id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.064 Rolnummer: A. 227182/X-17417 Zaak: Arrest 256064 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 17/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-24 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-10 08:39 Fiche Arrest nr 256.064 van 17 maart 2023 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 256.064 van 17 maart 2023 in de zaak A. 227.182/X-17.417 In zake : Jean-Pierre GETTEMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan De Smet kantoor houdend te 1700 Dilbeek Ninoofsesteenweg 244 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Tilleman kantoor houdend te 2000 Antwerpen Meir 24/6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring “van de beslissing genomen door de Gemeenteraad van de Stad Brussel op 5 november 2018, betreffende de terugzetting in graad tot de graad van technisch hulpbeambte”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 244.196 van 5 april 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-17.417-1/8 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Naomi Vanderstraeten, die loco advocaat Johan De Smet verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is vastbenoemd technisch beambte, autobusbestuurder, in dienst van de stad Brussel. Op 17 september 2018 stelt de stadssecretaris een tuchtverslag op tegen verzoeker, waarin hij voorstelt hem de terugzetting in graad op te leggen. Verzoeker wordt ten laste gelegd de bestuurderskaart (voor de tachograaf) van een collega, G. D., te hebben doen verdwijnen. Die was blijven zitten in de tachograaf van een bus die aan verzoeker werd toegewezen. Aanvankelijk verklaarde verzoeker dat hij de bestuurderskaart niet had aangetroffen en onmiddellijk zijn eigen bestuurderskaart in de tachograaf had kunnen inbrengen. Later maakte hij X-17.417-2/8 daarvan dat het hem eerst niet was gelukt om zijn kaart in de gleuf te steken, maar dat dan A. D.S.V. de bestuurderskaart van D. G. uit de tachograaf had gehaald en die kaart uiteindelijk ook had meegenomen. De gemeenteraad hoort verzoeker op 5 november
- Dezelfde dag beslist de gemeenteraad hem de tuchtsanctie van de terugzetting in graad tot de graad van technisch hulpbeambte op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van verzoeker
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van “het zorgvuldigheidsbeginsel, inzonderheid de behoorlijke en correcte feitenvinding en de volledigheid van het dossier”. Toegelicht wordt dat de bestreden beslissing genomen is op grond van eenzijdige verklaringen en dat de verwerende partij zich niet kan beroepen op een strafrechtelijke veroordeling van verzoeker. Van in het begin heeft verzoeker om een confrontatie gevraagd met D. G. en A. D.S.V., maar de verwerende partij heeft daar geen gehoor aan gegeven. Verzoeker heeft de feiten ook nooit erkend. Naar de mening van verzoeker is zijn schuld “niet in rechte vastgesteld”. Beoordeling
- De gemeenteraad legde verzoeker een tuchtstraf op omdat hij, kort gezegd, de bestuurderskaart van een collega uit een tachograaf wegnam en daarover ten aanzien van zijn oversten loog. Geoordeeld werd dat hij hierdoor “niet alleen de vertrouwensband met zijn hiërarchie heeft geschonden maar tevens het X-17.417-3/8 goed imago van de Stad in het gedrang heeft gebracht in het kader van [de] verkeersveiligheid”. Opdat de tuchtoverheid verzoeker rechtmatig voor het tuchtvergrijp kan sanctioneren, is niet vereist dat hij voorafgaandelijk strafrechtelijk schuldig bevonden en veroordeeld zou zijn.
- Dat verzoeker de feiten nooit heeft erkend, staat er niet a priori aan in de weg dat de verwerende partij ze niettemin op goede grond voor vaststaand mag houden. Concreet zet de verwerende partij in de bestreden beslissing onder andere uiteen, niet alleen dat verzoeker bij de politie een verklaring aflegt die haaks staat op zijn eerdere verklaringen aan zijn oversten, maar ook dat, gelet op de tachograafgegevens, zijn (nieuwe) beschuldiging aan het adres van A. D.S.V. niet kan kloppen. Verzoeker doet niet aannemen dat de verwerende partij hieruit onterecht heeft geconcludeerd “dat betrokkene dus gelogen heeft om de bestuurderskaart van zijn collega te doen verdwijnen”. De omstandigheid “dat verzoeker als enige Nederlandstalige op de werkvloer geen goede band had met zijn Franstalige collega’s en [dat zij] hem het leven constant probeerde[n] zuur te maken”, verandert dat niet.
- In zoverre verzoeker wenste dat hij met D. G. en A. D.S.V. geconfronteerd werd, kon hij gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de betrokkenen als getuige op te roepen op de hoorzitting van 5 november
- Ofschoon de verwerende partij hem in de oproepingsbrief naar die hoorzitting uitdrukkelijk op deze mogelijkheid heeft gewezen, heeft hij er geen gebruik van gemaakt. In de bestreden beslissing wordt ter zake vastgesteld “dat betrokkene noch de openbaarheid van verhoor noch een getuigenverhoor gevorderd heeft”.
- Het eerste middel wordt verworpen. X-17.417-4/8 B. Tweede middel Uiteenzetting van verzoeker
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van “het recht van verdediging, inzonderheid de hoorplicht”. Verzoeker betoogt niet behoorlijk gehoord te zijn “in de zin dat er geen enkel gehoor werd gegeven aan de vraag van verzoeker om een gesprek te hebben met alle betrokken partijen teneinde de echte waarheid te achterhalen”. Door de bestreden beslissing onder meer op beweerde strafklachten te doen berusten, schendt de verwerende partij verzoekers recht van verdediging en zelfs het vermoeden van onschuld. Beoordeling
- Volgens verzoeker blijkt uit zijn stuk 3 dat hij “een getuigenverhoor samen met de andere betrokken partijen”, zijnde D. G. en A. D.S.V., heeft gevraagd. Dit is onjuist. In de brief beperkt verzoeker zich ertoe mee te delen dat hij “zeer verwonderd” is dat er geen confrontatie met D. G. en A. D.S.V. heeft plaatsgehad ofschoon een confrontatie “zeer verhelderend” had kunnen zijn. Voorts heeft, zoals sub 7 gezien, verzoeker ervoor gekozen niet de mogelijkheid te baat te nemen om D. G. en A. D.S.V. als getuigen op te roepen op de hoorzitting van 5 november
- Niet op een strafklacht die is ingediend, maar op de feiten die eraan ten grondslag liggen, heeft de verwerende partij de bestreden beslissing gestoeld. De verwerende partij was niet verplicht om, als zij meende voldoende kennis van zaken te hebben, het gevolg aan de strafklacht(en) af te wachten.
- Het middel wordt verworpen. X-17.417-5/8 C. Derde middel Uiteenzetting van verzoeker
- Een derde middel, ten slotte, is afgeleid uit de schending van “de redelijkheidsnorm, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel”. Verzoeker zet uiteen dat geen enkele andere redelijke overheid hem de tuchtsanctie van de terugzetting in graad zou hebben opgelegd op basis van de voorliggende feiten. Niet alleen is het geheel onevenredig om zonder enig grondig onderzoek tot een zo zware tuchtsanctie te beslissen, minstens zou een andere, minder drastische, maatregel ook volstaan hebben. Er is geen rekening gehouden met verzoekers onberispelijke staat van dienst bij de verwerende partij sinds 1 juni
- Hij heeft 36 jaar dienst zonder enig probleem. De commentaar van zijn departement is “allemaal positief”. Ook zijn er de positieve commentaren van de mensen die hij vervoert. Met die elementen is bij het bepalen van de strafmaat geen rekening gehouden. Door de tuchtstraf ontvangt hij nu per maand bijna 300 euro minder; bovendien heeft de tuchtstraf een blijvende invloed op zijn pensioen. Beoordeling
- In het middel wordt niet gestaafd dat er geen grondig onderzoek is gevoerd. Deze bewering wordt niet bijgevallen.
- Evenmin wordt bijgevallen dat de gemeenteraad geen rekening heeft gehouden met verzoekers staat van dienst. In de bestreden beslissing wordt immers overwogen: “Overwegende dat de aan betrokkene ten laste gelegde feiten zouden beschouwd kunnen worden als een ernstige fout in de zin van artikel 15 van het Arbeidsreglement; dat betrokkene voor de tenlaste gelegde feiten had kunnen ontslagen worden; Overwegende dat gelet op de ernst van de feiten enerzijds, maar anderzijds rekening houdend met de afwezigheid van tuchtrechtelijke antecedenten en X-17.417-6/8 het aantal dienstjaren van betrokkene, de voorgestelde tuchtsanctie van de terugzetting in graad een gepaste sanctie is.” Overigens is de beoordeling van zijn wijze van dienstdoen, in het verslag van 31 juli 2018, niet zo positief als verzoeker wil laten uitschijnen. De eindcommentaar luidt: “De heer Gettemans voert zijn opdrachten correct uit zolang er niet van hem wordt verlangd dat hij op een constructieve en communicatieve wijze dient samen te werken met zijn collega’s”.
- Dat de verwerende partij voor het tuchtvergrijp ook een mildere tuchtsanctie had kunnen opleggen houdt niet in dat zij, door dat niet te doen, van de weeromstuit het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel zou hebben geschonden. Oordelen welke sanctie voor een tuchtvergrijp wordt opgelegd, betreft de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid. Daaraan is eigen dat ze in beginsel tot uiteenlopende oordelen kan leiden, die nochtans elk geacht kunnen worden binnen de grenzen te blijven van wat redelijkerwijze als evenredig te beschouwen is. Te dezen overtuigt verzoeker er niet van dat er tussen de in aanmerking genomen disciplinaire tekortkoming en de opgelegde tuchtstraf geen redelijk verband van evenredigheid bestaat.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, op een bijdrage van 40 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-17.417-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.417-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.064 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div