en/of uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens. In uw verweer stelde uw advocaat dat de elementen waarop de beslissing van de gouverneur is gesteund de bestreden beslissing niet afdoende kunnen rechtvaardigen, noch in feite, noch in rechte. De veroordeling wegens valsheid in geschriften van 19 november 2015 houdt volgens uw advocaat geen enkel verband met feiten of gedragingen in verband met uw wapenbezit. Hij preciseert dat deze veroordeling te kaderen valt binnen de exploitatie van landbouw. U werd in casu veroordeeld vanwege uw betrokkenheid als zaakvoerder van de betrokken vennootschap. U bent volgens uw advocaat nooit ofte nimmer betrokken geweest in gewelddelicten of misdrijven tegen de persoon, noch veroordeeld. Enige foutieve gedraging of misdrijf in verband met wapens is in uw hoofde onbestaande. De loutere verwijzing naar artikel 5, §4, 2°,
- b)van de wapenwet is in casu naast de kwestie en kan de beslissing tot intrekking niet rechtvaardigen. De verwijzing naar ‘een hele reeks gelijkaardige inbreuken’ door de procureur IX-10.084-7/26 des Konings is evenmin terecht. Er wordt nergens vermeld om welke inbreuken het gaat en van wanneer deze zouden dateren. Bij gebreke daaraan kan u zich daartegen ook niet verweren, wat uw rechten van de verdediging schendt. Verder merkt uw advocaat op dat in de bestreden beslissing zelf wordt gesteld dat de kwestieuze inbreuken ‘wegens diverse redenen zonder gevolg werden geklasseerd of een minnelijke schikking werd opgelegd’. U bent landbouwer in de akkerbouw en exploiteert onder meer een biogasinstallatie. Uit hoofde van deze exploitatie beging u een aantal inbreuken inzake het mestdecreet en natuurbehoud. Inzake de veroordeling van januari 2019 merkt uw advocaat op dat hoger beroep werd ingesteld tegen de desbetreffende uitspraak, waardoor het vonnis hic et nunc onbestaande is. Het hoger beroep werd ontvankelijk verklaard en de uitvoerbaarheid bij voorraad op burgerlijk gebied werd vernietigd. Het is voorts onduidelijk waaruit de ‘aanhoudende neiging tot wetsinbreuk en verregaande normvervaging’ zou bestaan. Er is bijgevolg slechts 1 veroordeling in uw hoofde daterend van meer dan vier jaar geleden. Dit kan bezwaarlijk een aanhoudende neiging tot wetsinbreuk worden genoemd en vormt geen element op basis waarvan kan worden besloten dat uw wapenbezit een gevaar voor de openbare orde zou uitmaken. U bent 58 jaar, jaagt als hobby en gebruikt uw wapens enkel met dit doel. Bovendien merkt uw advocaat op dat het moraliteitsverslag in uw hoofde positief is, zodat kan besloten worden dat u een normale man bent zonder gewelddadig verleden. Er is bijgevolg geen enkele reden om de intrekking van het recht tot het voorhanden houden van vuurwapens te handhaven. Alhoewel uw advocaat stelt dat de feiten die aan de grondslag lagen van uw veroordeling in 2015 niks te zien hebben met wapenbezit, blijkt de relevantie van dergelijke inbreuken nochtans uit de opname ervan in de wapenwet bij de zogenaamde interdicerende veroordelingen. Het kan onmogelijk verantwoord worden vuurwapenbezit toe te laten aan personen die volgens de wapenwet geen vuurwapens mogen voorhanden houden op grond van de algemene vergunningsplicht. Het verstoort de openbare orde door veroordeelden voor misdrijven bedoeld in artikel 5, §4 van de wapenwet toe te staan op basis van een uitzondering op de algemene vergunningsplicht (weliswaar bepaalde) vuurwapens voorhanden te houden terwijl dit niet is toegestaan op vergunning. Het signaal dat naar deze veroordeelden voor dergelijke misdrijven wordt gestuurd is er immers één van straffeloosheid, met name het kunnen voorhanden houden van vuurwapens in tegenstrijd met de duidelijke wil van de wetgever om het te ontzeggen aan dergelijke daders. In die zin is de openbare orde en veiligheid in gevaar omdat wordt ingegaan tegen één van de veiligheden die de wapenwet voorzag bij het invoeren van vergunningsplichtig vuurwapenbezit. Ter zake kan tevens verwezen worden naar enkele arresten waarin de Raad van State zich over deze problematiek uitsprak: - arrest [P.C.] t/ Belgische staat d.d. 19/12/2013, nr. 225.891: ‘Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 115/2010 van 21 oktober 2010 vastgesteld dat de maatregel waarbij een wapenvergunning wordt IX-10.084-8/26 geweigerd aan de persoon die is veroordeeld wegens één van de misdrijven in artikel 5, § 4, 2°, b), van de wapenwet tegemoetkomt aan de zorg van de wetgever om te voorkomen dat een vergunning wordt verleend aan personen die veroordeeld zijn voor feiten die de dader of medeplichtige als onbetrouwbaar doen overkomen voor het bezit van een wapenvergunning. Die veroordeling is een vaststaand gegeven dat krachtens de wet het wapenbezit van de betrokkene uitsluit. De verwerende partij hoefde bijgevolg niet tevens aan te tonen dat het wapenbezit in hoofde van de partner van verzoekster een potentieel gevaar voor de openbare orde zou kunnen opleveren. De motieven die desbetreffend in het bestreden besluit worden vermeld, zijn dan ook als overtollig.’. - arrest [A.B.] t./ Belgische staat d.d. 24/02/2011, nr. 211.494: ‘Gelet op het feit dat de wetgever in de gevallen geviseerd door artikel 11 van de nieuwe wapenwet zelf geoordeeld heeft dat een veroordeling tot een misdrijf als bedoeld in artikel 505 van het strafwetboek ertoe leidt dat de aanvrager niet in aanmerking komt voor een wapenvergunning, is het ook niet onredelijk dat de bevoegde overheid mede uit een dergelijke veroordeling afleidt dat de verzoeker niet doet blijken van het vereiste vertrouwen dat in een houder van een vuurwapen moet kunnen worden gesteld.’. De wapenwet is er zoals gesteld op gericht om de openbare orde en veiligheid te vrijwaren. Iemand die veroordeeld werd voor één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, §4 van de wapenwet kan niet langer vertrouwd worden met het voorhanden hebben van vuurwapens. Het feit dat deze veroordeling pas werd opgemerkt nadat reeds enige jaren vuurwapenbezit werd toegestaan (in casu op grond van een jachtverlof), mag hieraan geen afbreuk doen net omdat de wapenwet is gericht op de preventieve vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Het betreft feiten van valsheid in geschriften die relevant zijn omdat een wapenbezitter het vertrouwen van de vergunningsverlener waardig moet zijn – hetgeen bezwaarlijk kan in geval feiten van valsheid in geschrifte werden gepleegd – doch tevens omdat dergelijke inbreuken net werden opgenomen in de lijst van artikel 5, §4, 2° van de wapenwet aangezien de wetgever oordeelde dat precies zulke feiten relevant zijn in het kader van wapenbezit. De feiten zijn bovendien ernstig. Uit het vonnis van de correctionele rechtbank te Tongeren d.d. 19 november 2015 blijkt immers dat u bewust en met bedrieglijk opzet valse mestanalyses heeft gebruikt om de Vlaamse Landmaatschappij te beïnvloeden in haar verdere beslissing en een herberekening van de mestbalans te vermijden met bijkomende heffingen en/of administratieve boetes. De rechtbank stelde dat de vastgestelde en bewezen feiten getuigen van een verregaande laksheid met betrekking tot de naleving van de milieureglementering. Daarbij heeft u uw eigen economisch belang gesteld boven het belang dat de gemeenschap heeft bij het behoud van een gezond en veilig leefmilieu. Iemand die doelbewust gebruik maakt van valse documenten om bevoegde diensten te misleiden en te beïnvloeden, met als uitgangspunt bijkomende heffingen en/of administratieve boetes te willen vermijden, is het IX-10.084-9/26 vertrouwen van de vergunningverlenende overheid niet waardig. De overheid vreest dat u als wapenbezitter evenmin afdoende verantwoordelijkheid en integriteit aan de dag zal leggen gezien u in staat bent om voornoemde feiten te plegen. In het arrest [G.B.] t./Belgische Staat d.d. 28/05/2014, nr. 227.579 kwam de Raad van State tot eenzelfde conclusie: ‘De verwijzing naar voormelde gerechtelijke uitspraken volstaat om te besluiten dat er een gevaar kan zijn voor de openbare orde en veiligheid en om te doen begrijpen waarom aan verzoeker het recht wordt ontzegd om nog langer vuurwapens voorhanden te hebben. De intrekking van het recht om wapens voorhanden te hebben is op zich al wettig verantwoord doordat verzoeker werd veroordeeld wegens het misdrijf van valsheid in geschrifte. Dergelijke veroordeling doet verzoeker immers als een onbetrouwbaar wapenbezitter overkomen. Derhalve diende de minister van Justitie niet bijkomend te verduidelijken waarom in het voorliggende geval niet kon worden volstaan met de loutere beperking of schorsing van het betrokken recht van verzoeker’. Wat betreft de relevantie van de feiten kan ook verwezen worden naar rechtspraak van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, mag rekening worden gehouden met feiten en gedragingen die op zich niets te maken hebben met het wapenbezit van verzoeker, op voorwaarde dat deze feiten en gedragingen genoegzaam vaststaan en de beslissing tot intrekking naar recht kunnen verantwoorden (arrest [Y.K.] t/ Belgische staat d.d. 29/06/2015, nr. 231.786). Uit bovenstaande elementen volgt dat de overheid u geen vuurwapens meer kan toevertrouwen omdat ze in u niet het vertrouwen kan stellen dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter. Het uitoefenen van een hobby kan niet opwegen tegen de bescherming van de maatschappij. Het algemeen belang van de openbare orde is in zulk geval groter dan het individueel belang. De gouverneur van Limburg besliste dan ook terecht om uw recht tot het voorhanden hebben van uw vuurwapens in te trekken.” 3.9. Bij arrest van 8 juni 2022 doet het hof van beroep te Antwerpen uitspraak over het hoger beroep tegen het vonnis van 9 januari 2019 van de correctionele rechtbank van Hasselt. Verzoeker wordt schuldig bevonden aan de volgende ten laste gelegde feiten voor zover deze betrekking hebben op de overschuiming in de vergistingsinstallatie van de biogascentrale van Storg bv(
- ba)in de nacht van 28 op 29 oktober 2013: “Als dader of mededader, Te Houthalen-Helchteren of elders in het Rijk, in de periode van 31 december 2007 tot en met 1 januari 2015, IX-10.084-10/26 A. Als natuurlijke persoon of rechtspersoon die manueel, met mechanische middelen of pesticiden en met vaste of mobiele geluidsbronnen ingrijpt op of in de onmiddellijke omgeving van natuurlijke en deels natuurlijke habitats of ecosystemen, op waterrijke gebieden, op natuurlijke en halfnatuurlijke vegetaties, op wilde inheemse fauna of flora of trekkende wilde diersoorten of hun respectieve habitats of leefgebieden, of op kleine landschapselementen, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat deze habitats, ecosystemen, waterrijke gebieden, vegetaties, fauna, flora of kleine landschapselementen daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, of daartoe opdracht te hebben gegeven, (inbreuk op artikel 14, §1 decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu) niet alle maatregelen te hebben genomen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen (inbreuk op artikel 14, §1 Decreet Natuurbehoud), namelijk door een langdurige overbemesting op diverse landbouwpercelen van landbouwbedrijf Lavrijsen bv(ba), en/of door de overschuiming in de vergistingsinstallatie van de biogascentrale van Storg bv(
- ba)in de nacht van 28 op 29 oktober 2013, […] deze feiten strafbaar gesteld zijnde door artikel 16.6.1, §1 decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. B. Verboden voorwerpen of stoffen in de wateren van het openbaar hydrografisch net als bedoeld in artikel 1 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging te hebben geworpen of te hebben gedeponeerd, er verontreinigde of verontreinigende vloeistoffen in te hebben geloosd of er gassen in te hebben gebracht, en/of vaste stoffen of vloeistoffen te hebben gedeponeerd op een plaats waar ze door een natuurlijk verschijnsel in die wateren of in de openbare riolen kunnen terechtkomen, (inbreuk op artikel 2 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren) door een langdurige overbemesting op diverse landbouwpercelen van landbouwbedrijf Lavrijsen bv(ba), en/of door de overschuiming in de vergistingsinstallatie van de biogascentrale van Storg bv(
- ba)in de nacht van 28 op 29 oktober 2013, […] artikel 2 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren opgeheven zijnde door de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van artikel 6 van het decreet van 30 november 2018 tot bekrachtiging van de coördinatie van de waterregelgeving in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en tot opheffing van de gecoördineerde regelgeving, en de feiten nog steeds strafbaar zijnde als een inbreuk op artikel 3.2.1 van IX-10.084-11/26 het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018 betreffende het integraal waterbeleid en artikel 16.6.2, §1, lid 2 DABM (op grond van artikel 5.1.1 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018 betreffende het integraal waterbeleid).” Verzoeker wordt veroordeeld tot een geldboete van 1.000 euro (verhoogd met opdeciemen: 6.000 euro). Tegen dat arrest hebben onder meer verzoeker en de Vlaamse Milieumaatschappij cassatieberoep ingesteld. IX-10.084-12/26 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Het enige middel is genomen uit de schending van artikel 11, § 1, tweede lid, en artikel 13, eerste lid, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: de Wapenwet), de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing louter uitgaat van een veronderstelling, namelijk dat er “problemen zijn die zouden kunnen wijzen op een gevaar voor de openbare orde en veiligheid” terwijl overeenkomstig artikel 13, eerste lid, van de Wapenwet moet blijken dat het voorhanden hebben van wapens daadwerkelijk de openbare orde kan verstoren. De verwijzing naar artikel 11, § 3, van de Wapenwet acht verzoeker niet relevant omdat het te dezen niet gaat over een nieuwe aanvraag tot het voorhanden houden van wapens, maar om een intrekking van een reeds verkregen vergunning met toepassing van artikel 13 van de Wapenwet. Artikel 11, § 3, van de Wapenwet voorziet ook nergens in een automatische intrekking omwille van een correctionele veroordeling. Verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing steunt op het vonnis van de correctionele rechtbank van Tongeren van 19 november 2015 waarbij hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand en een geldboete van 1.000 euro wegens inbreuken op het Mestdecreet en valsheid in geschrifte. Hij stelt dat het feiten betreft die louter kaderen in de uitoefening van zijn landbouwactiviteiten en geen uitstaans hebben met het voorhanden hebben van wapens of met feiten van agressie of geweld. Louter uit een veroordeling die geheel vreemd is aan zijn wapenbezit wordt afgeleid dat hij het vertrouwen van de overheid niet waard zou zijn. Het is echter niet omdat iemand is veroordeeld wegens milieu-inbreuken dat daaruit (automatisch) kan worden afgeleid dat hij IX-10.084-13/26 niet vertrouwenswaardig zou zijn. In de bestreden beslissing wordt enkel gesteld dat wordt gevreesd dat hij als wapenbezitter geen afdoende verantwoordelijkheid en integriteit aan de dag zal leggen, louter omdat hij in staat is de feiten te plegen die aan de grondslag liggen van de veroordeling uit 2015. Waarom dit het geval zou zijn en waarom het feit dat hij is veroordeeld omwille van milieu-inbreuken ook zou betekenen dat hij als houder van een wapen geen verantwoordelijkheid of integriteit zou hebben, wordt niet verduidelijkt in de bestreden beslissing. Concrete elementen die de bedoelde vrees zouden rechtvaardigen ontbreken. Er is echter nooit een probleem geweest met zijn wapenbezit, laat staan dat hij ooit is veroordeeld wegens gewelddelicten of verstoring van de openbare orde. Verzoeker acht het ten slotte ook onredelijk dat een wapenvergunning wordt ingetrokken omwille van een veroordeling van vijf jaar geleden. Hij stelt dat zijn argumentatie in het beroepschrift dat de veroordeling dateert van vijf jaar geleden en dat een persoon in die tijdspanne ook kan veranderen en een andere houding en mentaliteit kan aannemen die wel wetsconform is, niet is beantwoord en dat inzonderheid niet wordt verduidelijkt waarom zijn houding en mentaliteit nog steeds dezelfde zouden zijn als in 2015. Sedertdien is hij slechts één keer veroordeeld – opnieuw in het kader van zijn landbouwactiviteiten – maar deze veroordeling “bestaat niet meer ingevolge het hoger beroep”. Van een zorgvuldig handelende overheid mag worden verwacht dat zij de situatie sinds de veroordeling uit 2015 onderzoekt en betrekt bij haar beslissing, maar dat is in casu niet gebeurd. Volgens verzoeker kan dan ook niet redelijk worden verantwoord dat “er tussen 2015 (de veroordeling) en eind 2019 (datum van de beslissing van de gouverneur) geen problemen waren en dan ineens wel”. 5. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de feiten op basis waarvan zijn vergunning is ingetrokken niets te maken hebben met wapens, misdrijven tegen personen, geweld of soortgelijke misdrijven. Naar zijn oordeel is het dan niet relevant of de feiten al dan niet ernstig zijn, maar wel of op grond daarvan in redelijkheid kan worden besloten dat het voorhanden IX-10.084-14/26 hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. Met verwijzing naar arrest nr. 235.047 van 14 juni 2016 stelt verzoeker dat hoewel de verwerende partij in beginsel bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren rekening mag houden met feiten en gedragingen die niets te maken hebben met wapenbezit, zij niet zonder nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, uit het loutere gegeven dat een verzoeker dergelijke feiten en gedragingen heeft gepleegd, mag besluiten dat het wapenbezit een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij dit in casu wel gedaan door uit de veroordeling voor valsheid in geschriften in milieuaangelegenheden zonder meer af te leiden dat hij evenmin afdoende verantwoordelijkheid aan de dag zal leggen als wapenbezitter en dit zonder nadere concrete en afdoende motivering. Dit klemt des te meer daar hij in het verleden nooit problemen heeft gehad met agressie, geweld en wapens. Minstens had de verwerende partij bij het beoordelen van de vraag of wapenbezit wat hem betreft een gevaar kan opleveren voor de openbare orde en veiligheid, zijn gedrag en de houding sedert 2015 moeten betrekken, temeer omdat in het beroepschrift is aangevoerd dat de veroordeling dateert van vijf jaar geleden en een persoon in die tijdspanne kan veranderen en een houding en mentaliteit kan aannemen die wel wetsconform is. Dit is echter niet gebeurd. Voorts benadrukt verzoeker dat veroordelingen ook voldoende recent moeten zijn. Hij is van oordeel dat dit te dezen niet het geval is aangezien de veroordeling dateert van bijna vijf jaar vóór de bestreden beslissing. Dat een dergelijke oude veroordeling als enige feit resulteert in de intrekking van zijn wapenvergunning is volgens verzoeker onredelijk. Voor zover de verwerende partij in de memorie van antwoord opmerkt dat de procureur des Konings in zijn advies heeft verwezen naar de omstandigheid dat verzoeker gekend zou zijn voor een reeks gelijkaardige inbreuken die om diverse redenen zonder gevolg werden geklasseerd of waarin een minnelijke schikking werd opgelegd, repliceert verzoeker dat de bestreden IX-10.084-15/26 beslissing niet op die gegevens steunt en dat het alleszins niet gaat om veroordelingen. Sedert 2015 is hij slechts één keer veroordeeld, maar tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld. De rechtspraak waarnaar de verwerende partij verwijst die betrekking heeft op situaties met meerdere veroordelingen is volgens verzoeker dan ook niet relevant. 6. In zijn laatste memorie voegt verzoeker daar nog aan toe dat bij de beoordeling of wapenbezit een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt, rekening moet worden gehouden met de evolutie op het vlak van moraliteit en persoonlijkheid. Het is immers niet omdat iemand op een bepaald ogenblik zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschriften dat daaruit op zich moet worden afgeleid dat hij onbetrouwbaar zou zijn en nooit meer het vertrouwen zou kunnen genieten dat noodzakelijk is om het recht op wapenbezit onaangetast te laten. Aldus is een nader en individueel onderzoek nodig alvorens op zorgvuldige wijze en met kennis van zaken een beslissing kan worden genomen. Dit is in casu niet gebeurd. Er anders over oordelen, zou impliceren dat iemand die is veroordeeld nooit meer een wapenvergunning kan verkrijgen, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Het is immers slechts bij een veroordeling voor de zwaarste misdaden in het Belgisch strafrecht, opgenomen in titels Ibis en Iter van boek II van het strafwetboek, dat de wetgever heeft gewild dat de betrokkene in geen geval nog een activiteit als wapenhandelaar, -verzamelaar of tussenpersoon kan uitoefenen. Dit geldt dus niet voor de misdrijven waarvoor verzoeker is veroordeeld. Te dezen heeft de verwerende partij geen rekening gehouden met het feit dat verzoekers veroordeling dateert van 2015 en al evenmin met de evolutie van zijn houding en mentaliteit sedert 2015. De verwerende partij verduidelijkt ook geenszins waarom zij van oordeel is dat verzoekers houding en mentaliteit nog steeds dezelfde zouden zijn als in 2015. Beoordeling 7.1. Artikel 11, § 1, tweede lid, van de Wapenwet luidt: IX-10.084-16/26 “Indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of de wettige reden ingeroepen om de vergunning te bekomen, niet meer bestaat, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene de vergunning volgens een door de Koning bepaalde procedure bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings bevoegd voor deze verblijfplaats.” Artikel 13, eerste lid, van de Wapenwet bepaalt: “Indien blijkt dat het voorhanden hebben van de in artikel 12 bedoelde wapens de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene en de Minister van Justitie indien het een persoon zonder verblijfplaats in België betreft, het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken. Dit doet hij na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar de betrokkene zijn verblijfplaats heeft en volgens een procedure bepaald door de Koning.” 7.2 De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 7.3. Bij de beoordeling van de aangevoerde schending van de artikelen 11, § 1, tweede lid en 13, eerste lid, van de Wapenwet en de materiëlemotiveringsplicht, moet ook worden gewezen op artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet, dat luidt: “Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur IX-10.084-17/26 tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen.” Dit voorschrift organiseert een administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het stilzitten en tegen de in de voormelde bepaling opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Aangezien op grond van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de Wapenwet, de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene, de vergunning of het recht om een wapen voorhanden te hebben, kan beperken, schorsen of intrekken, indien blijkt dat dit voorhanden hebben de openbare orde kan verstoren, beschikt de minister of zijn gemachtigde aldus op grond van de devolutieve werking van het beroep, over dezelfde beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. 8.1. Toegepast op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde materiëlemotiveringsbeginsel aldus dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. 8.2. De Wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De beroepsinstantie beschikt te dezen over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State niet toe, binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is IX-10.084-18/26 uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 8.3. De mogelijke verstoring van de openbare orde moet voorts nog actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, wat inhoudt dat de tijd die is verlopen sinds het feit dat volgens de beroepsinstantie erop wijst dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, moet worden meegewogen in de beoordeling van deze mogelijke verstoring. De beroepsinstantie mag binnen het raam van het onderzoek van het beroep, hierbij rekening houden met minder recente feiten ten laste van verzoeker, wanneer zij ook steunt op recente feiten die erop wijzen dat het voorhanden hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren. Uit die recente feiten kan immers blijken dat aan de minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd. De beoordeling of een feit voldoende actueel is in de zin als hiervóór is gesteld om in aanmerking te worden genomen, staat ter beoordeling van de beroepsinstantie, waarbij deze beoordelingsvrijheid, desgevraagd, door de Raad van State wordt getoetst in de zin als hiervóór is gesteld. 9. Verzoeker voert in het middel ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. IX-10.084-19/26 10.1. Vóór de wijziging van artikel 5, § 4, van de Wapenwet bij artikel 4 van de wet van 7 januari 2018 ‘tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en van het Burgerlijk Wetboek’ was er in het geval van een veroordeling wegens valsheid in geschrifte sprake van een zogenaamde interdicerende veroordeling waardoor een vergunningsaanvraag verplicht – gebonden bevoegdheid – onontvankelijk diende te worden bevonden door de overheid. In arrest nr. 22/2013 van 28 februari 2013 heeft het Grondwettelijk Hof hierover overwogen: “Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de maatregel waardoor een wapenvergunning wordt geweigerd aan de persoon die is veroordeeld wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet, waaronder, zoals te dezen, het misdrijf van valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken, tegemoetkomt aan de zorg van de wetgever om te voorkomen dat een vergunning wordt verleend aan personen die zijn veroordeeld voor feiten die de dader of medeplichtige als onbetrouwbaar doen overkomen voor het bezit van een wapenvergunning.” Ondertussen is artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet gewijzigd bij de wet van 7 januari 2018, waardoor de aanvraag voor het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen enkel onontvankelijk moet worden bevonden voor personen die als dader of medeplichtige veroordeeld zijn tot een andere correctionele hoofdstraf dan een geldboete van ten hoogste 500 euro wegens een van de misdrijven bepaald in de opgesomde wetten en wetsbepalingen. 10.2. In de bestreden beslissing komt de verwerende partij tot het besluit dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. Zij argumenteert dat verzoeker op 19 november 2015 door de correctionele rechtbank te Tongeren schuldig is bevonden aan onder meer valsheid in geschrifte. Het betreft een misdrijf dat is opgenomen in de lijst vermeld in artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet. Verzoeker is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand en een IX-10.084-20/26 geldboete van 1.000 euro. De verwerende partij stelt vast dat een dergelijke veroordeling overeenkomstig artikel 11, § 3, laatste lid, van de Wapenwet leidt tot de onontvankelijkheid van een nieuwe vergunningsaanvraag en zij overweegt dat aangezien de wetgever het niet wenselijk vond om een wapenvergunning toe te kennen aan veroordeelden voor misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 1°, 1°/1, 2° en 4°, van de Wapenwet, kan worden aangenomen dat hij evenmin wapenbezit wenste toe te staan aan zij die gebruik maken van het uitzonderingsregime op de algemene vergunningsplicht, waaronder jagers. Indien zij met toepassing van artikel 12 van de Wapenwet toch bepaalde vuurwapens voorhanden zouden mogen houden, zou de openbare orde en veiligheid in gevaar zijn omdat dan wordt ingegaan tegen een van de veiligheden waarin de Wapenwet voorzag bij het invoeren van vergunningsplichtig vuurwapenbezit. De verwerende partij wijst er voorts ook op dat de feiten bovendien ernstig zijn. Uit het vonnis van de correctionele rechtbank van Tongeren van 19 november 2015 blijkt immers dat verzoeker bewust en met bedrieglijk opzet valse mestanalyses heeft gebruikt om de Vlaamse Landmaatschappij te beïnvloeden in haar verdere beslissing en om een herberekening van de mestbalans te vermijden met bijkomende heffingen en administratieve boetes. Zij overweegt dat iemand die doelbewust gebruik maakt van valse documenten om bevoegde diensten te misleiden en te beïnvloeden, met als uitgangspunt bijkomende heffingen en administratieve boetes te willen vermijden, het vertrouwen van de vergunningverlenende overheid niet waard is. Zij vreest dat verzoeker, aangezien hij in staat is om de voornoemde feiten te plegen, als wapenbezitter evenmin afdoende verantwoordelijkheid en integriteit aan de dag zal leggen. Omdat zij in verzoeker niet langer het vertrouwen kan stellen dat in een wapenbezitter moet kunnen worden gesteld, is zij van oordeel dat verzoeker niet langer het recht mag hebben om vuurwapens voorhanden te hebben. 10.3. Uit artikel 13, eerste lid, van de Wapenwet blijkt dat de verwerende partij niet moet aantonen dat wapenbezit daadwerkelijk de openbare orde en veiligheid zal verstoren. Indien uit feiten of gedragingen blijkt dat het voorhanden hebben van een wapen een potentieel gevaar inhoudt voor de IX-10.084-21/26 openbare orde en veiligheid, kan de verwerende partij het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij te dezen wel degelijk van oordeel is dat het wapenbezit in hoofde van verzoeker de openbare orde kan verstoren. 10.4. Ook al heeft het beroep geen betrekking op een nieuwe aanvraag tot het voorhanden houden van wapens, is het niet onwettig dat de verwerende partij refereert aan het feit dat een veroordeling zoals die van verzoeker overeenkomstig artikel 11, § 3, tweede lid, van de Wapenwet leidt tot de onontvankelijkheid van een nieuwe vergunningsaanvraag. Evenmin is het onwettig dat de verwerende partij uit het feit dat de wetgever het niet wenselijk vond om een wapenvergunning toe te kennen aan wie veroordeeld is voor een misdrijf bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet, afleidt dat hij evenmin wapenbezit wenste toe te staan aan zij die gebruik maken van een uitzonderingsregime op de algemene vergunningsplicht zoals jagers. Zoals gezegd heeft het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 22/2013 van 28 februari 2013 overwogen dat de maatregel waardoor een wapenvergunning wordt geweigerd aan de persoon die is veroordeeld wegens een van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet – waaronder het misdrijf van valsheid in geschrifte – tegemoetkomt aan de zorg van de wetgever om te voorkomen dat een vergunning wordt verleend aan personen die zijn veroordeeld voor feiten die de dader of medeplichtige als onbetrouwbaar doen overkomen voor het bezit van een wapenvergunning. 10.5. Verzoeker merkt terecht op dat zijn veroordeling in 2015 geen betrekking heeft op een misdrijf dat verband houdt met wapenbezit, agressie of geweld. De verwerende partij mag evenwel bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, in beginsel ook rekening houden met feiten en gedragingen die niets te IX-10.084-22/26 maken hebben met het wapenbezit, op voorwaarde dat deze feiten en gedragingen genoegzaam vaststaan en de beslissing tot intrekking naar recht kunnen verantwoorden. De verwerende partij kan daarbij niet zonder nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, uit het louter gegeven dat verzoeker dergelijke feiten en gedragingen heeft gepleegd, besluiten dat verzoekers wapenbezit een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de veroordeling voor valsheid in geschrifte op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat het voorhanden hebben van vuurwapens in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden, maar dat deze conclusie wordt verbonden aan de ernst van de feiten. De verwerende partij wijst er daarbij op dat uit het vonnis van de correctionele rechtbank van Tongeren van 19 november 2015 blijkt dat verzoeker bewust en met bedrieglijk opzet valse mestanalyses heeft gebruikt om de Vlaamse Landmaatschappij te beïnvloeden in haar verdere beslissing en een herberekening van de mestbalans te vermijden met bijkomende heffingen en administratieve boetes. Volgens de rechtbank getuigen de vastgestelde en bewezen feiten van een verregaande laksheid met betrekking tot de naleving van de milieureglementering waarbij verzoeker zijn economisch belang boven het belang heeft gesteld dat de gemeenschap heeft bij het behoud van een gezond en veilig leefmilieu. De verwerende partij overweegt dat iemand die doelbewust gebruik maakt van valse documenten om bevoegde diensten te misleiden en te beïnvloeden, met als uitgangspunt bijkomende heffingen en administratieve boetes te willen vermijden, het vertrouwen van de vergunningverlenende overheid niet waard is en vreest dat verzoeker, aangezien hij in staat is om de voornoemde feiten te plegen, als wapenbezitter evenmin afdoende verantwoordelijkheid en integriteit aan de dag zal leggen. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, is er dus wel degelijk een concrete en afdoende motivering waarom zijn veroordeling wegens valsheid in geschrifte de verwerende partij tot het besluit noopt dat zijn wapenbezit een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. IX-10.084-23/26 10.6. Gelet op de ernst van de feiten, de aard van de veroordeling en de gevolgen die de wetgever daaraan verbindt inzake de vergunningsverlening, treedt de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten door een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid af te leiden uit verzoekers veroordeling tot een gevangenisstraf en een geldboete wegens valsheid in geschrifte die dateert van minder dan vijf jaar geleden. Dat het enige tijd heeft geduurd vooraleer de gouverneur op de hoogte was van de veroordeling en een beslissing heeft genomen ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, doet daaraan geen afbreuk. Verzoeker overtuigt niet dat de verwerende partij niettegenstaande zijn veroordeling wegens valsheid in geschrifte die dateert van minder dan vijf jaar voor het nemen van de bestreden beslissing nog rekening moest houden met een mogelijke evolutie van zijn moraliteit en persoonlijkheid sedert die veroordeling uit 2015. Integendeel blijkt dat verzoeker bezwaarlijk gewag kan maken van een dergelijke evolutie aangezien hij op 9 januari 2019 door de correctionele rechtbank van Hasselt opnieuw is veroordeeld – veroordeling die nadien gedeeltelijk is bevestigd door het hof van beroep te Antwerpen in zijn arrest van 8 juni 2022. 11. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.084-24/26 IX-10.084-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.084-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.057 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.617 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div