id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.116 Rolnummer: A. 234226/VII-41182 Zaak: Arrest 256116 - Milieuvergunningen - 23/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-30 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 08:42 Fiche Arrest nr 256.116 van 23 maart 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 256.116 van 23 maart 2023 in de zaak A. 234.226/VII-41.182 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Lambert kantoor houdend te 9620 Zottegem Meersstraat 64 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV VAN ISRAËL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Loofstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 28 mei 2021 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de toezichthouder van de stad Geraardsbergen van 16 maart 2021 houdende afwijzing van het verzoek tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel aan de nv Van Israël, ongegrond wordt verklaard. VII-41.182-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Van Israël heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 22 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 7 juli 2022 een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Lambert, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Bart De Becker, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-41.182-2/14 III. Feiten 3.
- De nv Van Israël exploiteert een inrichting voor de opslag, verpakking en verkoop van potgrond, meststoffen, turf en boomschors, gelegen aan de Gaverstraat 41 te Geraardsbergen. 3.
- Op 4 april 2013 dient de exploitant een aanvraag in voor de hernieuwing en de verandering van de lopende milieuvergunning. 3.
- Bij besluit van 6 februari 2014 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, in graad van bestuurlijk beroep, de gevraagde vergunning. Bij arrest nr. 234.624 van 3 mei 2016 vernietigt de Raad van State de vergunningsbeslissing van 6 februari
- 3.
- Na de herneming van de beroepsprocedure verleent de deputatie bij besluit van 6 oktober 2016 andermaal de gevraagde milieuvergunning. Deze vergunningsbeslissing wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 247.725 van 8 juni
- 3.
- Het ingevolge het vernietigingsarrest nr. 247.725 van 8 juni 2020 te verlenen rechtsherstel leidt ertoe dat de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 25 maart 2021 beslist om de gevraagde vergunning opnieuw te verlenen. Ook deze milieuvergunning wordt bij de Raad van State aangevochten middels een annulatieberoep (zaak A. é.794/VII-41.133). 3.
- Intussen heeft de verzoekende partij op 1 december 2020 een verzoek gericht aan de toezichthouder van de stad Geraardsbergen om de stopzetting van de onvergunde activiteiten te bevelen. 3.
- Op 16 maart 2021 wijst de toezichthouder het verzoek af op grond van de volgende motieven: VII-41.182-3/14 “[…] het arrest van de Raad van State Nr. 247.725 van 8 juni 2020 waarmee de milieuvergunning afgeleverd door de Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 6 oktober 2016 wordt vernietigd; Gelet op als er bij het arrest van de RvS niet expliciet vermeld wordt dat de milieuvergunning in eerste aanleg bijkomend geweigerd wordt, dan wordt deze vergunning opnieuw van kracht bij de vernietiging van het besluit in beroep. Gelet op dat dit laatste het geval is bij Van Israël. M.a.w. het bedrijf beschikt momenteel over een rechtsgeldige milieuvergunning waartegen een beroep van derden is ingediend die niet opschortend werkt. De beroepsprocedure wordt hernomen en is momenteel nog lopende”. 3.
- Tegen deze afwijzende beslissing stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in, waarbij onder meer wordt opgeworpen dat er geen milieuvergunning (meer) voorhanden is, dat de exploitatie hinder veroorzaakt voor de omgeving en dat bij een overstroming er tal van eutrofiërende stoffen als potgrond en turf kunnen meespoelen. In het kader van deze beroepsprocedure dient de exploitant een verweerschrift in waarin wordt aangevoerd dat de bedrijfsactiviteiten wel degelijk op grond van een geldige milieuvergunning plaatsvinden. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 28 mei 2021 wijst de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij als ongegrond af. De bestreden beslissing steunt op de volgende overwegingen: “Artikel 16.4.18, §2 van het DABM schrijft voor dat een verzoek om bestuurlijke maatregelen op te leggen voldoende gemotiveerd moet zijn en aannemelijk moet maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is. Artikel 16.4.5, eerste lid, van het DABM bepaalt dat bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd na de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf. Artikel 16.1.2, 2° van het DABM definieert een milieumisdrijf als een gedraging in strijd met een milieuvoorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van titel XVI van het DABM, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van diezelfde titel. Beroepsindiener had bij verwerende partij een verzoek ingediend om aan vermoedelijke overtreder een bestuurlijke maatregel op te leggen. De milieumisdrijven waar beroepsindiener gewag van maakte waren een onvergunde exploitatie door vermoedelijke overtreder van haar inrichting VII-41.182-4/14 en het veroorzaken van hinder voor de omgeving en een risico voor het leefmilieu. De hernieuwing en uitbreiding van de inrichting van vermoedelijke overtreder werd volgens beroepsindiener verder geëxploiteerd terwijl de vergunning van de deputatie van 6 oktober 2016 voor de hernieuwing en uitbreiding vernietigd was bij arrest van de Raad van State van 8 juni 2020 en er nadien geen vergunning meer werd verleend. Verwerende partij verwijst in de bestreden weigeringsbeslissing naar dit arrest van de Raad van State van 8 juni
- Evenwel stelt verwerende partij dat, als er bij het arrest van de Raad van State waarin het besluit genomen in beroep wordt vernietigd niet expliciet vermeld wordt dat de milieuvergunning in eerste aanleg ‘bijkomend geweigerd’ wordt, de in eerste aanleg verleende vergunning opnieuw van kracht wordt. Aangezien dit laatste volgens de bestreden beslissing het geval is bij vermoedelijke overtreder, beschikte zij volgens verwerende partij op het ogenblik van de bestreden beslissing over een rechtsgeldige milieuvergunning, zijnde dus de bij besluit van het college van burgemeester en schepenen verleende milieuvergunning van 2 september
- Het is niet duidelijk wat de verwerende partij in de bestreden beslissing precies bedoelt met een ‘bijkomende weigering’ door de Raad van State. Het lijkt erop dat verwerende partij toepassing maakt van het zogenaamde Lazarusprincipe, volgens hetwelk bij schorsing of vernietiging door de Raad van State van een in beroep verleende vergunning een exploitant mag terugvallen op de in eerste aanleg verleende vergunning. Evenwel is het Lazarusprincipe door de Raad van State definitief verlaten sinds
- Een schorsing of vernietiging van een in beroep verleende vergunning heeft volgens de sinds 2016 gevestigde rechtspraak van de Raad van State weliswaar tot gevolg dat de zaak wordt teruggeplaatst in de toestand voorafgaand aan de geschorste of vernietigde vergunning, maar dit heeft niet tot gevolg dat de in eerste aanleg verleende beslissing herleeft. Het al dan niet ‘bijkomend weigeren’ door de Raad van State van de in eerste aanleg verleende vergunning (dan nog in de hypothese dat het beroep bij de Raad van State kan worden uitgebreid tot de in eerste aanleg verleende vergunning), heeft hierop geen enkele invloed. De draagwijdte van de devolutieve werking van het administratief beroep houdt bijgevolg niet in dat een schorsing dan wel vernietiging van de beslissing in administratief beroep leidt tot een herleving van de beslissing in eerste aanleg. Volgens artikel 387, eerste lid van het Omgevingsvergunningsdecreet worden de milieuvergunningsaanvragen, ingediend met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: ‘Milieuvergunningsdecreet’) vóór de datum van de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet, behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Het klopt dat het beroep bij de deputatie van beroepsindiener tegen de in eerste aanleg door het college van burgemeester en schepenen verleende milieuvergunning op grond van artikel 24, § 3 van het Milieuvergunningsdecreet en artikel 49, § 3, tweede lid van VLAREM I geen schorsende werking heeft. Een vernietiging door de Raad van State van een in beroep genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag VII-41.182-5/14 heeft tot gevolg dat de administratieve beroepsprocedure tegen de in eerste aanleg genomen beslissing moet worden hernomen. De administratieve beroepsinstantie is derhalve verplicht om na een vernietigingsarrest een nieuwe beslissing te nemen over het ingediende beroep. Het niet schorsend karakter van dat administratief beroep, doet de in eerste aanleg genomen beslissing evenwel niet herleven na de vernietiging van de beroepsbeslissing. Artikel 4, § 1 van het Milieuvergunningsdecreet, van toepassing tot 22 februari 2017, bepaalde dat niemand zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse mocht exploiteren of veranderen. Ook artikel 5, § 1 van VLAREM I, zoals van toepassing tot 22 februari 2017, bepaalde dat niemand zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse, mocht exploiteren. Sinds 23 februari 2017, en dus ook op het ogenblik van het indienen van het verzoek door beroepsindiener, schrijft artikel 5.2.1, § 6, eerste lid van het DABM voor dat voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan een omgevingsvergunning vereist is als vermeld in artikel 6, eerste lid van het omgevingsvergunningsdecreet. Artikel 6, eerste lid van het Omgevingsvergunningendecreet bepaalt sinds 23 februari 2017, en dus ook op het ogenblik van het indienen van het verzoek door beroepsindiener, dat niemand zonder voorafgaande omgevingsvergunning een project dat is onderworpen aan de vergunningsplicht mag uitvoeren, exploiteren, verkavelen of een vergunningsplichtige verandering eraan doen. De afdeling Handhaving concludeert in haar advies dat het afdoende vaststaat dat op het ogenblik van het indienen van de verzoeken om bestuurlijke maatregelen op te leggen sprake was van een milieumisdrijf met name van exploitatie zonder rechtsgeldige milieu- of omgevingsvergunning. In een repliek op het advies van de afdeling Handhaving zegt de raadsman van vermoedelijke overtreder dat er geen sprake was van een milieumisdrijf aangezien vermoedelijke overtreder op grond van artikel 18, § 3, vierde lid van het Milieuvergunningsdecreet en artikel 39, § 3 van VLAREM I verder mocht exploiteren tot er een definitieve beslissing was van de deputatie over het administratief beroep. Deze artikelen bepalen dat een inrichting waarvoor tijdig de hernieuwing van de milieuvergunning is gevraagd verder mag worden geëxploiteerd tot er een definitieve beslissing is. Vermoedelijke overtreder had op 4 april 2013 tijdig de hernieuwing van haar lopende milieuvergunning gevraagd. Op het ogenblik dat er door de beroepsindiener een verzoek werd ingediend tot oplegging van bestuurlijke maatregelen, was er volgens vermoedelijke overtreder derhalve nog geen definitieve beslissing en was dan ook geen sprake van een exploitatie zonder vergunning. De ‘definitieve beslissing’ moet begrepen worden als de in laatste administratieve aanleg genomen beslissing waartegen geen administratief beroep meer open staat. Bij besluit van de deputatie van 6 februari 2014 werd aldus de definitieve beslissing afgeleverd. Dat nadien hiertegen een VII-41.182-6/14 annulatieberoep bij de Raad van State werd ingediend en dat deze beslissing ook werd vernietigd, neemt niet weg dat de beslissing van 6 februari 2014 nog steeds de ‘definitieve beslissing’ was. Dit betekent dat vermoedelijke overtreder na de vernietiging van de beslissing van de deputatie door het arrest van de Raad van State van 3 mei 2016 met nummer 234.624 de exploitatie niet mocht voortzetten aangezien de definitieve beslissing vernietigd was. Pas na het daaropvolgend besluit van de deputatie van 6 oktober 2016 mocht vermoedelijke overtreder de exploitatie voortzetten en dit opnieuw tot de vernietiging van dat laatste besluit bij arrest van de Raad van State van 8 juni 2020 met nummer 247.
- Indien men, zoals vermoedelijke overtreder in haar repliek op het advies van de afdeling Handhaving, de ‘definitieve beslissing’ zou interpreteren in die zin dat, als er een vernietigingsarrest is, er nog geen sprake is van een definitieve beslissing, en men dus verder zou kunnen exploiteren op grond van artikel 18, § 3 van het Milieuvergunningsdecreet en artikel 39, § 3 van VLAREM I, zou men ook de bevoegdheid van de Raad van State en het nut van een vernietigingsarrest uithollen. Vermoedelijke overtreder exploiteerde verder in de periode tussen het vernietigingsarrest van 8 juni 2020 en de nieuwe milieuvergunning verleend bij besluit van de deputatie op 25 maart
- Op dat ogenblik beschikte zij echter niet over een rechtsgeldige milieu- of omgevingsvergunning en mocht zij evenmin de exploitatie verderzetten zoals bedoeld in artikel 18, § 3, vierde lid van het Milieuvergunningsdecreet en artikel 39, § 3 van VLAREM I. Dit betekent dat er op het ogenblik van het indienen van het verzoek door beroepsindiener een schending voorlag van artikelen 5.2.1, § 6 van het DABM en artikel 6 van het Omgevingsvergunningendecreet. Deze regelgeving wordt gehandhaafd overeenkomstig titel XVI van het DABM en de feiten vormen aldus een milieumisdrijf in de zin van het DABM. Dat er sprake was van een exploitatie zonder geldige milieu- of omgevingsvergunning, werd aannemelijk gemaakt in het oorspronkelijk verzoek van beroepsindiener. De verwerende partij kwam onterecht tot de conclusie dat er geen sprake was van exploitatie zonder geldige milieuvergunning en het blijkt evenmin uit het dossier dat verwerende partij enig toezicht ter plaatse heeft uitgeoefend om na te gaan of er sprake was van exploitatie. Beroepsindiener stelt dat er ook sprake is van hinder voor de omgeving of risico’s voor het leefmilieu door de onvergunde exploitatie van vermoedelijke overtreder. De hinder moet vooral blijken uit de enorme omvang van de inrichting en ook uit de (niet meer vergunde) rubrieken, waardoor er heel veel verstoring zou zijn voor de omgeving. Beroepsindiener verwijst ook naar de verleende afwijking in de vernietigde milieuvergunning om rustverstorende activiteiten te mogen uitvoeren tussen 5.00 uur en 22.00 uur. Zoals hierboven reeds gezegd, maakte beroepsindiener in het verzoek aannemelijk dat er sprake was van exploitatie na vernietiging van de milieuvergunning en dus van exploitatie zonder geldige milieuvergunning en zonder recht op voortzetting van de exploitatie. De risico’s voor de omgeving en de impact op het leefmilieu van de exploitatie (ook VII-41.182-7/14 bijvoorbeeld in geval van overstroming) dienen beoordeeld te worden door de vergunningverlenende overheid. In voorliggende beroepsprocedure kan de minister geen uitspraak doen over de risico’s voor het leefmilieu die gepaard gaan met de exploitatie van de inrichting en dus over het al dan niet vergunbaar karakter ervan. Dit behoort tot de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. De minister kan wel vaststellen dat beroepsindiener aannemelijk maakte dat er sprake was van het milieumisdrijf bestaande uit een onvergunde exploitatie, wat ook het geval was. Een toegenomen risico op hinder voor het leefmilieu is inherent aan het exploiteren zonder geldige milieuvergunning, wat hierboven dus reeds als milieumisdrijf werd weerhouden, maar vormt op zich geen afzonderlijk milieumisdrijf. Artikel 22 van het Milieuvergunningsdecreet (tot 22 februari 2017) en artikel 5.4.9, § 2 van het DABM (vanaf 23 februari 2017) bepalen dat, ongeacht de verleende vergunning, de exploitant steeds de nodige maatregelen moet treffen om schade, hinder, incidenten en ongevallen die de mens of het leefmilieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen. Ook volgens artikel 4.1.3.2 van VLAREM II moet de exploitant, als normaal zorgvuldig persoon, alle nodige maatregelen nemen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer. Dit is de zogenaamde milieuzorgplicht die rust op elke exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit. Door louter te wijzen op de omvang van de inrichting, maakte beroepsindiener in het oorspronkelijke verzoek niet aannemelijk dat er sprake is [van] hinder voor de omgeving of van een schending van de milieuzorgplicht. Dat de vernietigde milieuvergunning aan vermoedelijke overtreder een afwijking verleende op de sectorale voorwaarde uit artikel 5.15.0.6, § 1 en artikel 5.19.1.3 van VLAREM II, die rustverstorende activiteiten verbiedt tussen 19.00 uur en 7.00 uur, waardoor rustverstorende activiteiten werden toegestaan tussen 5.00 uur en 22.00 uur, betekent niet per definitie dat vermoedelijke overtreder op het ogenblik van het verzoek ook buiten de toegestane uren rustverstorende activiteiten uitvoerde. Wat de hinder voor de omgeving of de risico’s voor het leefmilieu betreft, maakte beroepsindiener in het oorspronkelijk verzoek niet aannemelijk dat er sprake was van een (afzonderlijk) milieumisdrijf. Artikel 16.4.5, eerste lid van het DABM bepaalt dat bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd na de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf ten aanzien van degene die een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf heeft gepleegd, alsook diegene die opdracht heeft gegeven om handelingen te stellen die een milieu-inbreuk of milieumisdrijf uitmaken. Zoals gezegd was het aannemelijk op het ogenblik van het indienen van het verzoek dat vermoedelijke overtreder een milieumisdrijf pleegde. De raadsman van vermoedelijke overtreder wijst er terecht op dat artikel 16.4.5, eerste lid van het DABM geen verplichting bevat om bestuurlijke maatregelen op te leggen. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij om de bestuurlijke maatregelen op te leggen die zij passend acht mits zij hierbij rekening houdt met de decretale voorschriften en de beginselen van behoorlijk bestuur. Verwerende partij dient daarbij inderdaad het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel te VII-41.182-8/14 respecteren zoals gecodificeerd in artikel 16.4.4 van het DABM dat bepaalt dat er bij het opleggen van bestuurlijke maatregelen geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de feiten die aan de bestuurlijke maatregelen ten grondslag liggen en de maatregelen die op grond van die feiten worden opgelegd. Rekening houdende met deze beginselen kan de verwerende partij ook beslissen om (nog) geen bestuurlijke maatregelen op te leggen. Zoals gezegd dient verwerende partij bij een weigering wel de beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, waaronder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De beslissingen van de verwerende partij zijn als bestuursrechtelijke handelingen onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Het motiveringsbeginsel vereist dat de motivering van de beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de weigeringsbeslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn en bijgevolg voldoende draagkrachtig ter verantwoording van de genomen beslissing. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de verwerende partij onder meer om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de bestreden beslissing en om ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. De motivering van de bestreden beslissing mist juridische grondslag, zoals hierboven reeds besproken. De bestreden beslissing is derhalve onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Artikel 67 van het Milieuhandhavingsbesluit bepaalt evenwel dat, in de gevallen waarin de minister beslist dat aan het verzoek gevolg moet worden gegeven, het hoofd van de afdeling Handhaving of zijn gemachtigde het dossier terug zendt naar de bevoegde persoon die in eerste aanleg het verzoek heeft behandeld. Die persoon behandelt dan opnieuw het verzoek om bestuurlijke maatregelen. Enkele dagen na de bestreden beslissing werd inderdaad een nieuwe milieuvergunning verleend aan vermoedelijke overtreder. Zoals hierboven gezegd komt de inschatting van de eventuele hinder en risico’s voor het leefmilieu, zoals bijvoorbeeld het overstromingsrisico, toe aan de vergunningverlenende overheid. De nieuwe milieuvergunning bevat een zeer uitgebreide watertoets en houdt rekening met de argumenten van beroepsindiener inzake de overstromingsgevoeligheid van het gebied waarin de inrichting ligt. De deputatie besloot dat de inrichting van vermoedelijke overtreder kon vergund worden. Hiermee werd het enige milieumisdrijf dat beroepsindiener in het oorspronkelijke verzoek aannemelijk maakte geregulariseerd. Er is met andere woorden geen reden om aan het oorspronkelijke verzoek nog gevolg te geven en om het dossier terug te sturen naar verwerende partij om het verzoek opnieuw te behandelen”. VII-41.182-9/14 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie nopens het actueel belang van de verzoekende partij
- De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekende partij geen actueel belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing omdat zij sinds 25 maart 2021 over een milieuvergunning beschikt die geldig is tot en met 1 september
- In de gegeven omstandigheid meent zij dat de gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing de verzoekende partij geen enkel voordeel kan opleveren. Daarnaast stipt zij aan dat de verzoekende partij de exceptie van onwettigheid opwerpt tegen de milieuvergunning van 25 maart 2021, terwijl noch de bevoegde Vlaamse minister, noch de toezichthouder van de stad Geraardsbergen als organen van actief bestuur de kwestieuze milieuvergunning als onwettig buiten toepassing kunnen laten. Beoordeling
- De milieuvergunning van 25 maart 2021 waar de tussenkomende partij aan refereert werd met arrest nr. 256.115 van heden, gewezen in zaak A. é.794/VII-41.133, vernietigd. De exceptie mist bijgevolg feitelijke grondslag.
- De opmerking dat de verzoekende partij zich beroept op “de exceptie van onwettigheid van de milieuvergunning van 25 maart 2021”, hangt samen met het onderzoek van de grond van de zaak. VII-41.182-10/14 V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- In een enig middel wordt onder meer opgeworpen dat de milieuvergunning van 25 maart 2021 onwettig is “doordat ze de kracht van gewijsde van twee opeenvolgende vernietigingsarresten inzake [een] eerdere milieuvergunning voor de inrichting schendt”. In de toelichting bij het middel stelt de verzoekende partij onder meer dat de “nog niet definitief geworden milieuvergunning van 25 maart 2021 behept [is] met een flagrante onbetwistbare onwettigheid en dermate grof onrechtmatig is en [de minister] deze milieuvergunning daarom als niet bestaande had dienen te beschouwen”.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij geen rechtstreekse kritiek uitbrengt op de bestreden beslissing. De opgeworpen schendingen zijn namelijk enkel gericht tegen de milieuvergunning van 25 maart
- In de motivering van de thans bestreden beslissing worden de argumenten beantwoord die de verzoekende partij in haar beroepschrift heeft aangevoerd. Voor het overige kwam het in het kader van het nemen van de bestreden beslissing niet aan de Vlaamse minister toe om de wettigheid van de milieuvergunning van 25 maart 2021 te beoordelen. Daarenboven staat artikel 159 van de Grondwet de uitvoerende macht niet toe om een verleende milieuvergunning als onbestaande te beschouwen.
- De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van het enige middel, omdat de verzoekende partij zou hebben nagelaten om op een voldoende duidelijke en precieze wijze aan te geven welke rechtsregels of rechtsbeginselen geschonden worden door de bestreden beslissing. De verzoekende partij geeft geen enkele kritiek op de bestreden beslissing zelf en roept als enig argument in dat de milieuvergunning waarop de bestreden beslissing steunt, behept is met een flagrante onwettigheid. VII-41.182-11/14 Evenmin toont de verzoekende partij aan dat er sprake is van een milieumisdrijf waarvoor op grond van artikel 16.4.5 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) een bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd. Tot slot is de Vlaamse minister niet bevoegd om een milieuvergunning buiten toepassing te laten, aangezien de exceptie van onwettigheid niet kan worden toegepast door een orgaan van het bestuur zelf.
- In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat het gegeven dat zij in haar beroepschrift niets heeft gezegd over de milieuvergunning van 25 maart 2021, valt toe te schrijven aan het feit dat het beroepschrift werd ingediend op 30 maart 2021 en de milieuvergunning pas nadien werd ontvangen. Het is derhalve evident dat in het administratief beroep geen argumenten met betrekking tot die milieuvergunning aan bod kwamen. In de aanhef van het middel werd gesteld dat het bestreden besluit steunt op de milieuvergunning van 25 maart 2021 en dat die vergunning behept is met een flagrante onbetwistbare onwettigheid en dermate grof onrechtmatig is doordat ze de kracht van gewijsde van twee opeenvolgende vernietigingsarresten inzake de eerdere milieuvergunning voor de betrokken inrichting schendt. Op dat argument gaat de verwerende partij niet in, terwijl dat nochtans de essentie van de voorliggende zaak betreft. Beoordeling
- De verzoekende partij voert blijkens de aanhef van het enige middel onder meer de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en meent dat het bestreden besluit (ook) met dit beginsel strijdt doordat het steunt op de milieuvergunning van 25 maart 2021 die volgens haar “behept is met een flagrante onbetwistbare onwettigheid en dermate grof onrechtmatig [is] doordat ze de kracht van gewijsde van twee opeenvolgende vernietigingsarresten inzake [de] eerdere milieuvergunning voor de inrichting schendt”. Aldus maakt de verzoekende partij genoegzaam duidelijk dat zij van mening is dat het thans bestreden besluit niet steunt op juridisch deugdelijke VII-41.182-12/14 motieven en ook waarom die motieven de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel in rechte niet kunnen verantwoorden. Het enige middel is ontvankelijk.
- In de bestreden beslissing wordt onder meer vastgesteld dat “[e]nkele dagen na de bestreden beslissing [versta: de beslissing van de toezichthouder van de stad Geraardsbergen van 16 maart 2021] een nieuwe milieuvergunning verleend” werd, zodat “het enige milieumisdrijf dat beroepsindiener in het oorspronkelijke verzoek aannemelijk maakte geregulariseerd” werd en er dan ook “geen reden [voorligt] om aan het oorspronkelijke verzoek nog gevolg te geven en om het dossier terug te sturen naar [de toezichthouder] om het verzoek opnieuw te behandelen”. Met de “nieuwe vergunning” wordt de op 25 maart 2021 verleende milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van de inrichting bedoeld. Het bestaan van die vergunning vormt voor de Vlaamse minister het decisieve motief om het dossier niet terug te zenden aan de toezichthouder van de stad Geraardsbergen.
- De milieuvergunning van 25 maart 2021 werd vernietigd bij arrest nr. 256.115 van heden en moet dus worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat de in de bestreden beslissing uitdrukkelijk opgegeven motieven ondeugdelijk zijn om aan te nemen dat er geen sprake is van een milieumisdrijf zoals vereist door artikel 16.4.5 DABM. De omstandigheid dat de verzoekende partij de verwerende partij ten onrechte verwijt de betrokken milieuvergunning niet op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te hebben gelaten, doet aan bovenstaande vaststelling geen afbreuk.
- Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. VII-41.182-13/14 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 28 mei 2021 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de toezichthouder van de stad Geraardsbergen van 16 maart 2021 houdende afwijzing van het verzoek tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel aan de nv Van Israël, ongegrond wordt verklaard.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.182-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div