id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.107 Rolnummer: A. 233805/IX-9899 Zaak: Arrest 256107 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 22/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-24 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 08:41 Fiche Arrest nr 256.107 van 22 maart 2023 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 256.107 van 22 maart 2023 in de zaak A. é.805/IX-9899 In zake: Katleen MEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30 bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE RIJKEVORSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 3 juni 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel van 6 april 2021 waarbij de tijdelijke aanstelling van Katleen Meel in het ambt van directeur lagere school wordt beëindigd vanaf 30 juni 2021. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. IX-9899-1/18 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari 2023. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Buket Karaca, die loco advocaat Koenraad Maenhout verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Bij besluit van 25 oktober 2017 verklaart het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel een betrekking van directeur lager onderwijs vacant. Verzoekster wordt bij collegebesluit van 18 april 2018 “met ingang van 1 september 2018 aangesteld in het ambt van directeur lager IX-9899-2/18 onderwijs in GLS De Wegwijzer in afwachting van vaste benoeming”. Zij wordt bij hetzelfde besluit geaffecteerd aan de voormelde school. 3.2. Op 12 juni 2019 vindt een tussentijds evaluatiegesprek plaats tussen verzoekster en een externe evaluator, vertegenwoordiger van de vzw Advies- en Vormingscentrum van Steden en Gemeenten. Dit gesprek resulteert in een tussentijds evaluatieverslag met conclusie ‘gunstig advies’. Het “Tussentijds intern evaluatieverslag” van 5 juli 2019 voor de periode van 1 september 2018 tot 30 juni 2019, opgesteld door de interne evaluator, clusterhoofd Beleving, is eveneens gunstig. Op 12 februari 2020 wordt een verslag van de “360 graden feedback” omtrent het functioneren van verzoekster door het extern bureau Hura opgesteld. Op 14 februari 2020 valt de interne evaluator in een evaluatieverslag “bij het einde van de proeftijd van twee schooljaren” dit extern evaluatieverslag “integraal” bij. Voorgesteld wordt om de proeftijd te verlengen. Het college van burgemeester en schepenen beslist op 2 maart 2020 de proefperiode van verzoekster te verlengen met één schooljaar, tot 30 juni 2021. Tevens wordt beslist een persoonlijk ontwikkelingsplan te laten opstellen voor verzoekster en haar coaching toe te wijzen aan Hura. Met de externe evaluator vindt op 9 april 2020 nog een evaluatiegesprek plaats. Zijn evaluatieverslag van 15 mei 2020 vermeldt als conclusie ‘gunstig’. 3.3. Op 19 maart 2021 wordt een eindevaluatieverslag opgesteld door de interne evaluator en de supervisor. Verzoekster heeft hierop een repliek ingediend. IX-9899-3/18 Op 6 april 2021 beslist het college van burgemeester en schepenen de tijdelijke aanstelling van verzoekster in het ambt van directeur lagere school te beëindigen vanaf 30 juni 2021. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.1. De verwerende partij betwist in haar laatste memorie dat de memorie van antwoord te laat is ingediend: “Het beroep tot nietigverklaring is aan de verwerende partij betekend per aangetekend schrijven van de griffie van de Raad van State van woensdag 09 juni 2021, aldaar ontvangen op vrijdag 11 juni 2021. Als bijlage wordt een uittreksel gevoegd uit het register van de inkomende briefwisseling van de gemeente Rijkevorsel. De memorie van antwoord is ingediend geworden op dinsdag 10 augustus 2021.” 4.2. Het verzoekschrift is inderdaad aan de verwerende partij betekend op 9 juni 2021. Blijkens de antwoordkaart die aan de griffie is terugbezorgd, is die zending afgetekend – en dus in ontvangst genomen – op 10 juni 2021. De uiterste dag om dan een memorie van antwoord in te dienen is 9 augustus 2021. Dat de zending pas daags nadien is ingeschreven in het register, doet hieraan niets af. 4.3. De memorie van antwoord werd op 10 augustus 2021 laattijdig ingediend en wordt uit het debat geweerd. V. Ontvankelijkheid van het beroep 5.1. De verwerende partij zet in haar laatste memorie onder de hoofding ‘ontvankelijkheid – belang’ uiteen dat verzoekster de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel tot IX-9899-4/18 verlenging van de proeftijd van 2 maart 2020 nooit betwist heeft, zodat ze als definitief mag worden beschouwd. Voorts merkt de verwerende partij op dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van een beroepsmogelijkheid tegen een ongunstige evaluatie. 5.2. Het is de Raad van State niet duidelijk of de verwerende partij met die uiteenzetting beoogt formeel de ontvankelijkheid van het beroep te betwisten en zo ja, om welke precieze reden. Het collegebesluit van 2 maart 2020 is niet het voorwerp van het voorliggende beroep. Dat het dan “als definitief mag en moet worden beschouwd” – in zoverre valt de Raad de verwerende partij bij – belet niet dat verzoekster belang heeft om de beslissing aan te vechten die op 6 april 2021 bij het einde van de verlengde proeftijd wordt genomen. De vaststelling dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van “een” beroepsmogelijkheid wordt door de verwerende partij niet nader ontwikkeld en zij knoopt er geen gevolgen aan vast. Die vaststelling hangt overigens samen met de grond van de zaak, zoals hierna zal blijken. 5.3. Er is geen reden om verzoekster belang bij het beroep te ontzeggen. VI. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen 6.1. Verzoekster voert in een eerste middel onder meer de schending aan van de regels inzake functiebeschrijving en evaluatie in het onderwijs zoals beschreven in de artikelen 47bis tot 47septiesdecies van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (“het rechtspositiedecreet”). IX-9899-5/18 Zij betoogt dat de verwerende partij geen enkele van de in het rechtspositiedecreet opgenomen regels inzake functiebeschrijving en evaluatie heeft gerespecteerd. Zij diende als directeur te worden geëvalueerd door “de inrichtende macht”. De stelling van de verwerende partij dat er “in de onderwijsregelgeving geen specifieke beoordelingsprocedure is voorzien voor de proefperiode van directeur” is onjuist aangezien de evaluatieprocedure geldt voor elk lid van het onderwijzend personeel. Verzoekster zet uiteen dat het evaluatie- en begeleidingsproces start met en steunt op een geïndividualiseerde functiebeschrijving. De functiebeschrijving voor het ambt van directeur lagere school is voor verzoekster nooit geïndividualiseerd. Met haar werden ook nooit functioneringsgesprekken in de zin van het rechtspositiedecreet gevoerd. Met haar werd ten slotte ook nooit een evaluatiegesprek gehouden voorafgaand aan de (beweerde) eindevaluatie. Verzoekster vervolgt dat een evaluatiegesprek, dat er in casu nooit is geweest, steeds tot een evaluatieverslag leidt dat ook altijd een eindconclusie bevat. Het “eindevaluatieformulier” van 19 maart 2021 bevat geeneens een eindconclusie, bovenaan is de eindconclusie niet ingevuld. Bovendien moet het evaluatieverslag, als het de eindconclusie ‘onvoldoende’ bevat, op straffe van nietigheid, de beroepsmogelijkheden bevatten. De decreetgever heeft duidelijk bepaald dat het ontbreken van de beroepsmogelijkheden bij een eindconclusie ‘onvoldoende’ van rechtswege aanleiding geeft tot de nietigheid van het evaluatieverslag. Nu er zelfs geen eindevaluatie is gebeurd conform het rechtspositiedecreet, wordt verzoekster de mogelijkheid ontnomen haar recht op beroep uit te oefenen. 6.2. In een tweede middel voert verzoekster onder meer de schending aan van artikel 42, § 4, tweede lid, en artikel 42, § 1, c), van het rechtspositiedecreet. IX-9899-6/18 Vooreerst laat verzoekster gelden dat de verwerende partij vertrekt van de foute premisse dat de tijdelijke aanstelling in het bevorderingsambt van directeur als een soort “proefperiode” geldt. Bovendien miskent de verwerende partij haar eigen beslissing van 18 april 2018 waarbij verzoekster met ingang van 1 september 2018 tijdelijk aangesteld werd in afwachting van een vaste benoeming. Nergens is bepaald dat het bevorderingsambt voor bepaalde of onbepaalde duur kan worden begeven zodat het per definitie van onbepaalde duur is. Voorts wijst verzoekster erop dat uit artikel 42, § 1, c), van het rechtspositiedecreet volgt dat indien het bestuur geen beslissing neemt vóór het einde van het tweede volledige schooljaar, het personeelslid dat aan alle voorwaarden voldoet, geacht wordt van ambtswege benoemd te zijn in het bevorderingsambt, tenzij het voordien schriftelijk te kennen geeft deze benoeming niet te wensen. Verzoekster heeft als tijdelijk aangestelde in het ambt van directeur “in afwachting van een vaste benoeming” na twee schooljaren dus recht op die vaste benoeming indien zij op dat ogenblik voldoet “aan alle voorwaarden van artikel 40”. Verzoekster voldoet aan de eerste en de derde voorwaarde van artikel 40 van het rechtspositiedecreet. In het dossier ligt geen evaluatiedocument voor dat voldoet aan de vereisten van het rechtspositiedecreet. Het verslag van de 360°-bevraging is geen dergelijke evaluatie. Aan de tweede voorwaarde wordt bijgevolg geacht te zijn voldaan. Dat maakt dat verzoekster conform artikel 40 van het rechtspositiedecreet aan alle voorwaarden voor benoeming voldeed en zij geacht moet worden van ambtswege vast benoemd te zijn per 1 september. Verzoekster betwist niet dat de verwerende partij haar tijdelijke aanstelling in het bevorderingsambt kan beëindigen, alleen is de bestreden beslissing een inbreuk op artikel 42, § 4, tweede lid, tweede zin, van het rechtspositiedecreet. IX-9899-7/18 7.1. De verwerende partij antwoordt in haar laatste memorie met betrekking tot het eerste middel dat zij wel degelijk informele en formele functioneringsgesprekken gevoerd heeft met verzoekster. Verzoekster werd gedurende drie schooljaren begeleid en opgevolgd, zowel intern als extern. Zo heeft er op 2 december 2020 een gesprek plaatsgevonden met verzoekster, het clusterhoofd Beleving en de algemeen directeur omtrent het verloop van het persoonlijk coachingstraject en de klachten van leerkrachten. Ook uit de brief van 8 april 2021 van verzoekster blijkt dat zij wel degelijk voldoende is ondersteund door haar evaluator. Zij erkent daarin immers zelf dat zij wekelijks een overleg heeft met één van haar evaluatoren. Het gegeven dat de eindbeoordeling als “onvoldoende” moet worden beschouwd met of zonder uitdrukkelijke eindbeoordeling, kan niet worden betwist. Het gegeven dat de beroepsmogelijkheid niet is vermeld doet geen afbreuk aan de regelmatigheid van de eindevaluatie. Er kan enkel worden vastgesteld dat verzoekster op geen enkel moment enig beroep heeft aangetekend. 7.2. Met betrekking tot het tweede middel betwist de verwerende partij dat zij geen rechten kan putten uit de verlenging van de proeftijd met een extra schooljaar en dat verzoekster bijgevolg reeds op 1 september 2020 vast benoemd was in de functie van directeur. Verzoekster heeft de verlenging van de proeftijd met een extra schooljaar nooit bestreden. Het is pas nadat het college heeft beslist om niet over te gaan tot de vaste benoeming, dat verzoekster plots terugkomt op haar instemming om de tijdelijke aanstelling met een extra schooljaar te verlengen. De verwerende partij verwijst voor het overige naar de weerlegging van het eerste middel. Zij betwist – verwijzend naar het eerste middel – dat verzoekster geen eindevaluatie ‘onvoldoende’ zou hebben gekregen. Verzoekster voldoet niet aan de tweede voorwaarde van artikel 40 van het rechtspositiedecreet. IX-9899-8/18 IX-9899-9/18 Beoordeling 8. Ten tijde van de bestreden beslissing luidt artikel 42, §§ 1 en 4, van het rechtspositiedecreet: “§ 1. Een selectie- of bevorderingsambt kan tijdelijk worden toegewezen:
- a)indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
- b)in een betrekking waarin op grond van artikel 39 geen benoeming mogelijk is;
- c)in afwachting van een vaste benoeming in het selectie- of bevorderingsambt in een instelling. Wanneer het personeelslid tijdelijk in een selectie- of bevorderingsambt wordt aangesteld in een instelling in afwachting van een vaste benoeming, neemt de inrichtende macht uiterlijk op het einde van het tweede volledige schooljaar, een beslissing houdende hetzij vaste benoeming van het personeelslid in het selectie- of bevorderingsambt, indien het op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 40 voldoet, hetzij de terugkeer van het personeelslid naar zijn vorig ambt. Indien de inrichtende macht geen beslissing neemt vóór het einde van die periode wordt het personeelslid dat aan alle voorwaarden van artikel 40 voldoet, geacht van ambtswege vast benoemd te zijn in het selectie- of bevorderingsambt, tenzij het voordien schriftelijk te kennen geeft deze benoeming niet te wensen. De termijn van twee volledige schooljaren kan worden verlengd wanneer het gaat om: 1° de bevorderingsambten in éénklassige kleuter-, lagere en bassisscholen, voor zover personeelsleden van de inrichtende macht die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen, hiervoor niet hebben gekandideerd; 2° de bevorderingsambten van beheerder-internaat, voor zover de titularis van dit ambt niet aan de voorwaarden voor benoeming voldoet. In afwachting van de vaste benoeming blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is;
- d)in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst. […] § 4. Een tijdelijke aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt eindigt voor het geheel of een deel van de opdracht volgens het bepaalde van artikel 21, § 1, a, b, c, d en g. Als de aanstelling gebeurt op grond van § 1bis geldt artikel 21, § 1, g ), niet. Het personeelslid of de inrichtende macht kan om een andere reden dan deze bedoeld in het eerste lid de tijdelijke aanstelling beëindigen gedurende de eerste zes maanden met een opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen. Beide partijen kunnen instemmen met een kortere opzeggingstermijn. Die instemming wordt schriftelijk meegedeeld. Na het verstrijken van deze periode kan de tijdelijke aanstelling enkel op het IX-9899-10/18 einde van het schooljaar worden beëindigd, behoudens een andersluidend schriftelijk akkoord tussen beide partijen.” 9. Verzoekster is tijdelijk aangesteld in een vacante betrekking van het bevorderingsambt van directeur op grond van artikel 42, § 1, c), eerste lid, van het rechtspositiedecreet, namelijk “in afwachting van een vaste benoeming” in het betrokken bevorderingsambt. 10. Dit impliceert dat de verwerende partij, gelet op artikel 42, § 1, c), tweede lid, van het rechtspositiedecreet, “uiterlijk op het einde van het tweede volledige schooljaar” moet beslissen over die al dan niet vaste benoeming van verzoekster. 11. Zoals de Raad van State reeds heeft uiteengezet in zijn arresten nr. 60.107 van 12 juni 1996, nr. 156.680 van 21 maart 2006 en nr. 248.753 van 27 oktober 2020 is zowel met de tekst van artikel 42, § 1, c), als met de erbij in de parlementaire voorbereiding gegeven toelichting bezwaarlijk een andere interpretatie verenigbaar dan de volgende: aan wie twee volledige schooljaren als tijdelijk directeur tot een goed einde heeft gebracht kan zijn recht op benoeming niet ontzegd worden. 12. In de gevallen beschreven in artikel 42, § 1, c), derde lid, van het rechtspositiedecreet mag wel de termijn van twee volledige schooljaren worden verlengd. Op 2 maart 2020 heeft de verwerende partij beslist om de tijdelijke aanstelling van verzoekster met één schooljaar te verlengen. Die beslissing van 2 maart 2020, waarvan verzoekster thans betoogt dat ze onwettig is, is door haar evenwel niet in rechte bestreden, zodat ze definitief is en verzoekster er de gevolgen van moet ondergaan. IX-9899-11/18 Dat betekent dat verzoekster pas op het einde van het schooljaar 2020-2021 een aanspraak kan laten gelden op een vaste benoeming indien zij op dat ogenblik “aan alle voorwaarden van artikel 40 voldoet”. In de mate waarin verzoekster het anders ziet, falen de middelen naar recht. 13. Artikel 40 van het rechtspositiedecreet luidt ten tijde van de bestreden beslissing: “Het personeelslid moet om vastbenoemd te worden in een selectie- of bevorderingsambt, op het ogenblik van de vaste benoeming voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs vastgesteld voor dit specifieke selectie- of bevorderingsambt, organiek of bij overgangsmaatregel; 2° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie ‘onvoldoende’ hebben verkregen in het desbetreffende selectie- of bevorderingsambt bij de inrichtende macht waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ kreeg in een instelling van de inrichtende macht die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ kreeg in een instelling van de inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt aan deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 3° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden van artikel 19.” 14. Niet is betwist dat verzoekster voldeed aan de eerste en de derde voorwaarde van artikel 40. 15. Volgens de verwerende partij was evenwel niet voldaan aan de tweede voorwaarde, omdat – zo ziet de verwerende partij het – verzoekster een ongunstige eindevaluatie heeft gekregen. IX-9899-12/18 16. De verwerende partij betoogt alvast terecht niet, dat zij de aanstelling van verzoekster regelmatig heeft beëindigd met toepassing van één der andere gronden, vermeld in artikel 42, § 4, van het rechtspositiedecreet. 17. Zoals de Raad reeds overwoog in zijn arrest nr. 248.753 van 27 oktober 2020, is het verslag van een zogenaamde 360°-bevraging géén evaluatie in de zin van het rechtspositiedecreet. Er is geen reden om daarop thans terug te komen. Daarmee is niet gezegd dat een bestuur zulke bevraging niet mag hanteren als een instrument bij zijn evaluatie, maar ze mag die evaluatie zelf niet vervangen. Dat is hier ook niet gebeurd, aangezien de interne evaluator het voormelde evaluatieverslag uitdrukkelijk is bijgevallen en zich de bevindingen dus eigen heeft gemaakt, en vervolgens het college de bevindingen van het evaluatieverslag “tot de zijne” heeft gemaakt. Anders dan verzoekster beweert, toont de toepassing van de 360°-bevraging dus niet de onwettigheid van het collegebesluit aan. Om dezelfde reden kunnen ook het beroep op en de bijstand van de vzw OVSG op zich niet de onwettigheid van het collegebesluit aantonen. 18.1. Zoals verzoekster het evenwel terecht opmerkt in het eerste middel, schort er heel wat aan de interne evaluatie. 18.2. Een geïndividualiseerde functiebeschrijving blijkt te ontbreken. Weliswaar legt de verwerende partij als stuk II.1.a een “functiebeschrijving voor het ambt van directeur” van scholengemeenschap De Schakel neer in het administratief dossier. Het stuk is evenwel niet ingevuld – de IX-9899-13/18 naam van de onderwijsinstelling, van het schoolbestuur of van de directeur ontbreekt – en elke handtekening ontbreekt. Het administratief dossier laat niet toe om vast te stellen dat die functiebeschrijving behoorlijk aan verzoekster is meegedeeld. Bij decreet van 9 juli 2021 is de eis van een geïndividualiseerde functiebeschrijving geschrapt, met ingang van 1 september 2021. Ze bestond dus nog wel ten tijde van de bestreden beslissing. De verklaring van verzoekster dat zij nooit een geïndividualiseerde functiebeschrijving heeft gekregen, wordt geenszins door de verwerende partij ontkracht. Luidens artikel 47octies, § 2, tweede lid, van het rechtspositiedecreet kan een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen van hoofdstuk Vbis van het rechtspositiedecreet, niet worden geëvalueerd. 18.3. Het eindevaluatieverslag bevat geen eindconclusie ‘onvoldoende’, alhoewel artikel 47decies, § 2, van het rechtspositiedecreet vereist dat het evaluatieverslag “steeds een eindconclusie” bevat. Aan dit euvel evenwel koppelt het rechtspositiedecreet geen dwingende gevolgen. Het komt de Raad van State voor dat verzoekster geen nadeel heeft ondervonden door het ontbreken van het woord ‘onvoldoende’ als eindconclusie als zodanig. In het verslag is immers besluitend het volgende te lezen: “Er zijn dus zeker positieve stappen gezet. Er dient evenwel opgemerkt [dat] het bestuur […] na drie schooljaren had verwacht dat de stappen in de groei als directeur sneller zouden gezet worden. In zekere zin zou het aangewezen zijn geweest om de proeftijd nogmaals met een schooljaar te verlengen, opdat een en ander verder zou kunnen opgevolgd worden. Dit is evenwel niet mogelijk. Hoewel er dus zeker stappen gezet zijn en er een verbetering merkbaar is, dient een beslissing genomen te worden over een vaste benoeming. Deze evaluatie bestrijkt de ganse proefperiode. Na overleg met de stakeholders en het bestuur, en na lang en grondig beraad, kan worden gesteld dat er uiteindelijk te weinig stappen gezet zijn met betrekking tot de aandachtspunten in het functioneren van Katleen als directeur. Op dit IX-9899-14/18 moment is er nog een te grote terughoudendheid om over te gaan tot een vaste benoeming.” Ook zonder een formele vermelding van het woord ‘onvoldoende’, kan die passus niet anders worden gelezen. Verzoekster heeft dat ook ten volle beseft, zoals blijkt uit de inhoud van haar repliek op het evaluatieverslag, waarin zij onder een hoofding ‘pleidooi om tot aanstelling over te gaan’ uitvoerig argumenteert waarom zij meent wél benoemd te moeten worden. 18.4. Uit artikel 47decies van het rechtspositiedecreet volgt ook dat de directeur aan een bijzonder regime is onderworpen voor de evaluatie: het evaluatiegesprek wordt gehouden met “de inrichtende macht” en het evaluatieverslag moet worden opgesteld “door […] de inrichtende macht”. Sluit zulks niet uit dat het gesprek of het daaropvolgende evaluatieverslag wordt voorbereid door de gemeentelijke administratie of dat de verwerende partij een beroep doet op externen zoals de vzw OVSG of Hura, dan vereist dit wel dat finaal een evaluatiegesprek gevoerd wordt tussen de directeur en het schepencollege – minstens een deugdelijk gemandateerd lid ervan. Zo een gesprek is niet gevoerd. Zonder dit gesprek volstaat het niet dat het evaluatieverslag van 19 maart 2021 in de motivering van het bestreden collegebesluit wordt overgenomen en dat het college “zich de motivering tot de zijne maakt”. 18.5. Er moet worden aangenomen – met de verwerende partij – dat uit het evaluatieverslag van 19 maart 2021 blijkt dat verzoekster de eindevaluatie ‘onvoldoende’ heeft gekregen. Dan moet het verslag luidens artikel 47decies, § 2, vierde lid, van het rechtspositiedecreet “op straffe van nietigheid – steeds de beroepsmogelijkheden bevatten”. De woorden “op straffe van nietigheid” zijn opgeheven bij decreet van 9 juli 2021, maar slechts vanaf 1 september 2021 zodat op datum van IX-9899-15/18 de bestreden beslissing dit vormvoorschrift nog steeds op straffe van nietigheid was voorgeschreven. Dat betekent dat het evaluatieverslag van 19 maart 2021 over verzoekster nietig is. 18.6. Zonder de toentertijd voorgeschreven geïndividualiseerde functiebeschrijving, zonder regelmatig evaluatiegesprek met “de inrichtende macht” en dus met een onregelmatig en zelfs nietig evaluatieverslag is van een deugdelijke “laatste evaluatie met de eindconclusie ‘onvoldoende’” geen sprake. Het eerste middel is in de besproken mate gegrond. Het verantwoordt de nietigverklaring van het bestreden collegebesluit, dat determinerend steunt op deze onwettig tot stand gekomen evaluatie. 19. Hiervóór heeft de Raad enkele vergelijkbare arresten vermeld waarin uitspraak is gedaan over de toepassing van de ook thans besproken rechtspositieregels. Met die drie andere zaken heeft de voorliggende zaak echter één punt niet gemeen. In geen van de drie voorgaanden was het schoolbestuur zelfs maar tot een negatieve beoordeling van de betrokkene gekomen. Dit kon de Raad ertoe brengen, om vast te stellen dat het personeelslid niet werd geëvalueerd, zodat overeenkomstig artikel 40, 2°, in fine, van het rechtspositiedecreet aan de tweede voorwaarde werd “geacht voldaan te zijn”. 20. In de huidige zaak evenwel, heeft de verwerende partij functioneringsgesprekken en evaluatiegesprekken gevoerd met verzoekster en IX-9899-16/18 heeft zij dit laten resulteren in een formeel eindevaluatieverslag waarop dan de beslissing is gevolgd om de aanstelling van verzoekster te beëindigen. Is het nu wel zo dat die beslissing niet regelmatig tot stand is gekomen en dat de nietigverklaring ervan tot gevolg heeft dat ze uit het rechtsverkeer verdwijnt alsof ze nooit heeft bestaan, dan is het dus óók zo dat de verwerende partij in tegenstelling tot wat in de andere zaken het geval was wél een – weliswaar gebrekkige – evaluatieprocedure hééft gevoerd. Bovendien heeft verzoekster niet de weigering aangevochten om haar vast te benoemen, maar enkel het besluit waarbij haar tijdelijke aanstelling wordt beëindigd. Naar het oordeel van de Raad is het dan voorbarig om al te concluderen dat verzoekster niét werd geëvalueerd en zij daarom geacht moet worden te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 40 van het rechtspositiedecreet. Het staat aan de verwerende partij om na de hierna uit te spreken nietigverklaring te onderzoeken of de draad herop te nemen is vanaf het punt waarop de procedure is misgelopen, dan wel of op een andere manier aan verzoekster rechtsherstel kan worden geboden met respect voor de – thans – geldende rechtspositieregels. De Raad van State mag daarop niet vooruitlopen. Indien de verwerende partij vaststelt dat de hiervóór vastgestelde tekortkomingen in de evaluatie van verzoekster niet te herstellen zijn, moet zij daaraan het passende gevolg koppelen dat verzoekster niet is geëvalueerd en dus geacht wordt te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 40 van het rechtspositiedecreet. In die zin is de aangevoerde schending van artikel 42 van het rechtspositiedecreet voorbarig. IX-9899-17/18 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel van 6 april 2021 waarbij de tijdelijke aanstelling van Katleen Meel in het ambt van directeur lagere school wordt beëindigd vanaf 30 juni 2021. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9899-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.107 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div