id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.063 Rolnummer: A. 231214/X-17749 Zaak: Arrest 256063 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 17/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-24 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 08:39 Fiche Arrest nr 256.063 van 17 maart 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 256.063 van 17 maart 2023 in de zaak A. 231.214/X-17.749 In zake : René VANOVERSCHELDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Cappelle kantoor houdend te 8850 Ardooie Polenplein 11 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD DIKSMUIDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Matthias Strubbe kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het verzoekschrift, ingediend op 4 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide van 28 april 2020 waarbij aan de nv Injo Invest een vergunning wordt gegeven voor het bebossen van landbouwgrond aan de Galileistraat te Diksmuide. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. X-17.749-1/10 Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip Cappelle, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Matthias Strubbe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 13 maart 2020 wordt bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide een aanvraag ingediend voor het bebossen van een weiland, gelegen aan de Galileistraat te Beerst, dit is een deelgemeente van de stad Diksmuide (hierna: het betrokken weiland). Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 5 februari 1979 vastgestelde gewestplan Diksmuide-Torhout ligt dit weiland in landschappelijk waardevol agrarische gebied. 3.
- Uit de aanvraag blijkt dat in het centrale deel van het betrokken weiland een wilgenbroekbos zal worden gecreëerd, met daarrond een inheemse struikengordel en – aan de buitenste boorden – een zes meter brede graszone. 3.
- Verzoeker is eigenaar van percelen in de onmiddellijke omgeving van het betrokken weiland. X-17.749-2/10
- Van 3 tot 17 april 2020 wordt over de aanvraag een openbaar onderzoek georganiseerd. Daarin worden vier negatieve – waaronder een van verzoeker – en zes positieve inspraakreacties ontvangen.
- De gemeentelijke omgevingsambtenaren Ruimtelijke Ordening en Milieu adviseren elk voorwaardelijk gunstig. Het departement Landbouw en Visserij van het Vlaamse Gewest verstrekt op 15 april 2020 een ongunstig advies 6.
- Op 28 april 2020 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide het bestreden besluit. Als voorwaarden wordt onder meer opgelegd dat rond het wilgenbroekbos een vier tot zes meter brede inheemse struikengordel wordt aangelegd en dat – aan de buitenste boorden – een zes meter brede graszone wordt behouden. 6.
- Het bestreden besluit wordt als volgt gemotiveerd: “Bebossing vormt binnen de actuele problematiek van klimaat[…]verandering[…] en adaptatie een positieve actie, onder meer door de extra opslag van CO² en buffering van grondwater. Bovendien vormen kleinschalige bossen met streekeigen en zeldzame boomsoorten belangrijke ecologische stapstenen voor fauna en flora. […] Het bos draagt op die manier bij aan de gewenste natuurlijke structuur van Diksmuide. […] Het bos moet worden opgevat als een spontane ontwikkeling van vegetatie (wilgen en elzen). Er kan aangenomen worden dat, in combinatie met de ondervegetatie, het bos onderdak zal bieden aan tal van soorten fauna en flora, wat ecologisch onmiskenbaar een aanwinst is.” 6.
- In het bestreden besluit wordt het volgende gesteld: “De aanplant van het bos [op de betrokken weide] kan […], gezien de beperkte omvang, beschouwd worden als een microlandschap in de ruimere omgeving, vergelijkbaar met een jachtbosje, dewelke historisch ook voorkomen […] in het Polderlandschap. Het bos wordt dusdanig dicht bij de bebouwing van de stadskern aangelegd, dat er […] weinig aantasting is van het open landschap. […] X-17.749-3/10 Landschappelijk gezien is het aan te planten bos beperkt in omvang […]. Het schaalniveau en de draagkracht van de directe omgeving wordt niet overschreden.” 6.
- Tot slot overweegt het bestreden besluit het volgende: “In de motivatienota wordt toegelicht dat het bos onder andere moet fungeren als een groenscherm voor het nabijgelegen Bouwmaterialenbedrijf […] en voor een toekomstige woonuitbreiding […]. […] het agrarisch gebied [mag evenwel] niet aangewend worden om de bufferrol voor dergelijke projecten uitsluitend op zich te nemen. Nieuwe ontwikkelingen, hetzij bedrijvigheid of woonproject, moet[en] telkens op eigen perceel nog voorzien in de nodige landschappelijke buffering en aankleding.” IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste en het tweede middel
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat hij “uitdrukkelijk afstand [doet]” van het eerste en het tweede middel. Deze middelen hoeven bijgevolg niet te worden beoordeeld. B. Het derde en het vierde middel Uiteenzetting van de middelen 8.
- Het derde en het vierde middel zijn afgeleid uit de schending van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: het inrichtingsbesluit) en van het bij koninklijk besluit van 5 februari 1979 vastgestelde gewestplan Diksmuide-Torhout. 8.
- Vooreerst stelt verzoeker dat naast de voornoemde rechtsregels ook artikel 35bis van het Veldwetboek een “in aanmerking te nemen wettelijke bepaling[…]” is. Gelet op artikel 35bis § 1, van dit wetboek kan een bebossingsvergunning uitsluitend verleend worden in een bosgebied, eventueel na overschakeling van landbouwgebied naar bosgebied overeenkomstig de X-17.749-4/10 voorwaarden van deze bepaling. Deze overschakelingsprocedure is te dezen niet gevolgd. 8.
- In het verzoekschrift wordt toegelicht dat uit het inrichtingsbesluit volgt dat het agrarisch gebied en het bosgebied twee onderscheiden gebieden zijn, zodat bebossing niet tot de toegelaten activiteiten in het agrarisch gebied behoort. Bijgevolg strookt de bebossing van het in het agrarisch gebied van het gewestplan gelegen betrokken weiland niet met de wetgeving. 8.
- Verzoeker vervolgt dat de vergunde bebossing op flagrante wijze de esthetische schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol gebied schaadt, daar ze ontegensprekelijk de integriteit van de boomloze open polder aantast. 8.
- Volgens verzoeker is het enige motief ter onderbouwing van het bestreden besluit de stelling dat het bos zou fungeren als groenscherm voor het nabijgelegen bouwmaterialenbedrijf en voor de toekomstige woonuitbreiding. Dit motief is een zuivere drogreden daar het bedrijf en de uitbreiding vanuit alle gezichtshoeken zijdelings gelegen zijn op minstens 80 respectievelijk 85 meter van de dichtste bebossingsrand. 8.
- Tot slot meent verzoeker dat de verwerende partij de bebossingsaanvraag niet neutraal heeft onderzocht. Hij vermoedt dat er inmenging is geweest van “natuurfanaten” die tijdens het openbaar onderzoek niet wettelijk voorziene “pro-schriften” hebben ingediend.
- In zijn memorie wederantwoord voegt verzoeker toe dat uit “[d]e toelichting” bij artikel 11 van het inrichtingsbesluit blijkt dat “voor alle bouw- en verkavelingsaanvragen die op een of andere wijze betrekking hebben op een agrarische activiteit […] het advies [moet worden ingewonnen] van het Ministerie van Landbouw” en dat “[m]et een negatief advies ten gronde […] de gemachtigde ambtenaar zonder meer de aanvraag [dient te] weigeren”. X-17.749-5/10 10.
- In zijn laatste memorie erkent verzoeker dat te dezen artikel 35bis § 1, van het Veldwetboek niet toepasselijk is. Hij leidt daaruit af dat de bebossingsaanvraag getoetst diende te worden aan de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 10.
- Wat de landschappelijke waarde betreft, stelt verzoeker in zijn laatste memorie dat in het open polderlandschap “een jachtbosje zeker af te raden en zelfs bij jacht zeer gevaarlijk [is]” en dat de bebossing het zicht op de open vlakte vanuit de stadskern ernstig zal hinderen. Beoordeling
- Terecht erkent verzoeker in zijn laatste memorie dat te dezen artikel 35bis § 1, van het Veldwetboek niet toepasselijk is.
- Het bestreden besluit is genomen op grond van het toentertijd als volgt luidende artikel 35bis, § 5, eerste lid, eerste zin, van het Veldwetboek: “§
- In de voor de landbouw bestemde gedeelten van het grondgebied is bosaanplanting verboden op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen twee erven; bovendien is vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist.” Artikel 11 van het inrichtingsbesluit luidt: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. […] De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 [lees: 35bis] van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden.” Vastgesteld moet worden dat uit de hiervoor aangehaalde bepalingen volgt dat een bos niet ontoelaatbaar is in een agrarisch gebied van het gewestplan. Artikel 11 van het inrichtingsbesluit dient immers wetsconform te worden uitgelegd en meer bepaald in overeenstemming met X-17.749-6/10 artikel 35bis, § 5, eerste lid, eerste zin, van het Veldwetboek waaruit blijkt dat bosaanplantingen toelaatbaar zijn in agrarisch gebied. Aan de laatstgenoemde vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het door verzoeker opgeworpen feit dat het inrichtingsbesluit, naast het agrarische gebied (artikel 11), een afzonderlijke bestemmingscategorie bosgebied (artikel 12) bevat.
- Het middelonderdeel met betrekking tot de schoonheidswaarde van het landschap is gebrekkig geadstrueerd. Immers laten zowel het verzoekschrift als de memorie van wederantwoord na in te gaan op de in het bestreden besluit opgenomen motieven op grond waarvan de verwerende partij geoordeeld heeft dat de aangevraagde bebossing in overeenstemming is met de eisen ter vrijwaring van deze schoonheidswaarde (randnr. 6.3). De kritiek die verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert (randnr. 10.2) is laattijdig en bijgevolg onontvankelijk.
- Voorts gaat verzoeker er aan voorbij dat uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij uitdrukkelijk niet steunt op de in de aanvraag verdedigde stelling dat het bos zou fungeren als groenscherm voor het nabijgelegen bouwmaterialenbedrijf en voor de toekomstige woonuitbreiding (randnr. 6.4). De middelen laten na het in randnummer 6.2 weergegeven dragende motief van het bestreden besluit te bekritiseren.
- Anders dan verzoeker blijkbaar meent, is er niets onwettig aan het indienen van een positieve inspraakreactie ter gelegenheid van een openbaar onderzoek. Met het uiten van vermoedens over een inmenging van “natuurfanaten” maakt verzoeker geen schending van de aangevoerde rechtsregels aannemelijk. Hetzelfde geldt voor zijn verwijzing naar “[d]e toelichting” bij artikel 11 van het inrichtingsbesluit (randnr. 9), al was het maar omdat het bestreden besluit geen uitspraak doet over een bouw- of verkavelingsaanvraag. X-17.749-7/10
- De conclusie is dat verzoeker er niet van overtuigt dat het bestreden besluit het inrichtingsbesluit of het besluit tot vaststelling van het gewestplan zou schenden.
- Het derde en het vierde middel worden verworpen. C. Het vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Als vijfde middel voert verzoeker aan dat “[d]e bebossing […] de landbouwactiviteiten op de nabijgelegen poldergraslanden en akkergronden [schaadt]”.
- In zijn memorie wederantwoord voegt verzoeker toe dat uit het inrichtingsbesluit volgt dat bebossing niet tot de toegelaten activiteiten in een agrarisch gebied behoort.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat het een gekend fenomeen is dat bomen grondwater onttrekken in een zone die tot driemaal de kruindiameter groot is. De landbouw op de omliggende percelen zal, gezien de voorgenomen hoogte van de bomen, onmiskenbaar en ernstig verstoord worden. Beoordeling
- In zijn memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker de uiteenzetting van het derde middel. Dienaangaande wordt verwezen naar de verwerping van dit middel hiervoor. 22.
- Onder “middel” in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, moet de voldoende en duidelijke omschrijving worden verstaan van de geschonden geachte rechtsregel X-17.749-8/10 en van de wijze waarop die rechtsregel door het bestreden besluit werd geschonden. 22.
- De verwerende partij werpt terecht op dat verzoeker volkomen nalaat aan te geven welke rechtsregel er geschonden zou zijn, zodat hetgeen hij aanvoert niet kan beschouwd worden als een ontvankelijk rechtsmiddel. De exceptie van de verwerende partij is gegrond.
- Het vijfde middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, op een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.749-9/10 X-17.749-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.063 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div